header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Hongarije

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

Hongarije (officieel: Magyar Köztársaság, d.i. Hongaarse republiek), republiek in Midden-Europa, 93.032 km2, met (schatting 1995) 10.161.000 inw. (109 inw. per km2); hoofdstad: Boedapest. Munteenheid is de forint, onderverdeeld in 100 fillér. Nationale feestdag is 23 oktober, de dag waarop in 1956 de opstand begon en waarop in 1989 de republiek werd uitgeroepen.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap en bodemgesteldheid
Alhoewel Hongarije grotendeels een laagvlakte is - het zgn. Pannonische Bekken, te verdelen in de Nagy Alföld (Grote Laagvlakte) ten oosten van de Donau, Dunántúl (Transdanubië) ten westen van de rivier en de Kis Alföld (Kleine Laagvlakte) in het noordwesten - weerspiegelen de weinige verheffingen en heuvels een rijke geologische geschiedenis. De granieten van de Velence en de Mecsek stammen uit het Carboon, het Transdanubische centrale middelgebergte (waarvan het Bakonywoud deel uitmaakt), de Bükk en het Borsodkarstgebied uit de Midden-Jura. Aan de voet van deze gebergten vormden zich tijdens Jura en Eoceen-Mioceen (Tertiair) resp. de steenkoolvelden van Pécs en de bruinkoollagen van Tatabánya, Dorog, enz. De uitlopers van de Alpen en de Karpaten werden in het Tertiair gevormd, in welk tijdvak ook de uit het Mesozoďcum stammende binnenzee met puin en zand opgevuld werd door de uit het gebergte stromende rivieren, zodat de Grote Hongaarse Laagvlakte gevormd werd. Als bijverschijnsel van de gebergtevorming trad enig vulkanisme op in het noorden (o.a. Mátra, Zemplénheuvels). In het Kwartair werd tijdens de IJstijden ook eolische löss afgezet, die in Transdanubië nog in dikke pakketten (tot 50 m) aanwezig is, maar in de Kis Alföld door de wind en in de Nagy Alföld door de rivieren weer grotendeels geërodeerd is. In de rivierzanden van de Alföld trad zeer veel duinvorming op.
In het centrale middelgebergte en andere heuvels komen verschillende varianten bosbodems voor. In vochtige lage gebieden overwegen weidebodems met een hoog humusgehalte. De vruchtbaarste bodems zijn de wat hoger tussen de rivieren gelegen steppebodems (zwarte aarde, tsjernozjom), vnl. op lössondergrond in de laagvlakte en Transdanubië. In de Nagy Alföld, maar vooral ten oosten van de Tisza, komen veel zoutbodems (solonets en solontsjak; Hong.: szikes talaj) voor, die moeilijk te ontginnen zijn.
Van de poesta, het door toedoen van mensen (boskap en branden) ontstane steppeachtige, grootste deel van de Nagy Alföld, is door ontginningen sinds 1850 vrijwel niets meer overgebleven. De Hortobágy en de Bugac waren de laatste restanten van enige omvang.
1.2 Rivieren en meren
De belangrijkste rivieren zijn de Donau (Hongaars: Duna) en de sterk meanderende Tisza (Theiss), resp. 410 en 600 km over Hongaars grondgebied stromend. Na de bouw van een stuw in de Tisza (1951-1954) wordt een deel van het water door het 98 km lange Keleti-főcsatorna (Oostelijk hoofdkanaal) van deze rivier afgetapt voor irrigatiedoeleinden. In het zuidoosten van het land is alleen artesisch water aanwezig. De meren zijn zeer ondiep: het Balatonmeer of Platten See (596 km2) gemiddeld 3 tot 4 m, het Velencemeer (26 km2) 1 tot 2 m. Het Fertőmeer (Neusiedler See, 337 km2), waarvan 2 op Hongaars gebied, is meer een moeras; het water bevat alkalische zouten. Tussen de duinen van de Nagy Alföld bevinden zich eveneens vele zouthoudende meertjes.
1.3 Klimaat
Het klimaat is gematigd continentaal met sterke Atlantische en mediterrane invloeden in het vochtige voor- en najaar. De gemiddelde januaritemperatuur, die in het westen en zuidwesten ca. 0 °C bedraagt, verloopt regelmatig naar het noordoosten tot -4 °C; de gemiddelde julitemperatuur ligt tussen 18 °C in het noordwesten en 22 °C in het zuidoosten. De jaarlijkse gemiddelde neerslag is het hoogst in het zuidoosten en het Bakony Woud (800-980 mm) en het laagst ten oosten van de Tisza (beneden 600 mm). De winter is het droogste seizoen.
1.4 Plantengroei
Hongarije is de kern van de Pannonische plantengeografische provincie, van nature in hoofdzaak een gebied van lichte eikenbossen met pluimes, Carpinus orientalis, en Ostrya carpinifolia als Zuidoosteuropese boomsoorten. Beukenbossen komen alleen voor in het westen en in de heuvels van het Karpatenvoorland in het noordoosten. De eikenbossen variëren van lichte, droge bossen van donzige eik, moseik en Quercus frainetto tot bossen van zomereik in minder droog milieu. Hoewel het klimaat droog en warmcontinentaal is, kunnen zelfs de oostelijke zoutsteppenbodems bij 450 mm neerslag per jaar nog eikenbos dragen.
De zoutsteppe, het laatste stadium van de ondergang van vroegere moerasbossen en venen, is rijk aan halofyten als strandmelde, Limonium gmelinii, Camphorosma annua en Kochia prostrata. De veel soortenrijkere zandsteppe, afgewisseld door eiken- en berkenbossen en struwelen van jeneverbes en witte abeel, wordt ten dele beheerst door de wuivende pluimen van de grassen Stipa joannis en S. capillata, ten dele door draviksoorten, duinriet, gewoon fakkelgras, Andropogon gryllus, Festuca vaginata, e.a.
1.5 Dierenwereld
De positie van Hongarije in Oost-Europa wordt o.a. gereflecteerd door het optreden van steppe-elementen uit Azië als de siezel en de blinde muis (Nannospalax leucodon) onder de zoogdieren, en grote en kleine trap onder de vogels. De fauna wordt echter zeer bedreigd, o.a. door het in cultuur brengen van de poesta. Hongarije heeft één nationaal park, Tihany, van ca. 1000 ha; van de reservaten is het Kisbalaton (ruim 1400 ha), een nu afgesloten baai van het Balatonmeer, het grootste en belangrijkste (broedkolonies van aalscholvers, lepelaars, acht soorten reigers, enz. - ook belangrijk als waterwildrefugium in de trektijd).

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking bestaat voor 98, 5% uit Magyaren. De voornaamste minderheidsgroepen zijn Duitsers, Slowaken, Serven, Kroaten, Roemenen en ca. 143!000 zigeuners (1, 5% van de bevolking). De bevolking neemt langzaam af: in de periode 1980-1990 een daling van 0,32%, in de periode 1990-1993 een daling van 0,23% (1992: geboorte- en sterftecijfer 11,8, resp. 14,4). De levensverwachting bij geboorte bedraagt voor vrouwen 74 jaar en voor mannen 66 jaar. 65% van de bevolking woont in de steden; 20% van de bevolking woont in de hoofdstad Boedapest. Het dichtst bevolkt zijn de provincies Komárom en Pest (rond Boedapest), Borsod-Abauj-Zemplén in het noorden en Csongrád in het zuidoosten. Het dunst bevolkt zijn het zuidwesten en westen en het gebied om Debrecen.
2.2 Taal
De officiële taal is het Hongaars (zie verder Hongaarse taal).
