header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Ijsland

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

 

IJsland (officieel: Lýdveldid Ísland), republiek op het gelijknamige eiland in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, dat geografisch tot Europa wordt gerekend; 102.819 km2 (incl. de omliggende eilanden) met (schatting 1994) 266.000 inw. (2,5 inw. per km2); hoofdstad: Reykjavík. Nationale feestdag is 17 juni, Onafhankelijkheidsdag. Munteenheid is de IJslandse kroon (ikr), onderverdeeld in 100 aurar.

Kaart van IJsland

               foto y991906k.jpg  foto y992202k.jpg  foto y991914k.jpg  foto y992201k.jpg

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Het gehele eiland bestaat uit een gemiddeld 400-800 m hoog plateau, waarop zich een aantal schilden, tafelvormige verheffingen en vulkanische kegels bevindt. Slechts ca. 7% van de oppervlakte bestaat uit laagland. Het vrijwel onbewoonde centrale deel van de hoogvlakte bestaat vnl. uit lava- en gletsjervelden (ca. 11.500 km2). Van deze laatste is de Vatna-Jökull in Oost-IJsland de belangrijkste; hij vormt een ijskap van ca. 8400 km2 en zendt naar vele richtingen gletsjertongen uit. Aan de voet heeft het smeltwater, vooral in het zuiden, grote massa's gletsjerpuin opgehoopt (zgn. sandr), doorstroomd door talloze riviertjes met sterk veranderlijke loop. De vulkaankegel Öræfa-Jökull (2119 m hoog) in dit massief is het hoogste punt van IJsland. Kleinere ijskappen worden gevormd door de Hofs-Jökull, Lang-Jökull, Myrdals-Jökull, Godalands-Jökull, Eyriks-Jökull en Glama-Jökull. De zuidkust is weinig geleed, de noordkust is door fjorden diep ingesneden (Skjálfandi; EyjafjörDur, SkagafjörDur), evenals het grote schiereiland in het noordwesten (IsafjörDur). De lengte van de totale kustlijn bedraagt 5950 km.
In geologisch opzicht behoort IJsland noch tot Europa noch tot Groenland, maar wordt het beschouwd als een zich boven zeeniveau verheffend deel van de Midden-Atlantische Rug. Het bestaat bijna geheel uit basische plateaubasalten, die in een oudere en een jongere groep zijn te onderscheiden. De oudere omvat vrijwel de gehele ondergrond van het plateau en bestaat uit een opeenvolging van lagen basalt, afgewisseld met dunne lagen vulkanische as en lateritische verweringsproducten, hetgeen wijst op talrijke lava-uitvloeiingen. Blijkens de aangetroffen plantenresten dateren deze lagen uit het vroeg-Tertiair (Eoceen) met een gemiddelde jaartemperatuur van minstens 9 °C (thans aldaar 2 °C). De jongere groep omvat gesteenten uit het Plioceen tot recent en bestaat uit geconsolideerde vulkaanas, mariene schelplagen en lava. Daartussen komen ook glaciale afzettingen voor.
Door het asymmetrisch opgebouwde eiland loopt van zuidwest naar noordoost de 40-100 km brede, halfweg en-échelon versprongen Centrale Slenk. Deze bevat talrijke openstaande, oppervlakkige rekbreuken (IJsl.: gjár), alsook verreweg de meeste jongere 'centrale' en spleeterupties. In tegenstelling tot het westelijke en middengedeelte, dat typisch een oceanisch eiland vormt, bezit het kleinere oostdeel een continentaal substratum. Seismisch is bewezen dat de complexe slenk vrij ondiep is met slechts ca. 1 km verticaal verzet en minder dan 2 km laterale verbreding (aanzienlijk minder dan de zijwaartse spreiding van de oceaanbodem aan weerszijden van de Reykjanes Rug).
Vulkanisme is op IJsland in verschillende vormen sterk ontwikkeld, en wel: a. in de vorm van ca. 25 schildvulkanen, meestal uitgedoofd (zgn. dyngjur); b. in de vorm van grotere en kleine stratovulkanen, waarvan de Hekla de belangrijkste nog werkende vulkaan is; c. als spleeteruptie (o.a. de 30 km lange Laki-spleet, 1783); d. als slijkvulkanen en fumarolen.
Ook onder de zeespiegel hebben vaak vulkanische uitbarstingen plaats, evenals onder de gletsjers, waarbij de gloeiende lava zich een weg door het ijs boort. Het aantal vulkaanuitbarstingen is in de loop der historie zeer groot geweest. In de jaren 1964-1965 ontstond door onderzeese vulkanische uitbarstingen ten zuiden van IJsland het nieuwe eiland Surtsey. Bij een spleeteruptie in jan. 1973 op het eiland Heimaey (grootste eiland van de groep Vestmannaeyjar, ca. 15 km ten zuiden van IJsland) ontstond een nieuwe, ruim 200 m hoge vulkaan. De talrijke solfataren, fumarolen en spuitende heetwaterbronnen (geisers) vormen een begeleidend verschijnsel van het vulkanisme; de grootste hiervan is de Stóri Geysir ( 'grote spuiter'), ca. 80 km ten noordoosten van Reykjavík.
Het aantal rivieren en meren is groot, maar door het doorlatende karakter van de grond is de waterstand zeer ongelijk; ze zijn grotendeels onbevaarbaar. De langste rivier is de Thjórsá (230 km), de waterrijkste de Ölfusá. Watervallen zijn talrijk (Gullfoss, 31 m; Dettifoss 44 m). Van de vele meren is Thingvallavatn (82 km2, 114 m diep) het grootste; Mývatn (38 km2, 4,5 m diep) is een van de mooiste.
De wijde baaien aan de westkust, Faxaflói en BreiDafjörDur, alsmede enige brede fjorden aan de noordkust ontstonden vermoedelijk door verzakking, dit in tegenstelling tot de vele smalle fjorden van het noordwestelijke schiereiland en een aantal in het oosten (uitstekende havens), die in hoofdzaak gevolgen van erosie zijn.
1.2 Klimaat
De zomers zijn koel en de winters relatief mild als gevolg van de invloed van de Golfstroom en de iets koelere Groenlandstroom. Wolken, mist en neerslag (op veel plaatsen in het zuiden meer dan 2000 mm per jaar, op de gletsjers tot 6000 mm, in het noorden tussen 300 en 500 mm) komen het hele jaar door voor. De warmste maand is juli (aan de kust 9-11 °C), de koudste januari (in het zuiden 0 °C, in het noorden en oosten -2 °C tot -6 °C). Het absolute maximum is 30 °C, het absolute minimum -38 °C. De gemiddelde jaartemperatuur in Reykjavík is 4,3 °C, op Vestmannaeyjar ca. 6 °C.
