| |
De houtsnip of scolopax rusticola
Trekvogel
van maart tot november, plaatselijk ook stand- en zwerfvogel. Grondvogel,
ongeveer zo groot als een duif, met een lange snavel en relatief korte
poten. Kruin en nek bij de houtsnip dwarsgestreept - twee smalle lichte
strepen scheiden drie brede, donkere strepen van elkaar. In de vlucht zijn
geen lichte strepen of banden te zien. Actief in de schemering van de
nacht, kan geruisloos vliegen en scheert bij de baltsvlucht door de bomen.
Verspreiding en woongebied : grote delen van Midden- en Oost-Europa. Bij
ons als broedvogel van wouden in het laagland en het middelgebergte. Door
de verstopte levenswijze is er weinig bekend over de broedgewoonten van
deze soort. Als broedplaats worden vaak vochtige loof- en gemengde bossen
gekozen. Voortplanting : goed verstopt nest op de grond. Legt tussen
midden maart en juni - één tot twee legsels - de vier eieren hebben bruine
vlekken op een lichte ondergrond. Het vrouwtje broedt 21-24 dagen en voert
ook de jongen alleen. Na tien dagen kunnen de jongen al een beetje
vliegen, maar pas na vier weken lukt het helemaal. Na vijf tot zes weken
zijn ze zelfstandig. Voedsel : bodemdieren. |
|
|
|
|
|
|