2.3 Religie
Ca. 64% van de bevolking is rooms-katholiek. Er zijn vier aartsbisdommen (Eger, Esztergom, Kalocsa en het in 1993 ingestelde Veszprém) en 12 bisdommen. De aartsbisschop van Esztergom is tevens primaat van Hongarije. De grondwet van 1949 bracht (naast formele vrijheid van religie) een volledige scheiding van kerk en staat. Pas in de jaren zestig kwam er enige ontspanning in de relatie tussen kerk en staat, die lange tijd zeer moeizaam was geweest. In 1964 kwam een overeenkomst met het Vaticaan tot stand, de eerste van deze aard tussen de Heilige Stoel en een communistisch land. In 1971 volgde een herziening van het sinds 1950 bestaande verdrag tussen staat en kerk, waarbij de rooms-katholieke geestelijken meer ruimte kregen op het terrein van de zielzorg en binnen hun eigen organisatie. Ook in financieel opzicht werd de positie van de Rooms-Katholieke Kerk verbeterd. Ten slotte werden in 1990 de diplomatieke betrekkingen met de H. Stoel volledig hersteld. Met de andere geloofsgemeenschappen zijn de relaties minder gespannen. De grootste is de protestantse met 2,5 miljoen leden. Daarnaast zijn er nog Russisch-orthodoxe, Servisch-orthodoxe, baptistische, methodistische en unitarische geloofsgemeenschappen. De Joodse Gemeente telt ca. 100.000 leden.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Van 1949 tot en met 1989 was Hongarije een socialistische volksrepubliek, maar in 1989 werd door het parlement een wijziging van de grondwet goedgekeurd waarin de termen 'volksrepubliek' en 'socialistisch' kwamen te vervallen. Hongarije werd een onafhankelijke, democratische staat met een meerpartijenstelsel, waarin de waarden van een burgerdemocratie en een democratisch socialisme gelijk vertegenwoordigd zijn. De 21 leden tellende presidentiële raad werd vervangen door een staatspresident, die voor een ambtstermijn van vier jaar door het parlement wordt gekozen. De hoogste wetgevende macht ligt bij de Nationale Vergadering (Országgyülé), waarvan de 386 leden direct en voor een periode van vijf jaar gekozen worden. De uitvoerende macht ligt bij het kabinet, dat verantwoording verschuldigd is aan het parlement. Kiesrecht hebben alle Hongaren vanaf achttien jaar.
3.2 Administratieve indeling
Hongarije is ingedeeld in 19 provincies (megyék), 128 districten en 3199 gemeenten. Ze worden bestuurd door gekozen raden; het dagelijks bestuur is in handen van uitvoerende comités. Daarnaast zijn er vijf stadsgewesten op het bestuurlijk niveau van de megyék. Boedapest met 22 megyék-raden en een centrale stadsraad neemt een aparte positie in.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Hongarije was lid van het Warschaupact, en is lid van de Comecon, van de Verenigde Naties en haar suborganisaties (sinds 1955), van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT), sinds 1982 van het Internationaal Monetair Fonds en sinds 1990, als eerste Oost-Europees land, van de Raad van Europa. In 1994 tekende het net als de meeste Oost-Europese landen een Partnership for Peace-overeenkomst met de NAVO.
3.4 Partij- en vakbondswezen
Zowel in politiek en economisch als in sociaal-cultureel opzicht speelde de Hongaarse Socialistische Arbeiderspartij (Magyar Szocialista Munkáspart, MSzMP, ontstaan uit de Communistische Partij) een allesoverheersende rol. In 1989 werd de MSzMP opgeheven en omgevormd tot de MSzP (Hongaarse Socialistische Partij), met een sociaal-democratisch karakter. Voorts werd er met het oog op de verkiezingen een groot aantal nieuwe partijen opgericht: (in orde van grootte) het Hongaars Democratisch Forum (HDF of MDF; centrum-rechts), de Alliantie voor Vrije Democraten (SzDSz; liberaal), de Onafhankelijke Partij voor kleine Boeren (FKgP; agrarische belangen), de Jonge Democraten (FIDESz; nauw verbonden met de SzDSz) en de Christen-democratische Volkspartij.
De vakbeweging is verenigd in de Centrale Raad van Vakbonden (in 1990 gereorganiseerd) met 1, 37 miljoen leden.

4. Economie

4.1 Algemeen
Het herstructureringsproces van de Hongaarse economie naar een vrije markt is vrijwel afgerond. Geringe binnenlandse vraag en de trage bloei van de traditionele afzetlanden belemmeren een voortvarende economische ontwikkeling. Een grote overheidsschuld en hoge inflatie beperken voorlopig de voorziene rappe expansie van de economie. Het bnp wordt voor 7% in de landbouw, voor 33% in de industrie en voor 50% in de dienstverlening gerealiseerd. Van de economisch actieve bevolking werkte in 1993 10% (1977: 22%) in de landbouw, 37% (1977: 43%) in de industrie en 53% (1977: 9%) in de dienstensector.
4.2 Landbouw, veeteelt en bosbouw
Van het land is 70% geschikt voor de landbouw. De teruggave van land aan de voormalige eigenaars heeft het grondbezit zeer versplinterd en daardoor economisch minder rendabel gemaakt. De landbouw is goed voor 7% van het totale nationale inkomen (1994). 35% van de agrarische productie is afkomstig van de kleine bedrijven, die zijn gespecialiseerd in groente- en fruitteelt en veefokkerij. Vanwege hun belangrijke exportfunctie worden deze kleine bedrijven door de staat financieel begunstigd. De landbouwbedrijven concentreren zich op grootschalige graanbouw (vooral maďs en tarwe) en veehouderij (voor export bestemde slachtrunderen), ontwikkeld met o.a. Amerikaanse kennis en kapitaal. Van belang is voorts de wijnbouw.
In de veeteelt heeft Hongarije zich op het fokken en mesten van slachtrunderen toegelegd, vnl. ten behoeve van de export naar EU-landen.
Ca. 19% van het totaaloppervlak is bedekt met bossen. Vooral in de nabijheid van steden en industriecentra is in het verleden veel aan herbebossing gedaan.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Hongarije is arm aan grondstoffen. Steenkool wordt gedolven bij Pécs (tevens de vindplaats van uraan) en Komló, bruinkolen bij Ajka (Bakonywoud), Tatabánya (Vértesgebergte), Dorog, Tokod en in de prov. Borsod-Abaúj-Zemplén, aardolie in de prov. Zala en in de Mátra- en Bükkheuvels, aardgas in Oost-Hongarije en Zala. De belangrijkste delfstof is echter bauxiet, bij Gánt in het Vértesgebergte, Iszkaszentgyörgy en in het Bakonywoud. Bruinkool wordt vnl. als brandstof gebruikt in energiecentrales; er bevinden zich stuwdammen in de Raab, Donau, Hernád en Tisza. Bij Paks is een kerncentrale.
4.4 Industrie
De industriële groei daalde van 3, 5% (1987) scherp naar 0% (1988), als gevolg van industriële herstructurering en een restrictieve politiek, die de binnenlandse vraag moet indammen. Tegelijkertijd heeft de toenemende groei van de industriële export naar westerse industrielanden veel bijgedragen tot verbetering van de handelsbalans. Hongaarse ondernemingen sluiten steeds meer coöperatieverdragen met westerse bedrijven, waardoor de productiviteit en de concurrentiepositie op de wereldmarkt zullen moeten toenemen maar waarmee ook een betere voorziening van de binnenlandse markt bereikt moet worden. De regering legt zich er sinds 1985 op toe verouderde industriecomplexen stil te leggen, de exportproductie te laten dalen en het aandeel van de hoogwaardige staalproducten in de totale productie te verhogen. De meeste industrie is geconcentreerd in en om Boedapest. Enkele andere industriegebieden zijn Borsod (hoogovens, machine-, chemische, glas- en cementindustrie), Salgótarján (bruinkolen, metaalwaren, machines, glas), Gyöngyös (ligniet, lood, zink en andere non-ferrometalen, cement), Dorog-Tokod (bruinkolen, aluinaarde, machines, glas, chemische artikelen en cement), Tatabánya-Oroszlány (bruinkolenmijnen, aluminiumsmelterij en cementindustrie), Györ-Komárom (aluinaarde, machine-, chemische, textiel- en agrarische industrie), Székesfehérvár-Várpalota-Veszprém (bruinkolenmijnen, aluminiumsmelterij en -walserij, machine-, chemische, keramische, papier- en leerindustrie). In Herend wordt porselein vervaardigd. Hongarije heeft zich gespecialiseerd in transportmiddelen, machinebouw en elektronica (transformatoren).
4.5 Handel
Hongarije is voor het verbruik van aardolie, aardgas en ijzererts grotendeels afhankelijk van import. Mede door de sterke prijsstijgingen van aardolie, aardgas en andere grondstoffen vertoonde de handelsbalans sinds 1974 toenemende tekorten en liep de schuld aan het buitenland op, maar in 1988 werd het handelstekort van de voorgaande jaren tot een handelsoverschot omgebogen. De buitenlandse schuld bleef echter stijgen (1985: $ 13,1 miljard, 1995: $ 31,6 miljard). In 1995 waren de voornaamste exportproducten: machines en transportmiddelen (11%), voedingsmiddelen (21,3%) en grondstoffen en halffabrikaten (40,1%). Een fractie van de export ging naar landen van het voormalige oostblok, het merendeel naar westerse. De belangrijkste handelspartners zijn Oostenrijk, Duitsland, Rusland en Italië.
