1. Landschap
Vier
oost-west lopende bergketens, die een voortzetting zijn van de
gebergten in de Dominicaanse Republiek, bepalen het reliëf; van
noord naar zuid: het Massif du Nord, de Montagnes Noires, de
Chaîne des Matheaux en de Montagnes de Trou d'Eau, en in het
zuiden het Massif de la Selle (Morne de la Selle, 2680 m), naar
het westen voortgezet in het Massif de la Hotte (Morne Macaya,
2347 m). Tussen het Massif du Nord en de Montagnes Noires ligt een
savannehoogland, het Plateau Central; de Plaine de l'Artibonite
tussen de Montagnes Noires en de Chaîne des Matheaux is de
grootste laagvlakte. Tussen de Atlantische Oceaan en het Massif du
Nord ligt in het noordoosten een vruchtbare kustvlakte, de Plaine
du Nord; ten oosten van Port-au-Prince ligt de Plaine du
Cul-de-Sac. Kleinere laagvlakten zijn de Plaine de l'Arbre in het
noordwesten en de Plaine des Cayes in het zuidwesten. De
belangrijkste rivieren zijn de Artibonite (280 km), die in de
Dominicaanse Republiek ontspringt, en Les Trois Rivières (102 km)
in het noordwesten. Het Étang Saumâtre, 25 km ten oosten van
Port-au-Prince, is het grootste meer (170 km2); ten westen hiervan
ligt het Trou Caiman, en in het zuiden het Étang de Miragoâne.

2. Bevolking
Van de bevolking is ca. 80% van Afro-Caribische afkomst; mulatten
maken 15 tot 20% uit. De jaarlijkse bevolkingstoename bedraagt 2%;
geboorte- en sterftecijfer in 1990: resp. 41 en 13‰; de sterfte
van kinderen jonger dan één jaar bedroeg 117‰. De
levensverwachting bij geboorte wordt geschat op 57 jaar. Ca. 69%
van de bevolking woonde in 1994 op het platteland. De grootste
steden waren in 1986 Port-au-Prince (800.000 inw.), Cap Haïtien
(92.000), Gonaïves (63.000) en Les Cayes (36.500).
De officiële taal is het Frans, dat slechts door 10% van de
bevolking wordt gesproken; de meerderheid spreekt Haïtiaans, een
Creools-Frans, dat volgens de grondwet een gelijke status heeft
als het Frans. Officieel is ca. 80% van de bevolking formeel lid
van de Rooms-Katholieke Kerk. De uit Afrika geïmporteerde
magisch-spiritistische Voodoo-cultus (ook officieel erkend in de
grondwet van 1987), die zich met allerlei elementen uit de
rooms-katholieke eredienst heeft vermengd, is zeer verbreid (70%).
Het aantal protestanten wordt geschat op 10% van de bevolking.

3. Bestuur en
samenleving
Haïti
is volgens de grondwet van 1987 een presidentiële republiek. De
wetgevende macht (het parlement) bestaat uit twee Kamers, het Huis
van Afgevaardigden (83 zetels) en de Senaat (27 zetels). De
president wordt direct gekozen voor een periode van vijf jaar. De
belangrijkste politieke partijen zijn de Organisation Politique
Lavalas (OPL), de Mouvement Ouvrir Paysan (MOP) en de Parti Louvri
Baryè (PLB). Als een gemeenschappelijk front (het Plateforme
Politique Lavalas; PPL) beschikken de drie partijen sinds de
verkiezingen van 1995, over 68 zetels in het Huis van
Afgevaardigden en 17 zetels in de Senaat.
Tot de buitenlandse betrekkingen van Haïti behoort het
lidmaatschap van de Verenigde Naties en van een aantal van haar
suborganisaties, van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS),
van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) en
van het Sistema Económico Latinoamericana (SELA).
De sociale en economische situatie is zeer slecht te noemen. Haïti
was in het midden van de jaren tachtig het armste land van het
westelijk halfrond en is nog steeds een der armste landen van
Latijns-Amerika. Veel Haïtianen (2 miljoen) werken in de
Dominicaanse Republiek als seizoenarbeider. Anderen zijn naar de
steden getrokken, waar zij veelal onder de armoedigste
omstandigheden leven. Er is traditioneel een belangrijke emigratie
van de beter opgeleide burgers naar de Verenigde Staten en Europa;
zo werken er meer Haïtiaanse artsen in Canada dan op Haïti zelf.
