|

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Het gehele eiland bestaat uit een gemiddeld 400-800 m hoog plateau,
waarop zich een aantal schilden, tafelvormige verheffingen en
vulkanische kegels bevindt. Slechts ca. 7% van de oppervlakte bestaat
uit laagland. Het vrijwel onbewoonde centrale deel van de hoogvlakte
bestaat vnl. uit lava- en gletsjervelden (ca. 11.500 km2). Van deze
laatste is de Vatna-Jökull in Oost-IJsland de belangrijkste; hij vormt
een ijskap van ca. 8400 km2 en zendt naar vele richtingen gletsjertongen
uit. Aan de voet heeft het smeltwater, vooral in het zuiden, grote
massa's gletsjerpuin opgehoopt (zgn. sandr), doorstroomd door talloze
riviertjes met sterk veranderlijke loop. De vulkaankegel Öræfa-Jökull
(2119 m hoog) in dit massief is het hoogste punt van IJsland. Kleinere
ijskappen worden gevormd door de Hofs-Jökull, Lang-Jökull,
Myrdals-Jökull, Godalands-Jökull, Eyriks-Jökull en Glama-Jökull. De
zuidkust is weinig geleed, de noordkust is door fjorden diep ingesneden
(Skjálfandi; EyjafjörDur, SkagafjörDur), evenals het grote schiereiland
in het noordwesten (IsafjörDur). De lengte van de totale kustlijn
bedraagt 5950 km.
In geologisch opzicht behoort IJsland noch tot Europa noch tot
Groenland, maar wordt het beschouwd als een zich boven zeeniveau
verheffend deel van de Midden-Atlantische Rug. Het bestaat bijna geheel
uit basische plateaubasalten, die in een oudere en een jongere groep
zijn te onderscheiden. De oudere omvat vrijwel de gehele ondergrond van
het plateau en bestaat uit een opeenvolging van lagen basalt,
afgewisseld met dunne lagen vulkanische as en lateritische
verweringsproducten, hetgeen wijst op talrijke lava-uitvloeiingen.
Blijkens de aangetroffen plantenresten dateren deze lagen uit het
vroeg-Tertiair (Eoceen) met een gemiddelde jaartemperatuur van minstens
9 °C (thans aldaar 2 °C). De jongere groep omvat gesteenten uit het
Plioceen tot recent en bestaat uit geconsolideerde vulkaanas, mariene
schelplagen en lava. Daartussen komen ook glaciale afzettingen voor.
Door het asymmetrisch opgebouwde eiland loopt van zuidwest naar
noordoost de 40-100 km brede, halfweg en-échelon versprongen Centrale
Slenk. Deze bevat talrijke openstaande, oppervlakkige rekbreuken (IJsl.:
gjár), alsook verreweg de meeste jongere 'centrale' en spleeterupties.
In tegenstelling tot het westelijke en middengedeelte, dat typisch een
oceanisch eiland vormt, bezit het kleinere oostdeel een continentaal
substratum. Seismisch is bewezen dat de complexe slenk vrij ondiep is
met slechts ca. 1 km verticaal verzet en minder dan 2 km laterale
verbreding (aanzienlijk minder dan de zijwaartse spreiding van de
oceaanbodem aan weerszijden van de Reykjanes Rug).
Vulkanisme is op IJsland in verschillende vormen sterk ontwikkeld, en
wel: a. in de vorm van ca. 25 schildvulkanen, meestal uitgedoofd (zgn.
dyngjur); b. in de vorm van grotere en kleine stratovulkanen, waarvan de
Hekla de belangrijkste nog werkende vulkaan is; c. als spleeteruptie
(o.a. de 30 km lange Laki-spleet, 1783); d. als slijkvulkanen en
fumarolen.
Ook onder de zeespiegel hebben vaak vulkanische uitbarstingen plaats,
evenals onder de gletsjers, waarbij de gloeiende lava zich een weg door
het ijs boort. Het aantal vulkaanuitbarstingen is in de loop der
historie zeer groot geweest. In de jaren 1964-1965 ontstond door
onderzeese vulkanische uitbarstingen ten zuiden van IJsland het nieuwe
eiland Surtsey. Bij een spleeteruptie in jan. 1973 op het eiland Heimaey
(grootste eiland van de groep Vestmannaeyjar, ca. 15 km ten zuiden van
IJsland) ontstond een nieuwe, ruim 200 m hoge vulkaan. De talrijke
solfataren, fumarolen en spuitende heetwaterbronnen (geisers) vormen een
begeleidend verschijnsel van het vulkanisme; de grootste hiervan is de
Stóri Geysir ( 'grote spuiter'), ca. 80 km ten noordoosten van
Reykjavík.
