header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

India

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 


 

India (officiŽle naam: Bharatiya Ganarajya, of verkort: Bharat [Hindi]), federatieve republiek in Zuid-AziŽ, 3.287.263 km2, met (schatting 1995) 914 miljoen inw. (278 per km2); hoofdstad: New Delhi. De naam India (Lat. en Gr.) is afgeleid van die van de rivier de Indus (resp. Indos), van Perzisch hind, Sanskrit sindhu (= rivier, stroom). Munteenheid is de rupee, onderverdeeld in 100 paise. Nationale feestdagen zijn 26 jan., de dag van de republiek, en 15 aug., onafhankelijkheidsdag.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Towers amidst green mountainsIndia bestaat uit drie hoofdgebieden: de Himalaja, de noordelijke vlakte en het schiereiland.
Noord-India wordt beheerst door de Himalaja, hoewel enkel de westelijke en oostelijke uiteinden van deze bergketen binnen de Indiase grenzen vallen. De Nanda Devi, 7816 m hoog, is de hoogste top van India.
Ten zuiden van de Himalaja ligt de grote oost-west georiŽnteerde noordelijke vlakte, met een breedte van ca. 320 km. Zij wordt gedeeltelijk in beslag genomen door delen van drie grote riviergebieden: de Indus [aardrijkskunde], de Ganges en de Brahmaputra. Deze rivieren en hun zijrivieren zijn gletsjerrivieren. Zij leveren water voor bevloeiing en jaarlijks een nuttige sliblaag. De dikke lagen alluvium maken de vlakte tot een van 's werelds vruchtbaarste landbouwgebieden. Dijken of modderbanken zijn de enige opvallende kenmerken die het eentonige, vlakke landschap onderbreken.
Het belangrijkste deel van het Indiase schiereiland is het Plateau van Deccan, driehoekig van vorm, met de hoogste top in het zuiden. Ten noorden van het plateau scheiden de lage Vindhyabergen het schiereiland van de noordelijke vlakte. Naar het westen stijgt het plateau tot de 1500 m hoge West-Ghats, die evenwijdig lopen met de westkust, waarvan zij slechts door een nauwe kuststrook gescheiden zijn. Het Deccanplateau helt zachtjes over naar het oosten, waar het uitloopt in een lage rug, de Oost-Ghats. In het zuiden komen de Oost- en de West-Ghats samen en vormen de Nilgiriheuvels, die een hoogte bereiken van 2600 m. Ten oosten van de Oost-Ghats daalt het land af naar de brede kustvlakte. De grootste rivieren van het schiereiland (Cauvery, Godavari, Krishna, Mahanadi en Penner) stromen oost- en zuidoostwaarts naar de Golf van Bengalen. In tegenstelling tot de Himalajarivieren zijn deze regenrivieren; zij hebben dus een sterk wisselende waterhoeveelheid. Rivieren die in de regentijd meer dan een kilometer breed zijn, verschrompelen gedurende de andere negen maanden van het jaar tot stroompjes van slechts enkele meters breedte.
1.2 Klimaat
Dit wordt geheel bepaald door de moessoncirculatie. Men onderscheidt de noordoostmoesson en de zuidwestmoesson (ook wel zonder meer moesson genoemd), die elk weer in twee seizoenen uiteenvallen, de eerstgenoemde in het koude jaargetijde en het hete jaargetijde; de tweede in de regentijd en het seizoen van de zich terugtrekkende (zuidwestelijke) moesson. Het koude jaargetijde valt in januari en februari en wordt gekenmerkt door droog, zonnig en fris weer, met in het algemeen zwakke winden. Slechts in het uiterste noorden valt enige neerslag, samenhangend met van west naar oost bewegende zwakke depressies. Het hete seizoen valt van maart tot ca. midden juni. In het centrum van India beloopt de gemiddelde temperatuur van mei 35 įC, terwijl soms waarden tot boven 50 įC worden waargenomen. In het zuiden is het koeler door het waaien van oplandige winden, die ook wat regens brengen. De hoogste temperaturen vallen in het algemeen juist voordat deze regens een meer algemeen karakter krijgen bij het invallen van de regentijd. Dit gebeurt aan de westkust ca. begin juni en verder landinwaarts geleidelijk later, tot het een maand later ook in het noordwesten regent. Vooral langs de westkust is de overgang van het tweede naar het derde seizoen abrupt. De wind wordt krachtig en gedurende een week regent het zwaar (burst of the monsoon). Daarna komen ook opklaringen voor. Vooral bij oplandige wind en aan de loefzijde van heuvels en bergen is de neerslag overvloedig, veelal met jaartotalen boven 2000 mm en als extreme waarde de bekende jaarlijkse neerslag van ca. 11 m te Cherrapunji in de noordoostelijke deelstaat Meghalaya. De periode van de terugtrekkende moesson van half september tot eind oktober treedt het eerst in in het noorden en noordwesten, het laatst in het zuiden en Bengalen. Geleidelijk worden de zuidwestelijke winden daarbij vervangen door noordoostelijke. Hoewel de temperatuur na het eindigen van de regens soms eerst nog even stijgt, begint zij al spoedig snel te dalen tot het volgende koude seizoen aanbreekt.
De neerslag varieert sterk van jaar tot jaar. Voor een deel dragen ook tropische cyclonen (ca. tien per jaar) tot de neerslag bij, vooral langs de oostkust. Zij komen hoofdzakelijk voor in de overgangsperiode tussen zuidwest- en noordoostmoesson.