In het laatste decennium is een dramatische uittocht van de arme
bevolking op gang gekomen. Bootvluchtelingen hebben met duizenden
hun toevlucht gezocht in de Verenigde Staten, Canada en binnen de
Caribische regio.
4. Economie
Productie en verwerking van landbouwproducten vormen de basis van
de economie. In 1993 was ca. 62% van de beroepsbevolking werkzaam
in de landbouw. In dat jaar bedroeg het aandeel van de landbouw in
het bruto nationaal product (bnp) 44% en van de industrie en de
bouwnijverheid 12%. De economische groei bedroeg in de periode van
1984 tot 1986 gemiddeld nog geen 0, 4%; tussen 1990 en 1994 kromp
de economie jaarlijks met 8,1%. Het bnp per hoofd van de bevolking
nam af met 1,1% per jaar. Van het totale landoppervlak was in 1996
ongeveer 32% in gebruik voor landbouw en veehouderij, hoewel niet
meer dan eenderde werkelijk geschikt is voor landbouw. Koffie is
het belangrijkste landbouwproduct. Ruim 90% van de koffieproductie
is afkomstig van veelal zeer kleine bedrijven (kleiner dan 2 ha).
Van belang zijn verder de verbouw van suiker (enkele grote
plantages bij Port-au-Prince), tropisch fruit, rijst
(irrigatielandbouw, vooral in de
Artibonitevlakte)
en katoen (in het Gonaïvesdal). Koffie, suiker en tropisch fruit
zijn vooral bestemd voor de export. Droogtes, erosie door te
intensief grondgebruik, gebrek aan irrigatie, lage prijzen en een
slechte infrastructuur hebben een negatieve invloed op de
productie en dwingen tot grotere invoer van levensmiddelen (50%
van de totale consumptie). De veehouderij (vooral varkens en
runderen) is van ondergeschikt belang. De veelal primitieve
visserij (tonijn, kreeft en garnalen) levert een geringe bijdrage
aan de voedselvoorziening. Als gevolg van jarenlange roofbouw zijn
grote oppervlakten van het bosareaal verdwenen; herbebossing wordt
overwogen, maar inmiddels lijkt de erosie onomkeerbaar. De
houtexploitatie levert overwegend brandhout.
De aangetoonde voorraden goud, zilver, koper, platina, tin,
nikkel, mangaan, ijzer en bruinkool worden geen van alle
geëxploiteerd. De winning van bauxiet in de buurt van Miragoâne
door de Noord-Amerikaanse maatschappij Reynolds is in 1983, na een
periode van 40 jaar, gestaakt. In 1992-1993 produceerde Haïti
420,8 miljoen kW elektriciteit. Het grootste gedeelte wordt in
waterkrachtcentrales opgewekt. De meerderheid van de bevolking is
voor haar energievoorziening echter afhankelijk van houtskool.
De industriële productie voor de binnenlandse markt vindt veelal
plaats in kleine, traditionele bedrijven, en omvat
voedingsmiddelen (meel, plantaardige oliën en vetten), schoeisel
en cement. Naar schatting 50!000 arbeiders zijn werkzaam in de
industrievestigingen die voor de wereldmarkt produceren (o.a.
textiel, leerwaren, meubels, elektrische en elektronische
producten en sportartikelen). Deze bedrijven, aangetrokken door de
lage lonen en het gunstige investerings- en belastingklimaat,
vormen in feite een buitenlandse 'enclave' op Haïtiaans
grondgebied.
Landbouwproducten leveren ongeveer eenderde van de totale
uitvoerwaarde, terwijl geassembleerde producten als textiel en
elektronica steeds belangrijker worden (69%). De voornaamste
invoerproducten zijn voedingsmiddelen, aardolie en
raffinageproducten, auto's en andere transportmiddelen en
bouwmaterialen. De Verenigde Staten zijn veruit de belangrijkste
handelspartner, gevolgd door de EU, Japan en Canada. De
handelsbalans is al jaren negatief.