1.3 Plantengroei
IJsland heeft, dankzij de Golfstroom, van alle arctische landen de meeste zomerwarmte en de flora telt dan ook ruim 450 hogere planten. Vele arctisch-alpine soorten komen nabij de sneeuwgrens (865 m) op geheel IJsland voor, zoals Loiseleuria procumbens, Dryas octopetala, Bartsia alpina, Salix herbacea, Juncus trifidus, Saxifraga stellaris, Silene acaulis; opvallend is dit vooral bij soorten die overigens slechts een zeer beperkt areaal hebben, zoals Gentiana tenella en Carex microglochin. Merkwaardig is dat vele arctische tot subarctische (niet tevens alpine) soorten op IJsland juist veel sporadischer zijn dan in Scandinavië, bijv. Zweedse kornoelje, Phyllodoce coerulea, Diapensia lapponica, uitzonderingen hierop zijn de op IJsland algemene Cassiope hypnoides en Gentiana detonsa. Het relatief zachte klimaat maakt ook aan een aantal relatief zuidelijke soorten het leven mogelijk, zoals bosaardbei, muurpeper en aan een reeks water- en moerasplanten in de omgeving van de warme bronnen. De subarctische berk Betula tortuosa komt op geheel IJsland voor en deze berk bereikt alleen in het zuidoosten een hoogte van enkele meters; elders is slechts sprake van struweel, mede bestaande uit wilde lijsterbes, Salix lanata en S. phylicifolia, tot ca. 450 m zeehoogte. Overigens bestaat de vegetatie uit subarctische heiden (met struikheide, bosbessoorten en berendruif), schrale graslanden, moerassen en sneeuwdalvegetaties. In uitgestrekte gebieden in het binnenland groeien slechts mossen en lichenen. Langs de kust komt zoutvegetatie voor met o.a. Engels gras, Mertensia maritima, en de subarctische Puccinellia coarctata (doch zonder Juncus gerardii).
1.4 Dierenwereld
De dierenwereld is niet zeer rijk aan soorten vanwege de hoog noordelijke ligging en het feit dat de fauna van jonge datum (post-Pleistoceen) is. Reptielen, amfibieën en dagvlinders ontbreken geheel en de zoogdieren en zoetwatervissen zijn slechts spaarzaam vertegenwoordigd (o.a. poolvos; het rendier is ingevoerd en de ijsbeer komt er af en toe aan land). Het aantal broedvogels bedraagt slechts ca. 70, vnl. niet-zangvogels (talrijke soorten eendachtigen en kustvogels). Ook lagere dieren zijn weinig rijk aan soorten, die wel echter soms massaal op kunnen treden (muggen). De twee nationale parken, Skaftáfell en Thingvellir (het eerste een voorbeeld van een refugium voor de ijstijdrelicten), zijn van groot belang; het rotseilandje Eldey is een van de vogelreservaten en geniet een treurige bekendheid als de laatste broedplaats van de nu uitgeroeide reuzenalk.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De IJslanders zijn nakomelingen van de Vikingen, vermengd met Schotse en Ierse immigranten. Onder de buitenlanders wordt de grootste groep gevormd door de Denen. Slechts 18% van de totale oppervlakte is bewoond, m.n. de zuid- en de westkust. Ongeveer 10% van de IJslanders woont op het platteland en de rest in steden en dorpen van meer dan 200 inw. 54% van de bevolking woont in Reykjavik en omgeving. De jaarlijkse bevolkingsaanwas bedroeg in de periode 1985-1994 1,1%. De grootste steden zijn: Reykjavík (108.820 inw.), Kópavogur (16.832 inw.), Hafnarfjördur (16.107 inw.) en Akureyri (14.665 inw.).
2.2 Taal
Officiële taal is het IJslands.
2.3 Religie
Er is godsdienstvrijheid. De Nationale Kerk van IJsland, ook geheten de Evangelisch-Lutherse Kerk of de Volkskerk, waartoe 93% van de bevolking behoort, is staatskerk; het land vormt een bisdom. Er is naast de staatskerk nog een tiental kleine protestantse denominaties.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting en bestuur
De president van de republiek wordt gekozen voor vier jaar bij algemene, directe verkiezingen. Hij benoemt de ministers en heeft een beperkt vetorecht in zaken van wetgeving. Het parlement ( Althing) bestaat uit 63 voor vier jaar gekozen leden, die uit hun midden de 20 leden van het Hogerhuis (Efrideild) kiezen, de overige 40 afgevaardigden vormen het Lagerhuis (Nedrideild). Alle mannen en vrouwen van boven de 18 jaar hebben kiesrecht.
3.2 Politieke organisaties; partijwezen; vakbeweging
De belangrijkste politieke partijen zijn: de Onafhankelijkheidspartij (Sjalfstaedisflokkur; SF), een conservatief-liberale partij die in 1929 werd opgericht en die de belangen van de industrie, de handel en de visserij vertegenwoordigt; de Vooruitgangspartij (Framsoknarflokkur; FF), opgericht in 1916 voor de belangenbehartiging van de boeren en nauw verbonden met de coöperatieve beweging onder de kleine boeren, tegenwoordig voor gematigde sociale hervormingen en links-liberaal van koers; de Sociaal-Democratische Partij (Althyduflokkur; AF), opgericht in 1916 en gematigd socialistisch van koers. Voorts bestaan nog de Volksalliantie (socialisten), de Burgerpartij (links-liberaal) en de Vrouwenalliantie (opgericht in 1982). De grootste vakbond is de IJslandse Arbeiders Federatie.
3.3 Administratieve indeling
Bestuurlijk is IJsland ingedeeld in 23 districten (sýslur).
3.4 Rechtswezen
In het rechtswezen wordt Oud-IJslands recht en gecodificeerd recht zoals dat in andere Scandinavische landen wordt gebruikt, toegepast. In Reykjavík is het hoogste gerechtshof gevestigd.
3.5 Lidmaatschap van internationale organisaties
IJsland is lid van de Verenigde Naties, de NAVO, de Raad van Europa, de Noordse Raad en de EVA. Er is een vrijhandelsakkoord met de EU.