4.6 Bankwezen
Nog steeds is het bankwezen overwegend van staatswege georganiseerd, al bestaan er inmiddels naast de Nationale Bank als centrale bank ook commerciële banken.
4.7 Verkeer
Hongarije bezit ca. 30!000 km wegen (waarvan ruim 270 km autosnelweg), ruim 8000 km spoorweg (waarvan 2277 km geëlektrificeerd), ruim 1600 km bevaarbare waterwegen en bijna 7000 km pijpleiding (twee aardolieleidingen en een gasleiding zorgen voor een verbinding met Rusland). In het personenverkeer nemen de spoorwegen de belangrijkste plaats in, gevolgd door streekbussen. Sinds 1970 is er binnenlandse luchtvaart. De Hongaarse luchtvaartmaatschappij Malév heeft als thuishaven het onlangs gerenoveerde vliegveld Ferihegy, 16 km buiten Boedapest, een van de modernste in Midden-Europa.

5. Toeristische gegevens
De interessantste stad van het land is Boedapest. In het heuvelachtige Transdanubië of West-Hongarije is het Balatonmeer het centrum van zomertoerisme; het schiereiland Tihany is bekend om de barokkerk en het openluchtmuseum. In de omgeving liggen Veszprém, Zirc met voormalig cisterciënzerklooster, Székesfehérvár, Martonvásár met kasteel met Beethovenmuseum (openluchtconcerten), Keszthely met barokkasteel en Balatonmuseum, Tapolca met bevaarbare ondergrondse kalksteengrot, en Sümeg met de grootste, 13de-eeuwse kasteelruďne van West-Hongarije.
In Noordoost-Transdanubië, in de 'Donauknie', ligt Visegrád met gerestaureerd 15de-eeuws kasteel en in de omgeving het Pilis Park (300 km2), Vác met - beschermd - barokstadsbeeld, en het vnl. 18de-eeuwse stadje Szentendre (twee musea, openluchtmuseum). Naar het westen toe zijn Esztergom en Tata met gotisch kasteel (museum) bezienswaardig. Noordwest-Transdanubië is rijk aan historische monumenten, bijv. in Györ, Sopron, Köszeg, Szombathely, Pannonhalma met gotisch benedictijnenklooster en kunstmuseum, Fertöd met het fraaie Eszterházy-kasteel uit midden 18de eeuw waar Haydn lange tijd heeft gewerkt (thans concerten), Ják met mooie romaans-gotische kerk en Zalaegerszeg met openluchtmuseum. In Zuid-Transdanubië is Pécs het cultuurcentrum. In Siklós, Pécsvárad en Szigetvár zijn middeleeuwse burchten (musea), bij Abaliget druipsteengrotten, bij Gemenc, in het Mecsekgebergte, is een wildreservaat, in Ráckeve een barokkasteel van Hildebrandt. Decs is beroemd om de volkskunst (museum).
Oost-Hongarije is het gebied van de poesta (steppe) die thans grotendeels in landbouwgebied is herschapen. Bij de historische stad Debrecen strekt zich het laatste, deels ongerepte stuk poesta uit: de Hortobágy (63!000 ha, Nationaal Park; herdersmuseum bij Mátra). Karakteristiek zijn de kudden grijskleurig rundvee. Er komen nog wilde paardenkudden voor. In Noordoost-Hongarije vindt men in de dorpen veel volksarchitectuur (houtsnijwerk) en romaanse kerkjes, bijv. in Csaroda. De grootste druipsteengrot van Hongarije is de Baradla bij Aggtelek. Tokaj produceert de bekendste Hongaarse wijnen (wijnmuseum). In Sárospatak bevindt zich het - gerestaureerde - kasteel van de Rákóczi's (13de eeuw, met renaissancetoevoegingen; museum). Bélapátfalva heeft een romaanse kathedraal (13de eeuw), Mezökövesd het Matyómuseum voor volkskunst (borduurkunst). Eger is een bezienswaardige stad.
In Zuid-Hongarije is Kalocsa (romaanse kerk) een belangrijk folklorecentrum (borduurwerk, decoratieve muurschilderingen; museum).

6. Geschiedenis
6.1 De Hongaren tot de 10de eeuw
De laagvlakte tussen de Alpen, Karpaten (met de daarbij behorende Transsylvaanse Alpen) en de gebergten van het Balkanschiereiland was vanouds een doorgangsgebied van zich verplaatsende volkeren. Het westelijke gedeelte hiervan met als grens de Donau werd door de Romeinen veroverd en Pannonia genoemd (later werd deze naam ook op het oostelijke deel toegepast). Met het verval van het Romeinse Rijk werd dit gebied opnieuw door tal van Germaanse volken doortrokken en bewoond. Zo gebruikten de Hunnen ten tijde van Attila dit gebied als thuisbasis voor hun militaire operaties. Aan het eind van de 6de eeuw slaagden de Avaren erin een groot deel van het gebied in hun macht te krijgen. Zij woonden hier een tweetal eeuwen tot zij aan het eind van de 8ste eeuw door Frankische legers verslagen werden. Karel de Grote verdeelde het gebied in enkele marken. In deze periode werd gepoogd de hier wonende Germanen en Slaven tot het christendom te bekeren. Door het verval van het Karolingische Rijk zagen andere machten en uiteindelijk de Hongaren kans het gebied in te nemen.
De Hongaren maakten oorspronkelijk deel uit van het stamverbond van de Ogoeren (hiervan is de naam ungar, Hongaar, enz. afkomstig), die ten westen van de Oeral woonden. In het midden van de 9de eeuw zonderden de zeven westelijke groepen, waarvan de meeste van Fins-Oegrische, andere weer van Turkse oorsprong waren, zich van het verbond af en trokken naar het westen. Aan het einde van de 9de eeuw drongen deze volken in het Karpatenbekken binnen. Het noorden van dit gebied behoorde toen tot de invloedssfeer van vorst Svatopluk van Groot-Moravië, terwijl in de andere gewesten verscheidene Bulgaarse hoofden regeerden. De gehele (Slavische) bevolking was naar schatting niet groter dan 200!000 zielen. De Hongaren, die ongeveer een half miljoen sterk waren, kozen Árpád, het hoofd van het belangrijkste volk 'Magyar' (in de eigen taal werd voortaan deze naam op het hele volk toegepast) tot hun leider, en steunend op het bondgenootschap met keizer Arnulf, begon deze ca. 895 de verovering van het land.
In de eerste helft van de 10de eeuw waren de Hongaren de schrik van Europa. Vanuit hun nieuwe land gingen zij uit op rooftochten tijdens welke zij o.a. tot in Spanje doordrongen. Keizer Otto I vernietigde echter in 955 een belangrijke Hongaarse troepenconcentratie op het Lechfeld bij Augsburg. De Hongaren trokken zich hierop terug in het Karpatenbekken.
6.2 De staatsconstructie en het Huis Árpád
De grondslagen van de Hongaarse staat werden door vorst Géza (ca. 970-997) gelegd. Hij nam het christendom aan en sloot vrede met de Duitse keizer. Zeer belangrijk was de kerstening van de Hongaren. Hierdoor werd Hongarije politiek en cultureel aan het Westen gebonden, in tegenstelling tot de volken ten zuiden en ten oosten van het Karpatenbekken, die het oosterse christendom aanvaardden en voortaan deel van de Byzantijnse cultuurkring uitmaakten. Het door Géza begonnen werk werd voltooid door zijn zoon Stefanus I de Heilige (997-1038), die van paus Sylvester II in 1000 de koningstitel kreeg. Hij bevestigde het centraal gezag en brak de zelfstandigheid van de afzonderlijke volken. Door het land in provincies (komitaten) te verdelen, gaf Stefanus de lijnen aan waarlangs de administratieve structuur zich zou ontwikkelen. Hij stichtte tevens bisdommen en talrijke kloosters. Hongarije werd een zelfstandige kerkprovincie, die rechtstreeks aan Rome ondergeschikt was. De Hongaarse staat werd tijdens de op Stefanus' dood volgende troontwisten voor het eerst op de proef gesteld. Het land raakte enige jaren in de invloedssfeer van keizer Hendrik III. De onafhankelijkheid werd onder Andreas I (1046-1061) herwonnen. Ladislaus I de Heilige (1077-1095) en zijn opvolger Colombanus de Geleerde (1095-1114) stelden, mede door strenge wetten, orde op zaken en Hongarije kon de aanvallen van de Petsjenegen en Koemanen afslaan. Tevens werd Kroatië als zelfbesturend rijksdeel bij Hongarije gevoegd en zelfs Dalmatië raakte in de Hongaarse invloedssfeer. Onder Béla III (1173-1196) bereikte het koningschap zijn hoogtepunt. De koninklijke macht werd in het begin der 13de eeuw sterk aangetast door de troonstrijd tussen de twee zonen van Béla III. Onder Andreas II (1205-1235) werd de grondslag gelegd van de Hongaarse constitutie. Bij de Gouden Bul (1222) werden de rechten van de vrije ingezetenen van het rijk vastgesteld. De koning verplichtte zich de Rijksdag regelmatig bijeen te roepen. Hieruit ontwikkelde zich de rechtsgewoonte, dat de koning slechts met toestemming van de Rijksdag belasting kon heffen of soldaten rekruteren.
