header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Guinee-Bissau

 

Terug naar overzicht Afrika >>

 


 

Guinee-Bissau (officieel: República da Guiné-Bissau), republiek in West-Afrika, 36.125 km2, met (schatting 1995) 1.083.000 inw. (30 inw. per km2); hoofdstad: Bissau. Tot Guinee-Bissau behoren de voor de kust liggende Bissagoseilanden. Munteenheid is de Guinee-Bissause peso, verdeeld in 100 centavos. Nationale feestdag is 24 september, Onafhankelijkheidsdag.

1. Fysische geografie
image:LocationGuineaBissau.pngHet land bestaat uit een kustvlakte die naar het oosten toe geleidelijk stijgt tot een ca. 200 m hoog plateau, met in het uiterste zuidoosten enkele uitlopers (300 m boven de zeespiegel) van het Fouta-Djalongebergte in Guinee. De met mangroven bedekte kust vertoont een grillig karakter met moerassen, slikvelden, zandbanken en duinenrijen. Karakteristiek zijn de meanderende rivieren (Cacheu, Mansoa, Geba en Corubal), die breed uitmonden. Gedurende de regentijd komen, als gevolg van de 100 tot 150 km landinwaarts werkende getijden, delen van het kustgebied onder water. Behalve mangrove- en moerasvegetatie komt hier vooral tropisch regenwoud voor, naar het oosten toe geleidelijk overgaand in savannevegetatie. De dierenwereld is vnl. die van het regenwoud, met o.a. veel apen.
Er heerst een tropisch klimaat met twee seizoenen: een regentijd (mei-nov.) en een droge tijd. De gemiddelde neerslag varieert van 1000 mm per jaar in het uiterste noordoosten tot 3000 mm op de Bissagoseilanden en in het zuidelijke kustgebied. De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt, met geringe verschillen in het noorden en zuiden, ca. 26 °C; april is de warmste maand (gem. max. 35 °C), januari de koelste (gem. min. 17 °C). De relatieve luchtvochtigheid bedraagt gemiddeld 68%.

2. Bevolking
De grootste bevolkingsgroepen vormen de Balante in het westen en zuiden (25%), de Fulani in het noorden en noordoosten (20%), de Mandjako (11%) en de Mandingo beide in het oosten (12%) en de Pepel in het midden van het land (10%). Kleine niet-Afrikaanse minderheden zijn Portugezen, Syriërs en Libanezen, die zich vnl. met de handel bezighouden. Ca. 79% van de bevolking woont op het platteland. Enkele stedelijke centra zijn Bissau, met (schatting 1988) ca. 125.000 inw. het grootst, Bolaha-Bijago's, Buba en Bafatá. De jaarlijkse bevolkingsgroei bedraagt 2,1%. De levensverwachting bij geboorte is een van de laagste in Afrika: 44 jaar (1993). De kindersterfte is hoog (235 op de duizend; zuigelingensterfte: 138 op de duizend). De officiële taal is het Portugees; voertalen zijn het Guineese 'crioulo' en Balante. Van de bevolking hangt 54% animistische stamreligies aan. Ca. 38%, waaronder m.n. veel Fulani en Mandingo, behoort tot de islam. Christenen (vnl. rooms-katholieken) maken 8% van de bevolking uit.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1984, met belangrijke wijzigingen in 1991 en 1993, is het land een presidentiële republiek. Met de invoering van de democratie verdween officieel het monopolie van de staatspartij, de Partido Africano da Indipêndencia da Guiné e Cabo Verde (PAIGC). Het staatshoofd is de president, die voor vijf jaar direct gekozen wordt en over aanzienlijke volmachten beschikt. Hij benoemt de minister-president, die zelf een kabinet samenstelt. De wetgevende macht berust bij het parlement, dat uit 100 voor vijf jaar direct gekozen leden bestaat. In de praktijk is de grondwet echter nog een dode letter, daar de PAIGC nog de dienst uitmaakt. De belangrijkste oppositiepartij is de Resisténcia da Guiné-Bissau-Movimento Báh-Fatá (RGB-MB).
3.2 Administratieve indeling
Bestuurlijk is Guinee-Bissau in drie provincies met acht regionen verdeeld, die weer onderverdeeld zijn in 36 sectoren.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Guinee-Bissau is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar suborganisaties, van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) en van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS). Voorts is Guinee-Bissau een van de ACP-landen die de Lomé-conventies met de EU hebben ondertekend.