De Banque de la République d'Haïti, vanouds een handelsbank met
daarnaast de rol van fiscaal agent voor de overheid, is sinds 1934
in handen van de staat en fungeert tevens als centrale bank. De
buitenlandse schuld in 1994 bedroeg $ 870 miljoen.
Economische planning en ontwikkeling. In de afgelopen decennia is
het overheidsbeleid gericht geweest op het aantrekken van
buitenlandse, m.n. Amerikaanse bedrijven. Dit beleid is
betrekkelijk succesvol geweest, maar heeft de agrarische crisis
niet kunnen compenseren. Pogingen om met buitenlandse hulp de
zelfvoorzienende landbouw een gezondere basis te geven zijn
mislukt.
Van het zeer onderontwikkelde wegennet (3700 km) is slechts ca.
700 km geasfalteerd. De belangrijkste verbinding is de weg van
Port-au-Prince naar Cap Haïtien. De spoorlijnen zijn in 1990
definitief opgeheven. De belangrijkste haven is Port-au-Prince;
voorts is van belang Cap Haïtien (koffie-export). Tussen de meeste
steden is vliegverkeer (veelal in kleine vliegtuigen) mogelijk; de
internationale luchthaven bij Port-au-Prince is geschikt voor de
grootste vliegtuigen.
5. Geschiedenis
1492-1934
Het
westelijk deel van het op 6 dec. 1492 door Christophorus Columbus
(links) ontdekte eiland Hispaniola (rechts)
werd door de Spanjaarden ontruimd ten gevolge van de komst van
Nederlandse, Engelse en vooral Franse filibustiers (1625), weldra
gevolgd door Franse kolonisten. De al in 1512 beg onnen
slavenhandel werd uitgebreid en maakte een groei van de
plantagelandbouw mogelijk. De eigen geschiedenis van deze
eilandhelft kreeg haar beslag door de overgang in Franse
soevereiniteit bij de Vrede van Rijswijk (1697). De Franse
Revolutie bracht de kleurlingen die rechtsgelijkheid eisten in
opstand (1791).
Hierna volgde een rebellie van de slaven. Er ontstond een
burgeroorlog, waarbij ook Frankrijk en Engeland betrokken waren.
De opstandige slaven onder leiding van Toussaint-Louverture en
later Dessalines behaalden de overwinning. In 1804 werd de
Republiek Haïti uitgeroepen, de tweede republiek (na de Verenigde
Staten van Amerika) op het westelijk halfrond. Dessalines'
opvolger, president Christophe (1807), later koning (1811), werd
door een tegenregering in het zuiden en westen onder Pétion (1807)
niet erkend. Diens opvolger Boyer breidde in 1822 zijn gezag over
het gehele eiland uit. Na zijn val (1843) scheidde de nu gevormde
Dominicaanse Republiek zich definitief af (1844). De republiek
werd nog eenmaal 'keizerrijk' onder Faustin I Soulouque (1849).
Geïsoleerd van de wereld verviel Haïti in een steeds toenemende
chaos. In 1915 volgde een militaire interventie door de Verenigde
Staten die tot 1934 duurde.
1934-1986
Van 1934 tot 1941 kon president Vincent zich handhaven, van 1941
tot 1946 Elie Lescot en van 1946 tot 1950 Dumaisais Estimé.
Financiële desorganisatie maakte dat deze president in 1950 moest
wijken voor nieuwe groepen politici en militairen. President Paul
Magloire trachtte de economische toestand te verbeteren en
tegelijk de rechten van boeren en georganiseerde arbeiders te
eerbiedigen. Zijn ambtstermijn was 6 dec. 1956 afgelopen; hij werd
gedwongen af te treden en werd opgevolgd door Joseph Nemours,
president van het Hooggerechtshof. Op 7 febr. 1957 werd Frank
Sylvain voorlopig president (tot 2 april 1957). Daarna wisselden
militaire junta's en voorlopige presidenten elkaar af. Op 22 sept.