Béla IV (1235-1270) trachtte in het begin van zijn regering het koninklijk gezag te herstellen. De spanning tussen de koning en de hoge adel maakte het land militair kwetsbaar, wat fataal bleek te zijn, toen de Mongolen onder Batoe Chan aanvielen. De Hongaarse troepen werden in 1241 uiteengeslagen, de Mongolen overspoelden het land en moordden het grootste gedeelte van de bevolking uit. Toen zij na ruim een jaar wegtrokken, keerde de gevluchte koning terug en organiseerde het land opnieuw. Met het oog op de gewestelijke organisatie van de militaire verdediging stimuleerde hij de bouw van vestingen. Zijn defensiepolitiek leidde er echter toe dat de magnaten aan macht wonnen. Deze feodale heren, die in hun eigen gebieden een vrijwel onbeperkt gezag uitoefenden, brachten de eenheid van het land in gevaar. De laatste koningen uit het Huis Árpád konden niet langer meer tegen de feodale aristocratie op.
6.3 Koningen uit verschillende dynastieën
Nadat het Huis Árpád met Andreas III in de mannelijke lijn was uitgestorven (1301), laaiden de troontwisten tussen de verschillende afstammelingen in vrouwelijke lijn op. Deze werden door Karel I uit het Huis Anjou, die door de paus op de voorgrond was geschoven, beëindigd (1307-1342). Hij wist de macht van de aristocratie te breken en de eenheid van het rijk te herstellen. Mede door zijn verstandige economische beleid werd Hongarije een van de rijkste landen van Europa. Zijn zoon Lodewijk I de Grote (1342-1382) erfde een gezond rijk. Onder hem werd de Gouden Bul in meer gedetailleerde vorm opnieuw uitgegeven (1351), waarbij ook aan de rechten van de boerenbevolking aandacht werd geschonken. In 1370 werd Lodewijk, op basis van het recht van zijn moeder, ook koning van Polen. Bij de Vrede van Turijn (1381) wist hij Venetië tot erkenning van de Hongaarse soevereiniteit over Dalmatië te verplichten. Onder zijn schoonzoon Sigismund van Luxemburg (1387-1437) wijzigden de machtsverhoudingen zich opnieuw ten gunste van de feodale aristocratie. Hij zocht tegenover de aristocratie het bondgenootschap van de lagere adel en tevens van de in betekenis toegenomen steden. In 1405 werden de rechten van de steden, o.a. hun deelneming aan de Rijksdag, bij de wet vastgesteld. Aan het einde van de 14de eeuw bereikte de Turkse veroveringstocht reeds de zuidgrenzen van Hongarije. Sigismund vroeg het Westen om hulp, maar het Bourgondische leger, dat onder bevel van Jan zonder Vrees stond, werd met de Hongaren in 1396 bij Nicopolis door de Turken verslagen.
Het Turkse gevaar nam onder de opvolgers van Sigismund toe. In de strijd tegen de Turken trad János Hunyadi naar voren, wiens politieke gezag daardoor en door zijn leiding over de lagere adel zo hoog steeg, dat hij naast de minderjarige koning Ladislaus V tot regent werd gekozen. In juli 1456 behaalde Hunyadi bij Belgrado een grote overwinning op sultan Mehmed II. Na de dood van Ladislaus V werd Hunyadi's zoon Matthias door de Rijksdag, met hulp van de lagere adel, tot koning gekozen. Matthias (Corvinus) (1458-1490) was een vorst van groot formaat. Hij brak de macht van de feodale aristocratie. In plaats van militaire dienstverlening kwam voortaan voor de adel het betalen van belasting. De koning bracht een van de eerste staande legers van Europa op de been, waarmee hij met succes de Turken, de Duitse keizer en de koning van Bohemen bestreed. Neder-Oostenrijk met Wenen, Stiermarken, Karinthië, Moravië en Silezië werden aan zijn rijk toegevoegd. Tevens trachtte hij de boeren tegen de groeiende onderdrukking door de grootgrondbezitters te beschermen. Zijn hof werd een verzamelplaats van Italiaanse kunstenaars en geleerden, zodat Hongarije het eerste land ten noorden van de Alpen was waar de Italiaanse renaissance ingang vond.
Na Matthias' dood koos de Rijksdag de zwakke koning van Bohemen, Vladislav (als László II koning van Hongarije, 1490-1516) uit het Poolse vorstenhuis Jagiello, tot koning. Onder hem en zijn zoon Lodewijk II (1516-1526) was van het koninklijk gezag niets overgebleven. De hoge en de lage adel betwistten elkaar de macht in de Rijksdag, hetgeen elk verstandig bestuur onmogelijk maakte. Om de macht van de magnaten te beperken besloot de Rijksdag in 1498 tot codificatie van het Hongaarse recht, welke na een arbeid van 16 jaar werd voltooid. De soevereiniteit kwam volgens deze codificatie toe aan de Heilige Kroon. De koning was slechts hoofd van de Heilige Kroon en kon zijn bevoegdheden alleen uitoefenen in overeenstemming met de stenden, die leden van de Heilige Kroon waren. Alle adellijke personen werden gelijk verklaard, wat - aangezien de lage adel ca. 10% van de bevolking uitmaakte - een aanzienlijke verzwakking van de positie van de magnaten betekende. Het provinciaal bestuur ging in handen van de lage adel over en dit bleef zo tot de afschaffing van het feodale stelsel in 1848. Ten gevolge van de verslechtering van de positie van de boeren brak in 1514 een boerenopstand uit onder leiding van de edelman Dózsa, die slechts met moeite kon worden onderdrukt. Dit gaf aanleiding tot de volledige ontrechting van de boerenbevolking.
6.4 De Turkse overheersing
De desintegratie en de opstand van de boeren maakten van Hongarije een gemakkelijke prooi voor sultan Süleyman II, die in 1526 bij Mohács de Hongaarse troepen versloeg. Nadat Lodewijk II was omgekomen, geraakte de adel verwikkeld in een troonstrijd. Vooral die hoge edellieden wier bezittingen in het westen des lands lagen, stonden achter Ferdinand I van Habsburg (1526-1564), echtgenoot van Lodewijks zuster, terwijl anderen zich schaarden achter Jan Szapolyai (1526-1540), leider van de lage adel. Beide pretendenten werden door hun partij tot koning gekozen en beiden werden met de Heilige Stefanskroon, het symbool van de soevereiniteit, gekroond. Szapolyai werd door het leger van keizer Karel V, Ferdinands broer, uit Boeda verdreven en Ferdinand verplaatste zijn residentie van Wenen naar Boeda. Szapolyai vroeg echter om Turkse hulp en verklaarde zich bereid vazal van de sultan te worden. Nadat hij door de Turken teruggedrongen was, was ook Ferdinand bereid Turks vazal te worden. In 1538 hebben de twee tegenstanders elkaar wederzijds erkend, met de bepaling dat het rijksdeel van Szapolyai na zijn overlijden op Ferdinand zou overgaan. Toen Szapolyai kort voor zijn dood een zoon kreeg, besloot hij de vrede niet te eerbiedigen. De hulp van sultan Süleyman werd ingeroepen en de troepen van Ferdinand moesten het veld ruimen voor de Turken. De sultan nam zelf Boeda, alsmede het midden en het zuiden van Hongarije in bezit (1541). Oost-Hongarije, met als kern Zevenburgen, bleef als zelfstandig vorstendom voor de zoon van Szapolyai behouden. Het koninkrijk Hongarije onder Ferdinand werd beperkt tot een lange, maar smalle, strook in het westen en in het noorden van het land, vanaf de Adriatische Zee tot de noordoostelijke Karpaten. De hoofdstad werd Pozsony (Duits: Presburg, thans: Bratislava, Slowakije), terwijl de koning in Wenen resideerde. Alle twisten die tussen de Hongaren en het Huis Habsburg tot 1867 duurden, werden door deze vreemde situatie veroorzaakt. Voor de Oostenrijkse Habsburgers was het gereduceerde Hongarije niet het belangrijkste land waarover zij regeerden. Hoewel de Hongaarse waardigheidsbekleders door de Hongaarse Rijksdag gekozen werden en bij tal van wetten werd vastgesteld dat de Hongaarse autoriteiten niet aan de Weense hofdignitarissen ondergeschikt waren, wisten de laatsten toch altijd hun invloed te doen gelden. Op die manier geraakten de Hongaarse autoriteiten feitelijk min of meer in een afhankelijke positie van de hofinstanties. Sinds het midden van de 16de eeuw vond de Reformatie, vnl. de calvinistische richting, in Hongarije ingang. Aan het eind van die eeuw was de meerderheid van de bevolking al protestants, wat de tegenstellingen met de rooms-katholieke vorst en het hof nog vergrootte.