1.3 Plantengroei en dierenwereld
Brahma Kamal: blooms very rarelyDe eertijds uitgestrekte wouden zijn thans grotendeels verdwenen. Ongeveer een kwart van het totale landoppervlak is in feite bedekt met vnl. struikgewas. Vochtige tropische wouden komen voor tussen de 450 m en de 1350 m op de West-Ghats ten zuiden van Bombay, en in Assam tot op een hoogte van 900 m. Waar de regenval daalt tot minder dan 3000 mm, gaat het vochtig tropisch woud over in droog tropisch woud, dat o.m. teakhout oplevert. Langs de zeekust en vooral in Bengalen bevinden zich uitgestrekte mangrovemoerassen. Daarnaast vindt men subtropische en gematigde heuvelwouden in het zuiden (de Nilgiri- en Palaniheuvels) en het noorden (de Himalaja). Tussen de 1050 m en de 1500 m in zuidelijk India maakt regenwoud plaats voor gematigd nat bos. In de Himalaja is er een verschil tussen het nattere oosten en het drogere westen. Terwijl vochtig heuvelbos met altijdgroene eiken en kastanjes overheerst in het oosten, komen meer naar het westen subtropische pijnbomen en, op grotere hoogte in toenemende mate, verschillende andere soorten coniferen voor. In de hete woestijngebieden kunnen enkel sterke, droogtebestendige struiken en kleinere planten overleven. Alpenvegetatie komt voor in de Himalaja.
De dierenwereld van India is zeer rijk wegens de uitgestrektheid van het land en de vele klimaatzones. De fauna is over het algemeen Aziatisch van karakter en behoort tot het oriŽntaalse gebied. Van het grote wild moeten de Indische olifant en de Indische neushoorn genoemd worden; verder tijger, panter, talrijke hertensoorten, een wild rund (gaur), enige antilopen (nylgau, Indische antilope, vierhoornantilope), een aantal apen, enz. In het bergland komen nog wilde geiten- en schapensoorten voor. De vogelwereld is over het algemeen ook zeer rijk, vooral aan hoendervogels. De reptielen zijn talrijk vertegenwoordigd: India is vanouds bekend wegens het grote aantal gifslangen en een daarmee samenhangend groot aantal sterfgevallen aan slangenbeten.
Door de sterke bevolkingsdruk, landhonger en kaalslag van het bos is de oorspronkelijke dierenwereld zeer in het gedrang gekomen. Een netwerk van reservaten heeft niet altijd tot het gewenste resultaat geleid, omdat de gereserveerde gebieden vaak te klein en verbrokkeld zijn, wat het lokaal uitsterven van bedreigde diersoorten kan veroorzaken. Momenteel zijn in India veel soorten sterk in hun voortbestaan bedreigd: Indische leeuw, tijger, Indische olifant, Indische neushoorn, Nilgiritahr, enige herten en antilopen, dwergzwijn, enz. De belangrijkste reservaten zijn Gir (Indische leeuw), Corbett National Park (tijger), Kanha National Park (herten en tijger) en Kaziranga National Park (neushoorn en olifant).

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking vertoont in etnisch opzicht een grote verscheidenheid. Er zijn twee hoofdgroepen: de Indiden (Indo-ariŽrs; ca. 72%) en de Melaniden (zwarte IndiŽrs; ca. 25%); de eersten wonen in de vlakte van de Ganges, in Rajasthan en in centraal-Dekhan, de laatsten in Zuidoost-India (Tamil Nadu) en in het uiterste noordoosten van Dekhan. WeddoÔden leven in de wouden van Dekhan. Tot de Mongoliden behoren vele bergvolken van de Himalaja en Noordoost-IndiŽ.
In de loop van de 20ste eeuw heeft zich een scherpe daling van het sterftecijfer afgetekend (in 1911 geschat op 43Č, in 1995 op 8,9Č) ten gevolge van betere ziektebestrijding en betere, zij het niet afdoende bestrijding van de hongersnoden door het opslaan van reservevoorraden en het aanleggen van wegen. Het geboortecijfer onderging in deze periode een veel geringere daling (ca. 48Č in 1911, ca. 26Č in 1995). (De nauwkeurigheid van het demografisch cijfermateriaal wordt overigens aangetast door het feit dat veel geboorten en sterftegevallen niet worden geregistreerd.) De sterke bevolkingsgroei is een van de grootste problemen waar de overheid zich voor gesteld ziet. Sinds 1958 wordt dan ook van overheidswege veel propaganda gevoerd voor geboortebeperking, m.n. op het platteland. Deze campagne is in de jaren zeventig nog geÔntensiveerd en heeft ook tot excessen geleid (o.a. gedwongen sterilisatie). Na 1977 werd de campagne versoepeld. In de periode van 1990 tot 1995 bedroeg de jaarlijkse bevolkingsgroei 1,8%, voor de periode 1995-2000 wordt de groei op 1,65% geschat. De levensverwachting bij geboorte (in 1951 nog ruim 32 jaar) bedroeg in 1991 58 jaar voor mannen en 59 jaar voor vrouwen; in 1992 was 36% van de bevolking jonger dan 15 jaar en slechts 7% ouder dan 60 jaar. De spreiding van de bevolking is zeer ongelijk.
Dichtbevolkt zijn de Ganges- en de Brahmaputravlakte (Uttar Pradesh, Bihar, West-Bengalen) en de staten Kerala en Tamil Nadu. Dunbevolkt zijn de oostelijke berggebieden (Manipur, Meghalaya en Nagaland) en de droge gebieden (Rajasthan en Jammu en Kashmir). Slechts ca. 26% van de bevolking woonde in 1994 in steden, waarvan m.n. de miljoenensteden enorme huisvestingsproblemen kennen. Grootste steden (agglomeraties) zijn Bombay (1991: 12, 6 miljoen inw.), Calcutta (11 miljoen), New Delhi (8,4 miljoen), Madras (5,4 miljoen), Hyderabad (4,3 miljoen), Bangalore (4,1 miljoen), Almedabad (3,3 miljoen), Pune (Poona; 2,5 miljoen), Kanpur (2 miljoen), Lucknow (1,7 miljoen), Nagpur (1,6 miljoen) en Jaipur (1,5 miljoen).