1957 werd François Duvalier ( 'Papa Doc'), een voormalige
plattelandsarts, tot president gekozen. Hij slaagde er snel in een
dictatoriale positie op te bouwen door de bevoorrechte positie van
de mulatten en het leger te breken. Zijn familieleden gaf hij
belangrijke posten en hij richtte een persoonlijke militie op, de
gevreesde Tontons Macoutes. Behalve op terreur steunde zijn bewind
op de Voodoo-cultus. De economische en sociale ontwikkeling van
het land werd echter verwaarloosd. In juni 1964 liet hij zich tot
'president voor het leven' uitroepen. De relaties met de Verenigde
Staten verslechterden;
president
Kennedy schortte zelfs de economische hulpverlening op. In de
tweede helft van de jaren zestig haalde Washington de banden weer
aan.
Op 21 april 1971 overleed François Duvalier, enkele maanden nadat
hij zijn twintigjarige zoon, Jean-Claude Duvalier ( 'Baby Doc'),
tot zijn opvolger als president voor het leven had aangewezen. Met
het doel Haïti uit zijn isolement te halen en de relaties met de
Verenigde Staten te verbeteren werd een zekere liberalisering
doorgevoerd, en kreeg een aantal politieke gevangenen amnestie. De
verhouding met dat land verslechterde evenwel spoedig, vnl. door
de nadruk van de regering-Carter op de mensenrechten. Het verzet
tegen het bewind duurde echter voort, o.l.v. de Rooms-Katholieke
Kerk met haar radiostation Radio Soleil. In 1984 braken massale
(voedsel)rellen uit in verschillende steden. Mede onder druk van
de Verenigde Staten zegde Duvalier concessies toe, maar dit bleek
te laat. Series van stakingen en rellen in 1985 en begin 1986
dwongen Duvalier uiteindelijk te vluchten naar Frankrijk (7 febr.
1986) met meeneming van tientallen miljoenen dollars.
Eind jaren tachtig en de jaren negentig
Sindsdien is Haïti verwikkeld in een moeizaam en onzeker
democratiseringsproces. Een interimregering o.l.v. generaal Namphy
nam de macht over. De uitgeschreven verkiezingen van nov. 1987
liepen uit op een bloedige mislukking, omdat de oude machthebbers
en de Tontons Macoutes de verkiezing van een burgerpresident
wilden verhinderen. Uiteindelijk werden in jan. 1988 (frauduleuze)
verkiezingen gehouden. De christen-democraat Leslie Manigat,
gesteund door het leger, werd tot president gekozen. Manigat
stelde zich echter onafhankelijker op dan verwacht en werd binnen
een half jaar door het leger ten val gebracht. Namphy benoemde
zich opnieuw tot president, maar werd kort daarna afgezet door de
militair Prosper Avril (1988). Na massale stakingen en protesten
van de bevolking en de verenigde oppositie werd Avril in maart
1990 gedwongen af te treden. Hij werd opgevolgd door een interim-(burger)president,
Ertha Pascal-Trouillot, de eerste vrouwelijke president in de
geschiedenis van Haïti. Bij opmerkelijk rustige verkiezingen in
dec. 1990 werd de linkse priester Jean-Bertrand Aristide met 70%
van de stemmen tot de nieuwe president gekozen. In sept. 1991 werd
Aristide door het leger gearresteerd, maar kon dankzij druk van
buitenlandse ambassades het land verlaten. In de maanden na de
staatsgreep vonden ca. 1500 burgers de dood. Tijdens zijn
ballingschap bleef Aristide, met hulp van o.a. de OAS, zich
verzetten tegen de nieuwe machthebbers. Steeds slaagden zij erin
zijn terugkeer tegen te houden.
In okt. 1994 kon Aristide met behulp van de Verenigde Staten
terugkeren. Bij de parlementsverkiezingen van aug. en sept. 1995
verwierf de door aanhangers van Aristide opgerichte Politieke
Organisatie Lavalas (OPL) een meerderheid in zowel het Huis van
Afgevaardigden als in de Senaat. Begin 1996 volgde René Préval
president Aristide op, waarmee voor het eerst sinds het land in
1804 onafhankelijk werd een gekozen president de macht overdroeg
aan zijn gekozen opvolger.
De in maart 1996 beëdigde premier Rony Smarth verklaarde
prioriteit te zullen geven aan verhoging van de landbouwproductie,
stimulering van de ambachtelijke sector, basisonderwijs en
alfabetisering.
Haiti anno 2004
Een
"nachtmerrie" en een "ramp". Zo omschrijft de voorzitter van de
Haïtiaanse bisschoppen-conferentie, aartsbisschop Hubert Constant,
de situatie in het land op 9 maart 2004.