Het aantal rivieren en meren is groot, maar door het doorlatende
karakter van de grond is de waterstand zeer ongelijk; ze zijn
grotendeels onbevaarbaar. De langste rivier is de Thjórsá (230 km), de
waterrijkste de Ölfusá. Watervallen zijn talrijk (Gullfoss, 31 m;
Dettifoss 44 m). Van de vele meren is Thingvallavatn (82 km2, 114 m
diep) het grootste; Mývatn (38 km2, 4,5 m diep) is een van de mooiste.
De wijde baaien aan de westkust, Faxaflói en BreiDafjörDur, alsmede
enige brede fjorden aan de noordkust ontstonden vermoedelijk door
verzakking, dit in tegenstelling tot de vele smalle fjorden van het
noordwestelijke schiereiland en een aantal in het oosten (uitstekende
havens), die in hoofdzaak gevolgen van erosie zijn.
1.2 Klimaat
De zomers zijn koel en de winters relatief mild als gevolg van de
invloed van de Golfstroom en de iets koelere Groenlandstroom. Wolken,
mist en neerslag (op veel plaatsen in het zuiden meer dan 2000 mm per
jaar, op de gletsjers tot 6000 mm, in het noorden tussen 300 en 500 mm)
komen het hele jaar door voor. De warmste maand is juli (aan de kust
9-11 °C), de koudste januari (in het zuiden 0 °C, in het noorden en
oosten -2 °C tot -6 °C). Het absolute maximum is 30 °C, het absolute
minimum -38 °C. De gemiddelde jaartemperatuur in Reykjavík is 4,3 °C, op
Vestmannaeyjar ca. 6 °C.
1.3 Plantengroei
IJsland heeft, dankzij de Golfstroom, van alle arctische landen de
meeste zomerwarmte en de flora telt dan ook ruim 450 hogere planten.
Vele arctisch-alpine soorten komen nabij de sneeuwgrens (865 m) op
geheel IJsland voor, zoals Loiseleuria procumbens, Dryas octopetala,
Bartsia alpina, Salix herbacea, Juncus trifidus, Saxifraga stellaris,
Silene acaulis; opvallend is dit vooral bij soorten die overigens
slechts een zeer beperkt areaal hebben, zoals Gentiana tenella en Carex
microglochin. Merkwaardig is dat vele arctische tot subarctische (niet
tevens alpine) soorten op IJsland juist veel sporadischer zijn dan in
Scandinavië, bijv. Zweedse kornoelje, Phyllodoce coerulea, Diapensia
lapponica, uitzonderingen hierop zijn de op IJsland algemene Cassiope
hypnoides en Gentiana detonsa. Het relatief zachte klimaat maakt ook aan
een aantal relatief zuidelijke soorten het leven mogelijk, zoals
bosaardbei, muurpeper en aan een reeks water- en moerasplanten in de
omgeving van de warme bronnen. De subarctische berk Betula tortuosa komt
op geheel IJsland voor en deze berk bereikt alleen in het zuidoosten een
hoogte van enkele meters; elders is slechts sprake van struweel, mede
bestaande uit wilde lijsterbes, Salix lanata en S. phylicifolia, tot ca.
450 m zeehoogte. Overigens bestaat de vegetatie uit subarctische heiden
(met struikheide, bosbessoorten en berendruif), schrale graslanden,
moerassen en sneeuwdalvegetaties. In uitgestrekte gebieden in het
binnenland groeien slechts mossen en lichenen. Langs de kust komt
zoutvegetatie voor met o.a. Engels gras, Mertensia maritima, en de
subarctische Puccinellia coarctata (doch zonder Juncus gerardii).
