header_science

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Principaat (31 v.C. – 284 n.C.)

 

De Romeinen klik hier

 

Hoewel de Republiek in feite ten einde was, ontzag Octavianus de republikeinse gevoelens. Hij liet zich princeps, ‘eerste’, noemen en zijn opvolgers namen deze naam over, zodat men de periode de naam ‘principaat’ geeft. Het verschil met de Republiek was echter dat Octavianus verschillende republikeinse sleutelposten in zijn persoon verenigde. In 27 v.C. legde hij zijn volmachten neer, maar hij liet zich door de Senaat de essentiële ambten weer opdragen, waarbij hij de eretitel ‘Augustus’ kreeg. Hij herstelde de orde, bevorderde de welvaart en voerde slechts die oorlogen die voor de afronding van het rijk tot natuurlijke grenzen (Atlantische Oceaan, Rijn en Donau, Eufraat en Sahara) noodzakelijk waren. Een poging de Elbe tot rijksgrens te maken mislukte door de nederlaag van Varus in het Teutoburgerwoud (9 n.C.). Het rijk was in zijn omvang verzadigd en pas Trajanus zou weer een actieve veroveringspolitiek gaan voeren. Augustus’ aangenomen stiefzoon, Tiberius (14–37), volgde hem op. De goede kwaliteiten van zijn regering werden overschaduwd door hoogverraadprocessen tegen al te onafhankelijke senatoren. De gardeprefecten, onder wie de beruchte Sejanus, hadden een funeste invloed op hem. Het bewind van zijn opvolger, Caligula (37–41), werd door wanbeheer gekenmerkt, terwijl Claudius I (41–54), mede met de hulp van bekwame vrijgelatenen (Narcissus), een goede administratie voerde. Zijn beide echtgenoten, eerst Messalina, later Agrippina, kregen een slechte naam; de laatste liet haar man vergiftigen om haar zoon Nero op de troon te krijgen (54–68). Deze, aanvankelijk onder invloed van Seneca en Burrus, begon zijn bewind onder gunstige auspiciën, maar ging zich spoedig te buiten aan allerlei excessen. Hij liet o.a. zijn eigen moeder en Seneca ombrengen en laadde (ten onrechte) de verdenking van de brand van Rome op zich; een opstand brak uit en hij liet zich door een slaaf doden. Met hem eindigt het Julisch-Claudische Huis.

Het Driekeizerjaar (68–69) bracht successievelijk Galba, Otho en Vitellius; laatstgenoemde werd ten val gebracht door Vespasianus, de bevelhebber van de legioenen in het oosten (69–79). Deze voerde een zuinig beheer, dat niet overal waardering vond, en bestreed met succes de opstanden in het oosten en westen. In Palestina nam zijn zoon Titus [geschiedenis] Jeruzalem in en bracht zo de opstand van de joden tot een eind; in het westen dempte Cerialis de opstand van de Bataven onder Civilis. Titus (79–81) regeerde kort, maar verwierf zich de genegenheid van de Romeinen door zijn medeleven bij de ramp van Pompeji en Herculaneum in 79. Domitianus, zijn jongere broer (81–96), was een hard, maar capabel regent; hij werd door een hofkliek vermoord. Vervolgens koos de Senaat uit zijn midden Nerva (96–98) tot keizer en met hem begint de reeks van de zgn. keizers bij adoptie (noodgedwongen, bij gebrek aan mannelijke nakomelingen). Was Vespasianus als eerste niet uit Rome afkomstig, Trajanus, uit Spanje, was de eerste niet in Italië geboren keizer. Hij brak met de tot dusver gevoerde politiek en ging weer tot veroveringen over. Zo voegde hij Dacië, waar hij koning Decebalus versloeg, bij het rijk. Het land werd zó grondig geromaniseerd, dat het zijn naam hieraan ontleent: Roemenië. Ook Mesopotamië werd door de Romeinen bezet, maar deze verovering was niet blijvend.

Het rijk had nu zijn grootste uitbreiding gekregen, maar de inspanning ging zijn krachten te boven. Publius Aelius Hadrianus (117–138) gaf de veroveringen in het oosten weer op en legde langs alle grenzen (bijv. in Brittannië: Hadrian's wall) grensversterkingen aan en bereisde grote delen van het rijk. Zijn bestuursmaatregelen waren gericht op een gelijkstelling van de rijksdelen met Italië. De twee Antonini sloten de rij van keizers-bij-adoptie.

