|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap en klimaat
Met
uitzondering van het vrijwel vlakke kalksteengebied in het noordelijke
departement Petén en van de kustvlakten is het land bergachtig. Deel
uitmakend van de Andes loopt in het centrum van oost naar west een keten
onder de namen Sierra de los Cuchumatanes (El Chemal, 3800 m), Sierra de
Chamá en Sierra de Santa Cruz. De Sierra Madre vormt in het zuiden een
bergplateau van meer dan 2000 m hoogte aan de grens met Mexico, in
zuidoostelijke richting aflopend tot ca. 1000 m aan de grens met
Honduras. Dit plateau is omzoomd door ruim dertig vulkanen (Tajamulco,
4220 m; Tacaná, 4093 m); aardbevingen komen veel voor.
De rivieren die uitmonden in de Grote Oceaan zijn kort en hebben een
sterk verval; van de rivieren die uitmonden in de Golf van Honduras,
zijn slechts de Río Motagua en de Río Polochic, stromend door het Lago
de Izabal en daarna Río Dulce genaamd, bevaarbaar. De Río Usumacinta
stroomt noordwaarts naar de Golf van Mexico. Er zijn enige grote meren:
Lago de Izabal, Lago de Atitlán, Lago de Amatitlán, Lago del Petén (of
Itza) en Lago de Guija.
Het
noorden en de kuststreken hebben ten gevolge van de lage ligging een
warm, vochtig klimaat. De gemiddelde temperatuur van deze 'tierra
caliente' is ca. 27 °C; de periode van mei tot oktober is de regentijd.
De 'tierra templada', gelegen tussen 910 en 2440 m, heeft een gemiddelde
temperatuur van 7,5 °C in december en januari en 29 °C in maart en
april.
1.2 Plantengroei en dierenwereld
De begroeiing varieert van savanne (met o.a. Pinus caribea) aan de droge
kust van de Grote Oceaan tot tropisch regenwoud met o.a. Theobroma en
Liquidambar aan de vochtige Atlantische kust. Het land heeft een rijke
dierenwereld, die vooral in het regenwoud een grote diversiteit
vertoont. Het karakter van de fauna is gemengd Midden- en
Zuid-Amerikaans. Het Atitlán nationale park rond het Atitlánmeer
huisvest o.a. de zeer zeldzame en vrijwel uitgestorven reuzenfuut.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
bevolking bestond in 1995 (schatting) uit mestiezen (ladinos; ca. 45%
van de bevolking) en Indianen, van Maya en Quiché afstammend (ca. 45%).
De Indianen wonen overwegend in het hoogland, de ladinos in de
kustvlakte en in de hoofdstad. De jaarlijkse bevolkingstoename bedroeg
in de periode van 1990 tot 1995 ca. 2,9%; in 1995 bedroegen geboorte- en
sterftecijfer resp. 38,7 en 7,7‰, de kindersterfte (beneden één jaar)
was 48‰. Ruim 45% van de bevolking is jonger dan vijftien jaar. In 1995
woonde 41,5% van de bevolking in de steden, waarvan de grootste zijn
Guatemala, Quetzaltenago, Escuintla, Mazatenango en Puerto Barrios.
2.2 Taal
De officiële taal is het Spaans. Slechts een deel van de Indianen
spreekt naast een of meer van de in totaal 22 inheemse talen ook nog
Spaans.
2.3 Religie
De bevolking is in hoofdzaak rooms-katholiek (65%), maar verschillende
gebruiken uit de Maya-godsdienst worden nog in ere gehouden. Na 1871
werd de Rooms-Katholieke Kerk vervolgd en werden haar bezittingen
geconfisqueerd. In de Grondwet van 1956 werd de vrijheid van godsdienst
vastgelegd, evenals het recht van Kerken op grondbezit; ook
godsdienstonderwijs op de scholen is weer toegestaan (1958). Het land
vormt een rooms-katholieke kerkprovincie, verdeeld in tien kerkelijke
gebieden.
Het protestantisme deed zijn intrede met de komst van presbyteriaanse
zendelingen (eind 19de eeuw). In de jaren tachtig is onder invloed van
een actief zendingsbeleid het aantal protestantse christenen gestegen
tot ca. 33% van de bevolking. De meeste gelovigen zijn aangesloten bij
uit de Verenigde Staten afkomstige evangelische kerkgenootschappen.