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld is niet zeer rijk aan soorten vanwege de hoog
noordelijke ligging en het feit dat de fauna van jonge datum (post-Pleistoceen)
is. Reptielen, amfibieën en dagvlinders ontbreken geheel en de
zoogdieren en zoetwatervissen zijn slechts spaarzaam vertegenwoordigd
(o.a. poolvos; het rendier is ingevoerd en de ijsbeer komt er af en toe
aan land). Het aantal broedvogels bedraagt slechts ca. 70, vnl.
niet-zangvogels (talrijke soorten eendachtigen en kustvogels). Ook
lagere dieren zijn weinig rijk aan soorten, die wel echter soms massaal
op kunnen treden (muggen). De twee nationale parken, Skaftáfell en
Thingvellir (het eerste een voorbeeld van een refugium voor de
ijstijdrelicten), zijn van groot belang; het rotseilandje Eldey is een
van de vogelreservaten en geniet een treurige bekendheid als de laatste
broedplaats van de nu uitgeroeide reuzenalk.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De IJslanders zijn nakomelingen van de Vikingen, vermengd met Schotse en
Ierse immigranten. Onder de buitenlanders wordt de grootste groep
gevormd door de Denen. Slechts 18% van de totale oppervlakte is bewoond,
m.n. de zuid- en de westkust. Ongeveer 10% van de IJslanders woont op
het platteland en de rest in steden en dorpen van meer dan 200 inw. 54%
van de bevolking woont in Reykjavik en omgeving. De jaarlijkse
bevolkingsaanwas bedroeg in de periode 1985-1994 1,1%. De grootste
steden zijn: Reykjavík (108.820 inw.), Kópavogur (16.832 inw.),
Hafnarfjördur (16.107 inw.) en Akureyri (14.665 inw.).
2.2 Taal
Officiële taal is het IJslands.
2.3 Religie
Er is godsdienstvrijheid. De Nationale Kerk van IJsland, ook geheten de
Evangelisch-Lutherse Kerk of de Volkskerk, waartoe 93% van de bevolking
behoort, is staatskerk; het land vormt een bisdom. Er is naast de
staatskerk nog een tiental kleine protestantse denominaties.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting en bestuur
De president van de republiek wordt gekozen voor vier jaar bij algemene,
directe verkiezingen. Hij benoemt de ministers en heeft een beperkt
vetorecht in zaken van wetgeving. Het parlement ( Althing) bestaat uit
63 voor vier jaar gekozen leden, die uit hun midden de 20 leden van het
Hogerhuis (Efrideild) kiezen, de overige 40 afgevaardigden vormen het
Lagerhuis (Nedrideild). Alle mannen en vrouwen van boven de 18 jaar
hebben kiesrecht.
3.2 Politieke organisaties; partijwezen; vakbeweging
De belangrijkste politieke partijen zijn: de Onafhankelijkheidspartij (Sjalfstaedisflokkur;
SF), een conservatief-liberale partij die in 1929 werd opgericht en die
de belangen van de industrie, de handel en de visserij vertegenwoordigt;
de Vooruitgangspartij (Framsoknarflokkur; FF), opgericht in 1916 voor de
belangenbehartiging van de boeren en nauw verbonden met de coöperatieve
beweging onder de kleine boeren, tegenwoordig voor gematigde sociale
hervormingen en links-liberaal van koers; de Sociaal-Democratische
Partij (Althyduflokkur; AF), opgericht in 1916 en gematigd socialistisch
van koers. Voorts bestaan nog de Volksalliantie (socialisten), de
Burgerpartij (links-liberaal) en de Vrouwenalliantie (opgericht in
1982). De grootste vakbond is de IJslandse Arbeiders Federatie.
3.3 Administratieve indeling
Bestuurlijk is IJsland ingedeeld in 23 districten (sýslur).
3.4 Rechtswezen
In het rechtswezen wordt Oud-IJslands recht en gecodificeerd recht zoals
dat in andere Scandinavische landen wordt gebruikt, toegepast. In
Reykjavík is het hoogste gerechtshof gevestigd.
3.5 Lidmaatschap van internationale organisaties
IJsland is lid van de Verenigde Naties, de NAVO, de Raad van Europa, de
Noordse Raad en de EVA. Er is een vrijhandelsakkoord met de EU.