2.2 Talen
Click to see enlargementNaast het kastestelsel (zie kaste) en de godsdiensten zijn het ook de 850 talen en dialecten, waarvan verscheidene met een eigen schrift, die het Indiase volk in verschillende groepen doen uiteenvallen. Men kan de talen in drie groepen onderscheiden: 1. de talen van de autochtone volken; 2. de Dravidische talen, die in het zuiden gesproken worden; 3. de Arische talen van het noorden. Van de moderne Indische talen wordt het Hindi het meest gesproken, dat door ca. 40% van de bevolking gesproken of begrepen wordt. Het Hindoestani [taalkunde] of Urdu is vooral de taal van de islamieten in Noord-India. Het Punjabi wordt door de Sikhs gesproken. Andere Indo-Arische talen: Assami (Assam), Bengali (Calcutta en omstreken), Oriya (Orissa), Gujarati (Gujarat), Marathi (Bombay en Maharashtra) en Kashmiri (Kashmir). Sanskrit wordt nog door een paar duizend mensen gesproken. De officiŽle taal is het Hindi, dat het Engels (de tweede officiŽle taal) nog niet heeft kunnen verdringen. Zie ook Indische talen.
2.3 Religie
Volgens de volkstelling van 1991 hangt ca. 83% van de bevolking hindoeÔstische godsdiensten aan, 11% is (soennitisch) islamitisch (m.n. in Jammu en Kashmir), 2,4% is christen (van wie iets meer dan de helft rooms-katholiek), 1,9% zijn Sikhs (in het noordwesten) en 0,7% is boeddhistisch. Zie voorts hindoeÔsme en boeddhisme.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
India kent formeel een parlementair-democratisch stelsel en een federale bestuursvorm; kenmerkend is echter de grote macht van de centrale regering. De Indiase grondwet is grotendeels een voortzetting van de Brits-koloniale wetgeving; sinds haar inwerkingtreding in 1950 is zij al 46 keer gewijzigd op uiteenlopende punten. Hoogste regeringsorgaan is de gekozen volksvertegenwoordiging: overeenkomstig het Britse model zijn alle ministers lid van het parlement en daaraan verantwoording schuldig. Het parlement omvat twee Kamers: het rechtstreeks gekozen Lagerhuis of Lok Sabha (maximaal 545 leden, iedere vijf jaar gekozen) en het indirect gekozen Hogerhuis of Rajya Sabha (maximaal 250 leden, vertegenwoordigers van de deelstaten; iedere twee jaar wisselt eenderde). Dit Hogerhuis is een permanent orgaan. Het formele staatshoofd is de president, die eens in de vijf jaar gekozen wordt door een kiesmannencollege dat samengesteld is uit het federale parlement en de deelstaatparlementen. De president is herkiesbaar; hij heeft een vnl. ceremoniŽle en representatieve functie, behalve in tijden van instabiliteit. Dan kan hij de bestuursmacht aan zich trekken, het parlement ontbinden en tussentijdse verkiezingen uitschrijven. Hierbij heeft hij echter de instemming van de meerderheid van de ministers nodig. Kern van de ministerraad (bestaande uit twintig kabinetsministers, twintig 'gewone' ministers en twintig vice-ministers) vormen het kabinet en vooral de kleine kabinetscommissies (waarvan de premier steeds voorzitter is) die de dagelijkse besluitvorming in handen hebben. De feitelijke sleutelfiguur in het bestel is de premier, die als leider van de parlementsmeerderheid en van de ministerraad optreedt; het parlement kan weinig zelfstandig tegenspel bieden en alleen bij ernstige interne verdeeldheid binnen de regering enige invloed uitoefenen. De bevoegdheden van de deelstaten zijn grondwettelijk vastgelegd in de State list, die van de centrale regering in de Union list; de Concurrent list vermeldt die terreinen waarop beide niveaus bevoegd zijn; bij geschillen inzake competentie prevaleert vrijwel altijd de centrale overheid.
3.2 Administratieve indeling
Het land is bestuurlijk ingedeeld in 25 deelstaten en 6 unieterritoria. Voorts is er een onderverdeling in districten, talugs of tehsils (bestaande uit enige honderden dorpen), steden en dorpen. Grote steden worden bestuurd door corporaties, geleid door een gekozen burgemeester. De unieterritoria worden rechtstreeks vanuit New Delhi bestuurd: de president benoemt voor elk territorium een administrateur. In bepaalde gevallen kan de centrale regering het bestuur van afzonderlijke deelstaten overnemen (zoals het geval is geweest in Punjab, Jammu en Kashmir, en Assam). Ten slotte zijn op lokaal niveau nieuwe bestuursorganisaties opgezet (community development en panchayati raj), die de bevolking sterker moeten betrekken bij de sociaal-economische opbouw van het land.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
India is lid van de Verenigde Naties, commissies en gespecialiseerde organisaties van de VN, het Colomboplan, de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT), het Gemenebest, de Aziatische Ontwikkelingsbank (ADB), de South Asian Association for Regional Cooperation (SAARC) en van het African Development Fund. Voorts speelt het een vooraanstaande rol in de beweging van de niet-gebonden landen.
