|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap en bodemgesteldheid
Alhoewel
Hongarije grotendeels een laagvlakte is - het zgn. Pannonische Bekken,
te verdelen in de Nagy Alföld (Grote Laagvlakte) ten oosten van de Donau,
Dunántúl (Transdanubië) ten westen van de rivier en de Kis Alföld
(Kleine Laagvlakte) in het noordwesten - weerspiegelen de weinige
verheffingen en heuvels een rijke geologische geschiedenis. De granieten
van de Velence en de Mecsek stammen uit het Carboon, het Transdanubische
centrale middelgebergte (waarvan het Bakonywoud deel uitmaakt), de Bükk
en het Borsodkarstgebied uit de Midden-Jura. Aan de voet van deze
gebergten vormden zich tijdens Jura en Eoceen-Mioceen (Tertiair) resp.
de steenkoolvelden van Pécs en de bruinkoollagen van Tatabánya, Dorog,
enz. De uitlopers van de Alpen en de Karpaten werden in het Tertiair
gevormd, in welk tijdvak ook de uit het Mesozoďcum stammende binnenzee
met puin en zand opgevuld werd door de uit het gebergte stromende
rivieren, zodat de Grote Hongaarse Laagvlakte gevormd werd. Als
bijverschijnsel van de gebergtevorming trad enig vulkanisme op in het
noorden (o.a. Mátra, Zemplénheuvels). In het Kwartair werd tijdens de
IJstijden ook eolische löss afgezet, die in Transdanubië nog in dikke
pakketten (tot 50 m) aanwezig is, maar in de Kis Alföld door de wind en
in de Nagy Alföld door de rivieren weer grotendeels geërodeerd is. In de
rivierzanden van de Alföld trad zeer veel duinvorming op.
In het centrale middelgebergte en andere heuvels komen verschillende
varianten bosbodems voor. In vochtige lage gebieden overwegen
weidebodems met een hoog humusgehalte. De vruchtbaarste bodems zijn de
wat hoger tussen de rivieren gelegen steppebodems (zwarte aarde,
tsjernozjom), vnl. op lössondergrond in de laagvlakte en Transdanubië.
In de Nagy Alföld, maar vooral ten oosten van de Tisza, komen veel
zoutbodems (solonets en solontsjak; Hong.: szikes talaj) voor, die
moeilijk te ontginnen zijn.
Van de poesta, het door toedoen van mensen (boskap en branden) ontstane
steppeachtige, grootste deel van de Nagy Alföld, is door ontginningen
sinds 1850 vrijwel niets meer overgebleven. De Hortobágy en de Bugac
waren de laatste restanten van enige omvang.
1.2 Rivieren en meren
De belangrijkste rivieren zijn de Donau (Hongaars: Duna) en de sterk
meanderende Tisza (Theiss), resp. 410 en 600 km over Hongaars
grondgebied stromend. Na de bouw van een stuw in de Tisza (1951-1954)
wordt een deel van het water door het 98 km lange Keleti-főcsatorna
(Oostelijk hoofdkanaal) van deze rivier afgetapt voor
irrigatiedoeleinden. In het zuidoosten van het land is alleen artesisch
water aanwezig. De meren zijn zeer ondiep: het Balatonmeer of Platten
See (596 km2) gemiddeld 3 tot 4 m, het Velencemeer (26 km2) 1 tot 2 m.
Het Fertőmeer (Neusiedler See, 337 km2), waarvan 2 op Hongaars gebied,
is meer een moeras; het water bevat alkalische zouten. Tussen de duinen
van de Nagy Alföld bevinden zich eveneens vele zouthoudende meertjes.
1.3 Klimaat
Het klimaat is gematigd continentaal met sterke Atlantische en
mediterrane invloeden in het vochtige voor- en najaar. De gemiddelde
januaritemperatuur, die in het westen en zuidwesten ca. 0 °C bedraagt,
verloopt regelmatig naar het noordoosten tot -4 °C; de gemiddelde
julitemperatuur ligt tussen 18 °C in het noordwesten en 22 °C in het
zuidoosten. De jaarlijkse gemiddelde neerslag is het hoogst in het
zuidoosten en het Bakony Woud (800-980 mm) en het laagst ten oosten van
de Tisza (beneden 600 mm). De winter is het droogste seizoen.
1.4 Plantengroei
Hongarije is de kern van de Pannonische plantengeografische provincie,
van nature in hoofdzaak een gebied van lichte eikenbossen met pluimes,
Carpinus orientalis, en Ostrya carpinifolia als Zuidoosteuropese
boomsoorten. Beukenbossen komen alleen voor in het westen en in de
heuvels van het Karpatenvoorland in het noordoosten. De eikenbossen
variëren van lichte, droge bossen van donzige eik, moseik en Quercus
frainetto tot bossen van zomereik in minder droog milieu. Hoewel het
klimaat droog en warmcontinentaal is, kunnen zelfs de oostelijke
zoutsteppenbodems bij 450 mm neerslag per jaar nog eikenbos dragen.
De zoutsteppe, het laatste stadium van de ondergang van vroegere
moerasbossen en venen, is rijk aan halofyten als strandmelde, Limonium
gmelinii, Camphorosma annua en Kochia prostrata. De veel soortenrijkere
zandsteppe, afgewisseld door eiken- en berkenbossen en struwelen van
jeneverbes en witte abeel, wordt ten dele beheerst door de wuivende
pluimen van de grassen Stipa joannis en S. capillata, ten dele door
draviksoorten, duinriet, gewoon fakkelgras, Andropogon gryllus, Festuca
vaginata, e.a.
1.5 Dierenwereld
De positie van Hongarije in Oost-Europa wordt o.a. gereflecteerd door
het optreden van steppe-elementen uit Azië als de siezel en de blinde
muis (Nannospalax leucodon) onder de zoogdieren, en grote en kleine trap
onder de vogels. De fauna wordt echter zeer bedreigd, o.a. door het in
cultuur brengen van de poesta. Hongarije heeft één nationaal park,
Tihany, van ca. 1000 ha; van de reservaten is het Kisbalaton (ruim 1400
ha), een nu afgesloten baai van het Balatonmeer, het grootste en
belangrijkste (broedkolonies van aalscholvers, lepelaars, acht soorten
reigers, enz. - ook belangrijk als waterwildrefugium in de trektijd).
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking bestaat voor 98, 5% uit Magyaren. De voornaamste
minderheidsgroepen zijn Duitsers, Slowaken, Serven, Kroaten, Roemenen en
ca. 143!000 zigeuners (1, 5% van de bevolking). De bevolking neemt
langzaam af: in de periode 1980-1990 een daling van 0,32%, in de periode
1990-1993 een daling van 0,23% (1992: geboorte- en sterftecijfer 11,8,
resp. 14,4). De levensverwachting bij geboorte bedraagt voor vrouwen 74
jaar en voor mannen 66 jaar. 65% van de bevolking woont in de steden;
20% van de bevolking woont in de hoofdstad Boedapest. Het dichtst
bevolkt zijn de provincies Komárom en Pest (rond Boedapest),
Borsod-Abauj-Zemplén in het noorden en Csongrád in het zuidoosten. Het
dunst bevolkt zijn het zuidwesten en westen en het gebied om Debrecen.
2.2 Taal
De officiële taal is het Hongaars (zie verder Hongaarse taal).
2.3 Religie
Ca. 64% van de bevolking is rooms-katholiek. Er zijn vier aartsbisdommen
(Eger, Esztergom, Kalocsa en het in 1993 ingestelde Veszprém) en 12
bisdommen. De aartsbisschop van Esztergom is tevens primaat van
Hongarije. De grondwet van 1949 bracht (naast formele vrijheid van
religie) een volledige scheiding van kerk en staat. Pas in de jaren
zestig kwam er enige ontspanning in de relatie tussen kerk en staat, die
lange tijd zeer moeizaam was geweest. In 1964 kwam een overeenkomst met
het Vaticaan tot stand, de eerste van deze aard tussen de Heilige Stoel
en een communistisch land. In 1971 volgde een herziening van het sinds
1950 bestaande verdrag tussen staat en kerk, waarbij de rooms-katholieke
geestelijken meer ruimte kregen op het terrein van de zielzorg en binnen
hun eigen organisatie. Ook in financieel opzicht werd de positie van de
Rooms-Katholieke Kerk verbeterd. Ten slotte werden in 1990 de
diplomatieke betrekkingen met de H. Stoel volledig hersteld. Met de
andere geloofsgemeenschappen zijn de relaties minder gespannen. De
grootste is de protestantse met 2,5 miljoen leden. Daarnaast zijn er nog
Russisch-orthodoxe, Servisch-orthodoxe, baptistische, methodistische en
unitarische geloofsgemeenschappen. De Joodse Gemeente telt ca. 100.000
leden.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Van
1949 tot en met 1989 was Hongarije een socialistische volksrepubliek,
maar in 1989 werd door het parlement een wijziging van de grondwet
goedgekeurd waarin de termen 'volksrepubliek' en 'socialistisch' kwamen
te vervallen. Hongarije werd een onafhankelijke, democratische staat met
een meerpartijenstelsel, waarin de waarden van een burgerdemocratie en
een democratisch socialisme gelijk vertegenwoordigd zijn. De 21 leden
tellende presidentiële raad werd vervangen door een staatspresident, die
voor een ambtstermijn van vier jaar door het parlement wordt gekozen. De
hoogste wetgevende macht ligt bij de Nationale Vergadering (Országgyülé),
waarvan de 386 leden direct en voor een periode van vijf jaar gekozen
worden. De uitvoerende macht ligt bij het kabinet, dat verantwoording
verschuldigd is aan het parlement. Kiesrecht hebben alle Hongaren vanaf
achttien jaar.