3. Bestuur en samenleving
3.1. Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1986 berust de wetgevende macht bij het
Nationaal Congres, bestaande uit een Wetgevende Vergadering met 80
leden, via directe verkiezingen voor vijf jaar gekozen. De uitvoerende
macht berust bij de president en een ministerraad. De president wordt
door het volk gekozen voor vijf jaar (niet herkiesbaar); als
verkiezingen geen absolute meerderheid opleveren voor een kandidaat
volgt een tweede ronde. Er is stemplicht voor burgers vanaf achttien
jaar als ze kunnen lezen en schrijven; analfabeten zijn kiesgerechtigd.
3.2 Administratieve indeling
Guatemala is administratief verdeeld in 22 departementen, die zijn
onderverdeeld in 330 gemeenten (municipios); de departementen worden
bestuurd door een benoemde gouverneur. De hoofdstad heeft een aparte
status met een door het volk gekozen burgemeester.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Guatemala is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar
suborganisaties, van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de
Centraal-Amerikaanse Gemeenschappelijke Markt (MCCA) en het
Latijns-Amerikaanse Economische Systeem (SELA).
3.4 Partij- en vakbondswezen
Politieke macht berust in Guatemala traditioneel eerder op persoonlijke
dan op institutionele betrekkingen en was lange tijd direct of indirect
aan militaire invloed onderworpen. Sinds 1984 heeft zich een
stapsgewijze terugtocht van de strijdkrachten uit de politiek
voltrokken, die een democratische nieuwe start ( 'recambio') mogelijk
heeft gemaakt. Sterkste partij (met 53% van de stemmen in 1995) is thans
de conservatieve Partido de Avanzada Nacional (PAN). Verder zijn
belangrijk het extreem-rechtse Frente Republicano Guatemalteco (FRG) en
de gematigde oppositiecombinatie Alianza Nacional (AN), waarin
christen-democraten, liberalen en sociaal-democraten verenigd zijn. Het
vakbondswezen is traditioneel niet sterk georganiseerd; slechts 5% van
de werknemers is bij een vakbond aangesloten. Pas sinds 1986 ontstaat er
meer vrijheid om vakbonden op te richten, lid te worden van een vakbond
en te staken. De belangrijkste koepelorganisatie is het Frente Nacional
Sindical (FNS), waarbij 97% van de bedrijfsvakbonden is aangesloten.
4. Economie
4.1 Inleiding
Vanouds is de Guatemalteekse economie gebaseerd op de export van
landbouwproducten, m.n. koffie, katoen, suiker, bananen en vlees. Van de
economisch actieve bevolking (een kwart van de totale bevolking) is
(1994) 58% werkzaam in de landbouw, ruim 18% in de industrie en 24% in
mijnbouw, handel, bouwnijverheid en dienstverlening; het aandeel van
deze sectoren in het bruto nationaal product bedroeg in 1994 resp. 25%,
19% en 56%.
4.2 Landbouw; veehouderij; bosbouw en visserij
Van het totale landoppervlak is ca. 30% in gebruik voor landbouw (ca.
15.000 km2 is potentieel geschikt voor landbouwgrond), 12% is weidegrond
en ruim 30% is met bos bedekt. Ruim 65% van alle land is in handen van
4% van de grondbezitters, terwijl 88% van de boeren slechts ca. 16% van
de landbouwgrond bezit. Vooral in het westelijke deel van de Altiplano
zijn veel zeer kleine bedrijfjes, waar ook de armoede het grootst is.
Naar schatting is bijna 90% van de bedrijven kleiner dan 7 ha. De
belangrijke verbouw van voedingsgewassen (maïs, bonen, rijst en sorghum)
is sinds de jaren zeventig verminderd door een uitbreiding van de
verbouw van exportgewassen (vooral katoen en suiker, voorts koffie en
bananen), zodat maïs, tarwe en sorghum moeten worden ingevoerd. Koffie
(vooral in de departementen San Marcos, Suchitepéquez en Quetzaltenango)
is het belangrijkste product (Guatemala is achtste wereldproducent); ca.
80% is afkomstig van de grote plantages. Katoen neemt een steeds
belangrijker plaats in en wordt vooral verbouwd in het zuidelijk
kustgebied. Vooral in het zuidelijk kustgebied neemt de veehouderij toe
(rundvee).
Het geweldige bosareaal wordt vooral voor de winning van brandhout
gebruikt; verwerking van tropische houtsoorten geschiedt op zeer
beperkte schaal.