3.4 Politieke partijen en vakbonden
Afsplitsingen, overlopen naar andere partijen en factievorming maken het Indiase politieke landschap uitermate veranderlijk en onoverzichtelijk. Belangrijker dan een politiek programma is de persoonlijkheid van de partij- of factieleider (zie ook ß geschiedenis). De belangrijkste partij was lange tijd de Congrespartij, opgericht in 1885. De Bharatiy Janata-partij (BJP; hindoe-funtamentalistisch) werd bij de verkiezingen van 1996 de grootste partij van het land. In 1989 vormde V.P. Singh een nieuwe partij, waarmee hij vele oppositiepartijen achter zich wist te krijgen, het National Front (NF-LF; waarin de Janata-Dal-partij domineert). Daarnaast kent India vele regionale partijen: de belangrijkste zijn de Akali Dal (Sikh-partij in de Punjab) en de AIADMK in Tamil Nadu (Dravidische partijen).
De Indiase vakbonden opereren niet als zelfstandige pressiegroepen: de vakbondsleiding is meestal geheel in handen van partijpolitici. Grootste vakbond is de Indian National Trade Union Congress (INTUC, beheerst door de Congrespartij; ca. 5,4 miljoen leden in 1990), gevolgd door de All-India Trade Union Congress (AITUC, beheerst door de Communist Party of India [CPI]; 3,3 miljoen leden), de Bharatija Mazdoor Sangh (BMS, beheerst door de hindoeÔstische Jan Sangh; 4,5 miljoen leden), de Hind Mazdoor Sabha (HMS, beheerst door de Janata; 4,8 miljoen leden) en de Centre of Indian Trade Unions (CITU, beheerst door de marxistische CPI-M; 2,5 miljoen leden). De Indiase arbeidswetten verbieden stakingen in 'essentiŽle sectoren' en stellen arbitrage verplicht.

4. Economie
4.1 Algemeen
Sinds de onafhankelijkheid (1947) tracht de overheid de economische ontwikkeling te sturen. Door middel van planning in de vorm van vijfjarenplannen probeert zij, door actieve deelname, bepaalde sectoren van de economie te ontwikkelen. De genationaliseerde sector speelt een belangrijke rol en krijgt ook een groot aandeel van de overheidsinvesteringen (40% in 1980-1985). Er is echter geen sprake van een strakke planning en m.n. onder Rajiv Gandhi (1984-1989) is het aandeel van de overheid in de nationale economie teruggelopen. De vanaf de onafhankelijkheid gevolgde importsubsidie als ontwikkelingsstrategie heeft halverwege de jaren tachtig plaats gemaakt voor liberalisatie. Het aandeel van de overheidssector zal volgens het zevende vijfjarenplan dalen met 5% in vergelijking met het zesde vijfjarenplan. In de jaren tachtig was er sprake van een geleidelijke groei van het inkomen per hoofd van de bevolking (1980-1995 een stijging van 3%). In 1994 was het nationale inkomen per hoofd van de bevolking $ 310. De inflatie bleef in die periode hoog (bijna 10% in 1985-1995), maar kon in 1995-1996 tot 8,5% teruggedrongen worden. Hoewel de reŽle economische groei in 1988-1989 naar ruim 10% steeg, bedroeg die in 1995-1996 nog maar 4,5%: een teken voor de instabiliteit van de Indiase economie. Een derde van de bevolking is geheel of gedeeltelijk werkloos.
4.2 Agrarische sector
India is vnl. een agrarisch land. Ongeveer 75% van de bevolking woont op het platteland. De agrarische sector biedt aan ruim 65% van de beroepsbevolking werkgelegenheid en draagt voor ca. 30% bij aan het nationaal inkomen. De agrarische productie is internationaal gezien sterk in betekenis afgenomen en is tegenwoordig vnl. gericht op de binnenlandse markt. Het landbouwareaal wordt voor meer dan 80% gebruikt voor de verbouw van voedselgranen (rijst, tarwe). Als gevolg van de klimatologische omstandigheden kent India twee oogstseizoenen: de kharif, na de natte, hete zomer (vnl. rijst, katoen en gierstsoorten), en de rabi, na de koele winter (vnl. tarwe, bonen en aardappelen). Rijstverbouw is kenmerkend voor het nattere deel van India: de Ganges in West-Bengalen, Assam, Orissa, Andhra Pradesh, Tamil Nadu en Kerala; tarwe is hoofdgewas in de Punjab, Haryana en westelijk Uttar Pradesh, gierst op de Deccan. De belangrijkste (export)handelsgewassen zijn katoen (Noord-Deccan, Gujarat), jute (West-Bengalen) en thee (Himalaja, Zuid-India). Koffie, suiker (Uttar Pradesh, Bihar), specerijen, noten, tabak (Tamil Nadu, Andhra Pradesh) en rubber (Zuidwest-Ghats) zijn vnl. gewassen voor de binnenlandse markt. Hiervan worden thee, koffie, tabak, specerijen en rubber op plantageondernemingen verbouwd. De veestapel heeft een laag economisch rendement, mede door de religieuze gewoonte de koe te respecteren. Van systematische veehouderij is vrijwel geen sprake: de economische rol van de runderen is vooral die van trek- en lastdier. Alleen in de Punjab wordt de melkveehouderij gestimuleerd. De agrarische bedrijven zijn, globaal gesproken, klein. Het meest verbrokkeld is het landbezit in Oost-India (Bihar); in de Punjab, India's rijkste landbouwgebied, vindt men vooral (middel)grote gemoderniseerde bedrijven; zeer grote, extensieve bedrijven komen alleen voor in de drogere, minder vruchtbare gebieden (Centraal-India).
4.3 Bosbouw
Ongeveer 20% van het grondgebied van India is met bos bedekt en ongeveer de helft daarvan wordt geŽxploiteerd. Sandelhout (oostelijk Madhya Pradesh, Zuid-Bihar en Orissa) en teakhout (westelijke Deccan) zijn de belangrijkste producten. De daling van de hoeveelheid bosgronden, behalve door excessieve houtkap m.n. ook door erosie en verzilting van de bodem, probeert de overheid tegen te gaan met herbebossingsprojecten.