3.2 Administratieve indeling
Hongarije is ingedeeld in 19 provincies (megyék), 128 districten en 3199
gemeenten. Ze worden bestuurd door gekozen raden; het dagelijks bestuur
is in handen van uitvoerende comités. Daarnaast zijn er vijf
stadsgewesten op het bestuurlijk niveau van de megyék. Boedapest met 22
megyék-raden en een centrale stadsraad neemt een aparte positie in.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Hongarije was lid van het Warschaupact, en is lid van de Comecon, van de
Verenigde Naties en haar suborganisaties (sinds 1955), van de Algemene
Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT), sinds 1982 van het
Internationaal Monetair Fonds en sinds 1990, als eerste Oost-Europees
land, van de Raad van Europa. In 1994 tekende het net als de meeste
Oost-Europese landen een Partnership for Peace-overeenkomst met de NAVO.
3.4 Partij- en vakbondswezen
Zowel in politiek en economisch als in sociaal-cultureel opzicht speelde
de Hongaarse Socialistische Arbeiderspartij (Magyar Szocialista
Munkáspart, MSzMP, ontstaan uit de Communistische Partij) een
allesoverheersende rol. In 1989 werd de MSzMP opgeheven en omgevormd tot
de MSzP (Hongaarse Socialistische Partij), met een sociaal-democratisch
karakter. Voorts werd er met het oog op de verkiezingen een groot aantal
nieuwe partijen opgericht: (in orde van grootte) het Hongaars
Democratisch Forum (HDF of MDF; centrum-rechts), de Alliantie voor Vrije
Democraten (SzDSz; liberaal), de Onafhankelijke Partij voor kleine
Boeren (FKgP; agrarische belangen), de Jonge Democraten (FIDESz; nauw
verbonden met de SzDSz) en de Christen-democratische Volkspartij.
De vakbeweging is verenigd in de Centrale Raad van Vakbonden (in 1990
gereorganiseerd) met 1, 37 miljoen leden.
4. Economie
4.1 Algemeen
Het herstructureringsproces van de Hongaarse economie naar een vrije
markt is vrijwel afgerond. Geringe binnenlandse vraag en de trage bloei
van de traditionele afzetlanden belemmeren een voortvarende economische
ontwikkeling. Een grote overheidsschuld en hoge inflatie beperken
voorlopig de voorziene rappe expansie van de economie. Het bnp wordt
voor 7% in de landbouw, voor 33% in de industrie en voor 50% in de
dienstverlening gerealiseerd. Van de economisch actieve bevolking werkte
in 1993 10% (1977: 22%) in de landbouw, 37% (1977: 43%) in de industrie
en 53% (1977: 9%) in de dienstensector.
4.2 Landbouw, veeteelt en bosbouw
Van het land is 70% geschikt voor de landbouw. De teruggave van land aan
de voormalige eigenaars heeft het grondbezit zeer versplinterd en
daardoor economisch minder rendabel gemaakt. De landbouw is goed voor 7%
van het totale nationale inkomen (1994). 35% van de agrarische productie
is afkomstig van de kleine bedrijven, die zijn gespecialiseerd in
groente- en fruitteelt en veefokkerij. Vanwege hun belangrijke
exportfunctie worden deze kleine bedrijven door de staat financieel
begunstigd. De landbouwbedrijven concentreren zich op grootschalige
graanbouw (vooral maďs en tarwe) en veehouderij (voor export bestemde
slachtrunderen), ontwikkeld met o.a. Amerikaanse kennis en kapitaal. Van
belang is voorts de wijnbouw.
In de veeteelt heeft Hongarije zich op het fokken en mesten van
slachtrunderen toegelegd, vnl. ten behoeve van de export naar EU-landen.
Ca. 19% van het totaaloppervlak is bedekt met bossen. Vooral in de
nabijheid van steden en industriecentra is in het verleden veel aan
herbebossing gedaan.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Hongarije is arm aan grondstoffen. Steenkool wordt gedolven bij Pécs
(tevens de vindplaats van uraan) en Komló, bruinkolen bij Ajka (Bakonywoud),
Tatabánya (Vértesgebergte), Dorog, Tokod en in de prov.
Borsod-Abaúj-Zemplén, aardolie in de prov. Zala en in de Mátra- en
Bükkheuvels, aardgas in Oost-Hongarije en Zala. De belangrijkste
delfstof is echter bauxiet, bij Gánt in het Vértesgebergte,
Iszkaszentgyörgy en in het Bakonywoud. Bruinkool wordt vnl. als
brandstof gebruikt in energiecentrales; er bevinden zich stuwdammen in
de Raab, Donau, Hernád en Tisza. Bij Paks is een kerncentrale.
4.4 Industrie
De industriële groei daalde van 3, 5% (1987) scherp naar 0% (1988), als
gevolg van industriële herstructurering en een restrictieve politiek,
die de binnenlandse vraag moet indammen. Tegelijkertijd heeft de
toenemende groei van de industriële export naar westerse industrielanden
veel bijgedragen tot verbetering van de handelsbalans. Hongaarse
ondernemingen sluiten steeds meer coöperatieverdragen met westerse
bedrijven, waardoor de productiviteit en de concurrentiepositie op de
wereldmarkt zullen moeten toenemen maar waarmee ook een betere
voorziening van de binnenlandse markt bereikt moet worden. De regering
legt zich er sinds 1985 op toe verouderde industriecomplexen stil te
leggen, de exportproductie te laten dalen en het aandeel van de
hoogwaardige staalproducten in de totale productie te verhogen. De
meeste industrie is geconcentreerd in en om Boedapest. Enkele andere
industriegebieden zijn Borsod (hoogovens, machine-, chemische, glas- en
cementindustrie), Salgótarján (bruinkolen, metaalwaren, machines, glas),
Gyöngyös (ligniet, lood, zink en andere non-ferrometalen, cement),
Dorog-Tokod (bruinkolen, aluinaarde, machines, glas, chemische artikelen
en cement), Tatabánya-Oroszlány (bruinkolenmijnen, aluminiumsmelterij en
cementindustrie), Györ-Komárom (aluinaarde, machine-, chemische,
textiel- en agrarische industrie), Székesfehérvár-Várpalota-Veszprém
(bruinkolenmijnen, aluminiumsmelterij en -walserij, machine-, chemische,
keramische, papier- en leerindustrie). In Herend wordt porselein
vervaardigd. Hongarije heeft zich gespecialiseerd in transportmiddelen,
machinebouw en elektronica (transformatoren).
4.5 Handel
Hongarije is voor het verbruik van aardolie, aardgas en ijzererts
grotendeels afhankelijk van import. Mede door de sterke prijsstijgingen
van aardolie, aardgas en andere grondstoffen vertoonde de handelsbalans
sinds 1974 toenemende tekorten en liep de schuld aan het buitenland op,
maar in 1988 werd het handelstekort van de voorgaande jaren tot een
handelsoverschot omgebogen. De buitenlandse schuld bleef echter stijgen
(1985: $ 13,1 miljard, 1995: $ 31,6 miljard). In 1995 waren de
voornaamste exportproducten: machines en transportmiddelen (11%),
voedingsmiddelen (21,3%) en grondstoffen en halffabrikaten (40,1%). Een
fractie van de export ging naar landen van het voormalige oostblok, het
merendeel naar westerse. De belangrijkste handelspartners zijn
Oostenrijk, Duitsland, Rusland en Italië.
4.6 Bankwezen
Nog steeds is het bankwezen overwegend van staatswege georganiseerd, al
bestaan er inmiddels naast de Nationale Bank als centrale bank ook
commerciële banken.