Vooral in de hoofdstad Port-au-Prince wordt volgens de
aartsbisschop veel brandgesticht, gedood en geplunderd. Ook in de
noordelijke regio veroorzaakten de rellen volgens hem een tiental
doden. "Instellingen en winkels zijn geplunderd en in brand
gestoken."
De aartsbisschop meent dat het aantal slachtoffers moeilijk te
bepalen is. Toeschouwers spreken over ongeveer honderd doden sinds
het uitbreken van de rellen op 10 februari. Materiële schade wordt
geschat op 1 miljard dollar.
Wat is er begin dit jaar (2004) gebeurd ?
Jean-Bertrand
Aristide (zie foto rechts), de eerste democratisch
verkozen president van Haïti sinds Duvalier in 1957 aan de macht
kwam, ontvluchtte zondagochtend 29 februari 2004 dit Caraïbische
eiland. In een Amerikaans vliegtuig werd hij via de Dominicaanse
Republiek naar de Centraal-Afrikaanse Republiek gevlogen.
Enkele weken al was het duidelijk dat Aristide niet aan de macht
zou kunnen blijven. Maandenlange manifestaties van de oppositie en
het oprukken van rebellen in het noorden van Haïti sinds begin
februari leidden tot een climax. Dit resulteerde in escalerend
straatgeweld en een internationale druk op Aristide om af te
treden.
Het politieke vacuüm leidt tot chaos, geweld en plunderingen
Na het vertrek van Aristide is de politieke situatie in Haïti nog
onduidelijker geworden. In de door de rebellen gecontroleerde
steden wordt het vertrek van Aristide uitbundig gevierd, maar in
steden waar Aristide veel aanhang heeft weigeren gewapende
aanhangers zich over te geven. In de hoofdstad Port-au-Prince
reageren zijn aanhangers woedend. Tweederde van de volwassenen is
werkloos, het gemiddeld maandloon bedraagt € 30: de verleiding om
te plunderen in een machtsvacuüm is groot. Overal in de stad
worden winkels, ziekenhuizen, overheidsgebouwen en schepen met
humanitaire hulpgoederen geplunderd en gebouwen in brand gestoken.
Daarbij komt het geregeld tot schietpartijen tussen plunderaars en
politie. Tegenstanders van Aristide bestormen de gevangenis en
laten gevangenen vrij. Er vinden veel afrekeningen plaats. Onder
de bevolking stijgt de paniek. Duizenden proberen te vluchten,
vele buitenlanders worden geëvacueerd. Omwille van de noodsituatie
wordt een avondklok ingesteld. De voorraden zijn geblokkeerd en
prijzen van voedsel en brandstof stijgen enorm. Konvooien met
noodhulp geraken niet of nauwelijks ter plaatse. Er is grote
behoefte aan veilige transportmogelijkheden.
Stilaan keert er een kwetsbare rust terug. Scholen en banken zijn
weer open; vernielde supermarkten werden opgelapt en het verkeer
veroorzaakt weer files. Nog regelmatig zijn er plunderingen,
woelige betogingen en schietpartijen. Vooral in stadsdelen waar de
gewapende aanhangers van Aristide nog actief zijn, blijft het erg
onrustig. Haïtiaanse politie en buitenlandse militairen beginnen
met de inbeslagname van wapens.
Hoeveel
doden er tijdens de onlusten in Port-au-Prince gevallen zijn is
niet duidelijk. Officieel spreekt men van een 100-tal, maar de
Pan-Amerikaanse Volksgezondheidsorganisatie PAHO liet weten dat
alleen al in Hôpital Général bijna 200 lijken liggen. Uit een
andere bron vernamen we dat het om meer dan 1.000 slachtoffers
gaat en dat er in Titanyen (even buiten de hoofdstad) een
massagraf met 700 lijken is.
Het platteland is grotendeels in handen van gewapende benden o.l.v.
voormalige officieren. Het blijft afwachten of die vaak onderling
rivaliserende milities op termijn niet opnieuw voor onrust zorgen.