4.4 Visserij
India heeft in 1977 een 200-mijlszone geclaimd als territoriale wateren. Ongeveer 80% van de visvangst vindt plaats langs de westkust. Er is zoetwatervisserij in Assam en Zuid-Maharashtra.
4.5 Mijnbouw
India bezit belangrijke minerale rijkdommen. IJzerertsreserves, die tot de grootste van de wereld behoren, bevinden zich in Bihar en Orissa, waar ook veel steenkool, mangaan, mica en andere ertsen worden aangetroffen. In Madhya Pradesh, Andhra Pradesh en Tamil Nadu worden eveneens mangaan en ijzererts gewonnen; Karnataka bezit goudmijnen en ook Kerala levert een aantal strategische mineralen (o.a. bauxiet en uranium). Aardolie wordt gevonden in het noordoosten (Assam) en het westen (Gujarat en het continentaal plat voor de kust van Bombay, de zgn. Bombay high); een deel van de benodigde aardolie moet worden geÔmporteerd, maar India hoopt in de jaren negentig zelfvoorzienend te kunnen zijn.
4.6 Energievoorziening
Ondanks de geweldige inspanningen van de laatste decennia vormt de energievoorziening nog altijd een van de grootste problemen: de elektrificatie van plaatsen met 10!000 en meer inwoners is voltooid, maar op het platteland is dit nog lang niet het geval. Steenkool vormt de belangrijkste energiebron. De waterkrachtcentrales zijn van minder groot belang als gevolg van de grote verschillen in de hoeveelheid regenval per periode. De grootste waterkrachtcentrale is de Nagarjunasagardam (1450 m lang) in de rivier de Krishna bij het dorp Nandikonda (Andhra Pradesh). Op het gebied van de kernenergie bezit India, technologisch gesproken, een hoge mate van onafhankelijkheid, die voortkomt uit het feit dat toen India in staat bleek zelf atoombommen te kunnen vervaardigen, Westerse landen zich van verdere samenwerking op dit gebied onthielden. Daarna is het India gelukt door de bouw van een opwerkingsfabriek en een snelle kweekreactor een complete brandstofkringloop te ontwikkelen. India bezat in 1990 vier kerncentrales.
4.7 Industrie
Het aandeel van de industrie in het bruto nationaal product bedroeg in 1994 28% (1965: 22%). De grootste industriegebieden dateren uit de koloniale tijd. Het grootste is het gebied rond Bombay en Poona. De katoenindustrie (katoenteelt in Gujarat, Maharashtra) is hier de meest prominente industrie; verder vindt men er chemische, petrochemische, elektrotechnische, automobiel- en plasticindustrie. Poona bezit machinefabrieken en Ahmedabad (Gujarat) textielindustrie; kleinere centra in dit gebied zijn Surat (katoen) en Baroda (petrochemie). Het tweede industriegebied omvat Calcutta en omgeving, benevens het grensgebied Bihar-Orissa-Madhya Pradesh, m.n. de strook langs de rivier de Damodar. In Calcutta domineert de jute-industrie, verder is er metaalverwerkende industrie, papier-, chemische en farmaceutische industrie. Het Damodargebied, het 'Ruhrgebied van India', is het centrum van mijnbouw en zware industrie (o.a. hoogovens, staalfabrieken en machinefabrieken). Een derde belangrijk gebied vormt het zuiden, met als centra Bangalore, Coimbatore en Madras (o.a. elektrotechniek, vliegtuigbouw, staalindustrie, textiel, aardolieraffinaderijen en leerindustrie). Verder zijn er verspreid over het land diverse grote industriesteden zoals Vishakapatnam (scheepsbouw), Hyderabad (machinefabrieken), Benares (textiel, locomotieven), Bhopal (elektrotechniek en chemische industrie), Kanpur (leer, textiel) en in de Punjab Ludhiana, Jullundur en Amritsar (rijwielen, sportartikelen, textiel). Belangrijk is ook de filmindustrie; India is een van de grootste filmproducenten ter wereld. De voornaamste centra zijn Malayalam (Kerala) en Bombay.
4.8 Handel
India importeert machines, ijzer, staal, aardolie(producten), katoen, chemicaliŽn, kunstmest en (vanwege wisselvallige oogsten en een sterk groeiende bevolking) voedselgranen en rijst. Belangrijkste leveranciers zijn de Verenigde Staten, Groot-BrittanniŽ, Duitsland, Iran, Saoedi-ArabiŽ en Japan. De belangrijkste exportartikelen zijn edelstenen, kunstnijverheid, sieraden, textiel, katoen, jute, thee, ijzererts, huiden en vellen voor de leerindustrie, verse vruchten, noten en suiker. Een relatief nieuwe, sterk groeiende categorie exportartikelen wordt gevormd door de 'engineering products': spoorwegwagons, koelkasten, elektrische kabels en leidingen, dieselmotoren en auto's, maar de export daarvan nam aan het begin van de jaren tachtig af als gevolg van de recessie in de ontwikkelde landen. De belangrijkste afnemers zijn de Verenigde Staten, Japan, Groot-BrittanniŽ, Hong Kong, de Verenigde Arabische Emiraten en de Benelux. De Indiase handelaren en ondernemers spelen in AziŽ een prominente rol (Midden-Oosten, Zuidoost-AziŽ); daarnaast werken vele IndiŽrs als gastarbeiders in de landen rond de Perzische Golf en hun verdiensten vormen een zeer belangrijke deviezenbron voor het land. De handelsbalans was sinds de jaren tachtig vrijwel steeds negatief (in 1996 opgelopen tot bijna $ 4 miljard); de tekorten werden echter overbrugd met omvangrijke buitenlandse kredieten.
