| |
De
vogelfamilie Alcedinidae uit de orde Scharrelvogels. IJsvogels
vallen op door de gedrongen vorm, de korte hals en staart en de
grote kop, die bij veel soorten een opzetbare kuif draagt. Ze
zijn fel gekleurd en hebben een lange, toegespitste snavel. De
poten zijn kort.
Indeling en verspreiding
IJsvogels hebben een kosmopolitische verspreiding; zij ontbreken
alleen in de poolstreken en op enkele oceaaneilanden. Van de 84
soorten komen de meeste op het oostelijk halfrond voor; in
Amerika zijn er zes, in Afrika vijftien soorten.
Men onderscheidt twee onderfamilies.
De onderfamilie Vissende ijsvogels (Alcedininae) is gekenmerkt
door een smalle, toegespitste snavel. De soorten houden zich
meestal op langs oevers van kanalen, rivieren en beekjes en
meren. In de winter zoeken ze ook brak water op. Het voedsel
bestaat vnl. uit visjes, maar ook uit waterinsecten, kreeftjes
e.d. Vanaf een hoge uitkijkpost aan het water stoten ze pijlsnel
op de prooi, vaak tot ver onder water, grijpen deze met de
snavel en keren terug naar de uitkijkpost om de buit te
verslinden.
De gewone ijsvogel (Alcedo atthis) is de enige soort in Europa;
deze komt ook voor in Noord-Afrika en Azië. Het is een vrij
zeldzame broedvogel in Nederland; in België komt hij plaatselijk
meer voor. Het nest maken de vogels aan het einde van een bijna
horizontale, door henzelf gegraven gang in een steile oever. Men
vindt daarin geen nestmateriaal, maar wel braakballen, bestaande
uit graten en schubben. Het legsel telt zes tot acht eieren. De
jongen worden door beide ouders verzorgd.
Bij de veel grotere Noord-Amerikaanse bandijsvogel (Ceryle
alcyon), één keer (1899) in Nederland gevonden, heeft het wijfje
een bruine borstband.
De onderfamilie Bosijsvogels (Daceloninae) is gekenmerkt door
een bredere, meer afgeplatte snavel. De soorten zijn niet
gebonden aan water en kunnen leven in bossen, steppen, aan zee
en in het hooggebergte, waar ze jacht maken op insecten,
krabben, reptielen, kleine zoogdieren en vogels. Sommige soorten
nestelen in gegraven holen, andere in bomen, zoals de
‘vriendelijk’ schreeuwende en ‘grinnikende’ kookaburra (Dacelo
novae-guineae) uit Oost- en Zuid-Australië, die jaagt op o.a.
slangen en hagedissen; de kookaburra wordt vaak in dierentuinen
gehouden. Andere bosijsvogels zijn de grote ijsvogel (Pelargopsis
capensis) uit o.a. India en Ceylon, de heilige ijsvogel (Halcyon
sancta) uit Australië en de drieteenijsvogel (Ceyx erithacus)
uit Zuidoost-Azië, een kleine, maar prachtig gekleurde vogel.
De ijsvogel doet zijn naam geen eer aan, want hij leeft vooral
in warmere streken. Hij komt voor in Europa, Noord-Afrika en
Azië. Hij leeft altijd in de buurt van water. Daar zit de
ijsvogel dan op takken die over het water hangen en loert hij op
zijn prooi. De ijsvogel behoort tot de scharrelvogels. Tot zijn
prooi behoren vooral kleine vissen, kikkers en insecten. Zodra
de ijsvogel een prooi ontdekt schiet hij pijlsnel het water in
en slaat hij met zijn lange, spitse snavel toe. De prooi wordt
meegesleept op de tak en pas daar doorgeslikt.
De ijsvogel is een solitaire vogel, alleen in de broedtijd leeft
hij in paren. Ze maken hun nest op een bijzondere manier. Ze
maken eerst een tunnel in de oever door telkens weer met de
snavel tegen de oever aan te vliegen. Aan het einde van deze,
soms wel 1 meter lange, tunnel ligt het nest. Ze leggen 4-8
eieren. De jongen worden door de ouders gezamenlijk verzorgd. De
ijsvogel heeft een prachtig verenkleed dat bestaat uit blauwe,
groene en roodachtige veren.
Hun vijanden zijn onder andere waterratten, wezels en de
viskwekers. |
|
|
|
|
|
|