4.7 Verkeer
Hongarije bezit ca. 30!000 km wegen (waarvan ruim 270 km autosnelweg),
ruim 8000 km spoorweg (waarvan 2277 km geëlektrificeerd), ruim 1600 km
bevaarbare waterwegen en bijna 7000 km pijpleiding (twee
aardolieleidingen en een gasleiding zorgen voor een verbinding met
Rusland). In het personenverkeer nemen de spoorwegen de belangrijkste
plaats in, gevolgd door streekbussen. Sinds 1970 is er binnenlandse
luchtvaart. De Hongaarse luchtvaartmaatschappij Malév heeft als
thuishaven het onlangs gerenoveerde vliegveld Ferihegy, 16 km buiten
Boedapest, een van de modernste in Midden-Europa.
5. Toeristische
gegevens
De interessantste stad van het land is Boedapest. In het heuvelachtige
Transdanubië of West-Hongarije is het Balatonmeer het centrum van
zomertoerisme; het schiereiland Tihany is bekend om de barokkerk en het
openluchtmuseum. In de omgeving liggen Veszprém, Zirc met voormalig
cisterciënzerklooster, Székesfehérvár, Martonvásár met kasteel met
Beethovenmuseum (openluchtconcerten), Keszthely met barokkasteel en
Balatonmuseum, Tapolca met bevaarbare ondergrondse kalksteengrot, en
Sümeg met de grootste, 13de-eeuwse kasteelruďne van West-Hongarije.
In Noordoost-Transdanubië, in de 'Donauknie', ligt Visegrád met
gerestaureerd 15de-eeuws kasteel en in de omgeving het Pilis Park (300
km2), Vác met - beschermd - barokstadsbeeld, en het vnl. 18de-eeuwse
stadje Szentendre (twee musea, openluchtmuseum). Naar het westen toe
zijn Esztergom en Tata met gotisch kasteel (museum) bezienswaardig.
Noordwest-Transdanubië is rijk aan historische monumenten, bijv. in Györ,
Sopron, Köszeg, Szombathely, Pannonhalma met gotisch
benedictijnenklooster en kunstmuseum, Fertöd met het fraaie
Eszterházy-kasteel uit midden 18de eeuw waar Haydn lange tijd heeft
gewerkt (thans concerten), Ják met mooie romaans-gotische kerk en
Zalaegerszeg met openluchtmuseum. In Zuid-Transdanubië is Pécs het
cultuurcentrum. In Siklós, Pécsvárad en Szigetvár zijn middeleeuwse
burchten (musea), bij Abaliget druipsteengrotten, bij Gemenc, in het
Mecsekgebergte, is een wildreservaat, in Ráckeve een barokkasteel van
Hildebrandt. Decs is beroemd om de volkskunst (museum).
Oost-Hongarije is het gebied van de poesta (steppe) die thans
grotendeels in landbouwgebied is herschapen. Bij de historische stad
Debrecen strekt zich het laatste, deels ongerepte stuk poesta uit: de
Hortobágy (63!000 ha, Nationaal Park; herdersmuseum bij Mátra).
Karakteristiek zijn de kudden grijskleurig rundvee. Er komen nog wilde
paardenkudden voor. In Noordoost-Hongarije vindt men in de dorpen veel
volksarchitectuur (houtsnijwerk) en romaanse kerkjes, bijv. in Csaroda.
De grootste druipsteengrot van Hongarije is de Baradla bij Aggtelek.
Tokaj produceert de bekendste Hongaarse wijnen (wijnmuseum). In
Sárospatak bevindt zich het - gerestaureerde - kasteel van de Rákóczi's
(13de eeuw, met renaissancetoevoegingen; museum). Bélapátfalva heeft een
romaanse kathedraal (13de eeuw), Mezökövesd het Matyómuseum voor
volkskunst (borduurkunst). Eger is een bezienswaardige stad.
In Zuid-Hongarije is Kalocsa (romaanse kerk) een belangrijk
folklorecentrum (borduurwerk, decoratieve muurschilderingen; museum).

6. Geschiedenis
6.1 De Hongaren tot de 10de eeuw
De laagvlakte tussen de Alpen, Karpaten (met de daarbij behorende
Transsylvaanse Alpen) en de gebergten van het Balkanschiereiland was
vanouds een doorgangsgebied van zich verplaatsende volkeren. Het
westelijke gedeelte hiervan met als grens de Donau werd door de Romeinen
veroverd en Pannonia genoemd (later werd deze naam ook op het oostelijke
deel toegepast). Met het verval van het Romeinse Rijk werd dit gebied
opnieuw door tal van Germaanse volken doortrokken en bewoond. Zo
gebruikten de Hunnen ten tijde van Attila dit gebied als thuisbasis voor
hun militaire operaties. Aan het eind van de 6de eeuw slaagden de Avaren
erin een groot deel van het gebied in hun macht te krijgen. Zij woonden
hier een tweetal eeuwen tot zij aan het eind van de 8ste eeuw door
Frankische legers verslagen werden. Karel de Grote verdeelde het gebied
in enkele marken. In deze periode werd gepoogd de hier wonende Germanen
en Slaven tot het christendom te bekeren. Door het verval van het
Karolingische Rijk zagen andere machten en uiteindelijk de Hongaren kans
het gebied in te nemen.
De Hongaren maakten oorspronkelijk deel uit van het stamverbond van de
Ogoeren (hiervan is de naam ungar, Hongaar, enz. afkomstig), die ten
westen van de Oeral woonden. In het midden van de 9de eeuw zonderden de
zeven westelijke groepen, waarvan de meeste van Fins-Oegrische, andere
weer van Turkse oorsprong waren, zich van het verbond af en trokken naar
het westen. Aan het einde van de 9de eeuw drongen deze volken in het
Karpatenbekken binnen. Het noorden van dit gebied behoorde toen tot de
invloedssfeer van vorst Svatopluk van Groot-Moravië, terwijl in de
andere gewesten verscheidene Bulgaarse hoofden regeerden. De gehele
(Slavische) bevolking was naar schatting niet groter dan 200!000 zielen.
De Hongaren, die ongeveer een half miljoen sterk waren, kozen Árpád, het
hoofd van het belangrijkste volk 'Magyar' (in de eigen taal werd
voortaan deze naam op het hele volk toegepast) tot hun leider, en
steunend op het bondgenootschap met keizer Arnulf, begon deze ca. 895 de
verovering van het land.
In de eerste helft van de 10de eeuw waren de Hongaren de schrik van
Europa. Vanuit hun nieuwe land gingen zij uit op rooftochten tijdens
welke zij o.a. tot in Spanje doordrongen. Keizer Otto I vernietigde
echter in 955 een belangrijke Hongaarse troepenconcentratie op het
Lechfeld bij Augsburg. De Hongaren trokken zich hierop terug in het
Karpatenbekken.
6.2 De staatsconstructie en het Huis Árpád
De grondslagen van de Hongaarse staat werden door vorst Géza (ca.
970-997) gelegd. Hij nam het christendom aan en sloot vrede met de
Duitse keizer. Zeer belangrijk was de kerstening van de Hongaren.
Hierdoor werd Hongarije politiek en cultureel aan het Westen gebonden,
in tegenstelling tot de volken ten zuiden en ten oosten van het
Karpatenbekken, die het oosterse christendom aanvaardden en voortaan
deel van de Byzantijnse cultuurkring uitmaakten. Het door Géza begonnen
werk werd voltooid door zijn zoon Stefanus I de Heilige (997-1038), die
van paus Sylvester II in 1000 de koningstitel kreeg. Hij bevestigde het
centraal gezag en brak de zelfstandigheid van de afzonderlijke volken.
Door het land in provincies (komitaten) te verdelen, gaf Stefanus de
lijnen aan waarlangs de administratieve structuur zich zou ontwikkelen.
Hij stichtte tevens bisdommen en talrijke kloosters. Hongarije werd een
zelfstandige kerkprovincie, die rechtstreeks aan Rome ondergeschikt was.
De Hongaarse staat werd tijdens de op Stefanus' dood volgende
troontwisten voor het eerst op de proef gesteld. Het land raakte enige
jaren in de invloedssfeer van keizer Hendrik III. De onafhankelijkheid
werd onder Andreas I (1046-1061) herwonnen. Ladislaus I de Heilige
(1077-1095) en zijn opvolger Colombanus de Geleerde (1095-1114) stelden,
mede door strenge wetten, orde op zaken en Hongarije kon de aanvallen
van de Petsjenegen en Koemanen afslaan. Tevens werd Kroatië als
zelfbesturend rijksdeel bij Hongarije gevoegd en zelfs Dalmatië raakte
in de Hongaarse invloedssfeer. Onder Béla III (1173-1196) bereikte het
koningschap zijn hoogtepunt. De koninklijke macht werd in het begin der
13de eeuw sterk aangetast door de troonstrijd tussen de twee zonen van
Béla III. Onder Andreas II (1205-1235) werd de grondslag gelegd van de
Hongaarse constitutie. Bij de Gouden Bul (1222) werden de rechten van de
vrije ingezetenen van het rijk vastgesteld. De koning verplichtte zich
de Rijksdag regelmatig bijeen te roepen. Hieruit ontwikkelde zich de
rechtsgewoonte, dat de koning slechts met toestemming van de Rijksdag
belasting kon heffen of soldaten rekruteren.
