|

|
Het grootste deel van de
19de eeuw waren de ogen van de kunstwereld op Parijs gericht. De publieke
interesse voor de kunst kon zich zowel uiten in hevige woede-uitbarstingen
als in juichende liefdesverklaringen : tentoonstellingen, toneel en
concerten konden zowel euforie als protest uitlokken. Parijs was een
'broedplaats' voor nieuwe ideeën.
In 1863 ontmoette een groep jonge schilders elkaar tijdens hun opleiding in
de studio van Gabriel-Charles Gleyre (1808-1874). Onder hen
bevonden zich Claude Monet,
Auguste Renoir,
Alfred Sisley en
Jean-Frédérick Bazille. Monet introduceerde hen bij een oudere
schilder, Camille Pissarro, die hij in 1859 had ontmoet. Bij
de groep voegden zich eveneens
Edouard Manet,
Edgar Degas en Paul
Cézanne, maar zij streefden enigszins andere ideeën na.
Realisme,
zoals Gustave Courbet dat voor ogen stond, was nog altijd het
belangrijkste concentratiepunt van de avant-gardekunstenaars. Deze nieuwe
groep kunstenaars was echter moe geworden van het idee dat realisme de
toestand van de armen moest weergeven. Er was een hele wereld te ontdekken -
zoals de wereld van de kleine burgerij, mensen in bars en cafés, picknickend
langs de rivier - die even echt en realistisch was. En dit was de wereld
waar de kunstenaars in woonden.
Ze hadden ook bezwaar tegen de pogingen van de vroege realisten om aan te
tonen dat het gewone leven even tijdloos als monumentaal kon zijn als de
academisch-historiserende schilderkunst het afbeeldde. Hun concept van de
realiteit was dat het slechts het moment omvat en voortdurend verandert.
Juist daar ging het in de kunst om, althans als deze modern was en bevrijd
van het verleden. De groep werkte gedurende de jaren 1860 nauw samen en
ontwikkelde een schildertechniek waarbij snelle streken en heldere kleuren
werden gebruikt.
In 1874 gaf de groep een gezamelijke tentoonstelling met ongeveer 30
gelijkgestemde zielen. In de collectie bevond zich een olieverfschilderij
van Monet van een schetsmatige zonopkomst over een haven, die hij Impression,
soleil levant noemde. Dit doek trok de aandacht van een criticus, Louis
Leroy, die de groep bespotte met de naam 'impressionisten'. Deze naam is
gebleven.
De jaren 1870 waren de bloeiperiode van het impressionisme, de kunstenaars
produceerden in die tijd hun beste werken tegen een achtergrond van
vijandige kritiek en armoede. Maar hun integriteit werd in de daarop
volgende decennia beloond met groeiende waardering, financieel succes en
respect. In de jaren 1880 gingen hun carrières echter verschillende
richtingen uit en ontwikkelde het impressionisme zich in verschillende
takken.
( foto : 'hooischelven' - schilderij van Monet ) |
|
|
|
|
|
|