Multilaterale hulp ontvangt India voornamelijk in de vorm van leningen via de Wereldbank. Bilaterale hulp wordt hoofdzakelijk gegeven door de landen van de EU (m.n. Duitsland en Groot-BrittanniŽ), de Verenigde Staten en Japan.
4.9 Bankwezen
Centrale bank is de Reserve Bank of India (opgericht in 1934 en genationaliseerd in 1949); daarnaast speelt de State Bank of India een grote rol als kredietverschaffer voor ondernemingen. Voor de diverse sectoren bestaan gespecialiseerde banken.
4.10 Verkeer en vervoer
Spoorwegen, scheepvaart en luchtvaart zijn voor de nationale economie belangrijker dan het wegennet, dat nog niet voldoende is uitgebouwd. In 1991 had het wegennet een lengte van 2,04 miljoen km (ca. de helft verhard). Het spoorwegnet (staatseigendom) is met bijna 62!500 km het langste van AziŽ en het op drie na langste ter wereld. Als scheepvaartnatie staat India op de 17de plaats in de wereld. Belangrijke havens zijn Bombay, Calcutta-Haldia, Cochin, Kandla, Madras en Visakhapatnam. Het luchtvervoer wordt verzorgd door de staatsbedrijven Air India (buitenlandse vluchten) en Indian Airlines (binnenlands en buurlanden in Zuid-AziŽ). Palam (New Delhi), Santa Cruz (Bombay), Dum-Dum (Calcutta) en Meenambakkam (Madras) zijn de belangrijkste van de 88 luchthavens.

5. Geschiedenis
5.1 Onafhankelijkheid
De Britse regering besloot op 20 febr. 1947 dat uiterlijk in juni 1948 alle Britse bevoegdheden zouden zijn overgedragen. In febr. 1947 werd Lord Wavell door Lord Mountbatten vervangen als onderkoning; op 3 juni 1947 werd door de Indische partijen (Congress en Moslim Liga) de creatie van twee dominions aanvaard; op 15 aug. 1947 werd de Indian Independence Act van kracht, waarbij de Brits-Indische bevoegdheden werden overgedragen aan: a. India, het vnl. door hindoes bewoonde deel, en b. Pakistan, met een hoofdzakelijk islamitische bevolking. De meeste van de ca. 560 door vorsten bestuurde staten sloten zich bij een van de beide staten aan. Als gouverneur-generaal van India trad Mountbatten op, minister-president werd Jawaharlal Nehru. Onmiddellijk traden ernstige botsingen op tussen islamieten en hindoes en er groeide een conflict tussen India en Pakistan over hun grenzen. In de hieruit ontstane burgerstrijd raakten 12 miljoen mensen op drift, velen van hen werden gedood. In Oost-India was de toestand minder ernstig, dankzij de activiteit van Mahatma Gandhi. Britse voorstellen tot het houden van een rondetafelconferentie om tot een oplossing te komen, en, daarna, om te komen tot een andere verdeling van het voormalige Brits-IndiŽ, werden verworpen. Op 21 juni 1948 legde Mountbatten zijn functie neer. Op 26 jan. 1950 werd te New Delhi de republiek uitgeroepen.
5.2 Opheffing zelfstandige vorstendommen
India richtte zich na de onafhankelijkheid allereerst op gelijkschakeling van het bestuur van de vorstendommen met het nationale bestuur. Het grootste vorstendom, Hyderabad, met een islamitische vorst, de nizam, maakte aanspraak op volledige zelfstandigheid, maar India liet zijn troepen op 14 sept. 1948 het land binnenvallen. Tussen India en Pakistan bleven de aanspraken die beide landen op sommige gebieden, waaronder Jammu en Kashmir, maakten, een twistappel.
India nam de leiding in het streven van de Zuidoost-Aziatische volkeren naar een betere toekomst. Onder leiding van Nehru werden enkele conferenties georganiseerd ten behoeve van de regionale samenwerking.
5.3 Neutrale buitenlandse politiek
In de buitenlandse politiek streefde Nehru naar goede betrekkingen met het Gemenebest, liquidatie van de koloniale verhoudingen in AziŽ, solidariteit met de andere Aziatische en Afrikaanse staten en 'onverbondenheid' met de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie en naar bevordering van internationale ontspanning. Aan deze politiek werd vorm gegeven o.a. op conferenties van niet-gebonden landen. In de jaren vijftig kon Nehru's India zo zelfs een bemiddelaarsrol in het Korea-conflict en de eerste Vietnamese oorlog (Conferentie van GenŤve, 1954) spelen. Nehru weigerde een 'derde neutraal blok' te vormen, maar in de Verenigde Naties had India tussen 1950 en 1960 een belangrijke stem.
Een politiek van consolidatie van de noordgrens door grotere invloed in Sikkim en Bhutan en pogingen daartoe in Nepal konden een conflict met China niet verhinderen. Grensincidenten in 1960 leidden tot een verslechtering van de betrekkingen tussen beide landen. Een door wapenstilstand en terugtocht gevolgde Chinese militaire invasie (okt. 1962) dreef de Indiase troepen bijna tot de Brahmaputra, met als gevolg een interne vertrouwenscrisis en een verzwakking van het gezag van de regering van minister-president Nehru. In 1961 had India de Portugese gebieden Goa, Daman en Diu blijvend bezet (in 1974 door Portugal erkend).
In de binnenlandse politiek bleef een voortdurende spanning aanwezig tussen de regering in New Delhi en die van de verschillende staten. Ook de staten onderling waren niet altijd even coŲperatief.