Zeevisserij is van zeer beperkte betekenis, ondanks de rijke visgronden
voor de zuid- en noordoostkust. Garnalen worden uitgevoerd. Ze leveren
jaarlijks zo'n $ 20 miljoen op.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
De mijnbouw is nog van weinig betekenis, al zijn de aardolievondsten
(sinds 1976) in de noordelijke departementen veelbelovend. Ondanks een
nationalistische mijnbouwwetgeving (1975) is vrijwel de gehele winning
van aardolie in buitenlandse, vooral Amerikaanse, handen. De aardolie
van het Rubelsantoveld wordt sinds 1979 door een 230 km lange
pijpleiding naar de raffinaderij bij Puerto Barrios aan de Caribische
kust gepompt. Voorts worden er lood, koper, antimoon, zink, nikkel en
wolfram gewonnen.
Van de geïnstalleerde capaciteit voor de opwekking van elektrische
energie (3 miljoen kWh in 1993) wordt bijna een derde in
waterkrachtcentrales geproduceerd.
4.4 Industrie
De industrie, vnl. midden- en kleinbedrijf en sterk geconcentreerd in de
hoofdstad (80% van de industriële productie), produceert vooral
voedingsmiddelen, textiel, chemische producten en cement. Het land heeft
aardolieraffinaderijen in Escuintla (in het zuiden) en bij Puerto
Barrios. Vooral ingevoerde aardolie wordt verwerkt.
4.5 Handel
De handelsbalans vertoont een wisselend beeld. Terwijl er in de periode
van 1974 tot 1977 sprake was van een tekort, vertoonde de balans sinds
1977 een licht overschot, wat zich echter sinds 1985 weer omzette in een
tekort (1995: invoer: $ 3050 miljoen; uitvoer: $ 2120 miljoen). De
uitvoer bestaat voor ca. driekwart uit landbouwproducten; koffie neemt
met ruim 20% de belangrijkste plaats in, gevolgd door katoen en suiker.
Bananen, vroeger een belangrijk exportproduct, vormen nog slechts ruim
7% van de uitvoerwaarde. De invoer bestaat overwegend uit machines,
aardolie en aardolieproducten, grondstoffen en halffabrikaten. Naast de
landen van de MCCA zijn de belangrijkste handelspartners de Verenigde
Staten (export delfstoffen) en Duitsland.
4.6 Bankwezen
Sinds 1946 is de Banco de Guatemala de Centrale Bank. Van de
handelsbanken is de Banco de Crédito Hipotecario Nacional (staatsbank)
een van de belangrijkste; daarnaast zijn er nog drie
semi-overheidsbanken en acht - deels buitenlandse - particuliere
handelsbanken. De overheid beheert de twee ontwikkelingsbanken voor
landbouw en woningbouw. Voor de industriële ontwikkeling speelt de
Corporación Financiera Nacional (CORFINA) een belangrijke rol.
4.7 Economische planning en ontwikkeling
De regering-Arzú bracht een vrijemarkteconomie, ontmonopolisering en
decentralisering, daling van de inflatie (1995 nog 9%) en verbetering
van de belastinginning. Verhoging van de productiviteit,
werkverschaffing en -ontwikkeling moeten de armoede bestrijden. Veel
financiële hulp wordt gegeven door internationale ontwikkelingsbanken,
door de Verenigde Staten en Venezuela. In de periode 1969-1992 ontving
Guatemala $ 1719 miljoen aan ontwikkelingshulp en gelijktijdig voor $
634 miljoen aan multilaterale steun.
4.8 Verkeer
Een van de grote problemen van Guatemala is het onderontwikkelde
transportsysteem; grote delen van het land (m.n. de noordelijke
departementen, vooral Petén) zijn zeer weinig toegankelijk. Van het
wegennet (12!034 km in 1992) is slechts 3117 km geasfalteerd en het
gehele jaar berijdbaar. De spoorwegen (totale lengte: 917 km in 1990)
verbinden de zeehavens San José en Champerico (beide aan de Grote
Oceaan) met Puerto Barrios (Caribische Zee) en spelen een grote rol bij
het transport naar de hoofdstad. Luchtvaart is van belang voor het
verkeer naar anderszins moeilijk bereikbare gebieden; van de ca. 70
vliegvelden en landingsstrips zijn het internationale vliegveld La
Aurora bij Guatemala en het vliegveld van Puerto Barrios de
belangrijkste.