Béla IV (1235-1270) trachtte in het begin van zijn regering het
koninklijk gezag te herstellen. De spanning tussen de koning en de hoge
adel maakte het land militair kwetsbaar, wat fataal bleek te zijn, toen
de Mongolen onder Batoe Chan aanvielen. De Hongaarse troepen werden in
1241 uiteengeslagen, de Mongolen overspoelden het land en moordden het
grootste gedeelte van de bevolking uit. Toen zij na ruim een jaar
wegtrokken, keerde de gevluchte koning terug en organiseerde het land
opnieuw. Met het oog op de gewestelijke organisatie van de militaire
verdediging stimuleerde hij de bouw van vestingen. Zijn defensiepolitiek
leidde er echter toe dat de magnaten aan macht wonnen. Deze feodale
heren, die in hun eigen gebieden een vrijwel onbeperkt gezag
uitoefenden, brachten de eenheid van het land in gevaar. De laatste
koningen uit het Huis Árpád konden niet langer meer tegen de feodale
aristocratie op.
6.3 Koningen uit verschillende dynastieën
Nadat het Huis Árpád met Andreas III in de mannelijke lijn was
uitgestorven (1301), laaiden de troontwisten tussen de verschillende
afstammelingen in vrouwelijke lijn op. Deze werden door Karel I uit het
Huis Anjou, die door de paus op de voorgrond was geschoven, beëindigd
(1307-1342). Hij wist de macht van de aristocratie te breken en de
eenheid van het rijk te herstellen. Mede door zijn verstandige
economische beleid werd Hongarije een van de rijkste landen van Europa.
Zijn zoon Lodewijk I de Grote (1342-1382) erfde een gezond rijk. Onder
hem werd de Gouden Bul in meer gedetailleerde vorm opnieuw uitgegeven
(1351), waarbij ook aan de rechten van de boerenbevolking aandacht werd
geschonken. In 1370 werd Lodewijk, op basis van het recht van zijn
moeder, ook koning van Polen. Bij de Vrede van Turijn (1381) wist hij
Venetië tot erkenning van de Hongaarse soevereiniteit over Dalmatië te
verplichten. Onder zijn schoonzoon Sigismund van Luxemburg (1387-1437)
wijzigden de machtsverhoudingen zich opnieuw ten gunste van de feodale
aristocratie. Hij zocht tegenover de aristocratie het bondgenootschap
van de lagere adel en tevens van de in betekenis toegenomen steden. In
1405 werden de rechten van de steden, o.a. hun deelneming aan de
Rijksdag, bij de wet vastgesteld. Aan het einde van de 14de eeuw
bereikte de Turkse veroveringstocht reeds de zuidgrenzen van Hongarije.
Sigismund vroeg het Westen om hulp, maar het Bourgondische leger, dat
onder bevel van Jan zonder Vrees stond, werd met de Hongaren in 1396 bij
Nicopolis door de Turken verslagen.
Het Turkse gevaar nam onder de opvolgers van Sigismund toe. In de strijd
tegen de Turken trad János Hunyadi naar voren, wiens politieke gezag
daardoor en door zijn leiding over de lagere adel zo hoog steeg, dat hij
naast de minderjarige koning Ladislaus V tot regent werd gekozen. In
juli 1456 behaalde Hunyadi bij Belgrado een grote overwinning op sultan
Mehmed II. Na de dood van Ladislaus V werd Hunyadi's zoon Matthias door
de Rijksdag, met hulp van de lagere adel, tot koning gekozen. Matthias (Corvinus)
(1458-1490) was een vorst van groot formaat. Hij brak de macht van de
feodale aristocratie. In plaats van militaire dienstverlening kwam
voortaan voor de adel het betalen van belasting. De koning bracht een
van de eerste staande legers van Europa op de been, waarmee hij met
succes de Turken, de Duitse keizer en de koning van Bohemen bestreed.
Neder-Oostenrijk met Wenen, Stiermarken, Karinthië, Moravië en Silezië
werden aan zijn rijk toegevoegd. Tevens trachtte hij de boeren tegen de
groeiende onderdrukking door de grootgrondbezitters te beschermen. Zijn
hof werd een verzamelplaats van Italiaanse kunstenaars en geleerden,
zodat Hongarije het eerste land ten noorden van de Alpen was waar de
Italiaanse renaissance ingang vond.
Na Matthias' dood koos de Rijksdag de zwakke koning van Bohemen,
Vladislav (als László II koning van Hongarije, 1490-1516) uit het Poolse
vorstenhuis Jagiello, tot koning. Onder hem en zijn zoon Lodewijk II
(1516-1526) was van het koninklijk gezag niets overgebleven. De hoge en
de lage adel betwistten elkaar de macht in de Rijksdag, hetgeen elk
verstandig bestuur onmogelijk maakte. Om de macht van de magnaten te
beperken besloot de Rijksdag in 1498 tot codificatie van het Hongaarse
recht, welke na een arbeid van 16 jaar werd voltooid. De soevereiniteit
kwam volgens deze codificatie toe aan de Heilige Kroon. De koning was
slechts hoofd van de Heilige Kroon en kon zijn bevoegdheden alleen
uitoefenen in overeenstemming met de stenden, die leden van de Heilige
Kroon waren. Alle adellijke personen werden gelijk verklaard, wat -
aangezien de lage adel ca. 10% van de bevolking uitmaakte - een
aanzienlijke verzwakking van de positie van de magnaten betekende. Het
provinciaal bestuur ging in handen van de lage adel over en dit bleef zo
tot de afschaffing van het feodale stelsel in 1848. Ten gevolge van de
verslechtering van de positie van de boeren brak in 1514 een
boerenopstand uit onder leiding van de edelman Dózsa, die slechts met
moeite kon worden onderdrukt. Dit gaf aanleiding tot de volledige
ontrechting van de boerenbevolking.
6.4 De Turkse overheersing
De desintegratie en de opstand van de boeren maakten van Hongarije een
gemakkelijke prooi voor sultan Süleyman II, die in 1526 bij Mohács de
Hongaarse troepen versloeg. Nadat Lodewijk II was omgekomen, geraakte de
adel verwikkeld in een troonstrijd. Vooral die hoge edellieden wier
bezittingen in het westen des lands lagen, stonden achter Ferdinand I
van Habsburg (1526-1564), echtgenoot van Lodewijks zuster, terwijl
anderen zich schaarden achter Jan Szapolyai (1526-1540), leider van de
lage adel. Beide pretendenten werden door hun partij tot koning gekozen
en beiden werden met de Heilige Stefanskroon, het symbool van de
soevereiniteit, gekroond. Szapolyai werd door het leger van keizer Karel
V, Ferdinands broer, uit Boeda verdreven en Ferdinand verplaatste zijn
residentie van Wenen naar Boeda. Szapolyai vroeg echter om Turkse hulp
en verklaarde zich bereid vazal van de sultan te worden. Nadat hij door
de Turken teruggedrongen was, was ook Ferdinand bereid Turks vazal te
worden. In 1538 hebben de twee tegenstanders elkaar wederzijds erkend,
met de bepaling dat het rijksdeel van Szapolyai na zijn overlijden op
Ferdinand zou overgaan. Toen Szapolyai kort voor zijn dood een zoon
kreeg, besloot hij de vrede niet te eerbiedigen. De hulp van sultan
Süleyman werd ingeroepen en de troepen van Ferdinand moesten het veld
ruimen voor de Turken. De sultan nam zelf Boeda, alsmede het midden en
het zuiden van Hongarije in bezit (1541). Oost-Hongarije, met als kern
Zevenburgen, bleef als zelfstandig vorstendom voor de zoon van Szapolyai
behouden. Het koninkrijk Hongarije onder Ferdinand werd beperkt tot een
lange, maar smalle, strook in het westen en in het noorden van het land,
vanaf de Adriatische Zee tot de noordoostelijke Karpaten. De hoofdstad
werd Pozsony (Duits: Presburg, thans: Bratislava, Slowakije), terwijl de
koning in Wenen resideerde. Alle twisten die tussen de Hongaren en het
Huis Habsburg tot 1867 duurden, werden door deze vreemde situatie
veroorzaakt. Voor de Oostenrijkse Habsburgers was het gereduceerde
Hongarije niet het belangrijkste land waarover zij regeerden. Hoewel de
Hongaarse waardigheidsbekleders door de Hongaarse Rijksdag gekozen
werden en bij tal van wetten werd vastgesteld dat de Hongaarse
autoriteiten niet aan de Weense hofdignitarissen ondergeschikt waren,
wisten de laatsten toch altijd hun invloed te doen gelden. Op die manier
geraakten de Hongaarse autoriteiten feitelijk min of meer in een
afhankelijke positie van de hofinstanties. Sinds het midden van de 16de
eeuw vond de Reformatie, vnl. de calvinistische richting, in Hongarije
ingang. Aan het eind van die eeuw was de meerderheid van de bevolking al
protestants, wat de tegenstellingen met de rooms-katholieke vorst en het
hof nog vergrootte.
