|
1. Fysische geografie
Het
land bestaat uit een kustvlakte die naar het oosten toe geleidelijk
stijgt tot een ca. 200 m hoog plateau, met in het uiterste zuidoosten
enkele uitlopers (300 m boven de zeespiegel) van het
Fouta-Djalongebergte in Guinee. De met mangroven bedekte kust vertoont
een grillig karakter met moerassen, slikvelden, zandbanken en
duinenrijen. Karakteristiek zijn de meanderende rivieren (Cacheu, Mansoa,
Geba en Corubal), die breed uitmonden. Gedurende de regentijd komen, als
gevolg van de 100 tot 150 km landinwaarts werkende getijden, delen van
het kustgebied onder water. Behalve mangrove- en moerasvegetatie komt
hier vooral tropisch regenwoud voor, naar het oosten toe geleidelijk
overgaand in savannevegetatie. De dierenwereld is vnl. die van het
regenwoud, met o.a. veel apen.
Er heerst een tropisch klimaat met twee seizoenen: een regentijd (mei-nov.)
en een droge tijd. De gemiddelde neerslag varieert van 1000 mm per jaar
in het uiterste noordoosten tot 3000 mm op de Bissagoseilanden en in het
zuidelijke kustgebied. De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt, met
geringe verschillen in het noorden en zuiden, ca. 26 °C; april is de
warmste maand (gem. max. 35 °C), januari de koelste (gem. min. 17 °C).
De relatieve luchtvochtigheid bedraagt gemiddeld 68%.
2. Bevolking
De grootste bevolkingsgroepen vormen de Balante in het westen en zuiden
(25%), de Fulani in het noorden en noordoosten (20%), de Mandjako (11%)
en de Mandingo beide in het oosten (12%) en de Pepel in het midden van
het land (10%). Kleine niet-Afrikaanse minderheden zijn Portugezen,
Syriërs en Libanezen, die zich vnl. met de handel bezighouden. Ca. 79%
van de bevolking woont op het platteland. Enkele stedelijke centra zijn
Bissau, met (schatting 1988) ca. 125.000 inw. het grootst,
Bolaha-Bijago's, Buba en Bafatá. De jaarlijkse bevolkingsgroei bedraagt
2,1%. De levensverwachting bij geboorte is een van de laagste in Afrika:
44 jaar (1993). De kindersterfte is hoog (235 op de duizend;
zuigelingensterfte: 138 op de duizend). De officiële taal is het
Portugees; voertalen zijn het Guineese 'crioulo' en Balante. Van de
bevolking hangt 54% animistische stamreligies aan. Ca. 38%, waaronder m.n.
veel Fulani en Mandingo, behoort tot de islam. Christenen (vnl.
rooms-katholieken) maken 8% van de bevolking uit.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1984, met belangrijke wijzigingen in 1991 en
1993, is het land een presidentiële republiek. Met de invoering van de
democratie verdween officieel het monopolie van de staatspartij, de
Partido Africano da Indipêndencia da Guiné e Cabo Verde (PAIGC). Het
staatshoofd is de president, die voor vijf jaar direct gekozen wordt en
over aanzienlijke volmachten beschikt. Hij benoemt de
minister-president, die zelf een kabinet samenstelt. De wetgevende macht
berust bij het parlement, dat uit 100 voor vijf jaar direct gekozen
leden bestaat. In de praktijk is de grondwet echter nog een dode letter,
daar de PAIGC nog de dienst uitmaakt. De belangrijkste oppositiepartij
is de Resisténcia da Guiné-Bissau-Movimento Báh-Fatá (RGB-MB).
3.2 Administratieve indeling
Bestuurlijk is Guinee-Bissau in drie provincies met acht regionen
verdeeld, die weer onderverdeeld zijn in 36 sectoren.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Guinee-Bissau is lid van de Verenigde Naties en een aantal van haar
suborganisaties, van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) en van
de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS). Voorts
is Guinee-Bissau een van de ACP-landen die de Lomé-conventies met de EU
hebben ondertekend.
4. Economie
Guinee-Bissau
is een van de armste landen ter wereld met een inkomen van 240 US $ per
hoofd van de bevolking in 1994. Een moderne markteconomie heeft zich nog
vrijwel nergens ontwikkeld in Guinee-Bissau, dat bijna volledig
afhankelijk is van de agrarische sector: ca. 80% van de bevolking is
hierin werkzaam. De landbouw draagt voor 45% bij aan het bruto nationaal
product (bnp) en voor 88% aan de export. Van het totale landoppervlak is
de helft in cultuur gebracht (12% voor akkerbouw en 38% voor veeteelt).
