|

|
Dikkopjes
zijn over het algemeen kleine vlinders met, de naam zegt het al,
dikke koppen. Wereldwijd zijn er meer dan 3.500 soorten van bekend.
Het overgrote deel van de vertegenwoordigers van deze familie leeft
in Zuid-Amerika. In tegenstelling tot de Europese soorten komen daar
dikkopjes voor met felle kleuren, die soms staarten hebben aan de
achtervleugels. Dikkopjes hebben in verhouding tot hun zware lichaam
maar kleine vleugels. Een vleugelspanwijdte van 30 mm. is dan ook
voor Europese begrippen groot, maar sommige tropische dikkopjes
halen wel een spanwijdte van 80 mm. Bij het vliegen bewegen deze
vlinders hun vleugels dan ook met een grote snelheid. Hun vlucht is
daardoor uitermate snel en dartelend. Verder zijn de dikkopjes
uitgerust met een opvallend lange roltong. Hun antennes zijn te
onderscheiden van die van andere dagvlinders door het geknikte
uiteinde. Dikkopjes leggen eieren die bolvormig tot ovaal zijn en
een afgeplatte basis hebben. De kale rupsen van de dikkopvlinders
leven in kokertjes, die ze spinnen door bladeren van de voedselplant
met een spinsel van zijdedraad aan elkaar te bevestigen. In zo'n
koker blijven ze uit het zicht van insecteneters. Alleen om te eten
verlaten ze hun huisje. Ook als de rupsen verpoppen, maken ze
gebruik van spinseldraden. De pop zit tussen de vegetatie verstopt
in een wijdmazig, ijl coconnetje. |
|
|
|
|
|