4. Economie
4.1 Algemeen
De IJslandse economie wordt in hoge mate gedragen door de visserij en de visverwerkende industrie. Deze sector neemt ca. 72% van de uitvoer voor zijn rekening. De economie is daardoor zeer gevoelig voor de veranderingen van de visprijzen en de overheid doet dan ook pogingen de economie een bredere basis te geven, o.m. door het aantrekken van buitenlandse industriële vestigingen. Grote verwachtingen worden gekoesterd ten aanzien van de ontwikkeling van het enorme potentieel aan waterkracht. Hoewel het land al geruime tijd met een grote inflatie te kampen heeft, vertoonde de economie in de jaren tachtig een gestage groei en is de werkloosheid laag. Het Bruto Nationaal Product (bnp) per hoofd van de bevolking bedroeg in 1994 US $ 24.590. De verdeling van de beroepsbevolking over de verschillende sectoren was in 1992 als volgt: landbouw 5,1%, visserij en visverwerking 11,8%, andere industriële activiteiten 12,9%, bouwsector 10,7%, handel en dienstverlenende sector 14,9%, transport 6,8% en overige 37,8%.
4.2 Landbouw, veeteelt, bosbouw
Door de klimatologische omstandigheden en de geografische structuur is slechts een klein deel van het oppervlak geschikt voor akkerbouw, die vnl. aardappelen, suikerbieten en kool voortbrengt. Rond Reykjavík is een uitgebreide glascultuur, die gevoed wordt door heetwaterbronnen en die bloemen, tomaten, druiven, komkommers en verschillende zuidvruchten voortbrengt. De veehouderij speelt een belangrijke rol en omvat rundveehouderij (voor de melkproductie) en schapenteelt (voor de slacht en de wol); het land kan in de eigen behoeften aan vlees- en melkproducten voorzien. Van enig belang is de paardenfokkerij, in het bijzonder het fokken van de zgn. IJslandse pony's. De bosbouw speelt door de geringe aanwezigheid van bomen geen enkele rol. Wel propageert de overheid bebossing op grote schaal teneinde bodemerosie te voorkomen. De visserij, die door een zeer modern uitgeruste vloot wordt bedreven in de wateren rondom IJsland (in 1975 vergrootte de IJslandse regering de territoriale wateren tot 200 zeemijlen) en ver daarbuiten, richt zich vooral op de kabeljauw- en haringvangst en in mindere mate op de krab-, kreeft- en schelpdierenvangst. De kabeljauw wordt ingevroren, gezouten of gedroogd en is vnl. voor de export bestemd. De haring wordt vnl. tot vismeel- en olie verwerkt. Midden jaren tachtig verbood IJsland onder druk van internationale milieuorganisaties de commerciële walvisvangst. In 1990 zette het land ook de beperkte, wetenschappelijke vangst op walvissen stop.
4.3 Industrie