Tijdens de regering van Antoninus Pius (138–161) was het rustig in het rijk; maar onder zijn opvolger, Marcus Aurelius (161–180), traden tot dusver latent gebleven spanningen, binnenslands en langs de grenzen, aan de oppervlakte. Deze keizer-filosoof moest vele moeilijke oorlogen voeren tegen de Marcomannen en de Quaden aan de Donau, terwijl epidemieën grote gebieden ontvolkten. Zijn zoon Commodus (180–192), die vrede met de Marcomannen sloot, werd vermoord, evenals zijn opvolger Pertinax. Het Driekeizerjaar scheen teruggekeerd; de soldaten verkochten de troon aan de senator Didius Julianus, maar een drietal tegenkeizers roerde zich, van wie Septimius Severus, een Afrikaan, ten slotte de heerschappij wist te bemachtigen (193–211). Hij beperkte de invloed van de Senaat en brak de macht van de pretorianen. Een veldtocht tegen de Parthen leverde Rome een nieuwe provincie op: Noord-Mesopotamië.

Caracalla (211–217) verleende, uit fiscale motieven overigens, aan alle inwoners van het rijk het burgerrecht (de Constitutio Antoniniana). Hij en zijn opvolger, Macrinus (217–218), werden vermoord. De laatste van de ‘Severisch-Syrische dynastie’, Alexander Severus (222–235), nam goede sociale maatregelen, maar verloor prestige door de overheersing van zijn grootmoeder, Julia Maesa, en zijn moeder, Julia Mamaea. De Senaat, waarin o.a. de beroemde jurist Ulpianus zitting had, kreeg meer invloed. Een veldtocht tegen het Nieuw-Perzische Rijk der Sassaniden verliep ongunstig; ook tegen de Germanen behaalde hij geen successen. Een veldheer, Maximinus Thrax, kwam in opstand en Severus werd gedood. Maximinus trof echter na een paar jaar hetzelfde lot (238) en vervolgens werd Gordianus III keizer (238–244). Ondanks successen tegen de Sassaniden werd hij ten val gebracht door Philippus Arabs (244–249). Zijn opvolger, Decius (249–251), bestreed het christendom fel. Onder al deze soldatenkeizers daalde het aanzien van het rijk steeds meer. De crisis verergerde door de ellendige financiële toestand – met als gevolg een verpletterende belastingdruk –, de tuchteloosheid van het verwende en kostbare leger, het feit dat de Germanen meer in grote verbanden optraden en zo des te gevaarlijker waren, het verscherpte contrast tussen rijk en arm, de apathie van de bevolking tegenover toenemende bureaucratie en despotisme, en de verstoring van de handel: men keerde door de overal heersende onveiligheid terug tot regionale autarkie.

Na 250 ontstond een volslagen chaos. De Goten werden gevaarlijk, op één moment waren er dertig tegenkeizers en grote delen van het rijk werden door de Franken, Alamannen en andere volken bezet en geplunderd. Eén keizer, Valerianus, stierf als gevangene van de Sassanidenkoning. Ten slotte werd de orde enigermate door Gallienus (253–268) hersteld; onder zijn opvolger werden de Goten verslagen, die reeds tot Niš in Servië waren doorgedrongen (269), en keizer Aurelianus (270–275) legde de grondslag voor een gedeeltelijke reconstructie. Hij moest Dacië opgeven, maar verjoeg de Vandalen en Alamannen. Het in het oosten gestichte rijk van Palmyra, met koningin Zenobia, werd vernietigd. Hoe veranderd de tijden echter waren, bewijst het feit dat hij Rome met een muur liet omgeven. Ook Aurelianus werd vermoord; weer volgde een tijd van elkaar bestrijdende keizers (Tacitus, Probus, Carus, Carinus en Numerianus), maar ten slotte werd Diocletianus door de soldaten tot keizer uitgeroepen. Met hem begon een nieuwe periode in de Romeinse geschiedenis.
 

 

De Romeinen klik hier

 

Footer worldwidebase



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009