4. Economie
Guinee-Bissau is een van de armste landen ter wereld met een inkomen van 240 US $ per hoofd van de bevolking in 1994. Een moderne markteconomie heeft zich nog vrijwel nergens ontwikkeld in Guinee-Bissau, dat bijna volledig afhankelijk is van de agrarische sector: ca. 80% van de bevolking is hierin werkzaam. De landbouw draagt voor 45% bij aan het bruto nationaal product (bnp) en voor 88% aan de export. Van het totale landoppervlak is de helft in cultuur gebracht (12% voor akkerbouw en 38% voor veeteelt). Als gevolg van droogte en sprinkhanenplagen vallen de landbouwopbrengsten tegen. De productie is vnl. gericht op zelfvoorziening van de boerenbevolking, maar volstaat niet; er moet nog voedsel worden ingevoerd. Rijst is het voornaamste voedselgewas, gevolgd door gierst, maniok, aardappelen, suikerriet, yam, fruit, maïs en bonen. Traditionele exportartikelen zijn grondnoten, cashewnoten, kokosnoten en palmproducten. De veehouderij is een belangrijk bestaansmiddel voor de Balante en Fulani in het binnenland. Een klein deel van de huiden wordt geëxporteerd. De exportopbrengst uit de bosbouw bedroeg in 1991 amper $ 1 miljoen. In de exploitatie-overeenkomst met Portugal wordt het belang van herbebossing voor de economische ontwikkeling, voor het tegengaan van bodemerosie en voor het herstel van het ecologisch evenwicht onderstreept. De opbrengsten uit de visserij zijn sinds de jaren zeventig sterk gestegen: Frankrijk, andere EU-lidstaten en Rusland hebben tegen betaling toestemming om in de territoriale wateren van Guinee-Bissau te vissen (200 mijl kuststrook). Er is geen nationale visserijvloot, waardoor het land jaarlijks $ 30 miljoen misloopt.
Mijnbouw en energievoorziening zijn nog nauwelijks ontwikkeld. Bauxiet- en fosfaatvoorraden en aardolie worden in samenwerking met buitenlandse firma's geëxploiteerd. De olie off shore wordt samen met buurland Senegal weldra opgepompt. Daar er weinig verbindingen met het binnenland bestaan, worden de rijke voorraden aan waterkracht vooralsnog niet volledig benut. Van de beroepsbevolking vond in 1993 10% werk in de industriële sector, 18% is het aandeel van deze sector in het bnp van Guinee-Bissau. Er zijn m.n. fabrieken voor voedingsmiddelen, bierbrouwerijen en er is een katoenverwerkende industrie. In bestaande bedrijven had de regering een meerderheidsaandeel verworven, maar inmiddels heeft de privatisering plaatsgevonden. Al voor de onafhankelijkheid overtrof de waarde van de invoer vele malen die van de uitvoer. Om greep te krijgen op de handelsontwikkeling zijn in- en uitvoer en groothandel in handen van de staat gebracht. Tevens zijn er coöperatieve ondernemingen opgezet. Geïmporteerd worden o.a. transportuitrustingen, levensmiddelen, brandstoffen en machines. De belangrijkste handelspartners zijn Spanje en Portugal, India en Thailand. Het handelstekort was in 1994 $ 19 miljoen. De opbrengsten uit landbouw, visserij en bosbouw maken 88% van de export uit (1993). Het grote deviezentekort bemoeilijkt een autonome economische planning. Voor bijna elk project wordt deelneming van buitenlands kapitaal gezocht. Landbouwontwikkeling en kleinschalige industrie krijgen daarbij voorrang. Vanaf 1983 is een begin gemaakt met de liberalisering van de economie. De handel in rijst, aardolieproducten en pesticiden is nog steeds in handen van de staat. Het Structural Adjustment Plan, onder leiding van en gefinancierd door de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), moet een groei van het bnp van 3,5% per jaar bewerkstelligen (hetgeen in de periode 1990 tot 1994 alvast is gelukt) en de inflatie moet omlaag naar 8% in 1997 (in 1985-1994 bedroeg deze 66%). In het Ontwikkelingsplan vormen de landbouw, visserij en de bosbouw de basis voor een zelfvoorzienende economie. Guinee-Bissau ontving in 1993 $ 97,5 miljoen aan ontwikkelingshulp (o.a. van Zweden en Nederland). De buitenlandse schuld bedroeg in 1994 $ 816 miljoen. In 1987 werd met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank een overeenkomst gesloten met als doel de economie weer op te bouwen, na jaren van socialistische experimenten.
Centrale bank is de Banco Nacional da Guiné-Bissau in Bissau. Daarnaast zijn er spaar- en kredietinstellingen, een postspaarbank en een Portugese handelsbank. De infrastructuur is nog zeer onderontwikkeld. Vervoer naar het binnenland geschiedt vnl. langs de rivieren. Het wegennet beslaat 4000 km, waarvan een klein deel asfaltweg. Er bestaat geen spoorwegnet. Daarom zijn de rivieren van groot belang. Meer dan de helft van het goederentransport vindt plaats over de binnenvaarwegen. Bissau bezit behalve een haven ook een internationaal vliegveld (Bissalanca).

