|
1. Landschap
Het reliëf wordt in hoofdzaak bepaald door een gemiddeld 1000 m hoog
tafelland, onderbroken door bergketens: het Acaraigebergte in het
zuiden, het Kanukugebergte in het zuidwesten en het Pacaraimagebergte in
het westen. Savannen strekken zich over grote oppervlakte uit: in het
noordoosten tussen Georgetown en de Corantijn en in het zuidwesten de
Rupununisavanne. Het middenwesten en het zuidoosten zijn bedekt met
tropisch regenwoud. Langs de Atlantische Oceaan ligt een vruchtbare,
15-65 km brede kustvlakte met alluviale slibbedekking; hier zijn op
sommige plaatsen waterkeringen aangebracht, omdat de vlakte deels onder
de hoogwaterlijn ligt. De grootste rivier is de Essequibo, die door vele
zijrivieren wordt gevoed; hiervan zijn de Rupununi, de Potaro (met de
beroemde Kaieteurwatervallen), de Mazaruni en de Cuyuni de
belangrijkste. Voorts zijn van belang de Demerara, de Berbice en de
Corantijn. De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt 27,5 °C; zeewinden
temperen de hitte.
Planten- en dierenwereld zijn zeer rijk geschakeerd en typisch voor
noordelijk Zuid-Amerika. Flora en fauna lijken sterk op die van
Suriname. Het Kaieteur National Park huisvest een rijke flora en fauna
(apen, miereneters, papegaaien en toekans) en bezit een spectaculaire
waterval van 228 m hoog.
2. Bevolking
Van de bevolking is 51% van Indiase en 31% van Afro-Caribische afkomst.
De overige bevolkingsgroepen zijn: mulatten en mestiezen (samen 11%),
Indianen (5%), Portugezen en Chinezen (samen 2%). De jaarlijkse
bevolkingstoename bedraagt 0,5%. Het geboorte- resp. sterftecijfer was
in 1990 26,9‰ resp. 7,8‰. De levensverwachting bij geboorte is voor
mannen 60, voor vrouwen 66 jaar. Ca. 46% van de bevolking woont in
steden, waarvan de grootste zijn Georgetown (195.000 inw.), Linden (het
vroegere Mackenzie; 35.000) en New Amsterdam (25.000). De bevolking is
voor 90% geconcentreerd in de kustgebieden (4% van het landoppervlak);
in de drie binnendistricten (vnl. oerwoud) wonen ca. 40.000 mensen. Na
de onafhankelijkheid zijn vooral veel Britten uit Guyana vertrokken;
vanwege de hoge werkloosheid werd in de jaren zestig en zeventig in
toenemende mate werk gezocht in het buurland Suriname en sinds de jaren
tachtig m.n. in de Verenigde Staten (jaarlijks emigreren 13.500
Guyanezen, van wie 60% naar de VS). De officiële taal is het Engels;
grote groepen van de bevolking spreken Hindi, Creools, Urdu, Portugees
of een van de Indianentalen (o.a. Arawak).
Religie. Meer dan de helft van de bevolking is christen: 34% is
protestant (16% anglicaans en 18% methodistisch), 18% rooms-katholiek;
33% is hindoeïstisch; ca. 10% islamitisch.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Guyana is een coöperatieve republiek binnen het Britse Gemenebest.
Volgens de grondwet van 1980 berust de wetgevende macht bij de Nationale
Vergadering, bestaande uit 53 leden, direct gekozen voor vijf jaar, plus
10 leden, gekozen door de regionale democratische raden en 2 door het
National Congress of Democratic Organs, waarbij de partij die de
verkiezingen wint, ook de president aanwijst. Voor burgers van 18 jaar
en ouder is er algemeen kiesrecht.
3.2 Administratieve indeling
Guyana is bestuurlijk verdeeld in tien districten; in elk district is er
een regionale raad, die voor 5 jaar gekozen wordt. Hieruit hebben
afgevaardigden zitting in het National Congress of Democratic Organs.