In 1964 volgde Lal Bahadur Shastri Nehru als premier op. Onder zijn bewind braken vijandelijkheden met Pakistan uit in het gebied Rann van Kutsch (uitspraak door het Internationaal Gerechtshof in 1968), vervolgens ook in Kashmir. Onder bemiddeling van de Sovjet-Unie werd te Tasjkent overeenstemming over een wapenstilstand bereikt (10 jan. 1966).
5.4 Eerste regeerperiode van Indira Gandhi
Na Shastri's onverwachte overlijden, een dag later, werd Nehru's enige dochter, Indira Gandhi, premier.
Haar regering had te kampen met slechte economische omstandigheden, bevolkingstoename en voedseltekorten. Een belangrijk binnenlands strijdpunt betrof de erkenning van officiŽle talen. In jan. 1968 werd wettelijk iedere deelstaattaal als schooltaal ingevoerd met aanvulling van Hindi en Engels, talen die in het centrale gouvernement vereist bleven. Niettemin verkreeg Indira Gandhi bij de parlementsverkiezingen van 1970 een grote meerderheid en haar gezag en populariteit namen nog toe door haar politiek inzake het conflict (1971) tussen de Pakistaanse regering en Oost-Pakistan (zie Pakistan), India's militaire ingrijpen in Oost-Pakistan en de erkenning van dit gebied als zelfstandige staat Bangladesh (dec. 1971). Met Pakistan werden in 1972 en 1973 verdragen gesloten over Bangladesh, met de Sovjet-Unie kwam in 1971 een vriendschapsverdrag en in 1973 een verdrag over wetenschappelijke, technische en economische samenwerking tot stand.
Het uitblijven van door Indira Gandhi beloofde landhervormingen leidde tot groeiende spanningen in de deelstaten en ondergroef het vertrouwen in haar partij. In 1973-1974 werd een vijftal deelstaten onder presidentieel bewind geplaatst. Om het prestige van India te vergroten werd in 1974 de eerste ondergrondse kernbom tot ontploffing gebracht. In mei 1975 werd Sikkim geannexeerd en tot bondsstaat verklaard, nadat India al in 1973 militair in de situatie daar had ingegrepen en rechten had doen gelden. De oppositie tegen de centrale regering bleef echter groeien. Dit bracht Indira Gandhi, inmiddels in moeilijkheden met de justitie geraakt wegens verkiezingscorruptie, ertoe op 26 juni 1975 de noodtoestand af te kondigen. Hierop volgden massale arrestaties onder de oppositie en de instelling van een strenge censuur. Via grondwetsherzieningen werd de bevoegdheid van de rechterlijke macht en de president ten opzichte van de regering beperkt. Een grootscheepse propagandacampagne werd ingezet om de discipline en de inzet voor de economische ontwikkeling te vergroten. Een sterilisatiecampagne, waarbij dwang en machtsmisbruik voorkwamen, wekte echter grote weerstanden op onder de bevolking in Noord-India (1976).
Het onverwachte uittreden van enige ministers uit Indira Gandhi's regering, toen de noodtoestand werd verzacht (jan. 1977), bracht nieuwe politieke tegenspoed. Haar partij, de Congress-R, werd verpletterend verslagen; alleen in het zuiden bleek zij haar aanhang te hebben behouden. Premier werd Morarji Desai. Gerechtelijk onderzoek tegen Indira Gandhi en haar zoon Sanjay wegens machtsmisbruik en corruptie werd op gang gebracht. Diverse kabinetsreorganisaties bleken noodzakelijk. In de Congress-R ontstonden na de verkiezingsnederlaag conflicten over het leiderschap van Indira Gandhi - in jan. 1978 splitste zij zich af met haar volgelingen: de Congress-Indira. Deze partij wist in het zuiden haar aanhang te consolideren en profiteerde van de verdeeldheid in de Janata-gelederen. In juni 1979 kwam de regering-Desai ten val; Charan Singh werd premier, mede dankzij de steun van Indira Gandhi, die deze echter weer introk toen Charan Singh de gerechtelijke procedures tegen haar en haar zoon niet wenste stop te zetten. Charan Singh kon aldus geen parlementaire meerderheid verwerven en in de inmiddels ontstane verwarring besloot de president het parlement te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven.
5.5 Tweede regeerperiode Indira Gandhi
De afkeer van de partijpolitiek en de roep om een sterke leiding bleken duidelijk uit de verkiezingsuitslag in jan. 1980: Indira Gandhi behaalde 42% van de stemmen, bijna tweederde van de zetels. Zij werd nu voor de tweede maal premier. Zij kreeg vrijwel meteen te maken met ernstige etnische, politieke en religieuze onlusten in vnl. Noord- en Centraal-India. In sept. 1980 vaardigde zij een National Security Ordinance uit, waardoor gevangenzetting zonder vorm van proces mogelijk werd.
Internationaal gezien had de redelijk hechte relatie van de regering-Gandhi met de Sovjet-Unie weinig te lijden onder de Russische invasie in Afghanistan (dec. 1979). De betrekkingen met Pakistan verslechterden echter als gevolg van Pakistans territoriale aanspraken op Kashmir en zijn bemoeienis met rellen tussen islamieten en hindoes. Ook de bewapening van Pakistan door de Verenigde Staten was een oorzaak van de verslechtering. In 1981 trad Indira's tweede zoon, Rajiv Gandhi, toe tot het politieke toneel (Sanjay, haar eerste zoon, was in 1980 bij een vliegtuigongeluk omgekomen).
