| |
De hop
of upupa epops
Trekvogel
van april tot september, en doortrekker. Iets groter dan een
merel. Onmiskenbaar door de opvallende zwartwit-tekening op de
vleugels, rug en staart; de fraaie kuif en de lange, dunne
snavel. De grote ronde vleugels en de slome manier van vliegen
doen denken aan een vlinder. Verspreiding en woongebied :
broedvogel in gans Midden- en Zuid-Europa. Bij ons zeer zeldzaam
geworden en alleen nog een regelmatige broedvogel in warme,
droge laaglanden met niet al te intensieve landbouw en voldoende
broedholen. Voortplanting : broedt in boomholen, nissen,
steenhopen, veldschuren en ook in grote nestkasten. Legt vanaf
mei - soms twee legsels - vijf tot acht lichtgrijze eieren.
Alleen het vrouwtje broedt 16-18 dagen. De jongen worden door
beide ouders 23-25 dagen in het nest en daarna nog enige tijd
daarbuiten gevoerd. Om vijanden af te schrikken sproeien de
jongen uitwerpselen en vloeistof uit de stuitklier rond wanneer
ze worden opgeschrikt, waardoor de hop faam geniet als smerige
vogel met een stinkend nest. Voedsel : grote insecten van de
grond, wormen, spinnen, pissebedden en slakken. |
|
|
|
|
|
|