Sinds 1970 bestaan er stadsraden in de drie grootste steden en een
vijftigtal gemeenteraden.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Guyana is lid van de Verenigde Naties en van een aantal van haar
speciale organen. Voorts is het land waarnemend lid van de Organisatie
van Amerikaanse Staten (OAS), lid van de Caribische Gemeenschappelijke
Markt (CARICOM) en van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en
Handel (GATT) en geassocieerd lid van de EU (via de verdragen van Lomé).
Guyana maakt ook deel uit van de groep van niet-gebonden landen.
3.4 Partij- en vakbondswezen
De belangrijkste politieke partijen zijn de voormalig
marxistisch-leninistisch georiënteerde People's Progressive Party (PPP,
opgericht in 1953; aanhang vnl. onder Hindoestaanse bevolking) en de in
1957 uit een afsplitsing van de PPP ontstane People's National Congress
(PNC), overwegend steunend op het Afro-Caribische deel van de kiezers.
De PNC, tussen 1968 en 1992 regeringspartij, is ook van oorsprong
marxistisch-leninistisch georiënteerd, maar richt zich de laatste jaren
steeds sterker op het Westen en op het terugdringen van het eertijds
beleden coöperatieve socialisme.
Vakbonden zijn in Guyana actief sinds 1919. In 1981 werd de National
Workers Union (NWU) opgericht, die bestaat uit ca. 200 bonden uit
verschillende sectoren. De Trade Union Council (TUC) is gelieerd aan de
Peoples National Congress (PNC).
4. Economie
De basis van de economie wordt gevormd door de productie en verwerking
van suiker (37% van de exportwaarde), rijst (7%), en bauxiet (32%), goud
en hout, waardoor de economische ontwikkeling in sterke mate afhankelijk
is van de prijsontwikkeling van deze producten op de wereldmarkt. In de
laatste decennia zijn de suikerprijzen te laag geweest om een rendabele
bedrijfsvoering mogelijk te maken, zodat buitenlandse leningen
noodzakelijk waren. In 1976 zijn de particuliere suikerbedrijven
onteigend. Van de suikerproductie wordt thans 90% voortgebracht op de
dertien plantages van de Guyana Sugar Corporation. De overige 10% door
coöperatieven van kleine boeren.
Van de economisch actieve bevolking was in 1988 27% werkzaam in de
landbouw, 26% in de mijnbouw en de industrie en 47% in handel en
diensten.
Van het totale landoppervlak is ca. 2% in gebruik voor de landbouw, ruim
11% is weidegrond en ruim 85% is met tropisch regenwoud bedekt.
Suikerriet wordt vooral verbouwd in de delta van de Essequibo en in
polders in het kustgebied. Een ander belangrijk product is rijst, voorts
kokosnoten, koffie, cacao, bananen, citrusvruchten en tabak. De overheid
stimuleert diversificatie van de landbouw. De veehouderij (runderen in
het savannegebied, varkens en pluimvee) is belangrijk, vooral de
zuivelproductie wordt bevorderd. Zeevisserij levert een belangrijk
aandeel in de voedselvoorziening; garnalen worden uitgevoerd. Vanouds is
de exploitatie van edele houtsoorten (vooral greenheart en balata) van
betekenis; veel hout wordt gekapt voor brandhout.
De belangrijkste delfstof is bauxiet; de winning en verwerking zijn
sinds 1986 in Amerikaanse en Braziliaanse handen. De belangrijkste
winplaatsen zijn Linden en Kwakwani. Door het ineenzakken van de
wereldmarkt en door slecht management geraakte de bauxietindustrie vanaf
de tweede helft van de jaren zeventig in grote problemen. Thans lijkt
zich een keer ten goede mogelijk. Overige mineralen die commercieel
geëxploiteerd worden, zijn goud en diamanten. De
elektriciteitsvoorziening is in handen van de overheid; de
geïnstalleerde capaciteit is voor een deel direct bestemd voor de
verwerking van suiker en bauxiet; het potentieel aan waterkracht wordt
nog in geringe mate benut voor de opwekking van elektriciteit. Het land
is daarom grotendeels afhankelijk van aardolie-import. In de toekomst
hoopt men die voor de eigen kust te kunnen winnen.