Diezelfde zondag, 29/2, arriveert een internationale troepenmacht
om enkele strategische plaatsen te beschermen. Haïti heeft lang op
deze troepenmacht moeten wachten. Na bijna 3 weken van geweld
waren Canada en Frankrijk overtuigd, maar de VN-Veiligheidsraad en
de VS talmden. De soldaten vormen de voorhoede van een
internationale vredesmacht die de komende maanden de orde moet
helpen herstellen en humanitaire hulp verlenen.
Er is een nieuwe politiechef benoemd: de in de VS opgeleide
voormalige baas van de kustwacht Leonce Charles. Die vervangt
Jocelyne Pierre, een vertrouwelinge van Aristide. De politiemacht
zal getraind worden door de VS en werkt samen met de
internationale troepenmacht die moet aangroeien tot ongeveer 5.000
militairen. Momenteel zijn er ongeveer 2.300 militairen aanwezig,
waarvan 1.500 Amerikanen. Daarnaast ook Fransen, Canadezen en
Chilenen. Een missie van de VN bereidt de komst van blauwhelmen
voor die op 1 juni de controle zullen overnemen van de nu
aanwezige troepen.
Opperrechter Boniface Alexandre is, zoals voorzien in de grondwet,
benoemd tot interim-president. De grondwet vraagt om instemming
van het parlement, maar dat is onmogelijk omdat het ambtstermijn
van de parlementariërs op 11 januari afliep. Aristide regeerde
sindsdien per decreet. Boniface is lid van de Lavalas-partij van
Aristide. Hij werkte 25 jaar als advocaat op de Franse ambassade,
is nadien lid van het Hof
van
Beroep en wordt er in 2000 voorzitter van.
Na een 10-tal dagen wordt een nieuwe premier aangesteld die Yvon
Neptune, een vertrouweling van Aristide, zal opvolgen. Gerard
Latortue (foto) is advocaat-econoom en heeft jaren
voor de VN gewerkt in Afrika. De vraag is of de Haïtianen Latortue
wel zullen erkennen, want hij verbleef de voorbije 45 jaar slechts
sporadisch in zijn land.
Haïti heeft sinds 17 maart 2004 een nieuwe regering van 13
ministers en 6 staatssecretarissen. Het zijn grotendeels
technocraten die aanleunen bij de oppositie, geen van hen is
verbonden aan een politieke partij. Ex-generaal Abraham – de man
die vele rebellen graag op de post van eerste minister hadden
gezien - wordt minister van Binnenlandse Zaken. Buitenlandse Zaken
gaat naar de economist Siméon. En de rechtsgeleerde Gousse krijgt
Justitie en Openbare Veiligheid. Opvallend is dat er geen leden
van Aristide’s partij Lavalas benoemd zijn. Het ziet er naar uit
dat de arme Haïtiaan, het gros van de bevolking, na 14 jaar poging
tot democratie haar stem kwijt is. Premier Latortue werd hierom in
binnen- en buitenland bekritiseerd. Er wordt gevreesd dat het
uitsluiten van de Lavalas-partij tot meer verdeeldheid onder de
bevolking zal leiden.
Persbericht van 5 april 2004
Volgend jaar (2005) verkiezingen in Haiti
In de loop van 2005 zullen in het Latijns-Amerikaanse land Haiti
verkiezingen worden georganiseerd. Daartoe hebben de verschillende
politieke partijen en vertegenwoordigers van de bevolking een
"politiek akkoord" gesloten. Dat zei de eerste minister Gérard
Latortue tijdens een persconferentie die hij samen met de
Amerikaanse Buitenlandminister
Colin Powell
hield ter gelegenheid van diens -korte- bezoek aan Port-au-Prince.
"De nieuwe president kan ten laatste op 7 februari 2006 in functie
treden", luidt het. Net op die datum verloopt het mandaat van
ex-president Jean-Bertrand Aristide. Powell was maandag in Haiti
voor een kort bezoek van 1 dag. Het was voor het eerst sinds 1998
dat een Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken een bezoek
bracht aan Haiti én het eerste bezoek van een hoge politiek
verantwoordelijke sinds de val van Aristide. Powell sprak in Haiti
onder meer met vertegenwoordigers van de overgangsregering van
Latortue over de "terugkeer van de stabiliteit" in het land. Op 29
februari verliet Aristide het land na wekenlange onlusten.
Telefoongids Haiti
Postcodes
Haiti |