Sinds de Turken zich in het midden van het land hadden gevestigd, was er geen echte vrede meer mogelijk. Zelfs als er officieel geen oorlogstoestand bestond, waren de Turkse troepen toch ononderbroken uit op rooftochten. Tegen de Turkse invallen werd, met financiële steun van het Duitse Rijk, een gordel van vestingen aangelegd. Tweemaal vonden er pogingen plaats om de niet-Turkse delen van het land onder de Habsburgers te verenigen (1551-1556 en 1599-1604). Maar enerzijds het feit dat de Habsburgse legers niet sterk genoeg waren om Zevenburgen tegen de Turken te verdedigen, anderzijds de met de komst van de Habsburgse heerschappij gepaard gaande onderdrukking en Contrareformatie, leidden tot mislukking van deze pogingen. In 1604 brak onder leiding van Stefan Bocskai een algemene opstand uit. De Habsburgse legers werden verslagen en keizer/koning Rudolf moest bij de Vrede van Wenen (1606) de geloofsvrijheid in Hongarije, alsmede de Hongaarse constitutie en de zelfstandigheid van Zevenburgen, onder Bocskai erkennen.
De eerste helft van de 17de eeuw was het gouden tijdperk van het vorstendom Zevenburgen, dat onder het wijze bestuur van de vorsten Gábor Betlen (1613-1629) en George I Rákóczi (1630-1648) een periode van economische en culturele bloei beleefde. Deze protestantse vorsten sloten zich in de Dertigjarige Oorlog aan bij de anti-Habsburgse coalitie. Leopold I (1655-1687) deed bij herhaling - vergeefse - pogingen tot opheffing van de Hongaarse constitutie te komen. Intussen trokken de Turken in 1683 met een groot leger tegen Wenen ten strijde. De aanval werd met Poolse hulp afgeslagen en vervolgens verdreef het leger van keizer Leopold de Turken met Europese hulp uit Hongarije (1684-1699). Boeda werd in 1686 bevrijd, Zevenburgen werd in 1690 met de Hongaarse kroon herenigd.
6.5 Het Habsburgse bewind tot 1867
De bijna 200-jarige oorlog met de Turken, gedurende welke Hongarije de naam 'schild van de gehele christenheid' verwierf, had fatale gevolgen voor het land. De bevolking liep terug van 4 miljoen aan het eind van de 15de eeuw, van wie 80% Hongaar was, tot 2 miljoen aan het eind van de 17de eeuw. De bevolkingspolitiek van het hof van Wenen had ten doel het Hongaarse karakter aan het land te ontnemen. Naast talrijke Duitse kolonisten werden 200.000 Serviërs, die zich aan de Turkse overheersing trachtten te onttrekken, in het ontvolkte Zuid-Hongarije gevestigd, terwijl het Roemeense element, ten gevolge van een massale emigratie uit de Turkse vazallenvorstendommen Walachije en Moldavië, de meerderheid verkreeg in Zevenburgen. Op de Rijksdag van 1687 werd door de geďntimideerde stenden het erfelijk koningschap van de Habsburgers erkend. De reactie op de ondraaglijke militaire onderdrukking was een acht jaar durende vrijheidsoorlog (1703-1711) onder leiding van vorst Frans II Rákóczi. Het grootste deel van de bevolking, edelen, burgers en boeren, naast de Hongaren ook Slowaken en Oekraďners, schaarde zich onder zijn vaandels. Rákóczi verbond zich met Lodewijk XIV en zijn leger bevrijdde geheel Hongarije van het Habsburgse juk. Het Huis Habsburg werd in 1707 van de troon vervallen verklaard. De Fransen werden echter in de Spaanse Successieoorlog verslagen en de vrijheidsstrijd eindigde met een compromis. Bij de Vrede van Szatmár (thans: Satu Mare) werden de Hongaarse constitutie gegarandeerd en algemene amnestie verleend (1711). Rákóczi zelf verkoos de ballingschap.
Koning Karel III (als keizer Karel VI) regeerde van 1711 tot 1740 als constitutionele monarch. Omdat hij geen mannelijke opvolger had en hij zijn dochter Maria Theresia op de troon wilde hebben, liet hij de Rijksdag van 1722/1723 de Pragmatieke Sanctie aanvaarden. Maria Theresia (1740-1780) behield haar kroon in de Oostenrijkse Successieoorlog met Hongaarse hulp. Zij deed veel voor de culturele ontwikkeling van het land. Omdat de adel weigerde van zijn voorrecht van belastingvrijheid afstand te doen, concentreerde het hof van Wenen de industrie in Oostenrijk en Bohemen, terwijl Hongarije de rol werd toebedeeld van leverancier van grondstoffen en landbouwproducten. Jozef II (1780-1790) was de voornaamste representant onder de Habsburgers van het verlicht despotisme. Zijn hervormingen beoogden echter de versmelting van Hongarije met de rest van de Habsburgse monarchie. Het verzet daartegen steeg tot een hoogtepunt, toen Jozef het Duits als officiële taal wilde invoeren. Zijn opvolger, Leopold II (1790-1792), bekrachtigde bij de wetten van 1790 opnieuw de zelfstandigheid en de constitutie van Hongarije. De Franse Revolutie vond slechts bij een kleine groep intellectuelen weerklank, onder wie Ignác Martinovics en andere Hongaarse jakobijnen, die daarvoor met hun hoofd moesten boeten (1795).
De successen van de Franse revolutionaire legers brachten het Weense hof en de Hongaarse stenden nader tot elkaar, doch een verwijdering tussen deze bondgenoten trad in, toen Wenen een belangrijk deel van de staatsschulden op Hongarije wilde afschuiven. Ten gevolge van de daling van de graanprijzen na de Napoleontische oorlogen groeide het verlangen naar een eigen, nationale economie, hetgeen een stimulans betekende voor het groeiende nationale zelfbewustzijn. De gedachte dat de feodale Hongaarse maatschappij diende te streven naar verburgerlijking, won terrein.
De groeiende onrust in het land noodzaakte Frans I (1792-1835) in 1825 de Rijksdag bijeen te roepen, voor het eerst sedert 1812. Deze werd in de komende jaren een forum waar de conservatieven en de liberalen elkaar bestreden. Het reactionaire hof van Wenen was de hervormingen ongunstig gezind. Het hof ondersteunde de conservatieven en wakkerde tevens de anti-Hongaarse gevoelens van de nationale minderheden aan. Vooral de kwestie van de vervanging van het Latijn als officiële taal door het Hongaars leverde stof voor een conflict op. Als leider van de liberalen kwam Lodewijk Kossuth op. Hij stelde namens de oppositie de eisen op voor de laatste stenden-Rijksdag (1847-1848), die door het hof onder invloed van de revoluties te Wenen en te Boedapest in maart 1848 geaccepteerd werden. Bij de wetten van april 1848 werd de verbinding van Hongarije met Oostenrijk tot een zuivere personele unie beperkt. De voorrechten van de adel werden afgeschaft, de lijfeigenschap werd opgeheven, de parlementaire democratie ingevoerd en de democratische rechten verzekerd. De liberale graaf Lodewijk Batthyány vormde de eerste parlementaire regering, waarvan o.a. Kossuth en Széchenyi deel uitmaakten.