Ruim driekwart van de industriële activiteit bestaat uit de verwerking
van landbouwproducten (suikerriet en rijst), bauxiet en hout. Door de
grote economische problemen en daarmee samenhangende importbeperkingen
hebben vele kleine industriële bedrijven hun productie moeten staken.
Ondanks verregaande importbeperkingen worstelt Guyana met structurele
handelstekorten. Het probleem van de negatieve betalingsbalans is nog
verergerd door de hoge schuldenlast (1993: $ 1938 miljoen).
De invoer betreft vooral aardolieproducten (22%), voedingsmiddelen
(19%), machines en transportmiddelen (41%) en chemische producten (7%).
De belangrijkste handelspartners zijn de Verenigde Staten,
Groot-Brittannië, Trinidad en Tobago en de EU. Als centrale bank
fungeert sinds 1965 de Bank of Guyana. De strikte deviezencontrole
beperkt de activiteiten van het particuliere bankwezen. Niettemin zijn
er zeven handelsbanken en enkele hypotheek- en ontwikkelingsbanken.
In de economische planning wordt prioriteit gegeven aan diversificatie
van de landbouw, industriële verwerking van de producten (groente,
citrusvruchten, bananen, koffie, rijst, cacao) en uitbreiding van de
houtverwerkende industrie. Voor de financiering van de economische
ontwikkeling is het land bijna geheel aangewezen op buitenlandse hulp,
waarbij vooral fondsen via multilaterale organen worden gevraagd. Na het
echec van de radicale politiek van de afgelopen decennia wordt thans een
gematigd beleid gevoerd. De regering tracht particuliere bedrijven, m.n.
uit de Verenigde Staten, aan te trekken.
Het verkeer wordt voor grote problemen gesteld door de
ontoegankelijkheid van het binnenland. Van het ruim 8870 km lange
wegennet (vooral in het kustgebied) zijn slechts de wegen in het
kustgebied (tot 150 km landinwaarts) goed begaanbaar. Een belangrijke
rol speelt de riviervaart (Essequibo, Demerara en Berbice); de
scheepvaart wordt veelvuldig gehinderd door de vele stroomversnellingen.
Er zijn twee spoorwegen in Guyana, beide alleen geschikt voor het
vervoer van goederen (mineralen). Er zijn ca. 200 landingsstrips voor
kleine vliegtuigen; voorts 21 grotere vliegvelden; de luchthaven van
Timehri (bij Georgetown) is geschikt voor het internationale
luchtverkeer.
5. Geschiedenis
5.1 1803-1965
Guyana werd in 1803 door de Britten op de Nederlanders veroverd en in
1814 formeel door Nederland aan Groot-Brittannië afgestaan. De Engelsen
ontwikkelden Brits-Guiana verder als plantagekolonie. Na de afschaffing
van de slavernij in 1834 werd in de behoefte aan arbeidskrachten
voorzien door immigratie van Brits-Indiërs (240.000), 14.000 Chinezen en
32.000 Portugezen als contractarbeiders. De economie van het land bleef
in hoge mate afhankelijk van deze plantagelandbouw. Daarnaast werd vanaf
1920 de bauxietproductie gestart, terwijl ook zelfvoorziening in de
landbouw aan belang won. In 1928 brachten de Britten de kolonie onder
hun directe gezag door het instellen van een wetgevende raad waarvan de
meeste leden werden benoemd. Langzamerhand werd een parlementair
democratisch stelsel ingevoerd. In 1953 werden de eerste vrije
verkiezingen met algemeen stemrecht gehouden. Toen ook kreeg het land
gedeeltelijk en in 1960 volledig zelfbestuur. De voorvechter van
spoedige onafhankelijkheid, de marxistisch georiënteerde Indische
tandarts Cheddy Jagan, die in 1953 na een verkiezingsoverwinning van
zijn People's Progressive Party (PPP), die zich
coöperatief-socialistisch noemde, tot premier was benoemd, werd zes
maanden later door het Britse gezag afgezet. Van 1957 tot 1964 was Jagan
opnieuw premier. In juni van het laatste jaar nam de Britse gouverneur
alle macht in handen naar aanleiding van ernstige rassenonlusten tussen
Indiërs en negers, die ook in 1962 en 1963 Britse troepen tot ingrijpen
hadden genoodzaakt. Bij de verkiezingen van dec. 1964 verloor Jagans PPP,
mede door een verandering van het kiesstelsel, de absolute meerderheid,
waarna zijn voormalige partijgenoot, nu de leider van het People's
National Congress (PNC), Forbes Burnham, een coalitieregering vormde.