Sinds de Turken zich in het midden van het land hadden gevestigd, was er
geen echte vrede meer mogelijk. Zelfs als er officieel geen
oorlogstoestand bestond, waren de Turkse troepen toch ononderbroken uit
op rooftochten. Tegen de Turkse invallen werd, met financiële steun van
het Duitse Rijk, een gordel van vestingen aangelegd. Tweemaal vonden er
pogingen plaats om de niet-Turkse delen van het land onder de
Habsburgers te verenigen (1551-1556 en 1599-1604). Maar enerzijds het
feit dat de Habsburgse legers niet sterk genoeg waren om Zevenburgen
tegen de Turken te verdedigen, anderzijds de met de komst van de
Habsburgse heerschappij gepaard gaande onderdrukking en
Contrareformatie, leidden tot mislukking van deze pogingen. In 1604 brak
onder leiding van Stefan Bocskai een algemene opstand uit. De Habsburgse
legers werden verslagen en keizer/koning Rudolf moest bij de Vrede van
Wenen (1606) de geloofsvrijheid in Hongarije, alsmede de Hongaarse
constitutie en de zelfstandigheid van Zevenburgen, onder Bocskai
erkennen.
De eerste helft van de 17de eeuw was het gouden tijdperk van het
vorstendom Zevenburgen, dat onder het wijze bestuur van de vorsten Gábor
Betlen (1613-1629) en George I Rákóczi (1630-1648) een periode van
economische en culturele bloei beleefde. Deze protestantse vorsten
sloten zich in de Dertigjarige Oorlog aan bij de anti-Habsburgse
coalitie. Leopold I (1655-1687) deed bij herhaling - vergeefse -
pogingen tot opheffing van de Hongaarse constitutie te komen. Intussen
trokken de Turken in 1683 met een groot leger tegen Wenen ten strijde.
De aanval werd met Poolse hulp afgeslagen en vervolgens verdreef het
leger van keizer Leopold de Turken met Europese hulp uit Hongarije
(1684-1699). Boeda werd in 1686 bevrijd, Zevenburgen werd in 1690 met de
Hongaarse kroon herenigd.
6.5 Het Habsburgse bewind tot 1867
De bijna 200-jarige oorlog met de Turken, gedurende welke Hongarije de
naam 'schild van de gehele christenheid' verwierf, had fatale gevolgen
voor het land. De bevolking liep terug van 4 miljoen aan het eind van de
15de eeuw, van wie 80% Hongaar was, tot 2 miljoen aan het eind van de
17de eeuw. De bevolkingspolitiek van het hof van Wenen had ten doel het
Hongaarse karakter aan het land te ontnemen. Naast talrijke Duitse
kolonisten werden 200.000 Serviërs, die zich aan de Turkse overheersing
trachtten te onttrekken, in het ontvolkte Zuid-Hongarije gevestigd,
terwijl het Roemeense element, ten gevolge van een massale emigratie uit
de Turkse vazallenvorstendommen Walachije en Moldavië, de meerderheid
verkreeg in Zevenburgen. Op de Rijksdag van 1687 werd door de
geďntimideerde stenden het erfelijk koningschap van de Habsburgers
erkend. De reactie op de ondraaglijke militaire onderdrukking was een
acht jaar durende vrijheidsoorlog (1703-1711) onder leiding van vorst
Frans II Rákóczi. Het grootste deel van de bevolking, edelen, burgers en
boeren, naast de Hongaren ook Slowaken en Oekraďners, schaarde zich
onder zijn vaandels. Rákóczi verbond zich met
Lodewijk XIV en zijn leger bevrijdde geheel Hongarije van het
Habsburgse juk. Het Huis Habsburg werd in 1707 van de troon vervallen
verklaard. De Fransen werden echter in de Spaanse Successieoorlog
verslagen en de vrijheidsstrijd eindigde met een compromis. Bij de Vrede
van Szatmár (thans: Satu Mare) werden de Hongaarse constitutie
gegarandeerd en algemene amnestie verleend (1711). Rákóczi zelf verkoos
de ballingschap.
Koning Karel III (als keizer Karel VI) regeerde van 1711 tot 1740 als
constitutionele monarch. Omdat hij geen mannelijke opvolger had en hij
zijn dochter Maria Theresia op de troon wilde hebben, liet hij de
Rijksdag van 1722/1723 de Pragmatieke Sanctie aanvaarden. Maria Theresia
(1740-1780) behield haar kroon in de Oostenrijkse Successieoorlog met
Hongaarse hulp. Zij deed veel voor de culturele ontwikkeling van het
land. Omdat de adel weigerde van zijn voorrecht van belastingvrijheid
afstand te doen, concentreerde het hof van Wenen de industrie in
Oostenrijk en Bohemen, terwijl Hongarije de rol werd toebedeeld van
leverancier van grondstoffen en landbouwproducten. Jozef II (1780-1790)
was de voornaamste representant onder de Habsburgers van het verlicht
despotisme. Zijn hervormingen beoogden echter de versmelting van
Hongarije met de rest van de Habsburgse monarchie. Het verzet daartegen
steeg tot een hoogtepunt, toen Jozef het Duits als officiële taal wilde
invoeren. Zijn opvolger, Leopold II (1790-1792), bekrachtigde bij de
wetten van 1790 opnieuw de zelfstandigheid en de constitutie van
Hongarije. De Franse Revolutie vond slechts bij een kleine groep
intellectuelen weerklank, onder wie Ignác Martinovics en andere
Hongaarse jakobijnen, die daarvoor met hun hoofd moesten boeten (1795).
De successen van de Franse revolutionaire legers brachten het Weense hof
en de Hongaarse stenden nader tot elkaar, doch een verwijdering tussen
deze bondgenoten trad in, toen Wenen een belangrijk deel van de
staatsschulden op Hongarije wilde afschuiven. Ten gevolge van de daling
van de graanprijzen na de Napoleontische oorlogen groeide het verlangen
naar een eigen, nationale economie, hetgeen een stimulans betekende voor
het groeiende nationale zelfbewustzijn. De gedachte dat de feodale
Hongaarse maatschappij diende te streven naar verburgerlijking, won
terrein.
De groeiende onrust in het land noodzaakte Frans I (1792-1835) in 1825
de Rijksdag bijeen te roepen, voor het eerst sedert 1812. Deze werd in
de komende jaren een forum waar de conservatieven en de liberalen elkaar
bestreden. Het reactionaire hof van Wenen was de hervormingen ongunstig
gezind. Het hof ondersteunde de conservatieven en wakkerde tevens de
anti-Hongaarse gevoelens van de nationale minderheden aan. Vooral de
kwestie van de vervanging van het Latijn als officiële taal door het
Hongaars leverde stof voor een conflict op. Als leider van de liberalen
kwam Lodewijk Kossuth op. Hij stelde namens de oppositie de eisen op
voor de laatste stenden-Rijksdag (1847-1848), die door het hof onder
invloed van de revoluties te Wenen en te Boedapest in maart 1848
geaccepteerd werden. Bij de wetten van april 1848 werd de verbinding van
Hongarije met Oostenrijk tot een zuivere personele unie beperkt. De
voorrechten van de adel werden afgeschaft, de lijfeigenschap werd
opgeheven, de parlementaire democratie ingevoerd en de democratische
rechten verzekerd. De liberale graaf Lodewijk Batthyány vormde de eerste
parlementaire regering, waarvan o.a. Kossuth en Széchenyi deel
uitmaakten.
Na de overwinning van het Oostenrijkse leger onder Radetzky in de zomer
van 1848 op de Italianen trachtte het hof van Wenen de democratische
ontwikkeling in Hongarije ongedaan te maken. Hierbij speelde het in op
de nationale gevoelens van de minderheden. Nadat de Oostenrijkers nog in
1848 tegen Boedapest waren opgerukt, werden zij in het voorjaar van 1849
uit Hongarije verdreven. Het Habsburgse Huis werd door het parlement op
14 april 1849 van de troon vervallen verklaard en Kossuth werd tot
gouverneur-president gekozen. Het hof van Wenen vroeg toen om Russische
militaire hulp. Tsaar Nicolaas I was bereid de gevraagde hulp te
verlenen, omdat hij vreesde dat de definitieve zege van de Hongaarse
zaak een revolutie van de onderdrukte Polen tot gevolg kon hebben. De
legers van twee grote mogendheden verpletterden de Hongaren. Op 13 aug.