Als gevolg van droogte en sprinkhanenplagen vallen de
landbouwopbrengsten tegen. De productie is vnl. gericht op
zelfvoorziening van de boerenbevolking, maar volstaat niet; er moet nog
voedsel worden ingevoerd. Rijst is het voornaamste voedselgewas, gevolgd
door gierst, maniok, aardappelen, suikerriet, yam, fruit, maïs en bonen.
Traditionele exportartikelen zijn grondnoten, cashewnoten, kokosnoten en
palmproducten. De veehouderij is een belangrijk bestaansmiddel voor de
Balante en Fulani in het binnenland. Een klein deel van de huiden wordt
geëxporteerd. De exportopbrengst uit de bosbouw bedroeg in 1991 amper $
1 miljoen. In de exploitatie-overeenkomst met Portugal wordt het belang
van herbebossing voor de economische ontwikkeling, voor het tegengaan
van bodemerosie en voor het herstel van het ecologisch evenwicht
onderstreept. De opbrengsten uit de visserij zijn sinds de jaren
zeventig sterk gestegen: Frankrijk, andere EU-lidstaten en Rusland
hebben tegen betaling toestemming om in de territoriale wateren van
Guinee-Bissau te vissen (200 mijl kuststrook). Er is geen nationale
visserijvloot, waardoor het land jaarlijks $ 30 miljoen misloopt.
Mijnbouw en energievoorziening zijn nog nauwelijks ontwikkeld. Bauxiet-
en fosfaatvoorraden en aardolie worden in samenwerking met buitenlandse
firma's geëxploiteerd. De olie off shore wordt samen met buurland
Senegal weldra opgepompt. Daar er weinig verbindingen met het binnenland
bestaan, worden de rijke voorraden aan waterkracht vooralsnog niet
volledig benut. Van de beroepsbevolking vond in 1993 10% werk in de
industriële sector, 18% is het aandeel van deze sector in het bnp van
Guinee-Bissau. Er zijn m.n. fabrieken voor voedingsmiddelen,
bierbrouwerijen en er is een katoenverwerkende industrie. In bestaande
bedrijven had de regering een meerderheidsaandeel verworven, maar
inmiddels heeft de privatisering plaatsgevonden. Al voor de
onafhankelijkheid overtrof de waarde van de invoer vele malen die van de
uitvoer. Om greep te krijgen op de handelsontwikkeling zijn in- en
uitvoer en groothandel in handen van de staat gebracht. Tevens zijn er
coöperatieve ondernemingen opgezet. Geïmporteerd worden o.a.
transportuitrustingen, levensmiddelen, brandstoffen en machines. De
belangrijkste handelspartners zijn Spanje en Portugal, India en
Thailand. Het handelstekort was in 1994 $ 19 miljoen. De opbrengsten uit
landbouw, visserij en bosbouw maken 88% van de export uit (1993). Het
grote deviezentekort bemoeilijkt een autonome economische planning. Voor
bijna elk project wordt deelneming van buitenlands kapitaal gezocht.
Landbouwontwikkeling en kleinschalige industrie krijgen daarbij
voorrang. Vanaf 1983 is een begin gemaakt met de liberalisering van de
economie. De handel in rijst, aardolieproducten en pesticiden is nog
steeds in handen van de staat. Het Structural Adjustment Plan, onder
leiding van en gefinancierd door de Wereldbank en het Internationaal
Monetair Fonds (IMF), moet een groei van het bnp van 3,5% per jaar
bewerkstelligen (hetgeen in de periode 1990 tot 1994 alvast is gelukt)
en de inflatie moet omlaag naar 8% in 1997 (in 1985-1994 bedroeg deze
66%). In het Ontwikkelingsplan vormen de landbouw, visserij en de
bosbouw de basis voor een zelfvoorzienende economie. Guinee-Bissau
ontving in 1993 $ 97,5 miljoen aan ontwikkelingshulp (o.a. van Zweden en
Nederland). De buitenlandse schuld bedroeg in 1994 $ 816 miljoen. In
1987 werd met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank
een overeenkomst gesloten met als doel de economie weer op te bouwen, na
jaren van socialistische experimenten.