5.2 Periode Burnham
Na de in nov. 1965 te Londen gehouden constitutionele conferentie werd
Guyana op 26 mei 1966 een onafhankelijke parlementaire monarchie binnen
het Gemenebest, welke status op 23 febr. 1970 gewijzigd werd in die van
coöperatieve republiek. De PPP en de PNC bleven het politieke toneel
beheersen. Burnham zette zijn premierschap voort en leidde de PNC ook in
1973 naar een ruime, maar volgens velen frauduleuze,
verkiezingsoverwinning. Zijn beleid werd steeds radicaler. Zijn
binnenlands beleid kenmerkte zich door een sterk economisch
nationalisme, dat bijv. tot uitdrukking kwam in de nationalisatie van de
mijnbouw (bauxiet) en van alle grote suikerplantages. In zijn
buitenlandse politiek streefde Burnham ernaar zich onafhankelijker op te
stellen van de Verenigde Staten. Hij zocht toenadering tot Cuba en China
en stelde zich fervent anti-imperialistisch op in de organisatie van
niet-gebonden landen. In 1970 sloot hij voorlopige akkoorden over de
grensgeschillen met Venezuela, dat aanspraak maakt(e) op het gebied ten
westen van de Essequibo, en met Suriname, dat de Boven-Corantijn (de
bovenloop van de Corantijn, tot 1965 New River geheten) als de grens
beschouwd wil zien.
De
binnenlandse situatie verslechterde door de etnische en politieke
verdeeldheid, alsmede door de economische achteruitgang. In 1978 kwam
Guyana in het nieuws door het bloedbad van Jonestown, toen 900 mensen
zelfmoord pleegden op last van de leider van hun religieuze sekte, Jim
Jones.
Burnhams regime werd in toenemende mate dictatoriaal. In 1980 werd
Burnham tot uitvoerend president benoemd in frauduleuze verkiezingen.
Tot zijn dood in 1985 bleef hij ondanks groeiend verzet onder de
bevolking de dictatoriale leider van zijn land. Jagan werd steeds weer
op een zijspoor gezet, terwijl een politiek opponent als de (eveneens
radicale) Walter Rodney werd vermoord.
5.3 Eind jaren tachtig en begin jaren negentig
In 1985 werd Burnham opgevolgd door vice-president en premier Desmond
Hoyte. In hetzelfde jaar won Hoytes PNC opnieuw frauduleuze verkiezingen
met 79% van de stemmen. Sindsdien heeft Hoyte het beleid gematigd, wat
hem enige toenadering tot de Verenigde Staten opleverde. Na algemene en
volgens waarnemers eerlijke verkiezingen in okt. 1992, werd Cheddi
Jagan - zie foto, leider van de oppositionele PPP, tot president
gekozen. Aanhangers van de PNC veroorzaakten hevige rellen als reactie
op de verkiezingsuitslag.
Telefoongids Guyana
Postcodes
Guyana
|