4. Economie
4.1 Algemeen
De IJslandse economie wordt in hoge mate gedragen door de visserij en de
visverwerkende industrie. Deze sector neemt ca. 72% van de uitvoer voor
zijn rekening. De economie is daardoor zeer gevoelig voor de
veranderingen van de visprijzen en de overheid doet dan ook pogingen de
economie een bredere basis te geven, o.m. door het aantrekken van
buitenlandse industriële vestigingen. Grote verwachtingen worden
gekoesterd ten aanzien van de ontwikkeling van het enorme potentieel aan
waterkracht. Hoewel het land al geruime tijd met een grote inflatie te
kampen heeft, vertoonde de economie in de jaren tachtig een gestage
groei en is de werkloosheid laag. Het Bruto Nationaal Product (bnp) per
hoofd van de bevolking bedroeg in 1994 US $ 24.590. De verdeling van de
beroepsbevolking over de verschillende sectoren was in 1992 als volgt:
landbouw 5,1%, visserij en visverwerking 11,8%, andere industriële
activiteiten 12,9%, bouwsector 10,7%, handel en dienstverlenende sector
14,9%, transport 6,8% en overige 37,8%.
4.2 Landbouw, veeteelt, bosbouw
Door de klimatologische omstandigheden en de geografische structuur is
slechts een klein deel van het oppervlak geschikt voor akkerbouw, die
vnl. aardappelen, suikerbieten en kool voortbrengt. Rond Reykjavík is
een uitgebreide glascultuur, die gevoed wordt door heetwaterbronnen en
die bloemen, tomaten, druiven, komkommers en verschillende zuidvruchten
voortbrengt. De veehouderij speelt een belangrijke rol en omvat
rundveehouderij (voor de melkproductie) en schapenteelt (voor de slacht
en de wol); het land kan in de eigen behoeften aan vlees- en
melkproducten voorzien. Van enig belang is de paardenfokkerij, in het
bijzonder het fokken van de zgn. IJslandse pony's. De bosbouw speelt
door de geringe aanwezigheid van bomen geen enkele rol. Wel propageert
de overheid bebossing op grote schaal teneinde bodemerosie te voorkomen.
De visserij, die door een zeer modern uitgeruste vloot wordt bedreven in
de wateren rondom IJsland (in 1975 vergrootte de IJslandse regering de
territoriale wateren tot 200 zeemijlen) en ver daarbuiten, richt zich
vooral op de kabeljauw- en haringvangst en in mindere mate op de krab-,
kreeft- en schelpdierenvangst. De kabeljauw wordt ingevroren, gezouten
of gedroogd en is vnl. voor de export bestemd. De haring wordt vnl. tot
vismeel- en olie verwerkt. Midden jaren tachtig verbood IJsland onder
druk van internationale milieuorganisaties de commerciële walvisvangst.
In 1990 zette het land ook de beperkte, wetenschappelijke vangst op
walvissen stop.
4.3 Industrie
De visverwerkende industrie, de koelhuizen en de conservenfabrieken voor
vis vormen de grootste groep van de industriële sector. In het kader van
de diversifiëring van de economie is een Zwitsers aluminiumbedrijf in
Straumsvik gevestigd. Daarnaast zijn er een kunstmestfabriek en een
cementfabriek. De visserij heeft talrijke kleine industriële
toeleveringsbedrijven aangetrokken, zoals scheepswerven en fabrikanten
van scheepsbenodigdheden en -uitrustingen alsmede een
verpakkingsindustrie. Voorts is er enige textielindustrie, terwijl de
fabricage van plastic sterk in betekenis toeneemt; ook de verwerking van
wol en huiden wordt steeds belangrijker.
4.4 Energievoorziening
Energie in de vorm van elektriciteit wordt voor ca. 97% geleverd door
waterkracht. De elektriciteitscentrales worden geëxploiteerd door de
National Power Company, een deels staats-, deels particuliere
onderneming. Geothermische energie in de vorm van heet water en stoom
voorziet Reykjavík en omgeving van heet water voor huishoudelijk gebruik
en verwarming.
4.5 Bankwezen
Centrale bank is de Sedlabanki Islands. Daarnaast bestaat er een aantal
handelsbanken en banken voor bijzondere doeleinden, zoals spaarbanken,
kredietbanken en boerenleenbanken, die alle in staatshanden zijn.
4.6 Handel
Uitgevoerd worden: vis en visproducten (71, 9% in 1995), aluminium
(10,6%), kunstmest, diatomiet en ferrosiliconen. Voornaamste afnemers
zijn: Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Duitsland, en Japan.
Ingevoerd worden: machines en apparaten, aardolie, transportmiddelen,
drank en tabak. Belangrijkste leveranciers zijn: Groot-Brittannië,
Duitsland, Denemarken, Zweden en Noorwegen.