Centrale bank is de Banco Nacional da Guiné-Bissau in Bissau. Daarnaast
zijn er spaar- en kredietinstellingen, een postspaarbank en een
Portugese handelsbank. De infrastructuur is nog zeer onderontwikkeld.
Vervoer naar het binnenland geschiedt vnl. langs de rivieren. Het
wegennet beslaat 4000 km, waarvan een klein deel asfaltweg. Er bestaat
geen spoorwegnet. Daarom zijn de rivieren van groot belang. Meer dan de
helft van het goederentransport vindt plaats over de binnenvaarwegen.
Bissau bezit behalve een haven ook een internationaal vliegveld (Bissalanca).
5. Geschiedenis
5.1 Portugese overheersing
Guinee-Bissau werd in 1446 ontdekt door Nuno Tristão en kwam daarop in
Portugese invloedssfeer. Eind 16de eeuw ontstond als eerste permanente
nederzetting van de Portugezen Cacheu; daarna volgden Bissau en, meer
landinwaarts, Farim. Het waren versterkte handelsfactorijen, voor de
Portugezen vnl. van betekenis voor de slavenhandel. In 1879 werd het
gebied, sinds 1650 vanuit de Kaapverdische Eilanden bestuurd, een
afzonderlijke kolonie met Bolama als hoofdstad. Na het Congres van
Berlijn werden met Frankrijk de definitieve grenzen overeengekomen
(1886). In 1942 werd Bissau de hoofdstad van het gebied, dat inmiddels
de naam Portugees Guinee had gekregen. In 1951 kreeg het de status van
overzeese provincie.
De
afschaffing van het assimiladosysteem (waarbij de Afrikaan op initiatief
van het koloniaal bestuur theoretisch tot gelijke van de blanke werd
verklaard) en van de verkapte dwangarbeid (in 1961), alsmede enkele
bestuurlijke hervormingen (1963) konden niet verhinderen dat onder de
bevolking (m.n. onder de Balante en de Mandjako) een toenemend verzet
tegen de Portugese overheersing ontstond. Sedert 1962 voerden
onafhankelijkheidsbewegingen, waarvan de in 1956 opgerichte PAIGC onder
leiding van Amilcar Cabral (foto) de voornaamste was, een
guerrilla tegen Portugese troepen. De PAIGC slaagde erin in een periode
van ca. tien jaar meer dan de helft van het land op de Portugezen te
veroveren, en deze terug te dringen in een aantal versterkte dorpen en
steden. Op 24 sept. 1973 riep een Nationale Vergadering, samengesteld
via algemene, door de PAIGC georganiseerde verkiezingen, te Madina do
Boé de onafhankelijkheid van het gebied onder de naam Guinee-Bissau uit.
De na de staatsgreep van 25 april 1974 in Portugal (die mede was
veroorzaakt door misnoegen over het koloniale beleid van de overheid)
optredende regering sloot met de PAIGC een overeenkomst waarbij
Guinee-Bissau onafhankelijkheid werd verleend.
5.2 Republiek
Op 24 sept. 1974 werd de republiek uitgeroepen. Staatshoofd werd Luiz
Cabral, een halfbroer van Amilcar, die in jan. 1973 was vermoord. In de
buitenlandse politiek zocht het land toenadering tot de westerse
industrielanden, m.n. tot de EG (in 1975 toetreding tot Overeenkomst van
Lomé). Angst voor een overheersing van Kaapverdianen in de PAIGC en in
de staat leidde in 1980 tot een militaire coup tegen president Cabral.
Na zijn val werd o.l.v. guerrillaleider J.B. Vieira een revolutionaire
raad ingesteld. In 1984 werd Vieira zowel (gekozen) staatshoofd als
minister-president. Een staatsgreep in 1985 mislukte. De socialistische
koers werd in de tweede helft van de jaren tachtig liberaler. In 1991
werd een grondwetswijziging aangenomen die een meerpartijenstelsel
toestond en van het land een constitutionele republiek maakte. Volgens
de regering werd in maart 1993 een poging tot een staatsgreep verijdeld.
Bij de eerste vrije presidentsverkiezingen in 1994 werd Vieira herkozen.
De PAIGC behaalde bij de eerste vrije parlementsverkiezingen in
hetzelfde jaar een absolute meerderheid. In 1995 besloten Guinee-Bissau
en Senegal tot verdergaande militaire samenwerking en versterkte
grensbewaking.
Telefoongids Guinee-Bissau
Postcodes Guinee-Bissau
|