5. Geschiedenis
5.1 Tot 1982
Vermoedelijk
is Guatemala het gebied van herkomst van de Maya. De kust van Guatemala
werd ontdekt door Columbus (1502) en het land werd van Mexico uit
veroverd door Pedro de Alvarado (1523), onder wie het met de rest van
Centraal-Amerika een kapitein-generaalschap ging vormen (1524),
ressorterend onder de onderkoning van Mexico. Samen met dit land verjoeg
het de Spanjaarden (1821), maar na de val van de Mexicaanse keizer
Iturbide (1823) maakte het deel uit van de Centraal-Amerikaanse Unie,
die na hevige strijd werd ontbonden (1839).
De toen uitgeroepen republiek (17 april 1839) onder Rafael Carrera
(1839-1865) streed tegen de federalisten, onderwierp San Salvador en
bracht Nicaragua en Costa Rica onder haar invloed. De burgeroorlog na de
dood van de eerste president bracht een liberaal, anti-klerikaal bewind
en nieuwe vergeefse pogingen van Bárrios om de Centraal-Amerikaanse Bond
te herstellen. Tijdens de wrede dictatuur van Estrada Cabrera
(1898-1920) nam de Amerikaanse economische overheersing, gesymboliseerd
in de United Fruit Company (Frutera), een aanvang. Deze maatschappij
legde spoorwegen, wegen, havens en elektriciteitsinstallaties aan, die
ze ook exploiteerde. Vooral onder de dictator Jorge Ubico (1931-1944)
ontwikkelde de Frutera zich tot een staat in de staat met grote invloed
op de nationale politici. Groeiend verzet leidde tot de val van Ubico en
de eerste relatief vrije verkiezingen werden gewonnen door de
reformistische hoogleraar Juan José Arévalo, leider van het Frente
Popular Libertador. Zijn sociale politiek riep conflicten op met de
buitenlandse ondernemingen en verkoelde de relaties met Washington.
Jacobo Arbenz Guzmán, die hem in 1951 opvolgde, viel rechtstreeks de
monopoliepositie van de Frutera aan, alsmede de machtspositie van de
traditionele oligarchie door de onteigening en verdeling van ca. 1,5
miljoen ha grond.
In 1954 werd de regering-Arbenz omvergeworpen door een leger van het
land binnengedrongen ballingen die door de Amerikaanse veiligheidsdienst
CIA bewapend en getraind waren. De aanvoerder, kolonel Castillo Armas,
werd president en hij maakte de landhervormingen ongedaan. Nadat hij in
1957 was vermoord, werd generaal Ydígoras Fuentes tot president gekozen.
Onder zijn bewind begonnen de eerste guerrilla-activiteiten. Toen in
1963 ex-president Arévalo de verkiezingen dreigde te winnen, greep het
leger in, en vervolgens bestuurde een rechtse junta het land. In 1966
won de als gematigd links bekend staande Méndez Montenegro de
verkiezingen, maar hij stond machteloos tegenover de bloedige strijd
tussen het leger en rechtse terreurorganisaties als de Witte Hand
enerzijds en de linkse guerrillagroepen als de FAR (Fuerzas Armadas
Rebeldes) en het EGP (Ejército Guerrillero de los Pobres) anderzijds. In
1970-1971 bereikte de escalatie van geweld haar dieptepunt, toen enkele
buitenlandse diplomaten en vele honderden Guatemalteken werden vermoord.
De regeringen van Carlos Araña Osorio (1970-1974) en Kjell Laugerud
García (1974-1978) steunden op de conservatieve vleugel van het leger.
In 1978 won de leider van een rechtse coalitie, generaal Romeo Lucas
García de verkiezingen, die zich in een sfeer van sociale spanningen en
niet aflatende terreur voltrokken.
De internationale economische crisis en een ernstige aardbeving (4 febr.
1976), die ca. 30!000 mensen het leven kostte, troffen het land zwaar.
In de buitenlandse politiek overheerste het geschil om Belize, een
Britse kolonie waarop Guatemala aanspraak maakt. Het bewind van generaal
Lucas werd gekenmerkt door corruptie en misbruik van overheidsfondsen.