De regerende Congrespartij verloor al snel haar populariteit bij de bevolking in verschillende deelstaten. De regionale partijen maakten vanaf 1983 een snelle groei door, wat de spanning tussen de centrale regering en de deelstaten nog meer deed toenemen. In datzelfde jaar verscherpte ook het religieuze conflict. In Punjab ontstonden ernstige spanningen tussen de Sikh-meerderheid en de hindoes. Sikh-extremisten, strevend naar een onafhankelijke staat (Khalistan), maakten gebruik van gewelddadige acties om hun doel te bereiken. In juni 1984 probeerde de regering het meer dan drie jaar durende probleem van de Sikh-separatisten (zie ook Sikhs) met militaire middelen op te lossen. In Amritsar leidde dit tot een belegering van de Gouden Tempel door regeringstroepen. Na vier dagen van hevige gevechten sneuvelde de Sikh-rebellenleider Sant Jarnail Singh Bhindrawale en was het leger de situatie weer meester. Het geweld vond zijn climax in de moord op Indira Gandhi op 31 okt. 1984 door twee van haar Sikh-lijfwachten. De moord werd gevolgd door een golf van wraakacties tegen de Sikhs.
5.6 Regering Rajiv Gandhi
Indira liet een sterk verdeeld land na aan haar zoon en opvolger Rajiv Gandhi. Op 13 nov. 1984 kondigde de nieuwe premier algemene verkiezingen aan voor 24 december. De overwinning van Rajivs Congrespartij was overweldigend (80% van de zetels). In tegenstelling tot zijn moeder was Rajiv meer bereid tot flexibiliteit tegenover de separatisten. Desondanks waren er voortdurend botsingen tussen islamieten en hindoes en ook de Sikhs zetten hun gewelddadige acties voort.
De toestand op Sri Lanka, waar een etnisch conflict escaleerde, bracht India in gespannen relatie met dit eiland. De regering van Sri Lanka beschuldigde India ervan Tamil-guerrillero's te trainen (zie ook Tamils). Uiteindelijk werd in juli 1987 een akkoord getekend waarbij Indiase troepen zorg moesten dragen voor het ontwapenen van de Tamils. Deze 'vredesmacht' kon echter geen einde maken aan de gevechten. In het voorjaar van 1989 werd een gedeelte van de vredesmacht op aandringen van Sri Lanka teruggeroepen.
Ook de Malediven kregen te maken met een Indiase militaire interventie. President Gayoom verzocht om militaire steun na een couppoging in nov. 1988. Indiase parachutisten verjoegen de rebellen en herstelden Gayooms macht.
De populariteit van de regerende Congrespartij daalde als gevolg van interne factiestrijd en corruptieschandalen.
5.7 Aftreden Rajiv Gandhi en aanslag
Op 22 nov. 1988 vonden verkiezingen plaats. De Congrespartij verloor haar meerderheid in het parlement ten gunste van de oppositie onder leiding van het Nationale Front (vnl. Janata) onder leiding van V.P. Singh. Singh werd de nieuwe premier, maar ook hij zag zich geplaatst voor de toegenomen religieuze spanningen in verschillende deelstaten, waaronder Uttar Pradesh. In nov. 1990 stuurde het parlement zijn kabinet naar huis en wees president Venkataraman C. Shekhar van de afgesplitste Socialistische Janata Dal partij aan een nieuwe regering te vormen, die de steun kreeg van Rajiv Gandhi's Congrespartij. Op 6 maart 1991 diende Shekhar zijn ontslag in na voortdurend door Gandhi's Congrespartij te zijn tegengewerkt. Rajiv Gandhi kwam op 21 mei bij een door Srilankese Tamils beraamde aanslag om het leven. Op 20 juni werd de Congress-I-politicus P.V. Narasimha Rao beŽdigd als negende premier van India. In juni 1993 werd Rao beschuldigd van het aannemen van steekpenningen.
Vanaf 1991 voerde India, onder meer onder invloed van veranderingen in de Sovjet-Unie, het gelijktijdig wegvallen van de Sovjethulp aan India en de snelle economische expansie van Zuidoost-Aziatische landen, een meer liberaal economisch beleid. De centrale planning werd verminderd en industriŽle ontwikkeling werd in handen van de particuliere sector gelegd.
In dec. 1992 sloopten extremistische hindoes de 16de-eeuwse Babarmoskee in Ayodhya en richtten op dezelfde plaats een hindoetempel op. Bij de gewelddadigheden tussen hindoes en moslims die daarop volgden, vielen in heel India meer da
 n 1200 doden.
In Kashmir, waar al decennialang onafhankelijkheidsstrijders actief zijn, was het in de eerste helft van de jaren negentig zeer onrustig. Internationaal nam de kritiek toe op het optreden van het Indiase leger in Kashmir.
Een aardbeving in sept. 1993 kostte meer dan 20!000 mensen het leven.
De regering ging voort op de weg van liberalisering van de economie, zij het dat ook in 1994 de resultaten nog niet merkbaar waren. In 1995 werd het liberaliseringsbeleid wat afgezwakt. De neerwaartse trend van de Congrespartij die eind 1994 duidelijk werd met enkele zware nederlagen in deelstaatverkiezingen, werd in 1995 gecontinueerd, ook in gemeenteraadsverkiezingen. In mei 1995 werd een nieuwe Congrespartij gevormd die zich verzette tegen de liberalisering en de groeiende polarisatie.
Bij de parlementsverkiezingen van april en mei 1996 leed de regerende Congrespartij, gedemoraliseerd door interne twisten en corruptieschandalen, de zwaarste nederlaag uit haar geschiedenis. De betrekkelijk onbekende Deve Gowda van het Verenigd Front, een losse coalitie van dertien linkse en regionale partijen, werd tot premier benoemd. Tal van corruptieschandalen waren er de oorzaak van dat ex-premier Rao in 1996 aftrad als voorzitter van de Congrespartij. (foto : president Abdul Kalam van India anno 2004)

Telefoongids India
Postcodes India

 

 

 

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009