1849 legde generaal Görgey voor de kozakken van de tsaar de wapens neer.
Er brak nu een periode van terreur over Hongarije aan. De Hongaren
verzetten zich passief tegen de vreemde onderdrukking. Te Wenen werd het
op den duur duidelijk, dat de medewerking van de Hongaren bij het
besturen van de monarchie onmisbaar was. Het feit dat Oostenrijk uit
Duitsland en Italië werd verdrongen, maakte ook een vergelijk
noodzakelijk. Op grond van de voorstellen van Frans Deák (minister van
Justitie in 1848) kwam de Ausgleich van 1867 tot stand.
6.6 Het tijdperk van het dualisme
Bij de Ausgleich, die wettelijk vorm kreeg in de Hongaarse wet van juni
1867 en de corresponderende Oostenrijkse wet van dec. 1867, kregen
Oostenrijk en Hongarije slechts de monarch, die keizer van Oostenrijk en
koning van Hongarije was, evenals defensie, buitenlandse zaken en de
daarmee samenhangende financiën gemeen. Frans Jozef (1848-1916) werd in
1867 tot koning van Hongarije gekroond.
Kossuth, die sinds 1849 in emigratie leefde, wees de Ausgleich af. De
oppositiepartij, die steun vond onder de brede massa's van de Hongaarse
bevolking, eiste de definitieve afscheiding van Oostenrijk. De op
grondslag van de Ausgleich staande regeringspartij kon zich slechts met
behulp van een kunstmatige kiesdistrictindeling van de parlementaire
meerderheid verzekeren. In 1868 werd een nationaliteitenwet afgekondigd,
die de rechten van de tot de minderheden behorende personen formuleerde.
Deze wet kon de minderheden echter niet bevredigen, en zij eisten de
erkenning van hun nationale collectiviteit en territoriale autonomie.
Een uitzondering vormde echter Kroatië, dat zijn aloude autonomie bleef
behouden met een eigen parlement en een soort regering in Agram (Zagreb)
met het Kroatisch als officiële taal.
Het binnenlandse bewind werd gekenmerkt door liberale en antiklerikale
tendensen. Politieke partijen op confessionele grondslag bleken in
Hongarije geen levensvatbaarheid te bezitten. De joodse bevolkingsgroep
kreeg volledige gelijkstelling (1868). Het lager onderwijs werd
kosteloos en werd verplicht gesteld (1868). De confessionele scholen
werden ten gunste van de openbare instituten teruggedrongen. De
juryrechtspraak alsmede de administratieve rechtspraak werden ingevoerd.
Bij de bezetting van burgemeestersposten en die van provinciehoofden
werd het keuzeprincipe van toepassing. De relatieve economische groei
van Hongarije in de laatste drie decennia van de 19de eeuw overtrof die
van elk land ter wereld, zelfs die van de Verenigde Staten. In 1894 werd
de gouden standaard ingevoerd. Het was tevens een tijdperk van grote
culturele bloei.
Anderzijds vormde het liberale 'laisser faire'-principe een hinderpaal
voor het wegwerken van de bestaande sociale misstanden, hoofdzakelijk
die betreffende de ongelijke verdeling van het grondbezit. Na 1900 trad,
mede door daling van de graanprijzen, een economische recessie in, die
een stijgende emigratie naar de Verenigde Staten, vnl. van het
agrarische proletariaat, veroorzaakte. In 1914 werd Hongarije door de
band met Oostenrijk aan de zijde van de Centrale Mogendheden in de
Eerste Wereldoorlog gesleept, welke aan het Hongaarse rijk in zijn oude
vorm een einde maakte.
6.7 Tussen de twee wereldoorlogen
Na de militaire nederlaag van de Centrale Mogendheden werd op 25 okt.
1918 onder voorzitterschap van graaf Mihály Károlyi, lid van de
burgerlijke oppositiepartij, een Nationale Raad gevormd. Koning Karel IV
(1916-1918) benoemde Károlyi tot premier, maar het parlement riep op 16
nov. de Volksrepubliek uit. Károlyi werd tot president gekozen en stelde
zijn regering samen uit leden van de voormalige burgerlijke
oppositiepartij en uit sociaal-democraten. Het bewind van Károlyi kwam
ten val door toedoen van de Geallieerde Mogendheden die ten gunste van
de successiestaten het grootste deel van het Hongaarse grondgebied
opeisten. De socialisten gingen hierop met de kort tevoren opgerichte
kleine communistische partij een fusie aan. Op 21 maart 1919 werd de
radenrepubliek uitgeroepen, waarvan de communisten onder Béla Kun de
koers bepaalden. Het Hongaarse Rode Leger leed eind juli 1919 een
volkomen nederlaag tegen de Roemenen, waarop de radenrepubliek
ineenstortte. Kun en andere rode leiders vluchtten naar Moskou. Nadat de
Entente zich tegen het regentschap van aartshertog Jozef von Habsburg
had uitgesproken, werd vice-admiraal Miklós Horthy, minister van
Defensie van de contrarevolutionaire regering, meester van de situatie.
De nationale vergadering, die voortkwam uit de in het begin van 1920
gehouden verkiezingen, waarvan de socialisten werden uitgesloten,
herstelde de monarchale regeringsvorm en koos Horthy op 1 maart 1920 tot
rijksbestuurder.
Nadat de geallieerde mogendheden de Hongaarse wens om volksstemmingen te
houden in de door de successiestaten opgeëiste gebieden, had afgewezen,
werd Hongarije op 4 juni 1920 de Vrede van Trianon opgelegd, waarbij het
tot ongeveer een derde van zijn historisch grondgebied werd gereduceerd.
Een derde van de etnisch-Hongaarse bevolking bleef buiten de nieuwe
grenzen, 1,7 miljoen Hongaren (m.n. Transsylvanië) kwamen onder
Roemeense heerschappij, 1,1 miljoen werden bij Tsjechoslowakije en 0,6
miljoen bij Joegoslavië ingelijfd. Koning Karel IV deed vanuit zijn
ballingschap in Zwitserland in 1921 twee pogingen tot een staatsgreep,
hetgeen tot gevolg had dat de geallieerden een ultimatum aan de
Hongaarse regering richtten, waarin de troonsafstand van het Huis
Habsburg binnen een week werd geëist. De desbetreffende wet werd door de
nationale vergadering op 5 nov. 1921 aanvaard.
Het werk van de consolidatie werd onder premier graaf István Betlen
(1921-1931) in behoudende geest voltrokken. De kerkelijke leiders kregen
een grotere invloed op het bewind dan voordien. De communistische partij
bleef verboden, terwijl de sociaal-democraten zich slechts in de steden
mochten organiseren. Verder was de oppositie vertegenwoordigd door de
Burgerlijke Radicalen en de Kleine Landbouwers.
De na 1920 doorgevoerde landbouwhervorming bleek onvoldoende te zijn. De
industrialisatie werd echter verder doorgevoerd, zodat Hongarije in de
tweede helft van de jaren dertig zijn overwegend agrarische karakter had
verloren. De uiterst rechts gerichte, bevoorrechte officierskaste vormde
de grootste bron van spanningen voor het land. Haar invloed nam onder
premier Gyula Gömbös (1932-1936) - zelf een officier - sterk toe.
De buitenlandse politiek was gericht op doorbreking van de isolatie door
de Kleine Entente en op revisie van het vredesverdrag om de politieke
grenzen beter in overeenstemming te brengen met de etnische
verhoudingen. De toenaderingspogingen tot Frankrijk (1920) en tot
Joegoslavië (1926) liepen op niets uit. Vanaf 1927 kwam een politieke
samenwerking met Italië tot stand, die in 1934 bij de Protocollen van
Rome tussen Italië, Oostenrijk en Hongarije gestalte kreeg. Het Duitse
nationaal-socialisme genoot de sympathie van de uiterst rechtse
officieren, alsmede van een niet al te brede laag van antisemitische
burgers, die zich in de beweging van de Pijlkruisers organiseerden. Na
de dood van Gömbös werd deze beweging bij herhaling verboden verklaard,
maar onder Duitse druk weer toegelaten. De Duitse regering was in staat
ook zonder rechtstreekse inmenging, nl. via het officierskorps, de
Pijlkruisers en de een half miljoen sterke Duitse minderheid, haar
invloed in Hongarije te laten gelden. Onder deze druk werden de joden in
1938 en 1939 beperkingen, vnl. op economisch gebied, opgelegd; verder
werd de joodse bevolkingsgroep tot de Duitse bezetting in 1944 ongemoeid
gelaten.
Tijdens de Tsjechoslowaakse crisis in 1938 was de houding van de
Hongaarse regering onzeker, en zij wekte de ergernis van de Duitsers op.