5.2 De jaren tachtig en negentig
De presidentsverkiezingen van maart 1982 werden gewonnen door de
officiële kandidaat generaal Angel Aníbal Guevara. Na beschuldigingen
van fraude pleegden legerofficieren een staatsgreep, waarna een junta
van drie militairen onder leiding van generaal Efraín Ríos Montt werd
geïnstalleerd. Het Congres werd gesloten, de grondwet buiten werking
gesteld en activiteiten van politieke partijen tijdelijk verboden.
In juni 1982 werd de junta ontbonden en nam Ríos Montt het
presidentschap op zich. Enerzijds keerde hij zich tegen corruptie en
wanbeleid, anderzijds intensiveerde hij de strijd tegen de guerrilla,
wat leidde tot een golf van schendingen van de mensenrechten. In de loop
van 1982 werden ca. 8000 Indianen vermoord en ontvluchtten meer dan
300!000 mensen het land. In aug. 1983 werd Ríos Montt afgezet door
generaal Oscar Mejía Victores, die democratische verkiezingen beloofde.
Een in juli 1984 gekozen Grondwetgevende Vergadering stelde een nieuwe
grondwet op en op 3 nov. 1985 werden algemene verkiezingen gehouden voor
het presidentschap en het Nationaal Congres.
Op 8 dec. 1985 versloeg de christen-democraat Vinicio Cerezo Arévalo
zijn rechtse rivaal Jorge Carpio Nicolle van de UCN. Tijdens zijn
ambtsperiode (1986-1991) werd Cerezo geconfronteerd met toenemende
sociaal-economische problemen en de macht van de militairen. Er kwam
geen einde aan de ontvoeringen en moorden door (para)militaire
doodseskaders. Ten aanzien van de conflicten in de andere landen van
Midden-Amerika nam de regering van Cerezo een neutrale houding aan. In
aug. 1987 ondertekende Cerezo het vredesplan voor Midden-Amerika. Als
uitvloeisel van dit akkoord vonden sinds 1990 besprekingen plaats tussen
politieke partijen en de guerrillabeweging URNG. Zij werden echter
herhaaldelijk afgebroken. In jan. 1991 volgde de conservatieve Jorge
Serrano Elias Cerezo op als president. De voorzitster van de
boerenorganisatie Comité de Unidad Campesina (CUC), Rigoberta Menchú,
ontving in 1992 de Nobelprijs voor de Vrede wegens haar 'inspanningen
voor de sociale gerechtigheid en de verzoening van verschillende
etnische groepen in haar land'. Sinds haar vlucht naar Mexico in 1981
vertegenwoordigde zij het Guatemalaanse verzet in het buitenland.
Nadat Serrano in mei 1993 had getracht alle macht aan zich te trekken,
werd hij gedwongen zich terug te trekken. Hij werd in juni opgevolgd
door Ramiro de León Carpio, de vroegere ombudsman. De León vroeg in
sept. de leden van het congres af te treden teneinde beter de corruptie
te kunnen bestrijden. Het congres weigerde.
Bij referendum werd eind jan. 1994 een aantal grondwetswijzigingen
goedgekeurd, zoals de verkorting van de ambtstermijn van de president en
de parlementsleden van vijf naar vier jaar. De parlementsverkiezingen
van aug. 1994 leverden een overwinning op voor de extreem-rechtse Frente
Republicano Guatemalteco van oud-dictator Ríos Montt, die beloofde
corruptie en criminaliteit krachtig aan te pakken.
In 1995 werd een deelakkoord bereikt tussen de regering en de
guerrillabeweging URNG (Unidad Revolucionaria Nacional Guatemalteca)
over de erkenning van de identiteit en de rechten van de Indianen, die
tweederde deel van de bevolking uitmaken. Kern van het sociale conflict
vormt de ongelijke verdeling van het landbezit tussen de elite van
grootgrondbezitters en de zeer arme Indiaanse boerenbevolking.
Alvaro Arzú van de rechtse Partido Avanzada Nacional (PAN) was de
winnaar in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen van jan. 1996.
Bij de gelijktijdig gehouden parlementsverkiezingen verwierf de PAN een
kleine meerderheid in het Congres. De opkomst was overigens zeer laag.
De hervatting van de onderhandelingen tussen de regering en de URNG om
een eind te maken aan de burgeroorlog die vanaf het begin van de jaren
zestig aan minstens 140.000 mensen het leven heeft gekost, leidde eind
dec. 1996 tot een definitief vredesakkoord.
Telefoongids Guatemala
Postcodes Guatemala
|