|
 Hoe we de wereld om ons heen waarnemen wordt
het meest bepaald door ons gezichtsvermogen. Maar zien alle dieren wat
wij zien en is het zien voor hen net zo belangrijk als voor ons?
Onafhankelijk van hun uiterlijk en grootte is
het grondprincipe van de ogen bij alle dieren hetzelfde. Om te kunnen
zien hebben alle zoogdieren licht nodig. Licht bestaat uit
elektromagnetische golven. De dingen om ons heen nemen licht op en
kaatsen licht terug. Onze ogen vangen uitgezonden of teruggekaatst licht
op en zetten dit in de hersenen om in beeld en kleur. Dit proces noemen
we 'zien'.
Hoe het oog werkt?
De opbouw van de ogen is in zijn grondvorm voor
alle zoogdieren dezelfde. De functie en werking van de ogen van
zoogdieren komt zodoende ook in grote lijnen met elkaar overeen. Aan de
voorzijde heeft het oog een doorzichtig 'venster', het hoornvlies (comea),
dat het licht ongehinderd doorlaat, buigt of breekt om het zo op de
juiste plaats te brengen.
Achter het hoornvlies zit de iris met in het midden een gat, de pupil.
De doorsnede van de pupil verandert met de lichtsterkte. Vlak achter de
iris ligt de lens. De lens is omgeven door spiertjes die de lens vlakker
of boller maken om er zodoende voor te zorgen dat de binnenkomende
lichtstralen zo afgebogen worden, dat de voorwerpen scherp worden waargenomen. Het gebundelde licht
komt tenslotte bij de achterwand van het oog, waar het netvlies (retina)
de lichtstralen opvangt. Het beeld op het netvlies is het omgekeerde
beeld van het voorwerp waarvan de lichtstralen het oog zijn
binnengegaan.
Het netvlies bestaat uit zeer dicht op elkaar staande lichtgevoelige
cellen die via de gezichtszenuw met de hersenen in verbinding staan. De
lichtsignalen die deze lichtgevoelige cellen bereiken, worden via de
gezichtszenuw naar de hersenen overgebracht. De hersenen nemen deze
signalen op en vertalen ze in het beeld wat zich voor onze ogen
afspeelt.
Nachtkijken
Hoe komt het dat veel zoogdieren 's nachts kunnen
zien, terwijl toch het zicht afhankelijk is van de lichtsterkte?
De opbouw van het oog van dieren die 's nachts actief zijn is praktisch
gelijk aan de andere zoogdieren. Het verschil ligt hierin, dat de ogen
groter en boller en ontvankelijker voor licht zijn.
De zoogdieren die 's nachts actief zijn hebben bovendien een
reflecterende laag achter het netvlies, die het invallende licht
terugwerpt naar de lichtgevoelige staafjes, die zodoende nog een
keer licht opvangen. Dit effect is goed te zien als er 's nachts licht
op het oog valt van bijvoorbeeld een kat of vos. Door de reflectie
lichten de ogen op. Ook heeft het netvlies relatief veel meer staafjes,
waardoor het waarnemingsvermogen in de schemer verhoogd wordt. Dit
brengt wel met zich mee, dat deze dieren het volle daglicht moeten
mijden. Dit is ook de reden dat de pupillen bij een kat in het volle
licht tot smalle streepjes vernauwd worden.
Kleuren zien.
Kleuren maken dat we de dingen om ons heen beter
kunnen onderscheiden. Maar hoe onderkennen onze ogen kleuren en kunnen
alle dieren verschillende kleuren evengoed waarnemen?
De elektromagnetische golven uit het zichtbare gebied zijn van
verschillende lengte. De langere golven worden door ons oog als rood en
oranje waargenomen, de kortere als groen en blauw. De lichtgevoelige
cellen van het netvlies bestaan uit twee typen, staafjes en kegeltjes.
De staafjes kunnen geen kleur onderscheiden, maar zijn daarentegen
lichtgevoelig en nemen ook zeer kleine lichtintensiteiten waar. De
kegeltjes zetten de ontvangen golflengten wel in kleuren om. Enkele zoogdieren, met name de primaten,
beschikken over drie verschillende soorten kegeltjes. De ene is gevoelig
voor blauw, de tweede is gevoelig voor groen en het derde kegeltje is
gevoelig voor geel groen en rood. De hersenen verwerken deze tot
veelkleurige beelden.
De kegeltjes kunnen alleen bij voldoende lichtsterkte de kleuren
verwerken. Daarom ziet alles er 's nachts in grijstonen uit. Misschien
komt het daardoor, dat lange tijd werd aangenomen dat dieren die 's
nachts actief zijn, zoals bijvoorbeeld katten, geen kleuren zouden
kunnen onderkennen. Inmiddels weten we, dat alle zoogdieren tot op
zekere hoogte kleuren kunnen zien.
Verschillen in stand van de ogen.
De bouw van het oog is voor ieder zoogdier in
principe gelijk, maar de plaats van de ogen in de kop bepaalt wat en
hoeveel een dier kan zien.
Succesvolle roofdieren, zoals bijvoorbeeld de kat, moeten hun ogen exact
kunnen instellen op hun prooi en deze goed in de gaten kunnen houden.
Doordat hun ogen recht naar voren gericht staan, wordt een bijzonder
goede dieptescherpte bereikt. Zo kunnen zij uiterst nauwkeurig
vaststellen waar precies zich een prooi of iets anders bevindt en hoe
ver het van andere dingen verwijderd is.
Bij potentiële prooidieren zoals konijnen, muizen of herten bevinden de
ogen zich echter aan beide zijden van de kop. Zij kunnen ieder oog apart
gebruiken en zodoende tegelijkertijd een zeer wijd gebied afzoeken naar
eventuele vijanden. Hun gezichtsveld is weliswaar veel ruimer; maar
het gaat wel ten koste van de scherptediepte. Een konijn bijvoorbeeld
heeft een gezichtsveld van 360 graden, zodat hij in feite alle gevaar,
uit welke richting ook, direct opmerkt. Als wij recht vooruit kijken
zonder het hoofd te draaien, hebben we een gezichtshoek van ongeveer 200
graden. De gezichtshoek van een kat is kleiner en bedraagt slechts
ongeveer 185 graden.
Ook bij zoogdieren in open gebied, zoals de bewoners van de Afrikaanse
wildernis, is aan de stand tussen de ogen te zien of ze prooi- of
roofdier zijn. Zij moeten alle de omgeving of naar vijand of naar prooi
makkelijk kunnen afzoeken. De ogen van de mens en de meeste primaten
zijn ingesteld op een breed gezichtsveld, maar vooral ook op een
verticaal gezichtsveld. De ogen van prooidieren zijn daarentegen meer
ingesteld op een breder horizontaal gezichtsveld.
|
|