Zij trachtte de grenskwestie door rechtstreekse onderhandelingen op te
lossen, doch van Tsjechoslowaakse zijde gaf men de voorkeur aan
arbitrage door de As-mogendheden. Bij de scheidsrechterlijke uitspraak
van Wenen op 2 nov. 1938 kreeg Hongarije met Italiaanse steun een
landstreek terug waarvan de bevolking voor 90% uit Hongaren bestond. Het
etnische argument rechtvaardigde echter niet de Hongaarse bezetting van
de Karpaten-Oekraďne in maart 1939.
6.8 De Tweede Wereldoorlog
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, trachtte de regering van premier
graaf Pál Teleki (1939-1941) het smalle pad van de neutraliteit te
bewandelen, echter zonder het tot een breuk met de Duitsers te laten
komen. Na de capitulatie van Frankrijk groeide de op de regering-Teleki
uitgeoefende druk zowel van buitenaf als van binnenuit. Onder druk van
de generale staf stelde Teleki in de zomer van 1940, toen de Sovjet-Unie
van Roemenië de teruggave van Bessarabië eiste, de kwestie-Transsylvanië
aan de orde. Op 30 aug. 1940 wezen von Ribbentrop en Ciano de kleinere
noordelijke helft van dit gebied toe aan Hongarije, dat daardoor in een
nog meer afhankelijke positie van Duitsland geraakte. De laatste poging
van de regering-Teleki om zich enige vrijheid van handelen te
verzekeren, was het sluiten van een vriendschapsverdrag met Joegoslavië
(dec. 1940). Toen de Duitsers eind maart 1941 hun aanval op Joegoslavië
voorbereidden, dreigde de Hongaarse generale staf met een staatsgreep,
indien Hongarije niet mee zou doen. Teleki zag geen uitweg en pleegde
zelfmoord. Zijn opvolger, László Bárdossy (1941-1942), gaf enige dagen
na de Duitse aanval, onder het voorwendsel dat de Joegoslavische staat
uiteengevallen was, toestemming tot bezetting van de vroegere Hongaarse
provincie Bácska.
Op 27 juni verklaarde Bárdossy de oorlog aan de Sovjet-Unie zonder
medeweten van Horthy en zonder raadpleging van het parlement. Vanaf deze
tijd namen relatief kleine Hongaarse eenheden deel aan de oorlog tegen
de Sovjet-Unie. Onder premier Miklós Kállay (1942-1944) werden pogingen
ondernomen contacten te leggen met de geallieerden inzake een
afzonderlijke vrede. Op 19 maart 1944 liet Hitler het voor hem
onbetrouwbare Hongarije bezetten. Een groot aantal politici werd
gearresteerd. De jodenvervolging werd onmiddellijk ingezet. In sept.
1944 hervatte Horthy in het geheim de contacten met de geallieerden en
op 11 okt. tekenden de Hongaarse gevolmachtigden te Moskou de voorlopige
wapenstilstand. Toen Horthy op 15 okt. de wapenstilstand proclameerde,
werd hij door de Duitsers afgezet. Dezen droegen de macht over aan de
Pijlkruisers, die in het belang van de Duitse oorlogvoering een ware
terreur uitoefenden.
6.9 De vestiging van een communistisch regime
Van sept. 1944 tot april 1945 was Hongarije oorlogstoneel. Het land werd
verwoest en leeggeroofd zowel door de Duitsers als door de Russen. Ten
slotte voerden de laatsten 350.000 burgers voor dwangarbeid weg naar de
Sovjet-Unie.
Reeds in dec. 1944 werd te Debrecen uit de Partij der Kleine
Landbouwers, de Nationale Boerenpartij, de Sociaal-Democratische Partij
en de Communistische Partij een voorlopige regering samengesteld, die op
20 jan. 1945 de wapenstilstand tekende. In het voorjaar ging men over
tot verdeling van grond onder de boeren. De Communistische Partij,
waarvan de zgn. Moskou-groep onder leiding van Mátyás Rákosi de leiding
kreeg, begon in het land de lakens uit te delen. Deze partij behaalde
bij de op 4 nov. 1945 gehouden verkiezingen slechts 17% van de stemmen
(de Kleine Landbouwers 57%), maar wist zich met hulp van de
Sovjetbezetters van de belangrijkste portefeuilles te verzekeren. Op 1
febr. 1946 werd de republikeinse regeringsvorm aanvaard. Bij het
vredesverdrag van Parijs van 10 febr. 1947 werden Hongarije de zwaarste
vredesvoorwaarden van alle satellieten van Duitsland opgelegd. De
grenzen van 1920 bleven gehandhaafd. Een Amerikaans-Brits initiatief tot
rectificatie van de Hongaars-Roemeense grens van 1920 ten gunste van
Hongarije werd door de Sovjets afgewezen. Hongarije werd verplicht tot
herstelbetalingen ter grootte van $ 300 miljoen. Het Duitse eigendom in
Hongarije werd aan de Sovjet-Unie toegewezen. De
Sovjetbezettingsautoriteiten namen onder deze titel een groot deel van
de Hongaarse industrie in beslag.
De economische uitbuiting had een volledige ruďnering en algemene
verarming tot gevolg; Hongarije moest daarenboven afzien van de
aangeboden Marshallhulp (juni 1947). Onwillige politici werden naar
Siberië gedeporteerd. Vele anderen, onder wie premier Ferenc Nagy,
vluchtten naar het Westen. De bepaling dat de Sovjets hun
bezettingstroepen uit Hongarije zouden terugtrekken binnen 90 dagen na
het in werking treden van het vredesverdrag (15 sept. 1947), werd niet
nagekomen. Kardinaal Mindszenty, die zijn stem verhief tegen het
communisme, werd in 1948 gearresteerd en tot levenslange gevangenisstraf
veroordeeld.
In 1948 werd het eenpartijstelsel ingevoerd. De Sociaal-Democratische
Partij ging in de Communistische Partij op. De Moskou-groep van Rákosi
achtte nu de tijd gekomen om zelfs af te rekenen met de leiders van de
illegale Communistische Partij in Hongarije tijdens het Horthy-regime.
László Rajk en talrijke anderen werden wegens 'samenzwering met
Tito om Hongarije aan de imperialisten uit te leveren' in een
schijnproces ter dood veroordeeld en terechtgesteld.
6.10 Het Rákosi-regime
In 1949 werd een nieuwe constitutie afgekondigd, naar het voorbeeld van
de Sovjetgrondwet van 1936, en Hongarije tot volksrepubliek verklaard.
Nationalisatie van de banken en industriële ondernemingen werd spoedig
gevolgd door de onteigening van vrijwel alle privéeigendom. De boeren
traden verplicht toe tot kolchozen. Er werd met de opbouw van een zware
industrie begonnen, waarvoor echter in Hongarije de economische
voorwaarden door het ontbreken van grondstoffen niet aanwezig waren.
Tegelijkertijd gingen de elektrotechnische en chemische industrie (die
tussen de twee wereldoorlogen in staat waren geweest op de wereldmarkt
te concurreren) te gronde. Spoedig ontstond een groot gebrek aan
levensmiddelen en allerlei industrieartikelen. De regering zag zich in
1951 genoodzaakt een distributiesysteem voor brood en vlees in te
voeren. De levensomstandigheden van de arbeiders daalden tot onder het
peil tijdens het Horthy-regime. Wetenschappelijke en culturele contacten
met het Westen werden beperkt. De veiligheidspolitie kreeg blanco
volmachten en duizenden mensen, uit alle lagen van de bevolking,
communisten en niet-communisten, verdwenen spoorloos in de
concentratiekampen.
In 1953 moest Rákosi de post van premier aan Imre Nagy afstaan. Tijdens
zijn bewind werd het beleid in liberaler zin omgebogen; de consumptieve
industrie kreeg meer ruimte, de zware industrie kreeg minder accent.
Rákosi behield echter de leiding van de partij en vanuit die positie
trachtte hij het beleid van Nagy tegen te werken. Reeds in de herfst van
1954 werd Nagy met ziekteverlof gezonden en in april 1955 werd hij,
wegens 'revisionisme', van al zijn functies ontheven en uit de partij
gestoten.
Nadat in de Sovjet-Unie de destalinisatiecampagne (febr. 1956) was
ingezet, kon de algemene ontevredenheid in Hongarije over de gang van
zaken zich vrijer uiten. De discussieclub 'Petőfi' stelde met deelname
van communistische en niet-communistische intellectuelen in juni een
liberalisatieprogramma op. Rákosi's positie bleek onhoudbaar; men
verving hem door Ernö Gerö. De opgehangen oud-minister van Binnenlandse
Zaken Rajk werd gerehabiliteerd.