De visverwerkende industrie, de koelhuizen en de conservenfabrieken voor vis vormen de grootste groep van de industriële sector. In het kader van de diversifiëring van de economie is een Zwitsers aluminiumbedrijf in Straumsvik gevestigd. Daarnaast zijn er een kunstmestfabriek en een cementfabriek. De visserij heeft talrijke kleine industriële toeleveringsbedrijven aangetrokken, zoals scheepswerven en fabrikanten van scheepsbenodigdheden en -uitrustingen alsmede een verpakkingsindustrie. Voorts is er enige textielindustrie, terwijl de fabricage van plastic sterk in betekenis toeneemt; ook de verwerking van wol en huiden wordt steeds belangrijker.
4.4 Energievoorziening
Energie in de vorm van elektriciteit wordt voor ca. 97% geleverd door waterkracht. De elektriciteitscentrales worden geëxploiteerd door de National Power Company, een deels staats-, deels particuliere onderneming. Geothermische energie in de vorm van heet water en stoom voorziet Reykjavík en omgeving van heet water voor huishoudelijk gebruik en verwarming.
4.5 Bankwezen
Centrale bank is de Sedlabanki Islands. Daarnaast bestaat er een aantal handelsbanken en banken voor bijzondere doeleinden, zoals spaarbanken, kredietbanken en boerenleenbanken, die alle in staatshanden zijn.
4.6 Handel
Uitgevoerd worden: vis en visproducten (71, 9% in 1995), aluminium (10,6%), kunstmest, diatomiet en ferrosiliconen. Voornaamste afnemers zijn: Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Duitsland, en Japan. Ingevoerd worden: machines en apparaten, aardolie, transportmiddelen, drank en tabak. Belangrijkste leveranciers zijn: Groot-Brittannië, Duitsland, Denemarken, Zweden en Noorwegen.
4.7 Verkeer
Van groot belang voor het binnenlands verkeer is de kustscheepvaart, daar alle steden en dorpen aan de kust liggen en ijsvrije havens hebben. Ook voor de vrachtverbindingen met andere landen is de scheepvaart, die door enkele IJslandse en een aantal buitenlandse ondernemingen wordt verzorgd, van groot belang. Belangrijkste haven is Reykjavík. Van groot belang voor het binnenlands personenverkeer is de luchtvaart. Er zijn twee internationale privéluchtvaartmaatschappijen: Icelandair en Eagle Air. Bij Reykjavík ligt een internationale luchthaven. Voorts bijna honderd kleine interlokale vliegvelden. Het wegennet (12.500 km) is vnl. aan de kust te vinden en maar enkele maanden per jaar begaanbaar. Een spoorwegnet is er niet.