4.7 Verkeer
Van groot belang voor het binnenlands verkeer is de kustscheepvaart,
daar alle steden en dorpen aan de kust liggen en ijsvrije havens hebben.
Ook voor de vrachtverbindingen met andere landen is de scheepvaart, die
door enkele IJslandse en een aantal buitenlandse ondernemingen wordt
verzorgd, van groot belang. Belangrijkste haven is Reykjavík. Van groot
belang voor het binnenlands personenverkeer is de luchtvaart. Er zijn
twee internationale privéluchtvaartmaatschappijen: Icelandair en Eagle
Air. Bij Reykjavík ligt een internationale luchthaven. Voorts bijna
honderd kleine interlokale vliegvelden. Het wegennet (12.500 km) is vnl.
aan de kust te vinden en maar enkele maanden per jaar begaanbaar. Een
spoorwegnet is er niet.
5. Geschiedenis
IJsland werd ca. 800 ontdekt door Ieren en al spoedig bewoond door Ierse
monniken, die echter later door de Vikingen werden verdreven. Gardhar
Svavarszoon, een Zweed, ontdekte het eiland opnieuw. De naam kreeg het
van een Noor, Floki Valgerdhszoon. Gekoloniseerd werd het ca. 875. Een
belangrijk document voor de 12de en 13de eeuw is Landnámabok Islands,
dat als voornaamste woonplaatsen van de kolonisten vermeldt het noorden
en westen van IJsland. Tegen 1000 werd in de aristocratisch bestuurde
republiek het christendom ingevoerd; beide bisdommen stonden onder het
aartsbisdom Nidharos (Trondheim). Door onderlinge twisten van de
adellijke families raakte IJsland in 1262 onder Noorwegen, waar toen
Haakon IV regeerde. Door de Unie van Kalmar kwam het samen met Noorwegen
in personele unie met Denemarken; het werd ook met Noorwegen en
Denemarken luthers. In 1814 werd het Deens, maar bij de grondwet van
1874 kwam Denemarken in ruime mate aan het verlangen naar autonomie
tegemoet. Ook daarna moesten de Denen steeds meer rechten prijsgeven,
totdat in 1918 IJsland een zelfstandig koninkrijk werd, in personele
unie met Denemarken verbonden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bezetten
Engelsen en Amerikanen het eiland uit strategische overwegingen. Op 17
juni 1944 werd, na een volksstemming, de republiek uitgeroepen. Een
belangrijk politiek strijdpunt vormde de vraag naar de toekomst van de
basis Keflavík - een Amerikaanse (tevens NATO-)basis, die krachtens een
defensieovereenkomst van 1951 voor de Verenigde Staten is bestemd. In de
jaren 1958-1961, 1972-1973 en 1975-1976 woedde tussen IJsland en
Groot-Brittannië een 'kabeljauwoorlog', samenhangend met de uitbreiding
van de visserijgrenzen door IJsland tot resp. 12 mijl (1958), 50 mijl
(1972) en 200 mijl (1975). In 1980 werd een vrouw, Vigdís Finnbogadóttir,
tot president gekozen; in 1992 werd zij voor de vierde keer gekozen. In
1991 bereikten de EVA-landen, waartoe ook IJsland behoort, met de EG een
akkoord over de vorming van een Europese Economische Ruimte (EER).
Volgens deze afspraken kreeg IJsland vanaf 1993 vrij toegang tot de
Europese markt voor vis. In 1992 maakte IJsland bekend de commerciële
walvisvaart te hervatten.
De parlementsverkiezingen van april 1995 gaven grote verschuivingen te
zien. In de campagne stonden economische kwesties centraal, vooral de
visserijproblematiek, waar een achteruitgang van de visstand dreigde.
Premier Oddson van de centrum-rechtse Onafhankelijkheidspartij vormde
een coalitie met de Vooruitgangspartij, een centrumgroepering.
Bij de presidentsverkiezingen van juni 1996 werd de zeer populaire
Finnbogadóttir, die zich na vier ambtstermijnen niet meer herkiesbaar
had gesteld, opgevolgd door Olafur Ragnar Grimsson, voorzitter van de
progressieve Volksalliantie.
Telefoongids Ijsland
Postcodes
Ijsland
|