Na de overwinning van het Oostenrijkse leger onder Radetzky in de zomer van 1848 op de Italianen trachtte het hof van Wenen de democratische ontwikkeling in Hongarije ongedaan te maken. Hierbij speelde het in op de nationale gevoelens van de minderheden. Nadat de Oostenrijkers nog in 1848 tegen Boedapest waren opgerukt, werden zij in het voorjaar van 1849 uit Hongarije verdreven. Het Habsburgse Huis werd door het parlement op 14 april 1849 van de troon vervallen verklaard en Kossuth werd tot gouverneur-president gekozen. Het hof van Wenen vroeg toen om Russische militaire hulp. Tsaar Nicolaas I was bereid de gevraagde hulp te verlenen, omdat hij vreesde dat de definitieve zege van de Hongaarse zaak een revolutie van de onderdrukte Polen tot gevolg kon hebben. De legers van twee grote mogendheden verpletterden de Hongaren. Op 13 aug. 1849 legde generaal Görgey voor de kozakken van de tsaar de wapens neer. Er brak nu een periode van terreur over Hongarije aan. De Hongaren verzetten zich passief tegen de vreemde onderdrukking. Te Wenen werd het op den duur duidelijk, dat de medewerking van de Hongaren bij het besturen van de monarchie onmisbaar was. Het feit dat Oostenrijk uit Duitsland en Italië werd verdrongen, maakte ook een vergelijk noodzakelijk. Op grond van de voorstellen van Frans Deák (minister van Justitie in 1848) kwam de Ausgleich van 1867 tot stand.
6.6 Het tijdperk van het dualisme
Bij de Ausgleich, die wettelijk vorm kreeg in de Hongaarse wet van juni 1867 en de corresponderende Oostenrijkse wet van dec. 1867, kregen Oostenrijk en Hongarije slechts de monarch, die keizer van Oostenrijk en koning van Hongarije was, evenals defensie, buitenlandse zaken en de daarmee samenhangende financiën gemeen. Frans Jozef (1848-1916) werd in 1867 tot koning van Hongarije gekroond.
Kossuth, die sinds 1849 in emigratie leefde, wees de Ausgleich af. De oppositiepartij, die steun vond onder de brede massa's van de Hongaarse bevolking, eiste de definitieve afscheiding van Oostenrijk. De op grondslag van de Ausgleich staande regeringspartij kon zich slechts met behulp van een kunstmatige kiesdistrictindeling van de parlementaire meerderheid verzekeren. In 1868 werd een nationaliteitenwet afgekondigd, die de rechten van de tot de minderheden behorende personen formuleerde. Deze wet kon de minderheden echter niet bevredigen, en zij eisten de erkenning van hun nationale collectiviteit en territoriale autonomie. Een uitzondering vormde echter Kroatië, dat zijn aloude autonomie bleef behouden met een eigen parlement en een soort regering in Agram (Zagreb) met het Kroatisch als officiële taal.
Het binnenlandse bewind werd gekenmerkt door liberale en antiklerikale tendensen. Politieke partijen op confessionele grondslag bleken in Hongarije geen levensvatbaarheid te bezitten. De joodse bevolkingsgroep kreeg volledige gelijkstelling (1868). Het lager onderwijs werd kosteloos en werd verplicht gesteld (1868). De confessionele scholen werden ten gunste van de openbare instituten teruggedrongen. De juryrechtspraak alsmede de administratieve rechtspraak werden ingevoerd. Bij de bezetting van burgemeestersposten en die van provinciehoofden werd het keuzeprincipe van toepassing. De relatieve economische groei van Hongarije in de laatste drie decennia van de 19de eeuw overtrof die van elk land ter wereld, zelfs die van de Verenigde Staten. In 1894 werd de gouden standaard ingevoerd. Het was tevens een tijdperk van grote culturele bloei.
Anderzijds vormde het liberale 'laisser faire'-principe een hinderpaal voor het wegwerken van de bestaande sociale misstanden, hoofdzakelijk die betreffende de ongelijke verdeling van het grondbezit. Na 1900 trad, mede door daling van de graanprijzen, een economische recessie in, die een stijgende emigratie naar de Verenigde Staten, vnl. van het agrarische proletariaat, veroorzaakte. In 1914 werd Hongarije door de band met Oostenrijk aan de zijde van de Centrale Mogendheden in de Eerste Wereldoorlog gesleept, welke aan het Hongaarse rijk in zijn oude vorm een einde maakte.
6.7 Tussen de twee wereldoorlogen
Na de militaire nederlaag van de Centrale Mogendheden werd op 25 okt. 1918 onder voorzitterschap van graaf Mihály Károlyi, lid van de burgerlijke oppositiepartij, een Nationale Raad gevormd. Koning Karel IV (1916-1918) benoemde Károlyi tot premier, maar het parlement riep op 16 nov. de Volksrepubliek uit. Károlyi werd tot president gekozen en stelde zijn regering samen uit leden van de voormalige burgerlijke oppositiepartij en uit sociaal-democraten. Het bewind van Károlyi kwam ten val door toedoen van de Geallieerde Mogendheden die ten gunste van de successiestaten het grootste deel van het Hongaarse grondgebied opeisten. De socialisten gingen hierop met de kort tevoren opgerichte kleine communistische partij een fusie aan. Op 21 maart 1919 werd de radenrepubliek uitgeroepen, waarvan de communisten onder Béla Kun de koers bepaalden. Het Hongaarse Rode Leger leed eind juli 1919 een volkomen nederlaag tegen de Roemenen, waarop de radenrepubliek ineenstortte. Kun en andere rode leiders vluchtten naar Moskou. Nadat de Entente zich tegen het regentschap van aartshertog Jozef von Habsburg had uitgesproken, werd vice-admiraal Miklós Horthy, minister van Defensie van de contrarevolutionaire regering, meester van de situatie. De nationale vergadering, die voortkwam uit de in het begin van 1920 gehouden verkiezingen, waarvan de socialisten werden uitgesloten, herstelde de monarchale regeringsvorm en koos Horthy op 1 maart 1920 tot rijksbestuurder.
Nadat de geallieerde mogendheden de Hongaarse wens om volksstemmingen te houden in de door de successiestaten opgeëiste gebieden, had afgewezen, werd Hongarije op 4 juni 1920 de Vrede van Trianon opgelegd, waarbij het tot ongeveer een derde van zijn historisch grondgebied werd gereduceerd. Een derde van de etnisch-Hongaarse bevolking bleef buiten de nieuwe grenzen, 1,7 miljoen Hongaren (m.n. Transsylvanië) kwamen onder Roemeense heerschappij, 1,1 miljoen werden bij Tsjechoslowakije en 0,6 miljoen bij Joegoslavië ingelijfd. Koning Karel IV deed vanuit zijn ballingschap in Zwitserland in 1921 twee pogingen tot een staatsgreep, hetgeen tot gevolg had dat de geallieerden een ultimatum aan de Hongaarse regering richtten, waarin de troonsafstand van het Huis Habsburg binnen een week werd geëist. De desbetreffende wet werd door de nationale vergadering op 5 nov. 1921 aanvaard.
Het werk van de consolidatie werd onder premier graaf István Betlen (1921-1931) in behoudende geest voltrokken. De kerkelijke leiders kregen een grotere invloed op het bewind dan voordien. De communistische partij bleef verboden, terwijl de sociaal-democraten zich slechts in de steden mochten organiseren. Verder was de oppositie vertegenwoordigd door de Burgerlijke Radicalen en de Kleine Landbouwers.
De na 1920 doorgevoerde landbouwhervorming bleek onvoldoende te zijn. De industrialisatie werd echter verder doorgevoerd, zodat Hongarije in de tweede helft van de jaren dertig zijn overwegend agrarische karakter had verloren. De uiterst rechts gerichte, bevoorrechte officierskaste vormde de grootste bron van spanningen voor het land. Haar invloed nam onder premier Gyula Gömbös (1932-1936) - zelf een officier - sterk toe.
De buitenlandse politiek was gericht op doorbreking van de isolatie door de Kleine Entente en op revisie van het vredesverdrag om de politieke grenzen beter in overeenstemming te brengen met de etnische verhoudingen. De toenaderingspogingen tot Frankrijk (1920) en tot Joegoslavië (1926) liepen op niets uit. Vanaf 1927 kwam een politieke samenwerking met Italië tot stand, die in 1934 bij de Protocollen van Rome tussen Italië, Oostenrijk en Hongarije gestalte kreeg. Het Duitse nationaal-socialisme genoot de sympathie van de uiterst rechtse officieren, alsmede van een niet al te brede laag van antisemitische burgers, die zich in de beweging van de Pijlkruisers organiseerden. Na de dood van Gömbös werd deze beweging bij herhaling verboden verklaard, maar onder Duitse druk weer toegelaten. De Duitse regering was in staat ook zonder rechtstreekse inmenging, nl. via het officierskorps, de Pijlkruisers en de een half miljoen sterke Duitse minderheid, haar invloed in Hongarije te laten gelden. Onder deze druk werden de joden in 1938 en 1939 beperkingen, vnl. op economisch gebied, opgelegd; verder werd de joodse bevolkingsgroep tot de Duitse bezetting in 1944 ongemoeid gelaten.