5. Geschiedenis
5.1 Portugese overheersing
Guinee-Bissau werd in 1446 ontdekt door Nuno Tristão en kwam daarop in Portugese invloedssfeer. Eind 16de eeuw ontstond als eerste permanente nederzetting van de Portugezen Cacheu; daarna volgden Bissau en, meer landinwaarts, Farim. Het waren versterkte handelsfactorijen, voor de Portugezen vnl. van betekenis voor de slavenhandel. In 1879 werd het gebied, sinds 1650 vanuit de Kaapverdische Eilanden bestuurd, een afzonderlijke kolonie met Bolama als hoofdstad. Na het Congres van Berlijn werden met Frankrijk de definitieve grenzen overeengekomen (1886). In 1942 werd Bissau de hoofdstad van het gebied, dat inmiddels de naam Portugees Guinee had gekregen. In 1951 kreeg het de status van overzeese provincie.
De afschaffing van het assimiladosysteem (waarbij de Afrikaan op initiatief van het koloniaal bestuur theoretisch tot gelijke van de blanke werd verklaard) en van de verkapte dwangarbeid (in 1961), alsmede enkele bestuurlijke hervormingen (1963) konden niet verhinderen dat onder de bevolking (m.n. onder de Balante en de Mandjako) een toenemend verzet tegen de Portugese overheersing ontstond. Sedert 1962 voerden onafhankelijkheidsbewegingen, waarvan de in 1956 opgerichte PAIGC onder leiding van Amilcar Cabral (foto) de voornaamste was, een guerrilla tegen Portugese troepen. De PAIGC slaagde erin in een periode van ca. tien jaar meer dan de helft van het land op de Portugezen te veroveren, en deze terug te dringen in een aantal versterkte dorpen en steden. Op 24 sept. 1973 riep een Nationale Vergadering, samengesteld via algemene, door de PAIGC georganiseerde verkiezingen, te Madina do Boé de onafhankelijkheid van het gebied onder de naam Guinee-Bissau uit. De na de staatsgreep van 25 april 1974 in Portugal (die mede was veroorzaakt door misnoegen over het koloniale beleid van de overheid) optredende regering sloot met de PAIGC een overeenkomst waarbij Guinee-Bissau onafhankelijkheid werd verleend.
5.2 Republiek
Op 24 sept. 1974 werd de republiek uitgeroepen. Staatshoofd werd Luiz Cabral, een halfbroer van Amilcar, die in jan. 1973 was vermoord. In de buitenlandse politiek zocht het land toenadering tot de westerse industrielanden, m.n. tot de EG (in 1975 toetreding tot Overeenkomst van Lomé). Angst voor een overheersing van Kaapverdianen in de PAIGC en in de staat leidde in 1980 tot een militaire coup tegen president Cabral. Na zijn val werd o.l.v. guerrillaleider J.B. Vieira een revolutionaire raad ingesteld. In 1984 werd Vieira zowel (gekozen) staatshoofd als minister-president. Een staatsgreep in 1985 mislukte. De socialistische koers werd in de tweede helft van de jaren tachtig liberaler. In 1991 werd een grondwetswijziging aangenomen die een meerpartijenstelsel toestond en van het land een constitutionele republiek maakte. Volgens de regering werd in maart 1993 een poging tot een staatsgreep verijdeld.
Bij de eerste vrije presidentsverkiezingen in 1994 werd Vieira herkozen. De PAIGC behaalde bij de eerste vrije parlementsverkiezingen in hetzelfde jaar een absolute meerderheid. In 1995 besloten Guinee-Bissau en Senegal tot verdergaande militaire samenwerking en versterkte grensbewaking.

Telefoongids Guinee-Bissau
Postcodes Guinee-Bissau

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009