5. Geschiedenis
IJsland werd ca. 800 ontdekt door Ieren en al spoedig bewoond door Ierse monniken, die echter later door de Vikingen werden verdreven. Gardhar Svavarszoon, een Zweed, ontdekte het eiland opnieuw. De naam kreeg het van een Noor, Floki Valgerdhszoon. Gekoloniseerd werd het ca. 875. Een belangrijk document voor de 12de en 13de eeuw is Landnámabok Islands, dat als voornaamste woonplaatsen van de kolonisten vermeldt het noorden en westen van IJsland. Tegen 1000 werd in de aristocratisch bestuurde republiek het christendom ingevoerd; beide bisdommen stonden onder het aartsbisdom Nidharos (Trondheim). Door onderlinge twisten van de adellijke families raakte IJsland in 1262 onder Noorwegen, waar toen Haakon IV regeerde. Door de Unie van Kalmar kwam het samen met Noorwegen in personele unie met Denemarken; het werd ook met Noorwegen en Denemarken luthers. In 1814 werd het Deens, maar bij de grondwet van 1874 kwam Denemarken in ruime mate aan het verlangen naar autonomie tegemoet. Ook daarna moesten de Denen steeds meer rechten prijsgeven, totdat in 1918 IJsland een zelfstandig koninkrijk werd, in personele unie met Denemarken verbonden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bezetten Engelsen en Amerikanen het eiland uit strategische overwegingen. Op 17 juni 1944 werd, na een volksstemming, de republiek uitgeroepen. Een belangrijk politiek strijdpunt vormde de vraag naar de toekomst van de basis Keflavík - een Amerikaanse (tevens NATO-)basis, die krachtens een defensieovereenkomst van 1951 voor de Verenigde Staten is bestemd. In de jaren 1958-1961, 1972-1973 en 1975-1976 woedde tussen IJsland en Groot-Brittannië een 'kabeljauwoorlog', samenhangend met de uitbreiding van de visserijgrenzen door IJsland tot resp. 12 mijl (1958), 50 mijl (1972) en 200 mijl (1975). In 1980 werd een vrouw, Vigdís Finnbogadóttir, tot president gekozen; in 1992 werd zij voor de vierde keer gekozen. In 1991 bereikten de EVA-landen, waartoe ook IJsland behoort, met de EG een akkoord over de vorming van een Europese Economische Ruimte (EER). Volgens deze afspraken kreeg IJsland vanaf 1993 vrij toegang tot de Europese markt voor vis. In 1992 maakte IJsland bekend de commerciële walvisvaart te hervatten.
De parlementsverkiezingen van april 1995 gaven grote verschuivingen te zien. In de campagne stonden economische kwesties centraal, vooral de visserijproblematiek, waar een achteruitgang van de visstand dreigde. Premier Oddson van de centrum-rechtse Onafhankelijkheidspartij vormde een coalitie met de Vooruitgangspartij, een centrumgroepering.
Bij de presidentsverkiezingen van juni 1996 werd de zeer populaire Finnbogadóttir, die zich na vier ambtstermijnen niet meer herkiesbaar had gesteld, opgevolgd door Olafur Ragnar Grimsson, voorzitter van de progressieve Volksalliantie.


Telefoongids Ijsland
Postcodes
Ijsland

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009