Tijdens de Tsjechoslowaakse crisis in 1938 was de houding van de Hongaarse regering onzeker, en zij wekte de ergernis van de Duitsers op. Zij trachtte de grenskwestie door rechtstreekse onderhandelingen op te lossen, doch van Tsjechoslowaakse zijde gaf men de voorkeur aan arbitrage door de As-mogendheden. Bij de scheidsrechterlijke uitspraak van Wenen op 2 nov. 1938 kreeg Hongarije met Italiaanse steun een landstreek terug waarvan de bevolking voor 90% uit Hongaren bestond. Het etnische argument rechtvaardigde echter niet de Hongaarse bezetting van de Karpaten-Oekraďne in maart 1939.
6.8 De Tweede Wereldoorlog
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, trachtte de regering van premier graaf Pál Teleki (1939-1941) het smalle pad van de neutraliteit te bewandelen, echter zonder het tot een breuk met de Duitsers te laten komen. Na de capitulatie van Frankrijk groeide de op de regering-Teleki uitgeoefende druk zowel van buitenaf als van binnenuit. Onder druk van de generale staf stelde Teleki in de zomer van 1940, toen de Sovjet-Unie van Roemenië de teruggave van Bessarabië eiste, de kwestie-Transsylvanië aan de orde. Op 30 aug. 1940 wezen von Ribbentrop en Ciano de kleinere noordelijke helft van dit gebied toe aan Hongarije, dat daardoor in een nog meer afhankelijke positie van Duitsland geraakte. De laatste poging van de regering-Teleki om zich enige vrijheid van handelen te verzekeren, was het sluiten van een vriendschapsverdrag met Joegoslavië (dec. 1940). Toen de Duitsers eind maart 1941 hun aanval op Joegoslavië voorbereidden, dreigde de Hongaarse generale staf met een staatsgreep, indien Hongarije niet mee zou doen. Teleki zag geen uitweg en pleegde zelfmoord. Zijn opvolger, László Bárdossy (1941-1942), gaf enige dagen na de Duitse aanval, onder het voorwendsel dat de Joegoslavische staat uiteengevallen was, toestemming tot bezetting van de vroegere Hongaarse provincie Bácska.
Op 27 juni verklaarde Bárdossy de oorlog aan de Sovjet-Unie zonder medeweten van Horthy en zonder raadpleging van het parlement. Vanaf deze tijd namen relatief kleine Hongaarse eenheden deel aan de oorlog tegen de Sovjet-Unie. Onder premier Miklós Kállay (1942-1944) werden pogingen ondernomen contacten te leggen met de geallieerden inzake een afzonderlijke vrede. Op 19 maart 1944 liet Hitler het voor hem onbetrouwbare Hongarije bezetten. Een groot aantal politici werd gearresteerd. De jodenvervolging werd onmiddellijk ingezet. In sept. 1944 hervatte Horthy in het geheim de contacten met de geallieerden en op 11 okt. tekenden de Hongaarse gevolmachtigden te Moskou de voorlopige wapenstilstand. Toen Horthy op 15 okt. de wapenstilstand proclameerde, werd hij door de Duitsers afgezet. Dezen droegen de macht over aan de Pijlkruisers, die in het belang van de Duitse oorlogvoering een ware terreur uitoefenden.
6.9 De vestiging van een communistisch regime
Van sept. 1944 tot april 1945 was Hongarije oorlogstoneel. Het land werd verwoest en leeggeroofd zowel door de Duitsers als door de Russen. Ten slotte voerden de laatsten 350.000 burgers voor dwangarbeid weg naar de Sovjet-Unie.
Reeds in dec. 1944 werd te Debrecen uit de Partij der Kleine Landbouwers, de Nationale Boerenpartij, de Sociaal-Democratische Partij en de Communistische Partij een voorlopige regering samengesteld, die op 20 jan. 1945 de wapenstilstand tekende. In het voorjaar ging men over tot verdeling van grond onder de boeren. De Communistische Partij, waarvan de zgn. Moskou-groep onder leiding van Mátyás Rákosi de leiding kreeg, begon in het land de lakens uit te delen. Deze partij behaalde bij de op 4 nov. 1945 gehouden verkiezingen slechts 17% van de stemmen (de Kleine Landbouwers 57%), maar wist zich met hulp van de Sovjetbezetters van de belangrijkste portefeuilles te verzekeren. Op 1 febr. 1946 werd de republikeinse regeringsvorm aanvaard. Bij het vredesverdrag van Parijs van 10 febr. 1947 werden Hongarije de zwaarste vredesvoorwaarden van alle satellieten van Duitsland opgelegd. De grenzen van 1920 bleven gehandhaafd. Een Amerikaans-Brits initiatief tot rectificatie van de Hongaars-Roemeense grens van 1920 ten gunste van Hongarije werd door de Sovjets afgewezen. Hongarije werd verplicht tot herstelbetalingen ter grootte van $ 300 miljoen. Het Duitse eigendom in Hongarije werd aan de Sovjet-Unie toegewezen. De Sovjetbezettingsautoriteiten namen onder deze titel een groot deel van de Hongaarse industrie in beslag.
De economische uitbuiting had een volledige ruďnering en algemene verarming tot gevolg; Hongarije moest daarenboven afzien van de aangeboden Marshallhulp (juni 1947). Onwillige politici werden naar Siberië gedeporteerd. Vele anderen, onder wie premier Ferenc Nagy, vluchtten naar het Westen. De bepaling dat de Sovjets hun bezettingstroepen uit Hongarije zouden terugtrekken binnen 90 dagen na het in werking treden van het vredesverdrag (15 sept. 1947), werd niet nagekomen. Kardinaal Mindszenty, die zijn stem verhief tegen het communisme, werd in 1948 gearresteerd en tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld.
In 1948 werd het eenpartijstelsel ingevoerd. De Sociaal-Democratische Partij ging in de Communistische Partij op. De Moskou-groep van Rákosi achtte nu de tijd gekomen om zelfs af te rekenen met de leiders van de illegale Communistische Partij in Hongarije tijdens het Horthy-regime. László Rajk en talrijke anderen werden wegens 'samenzwering met Tito om Hongarije aan de imperialisten uit te leveren' in een schijnproces ter dood veroordeeld en terechtgesteld.
6.10 Het Rákosi-regime
In 1949 werd een nieuwe constitutie afgekondigd, naar het voorbeeld van de Sovjetgrondwet van 1936, en Hongarije tot volksrepubliek verklaard. Nationalisatie van de banken en industriële ondernemingen werd spoedig gevolgd door de onteigening van vrijwel alle privéeigendom. De boeren traden verplicht toe tot kolchozen. Er werd met de opbouw van een zware industrie begonnen, waarvoor echter in Hongarije de economische voorwaarden door het ontbreken van grondstoffen niet aanwezig waren. Tegelijkertijd gingen de elektrotechnische en chemische industrie (die tussen de twee wereldoorlogen in staat waren geweest op de wereldmarkt te concurreren) te gronde. Spoedig ontstond een groot gebrek aan levensmiddelen en allerlei industrieartikelen. De regering zag zich in 1951 genoodzaakt een distributiesysteem voor brood en vlees in te voeren. De levensomstandigheden van de arbeiders daalden tot onder het peil tijdens het Horthy-regime. Wetenschappelijke en culturele contacten met het Westen werden beperkt. De veiligheidspolitie kreeg blanco volmachten en duizenden mensen, uit alle lagen van de bevolking, communisten en niet-communisten, verdwenen spoorloos in de concentratiekampen.
In 1953 moest Rákosi de post van premier aan Imre Nagy afstaan. Tijdens zijn bewind werd het beleid in liberaler zin omgebogen; de consumptieve industrie kreeg meer ruimte, de zware industrie kreeg minder accent. Rákosi behield echter de leiding van de partij en vanuit die positie trachtte hij het beleid van Nagy tegen te werken. Reeds in de herfst van 1954 werd Nagy met ziekteverlof gezonden en in april 1955 werd hij, wegens 'revisionisme', van al zijn functies ontheven en uit de partij gestoten.
Nadat in de Sovjet-Unie de destalinisatiecampagne (febr. 1956) was ingezet, kon de algemene ontevredenheid in Hongarije over de gang van zaken zich vrijer uiten. De discussieclub 'Petőfi' stelde met deelname van communistische en niet-communistische intellectuelen in juni een liberalisatieprogramma op. Rákosi's positie bleek onhoudbaar; men verving hem door Ernö Gerö. De opgehangen oud-minister van Binnenlandse Zaken Rajk werd gerehabiliteerd.