6.11 De volksopstand van 1956
Een sympathiebetuiging van arbeiders en studenten ten gunste van een
liberalisatiebeweging in Polen op 23 okt. 1956 liep op een volksopstand
uit, nadat de veiligheidspolitie op de manifestanten het vuur had
geopend. Toen bleek dat de troepen van de veiligheidspolitie de situatie
niet meester konden worden, rukten de Sovjetbezettingstroepen met tanks
tegen de opstandelingen op. De volgende dag breidde de opstand zich over
heel Hongarije uit. Veel Hongaarse militairen kozen onder leiding van
generaal Pál Maléter de zijde van de opstandelingen. Hun voornaamste
eisen waren: beëindiging van de Sovjet-bezetting alsmede van de
herstelbetalingen; vrije verkiezingen en het herstel van de bevoegdheden
van de volksvertegenwoordiging; herstel van de persoonlijke vrijheden en
afschaffing van de veiligheidspolitie. In de fabrieken werden
arbeidersraden gevormd. De gevechten werden pas gestaakt, toen Gerö het
veld ruimde en de opnieuw tot premier benoemde Imre Nagy de eisen van de
opstandelingen inwilligde. Hij vormde een regering uit
vertegenwoordigers van de coalitiepartijen van 1945, waarvan o.a. ook
János Kádár deel uitmaakte. De Sovjetregering nam bij declaratie van 30
okt. van deze ontwikkeling kennis en beloofde een spoedige terugtrekking
van alle sovjettroepen uit Hongarije. Op 1 nov. trad Hongarije uit het
Warschaupact, waarvan het sinds 1955 deel uitmaakte, en verklaarde zich
neutraal. Tegelijkertijd werd de grote mogendheden alsmede de Verenigde
Naties verzocht de Hongaarse neutraliteit te erkennen. Op 3 nov. werd
een Hongaarse delegatie onder leiding van generaal Maléter naar het
hoofdkwartier van de Sovjet-bezettingstroepen ontboden om de details van
de terugtrekking van de Russische legers te bespreken. De delegatie werd
echter gearresteerd en tegelijkertijd begonnen de sovjettroepen met
artillerie en tanks de aanval op Boedapest en andere Hongaarse steden.
Het duurde vier dagen voor het verzet gebroken was. Op 4 nov. maakte
Kádár bekend een regering gevormd te hebben. Imre Nagy en zijn
volgelingen werden door Sovjetmilitairen gevangengenomen. Gedurende de
maanden nov.-dec. 1956 vluchtten ruim 200!000 Hongaren naar het Westen.
Volgens Hongaarse cijfers kostte de opstand 5 ŕ 6000 mensen het leven,
volgens westerse veel meer.
6.12 Het Kádár-bewind
Na 4 nov. 1956 ging het bestuur van het land over in handen van de
Sovjet-bevelhebbers. Avondklok en uitgaansverbod werden ingesteld,
hetgeen tot april 1957 duurde. Kádár kondigde op 11 nov. via de radio
algemene amnestie af en beloofde de meeste eisen van de volksopstand te
zullen inwilligen. De arbeidersraden weigerden echter de legaliteit van
de regering te erkennen en riepen een algemene staking uit. Deze duurde
tot jan. 1957, toen de arbeidersraden opgeheven werden en hun leiders
gevangengenomen. In de daaropvolgende repressie werden duizenden
Hongaren gearresteerd. De leiders van de opstand, onder wie Maléter en
Nagy, werden met honderden anderen in veelal geheime processen ter dood
veroordeeld en geëxecuteerd. Toch slaagde Kádár, die zelf onder Rákosi
jaren in gevangenschap had doorgebracht, erin langzamerhand het
vertrouwen van een groot deel van de bevolking te winnen. In 1962
probeerde hij een streep onder het verleden te zetten met de leuze: 'Wie
niet tegen ons is, is met ons'. De economische hervormingen, de NEM,
brachten Hongarije sinds het einde van de jaren zestig een redelijke
welvaart. Op politiek gebied ontwikkelde het land zich tot het meest
liberale land van het Warschaupact.
In de loop van de jaren tachtig kreeg Hongarije echter te maken met een
economische crisis, waarbij werkloosheid en inflatie hun intrede deden;
de kloof tussen arm en rijk werd steeds groter en de woningnood nam
rampzalige vormen aan. Eenvijfde deel van de bevolking kwam onder de
armoedegrens terecht en tienduizenden Hongaren hadden meer dan een baan
nodig om het hoofd boven water te houden. De tweede NEM van 1979 bleek
niet te werken en Kádár bleek aan het einde van zijn bewind niet in
staat de noodzakelijke economische en politieke hervormingen door te
voeren. Hongarije richtte de blik steeds meer op het Westen, vooral op
economisch gebied. Tal van gezamenlijke ondernemingen (joint ventures)
werden opgericht met westerse deelneming. In 1982 werd Hongarije
toegelaten als lid van het IMF. Voor het eerst werden niet-rendabele
bedrijven gesloten en werd de ruimte voor het particulier initiatief
sterk uitgebreid. Ook het toerisme uit het Westen nam een hoge vlucht.
De jaren tachtig werden ook gekenmerkt door een hoog oplopend conflict
tussen de buurlanden Hongarije en Roemenië. Boedapest beschuldigde
Boekarest ervan dat het de Hongaarse minderheid in de Roemeense streek
Transsylvanië discrimineerde en poogde te laten opgaan in de Roemeense
bevolking. Topontmoetingen tussen de Roemeense leider Ceausescu en zijn
Hongaarse ambtgenoot Kádár, en later Nyers, over deze kwestie liepen uit
op faliekante mislukkingen. Vele duizenden etnische Hongaren namen de
wijk naar Hongarije.
6.13 Vanaf 1988
In mei 1988 werd Kádár afgezet en als partijleider opgevolgd door
premier Károly Grósz. Na een machtsstrijd tussen de conservatieve en de
hervormingsgezinde vleugels kwam medio 1989 een driemanschap aan de
leiding van de partij. De progressieve econoom Reszö Nyers, de
geestelijke vader van de NEM, werd partijleider, terwijl het
driemanschap werd gecompleteerd door de liberale Imre Pószgay en de
behoudende Grósz. Sinds 1988 werd in Hongarije openlijk gesproken over
de terugkeer naar een meerpartijenstelsel. Enkele oude politieke
partijen werden opnieuw opgericht en tal van nieuwe democratische
partijen en organisaties zagen het licht.
In 1989 werd definitief een einde gemaakt aan het taboe rond de opstand
van 1956. Officieel werd toegegeven dat het niet om een contrarevolutie
ging, maar om een volksopstand tegen de stalinistische dictatuur. De
voormannen van de opstand, onder wie Nagy en Maléter kregen eerherstel
en zij werden op 16 juni 1989, op een dag van nationale rouw, plechtig
herbegraven. De massale plechtigheid liep uit op een regelrechte
vernedering van de communistische partij. Begin juli 1989 overleed Kádár.
In diezelfde maand bracht
George Bush als eerste Amerikaanse president een bezoek aan
Hongarije, dat bij die gelegenheid de permanente handelsstatus van
meestbegunstigde natie (MFN) kreeg. De nieuwe op het Westen gerichte
politiek werd in 1989 onderstreept, doordat Hongarije letterlijk een
begin maakte met het afbreken van het IJzeren Gordijn, de versperringen
aan de grens met Oostenrijk.
Bij de eerste parlementsverkiezingen in maart-april 1990, kwam het
Hongaars Democratisch Forum als grootste partij uit de bus. Deze kreeg
164 van de 394 zetels. De voormalige communisten werden de vierde
partij. Er werd een nieuwe regering gevormd met de leider van het
Hongaars Democratisch Forum, Jozsef Antall, als premier. De regering gaf
absolute voorrang aan de privatisering van de economie.
Op 21 jan. 1991 besloot Hongarije met ingang van 1 juli 1991 het
Warschaupact te verlaten. Het stoffelijk overschot van de Hongaarse
kardinaal Jozsef Mindszenty werd in 1991, zestien jaar na zijn dood, uit
het Oostenrijkse Mariazell teruggebracht naar Hongarije en herbegraven
in Esztergom.
Harde saneringsmaatregelen leidden in 1995 tot protestdemonstraties en
het ontslag van enkele ministers, maar ook tot een voorzichtig
economisch herstel, dat zich in 1996 voortzette. In juni werd president
Arpád Göncz door het parlement herkozen. In 1995 sloten Hongarije en
Slowakije een vriendschapsverdrag, waarin de rechten van de 600!000
Slowaakse Hongaren werden geregeld en Hongarije afzag van aanspraken op
Slowaaks gebied. In 1996 kwamen de onderlinge relaties echter weer onder
druk te staan door het Slowaakse assimilatiebeleid jegens de Hongaarse
minderheid. Met Roemenië werd in 1996 een basisverdrag gesloten, waarmee
de positie van de twee miljoen zielen tellende Hongaarse minderheid in
Roemenië werd verbeterd.
Telefoongids Hongarije
Postcodes
Hongarije
|