6.11 De volksopstand van 1956
Een sympathiebetuiging van arbeiders en studenten ten gunste van een liberalisatiebeweging in Polen op 23 okt. 1956 liep op een volksopstand uit, nadat de veiligheidspolitie op de manifestanten het vuur had geopend. Toen bleek dat de troepen van de veiligheidspolitie de situatie niet meester konden worden, rukten de Sovjetbezettingstroepen met tanks tegen de opstandelingen op. De volgende dag breidde de opstand zich over heel Hongarije uit. Veel Hongaarse militairen kozen onder leiding van generaal Pál Maléter de zijde van de opstandelingen. Hun voornaamste eisen waren: beëindiging van de Sovjet-bezetting alsmede van de herstelbetalingen; vrije verkiezingen en het herstel van de bevoegdheden van de volksvertegenwoordiging; herstel van de persoonlijke vrijheden en afschaffing van de veiligheidspolitie. In de fabrieken werden arbeidersraden gevormd. De gevechten werden pas gestaakt, toen Gerö het veld ruimde en de opnieuw tot premier benoemde Imre Nagy de eisen van de opstandelingen inwilligde. Hij vormde een regering uit vertegenwoordigers van de coalitiepartijen van 1945, waarvan o.a. ook János Kádár deel uitmaakte. De Sovjetregering nam bij declaratie van 30 okt. van deze ontwikkeling kennis en beloofde een spoedige terugtrekking van alle sovjettroepen uit Hongarije. Op 1 nov. trad Hongarije uit het Warschaupact, waarvan het sinds 1955 deel uitmaakte, en verklaarde zich neutraal. Tegelijkertijd werd de grote mogendheden alsmede de Verenigde Naties verzocht de Hongaarse neutraliteit te erkennen. Op 3 nov. werd een Hongaarse delegatie onder leiding van generaal Maléter naar het hoofdkwartier van de Sovjet-bezettingstroepen ontboden om de details van de terugtrekking van de Russische legers te bespreken. De delegatie werd echter gearresteerd en tegelijkertijd begonnen de sovjettroepen met artillerie en tanks de aanval op Boedapest en andere Hongaarse steden. Het duurde vier dagen voor het verzet gebroken was. Op 4 nov. maakte Kádár bekend een regering gevormd te hebben. Imre Nagy en zijn volgelingen werden door Sovjetmilitairen gevangengenomen. Gedurende de maanden nov.-dec. 1956 vluchtten ruim 200!000 Hongaren naar het Westen. Volgens Hongaarse cijfers kostte de opstand 5 ŕ 6000 mensen het leven, volgens westerse veel meer.
6.12 Het Kádár-bewind
Na 4 nov. 1956 ging het bestuur van het land over in handen van de Sovjet-bevelhebbers. Avondklok en uitgaansverbod werden ingesteld, hetgeen tot april 1957 duurde. Kádár kondigde op 11 nov. via de radio algemene amnestie af en beloofde de meeste eisen van de volksopstand te zullen inwilligen. De arbeidersraden weigerden echter de legaliteit van de regering te erkennen en riepen een algemene staking uit. Deze duurde tot jan. 1957, toen de arbeidersraden opgeheven werden en hun leiders gevangengenomen. In de daaropvolgende repressie werden duizenden Hongaren gearresteerd. De leiders van de opstand, onder wie Maléter en Nagy, werden met honderden anderen in veelal geheime processen ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Toch slaagde Kádár, die zelf onder Rákosi jaren in gevangenschap had doorgebracht, erin langzamerhand het vertrouwen van een groot deel van de bevolking te winnen. In 1962 probeerde hij een streep onder het verleden te zetten met de leuze: 'Wie niet tegen ons is, is met ons'. De economische hervormingen, de NEM, brachten Hongarije sinds het einde van de jaren zestig een redelijke welvaart. Op politiek gebied ontwikkelde het land zich tot het meest liberale land van het Warschaupact.
In de loop van de jaren tachtig kreeg Hongarije echter te maken met een economische crisis, waarbij werkloosheid en inflatie hun intrede deden; de kloof tussen arm en rijk werd steeds groter en de woningnood nam rampzalige vormen aan. Eenvijfde deel van de bevolking kwam onder de armoedegrens terecht en tienduizenden Hongaren hadden meer dan een baan nodig om het hoofd boven water te houden. De tweede NEM van 1979 bleek niet te werken en Kádár bleek aan het einde van zijn bewind niet in staat de noodzakelijke economische en politieke hervormingen door te voeren. Hongarije richtte de blik steeds meer op het Westen, vooral op economisch gebied. Tal van gezamenlijke ondernemingen (joint ventures) werden opgericht met westerse deelneming. In 1982 werd Hongarije toegelaten als lid van het IMF. Voor het eerst werden niet-rendabele bedrijven gesloten en werd de ruimte voor het particulier initiatief sterk uitgebreid. Ook het toerisme uit het Westen nam een hoge vlucht.
De jaren tachtig werden ook gekenmerkt door een hoog oplopend conflict tussen de buurlanden Hongarije en Roemenië. Boedapest beschuldigde Boekarest ervan dat het de Hongaarse minderheid in de Roemeense streek Transsylvanië discrimineerde en poogde te laten opgaan in de Roemeense bevolking. Topontmoetingen tussen de Roemeense leider Ceausescu en zijn Hongaarse ambtgenoot Kádár, en later Nyers, over deze kwestie liepen uit op faliekante mislukkingen. Vele duizenden etnische Hongaren namen de wijk naar Hongarije.
6.13 Vanaf 1988
In mei 1988 werd Kádár afgezet en als partijleider opgevolgd door premier Károly Grósz. Na een machtsstrijd tussen de conservatieve en de hervormingsgezinde vleugels kwam medio 1989 een driemanschap aan de leiding van de partij. De progressieve econoom Reszö Nyers, de geestelijke vader van de NEM, werd partijleider, terwijl het driemanschap werd gecompleteerd door de liberale Imre Pószgay en de behoudende Grósz. Sinds 1988 werd in Hongarije openlijk gesproken over de terugkeer naar een meerpartijenstelsel. Enkele oude politieke partijen werden opnieuw opgericht en tal van nieuwe democratische partijen en organisaties zagen het licht.
In 1989 werd definitief een einde gemaakt aan het taboe rond de opstand van 1956. Officieel werd toegegeven dat het niet om een contrarevolutie ging, maar om een volksopstand tegen de stalinistische dictatuur. De voormannen van de opstand, onder wie Nagy en Maléter kregen eerherstel en zij werden op 16 juni 1989, op een dag van nationale rouw, plechtig herbegraven. De massale plechtigheid liep uit op een regelrechte vernedering van de communistische partij. Begin juli 1989 overleed Kádár. In diezelfde maand bracht George Bush als eerste Amerikaanse president een bezoek aan Hongarije, dat bij die gelegenheid de permanente handelsstatus van meestbegunstigde natie (MFN) kreeg. De nieuwe op het Westen gerichte politiek werd in 1989 onderstreept, doordat Hongarije letterlijk een begin maakte met het afbreken van het IJzeren Gordijn, de versperringen aan de grens met Oostenrijk.
Bij de eerste parlementsverkiezingen in maart-april 1990, kwam het Hongaars Democratisch Forum als grootste partij uit de bus. Deze kreeg 164 van de 394 zetels. De voormalige communisten werden de vierde partij. Er werd een nieuwe regering gevormd met de leider van het Hongaars Democratisch Forum, Jozsef Antall, als premier. De regering gaf absolute voorrang aan de privatisering van de economie.
Op 21 jan. 1991 besloot Hongarije met ingang van 1 juli 1991 het Warschaupact te verlaten. Het stoffelijk overschot van de Hongaarse kardinaal Jozsef Mindszenty werd in 1991, zestien jaar na zijn dood, uit het Oostenrijkse Mariazell teruggebracht naar Hongarije en herbegraven in Esztergom.
Harde saneringsmaatregelen leidden in 1995 tot protestdemonstraties en het ontslag van enkele ministers, maar ook tot een voorzichtig economisch herstel, dat zich in 1996 voortzette. In juni werd president Arpád Göncz door het parlement herkozen. In 1995 sloten Hongarije en Slowakije een vriendschapsverdrag, waarin de rechten van de 600!000 Slowaakse Hongaren werden geregeld en Hongarije afzag van aanspraken op Slowaaks gebied. In 1996 kwamen de onderlinge relaties echter weer onder druk te staan door het Slowaakse assimilatiebeleid jegens de Hongaarse minderheid. Met Roemenië werd in 1996 een basisverdrag gesloten, waarmee de positie van de twee miljoen zielen tellende Hongaarse minderheid in Roemenië werd verbeterd.


Telefoongids Hongarije
Postcodes
Hongarije

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009