header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

IndonesiŽ
geografisch

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 

IndonesiŽ (Republik Indonesia), republiek in Zuidoost-AziŽ, tussen het Aziatische vasteland en AustraliŽ, omvat 13.677 (delen van) eilanden, waarvan ca. 990 bewoond, samen ca. 6/7 (de rest behoort tot de Filippijnen) van de grootste archipel ter wereld, 1.904.569 km2, met (schatting 1996) 197,6 miljoen inw. (101 inw. per km2); hoofdstad: Jakarta.

De naam IndonesiŽ (Indonesia), het eerst gebruikt door de Britse etnoloog G.R. Logan in 1850, is afgeleid van Lat. India en Grieks nŤsos (= eiland) en betekent Indische archipel. Munteenheid is de rupiah (Rp), onderverdeeld in 100 sen. Nationale feestdag is 17 augustus, Onafhankelijkheidsdag.

1. Fysische geografie
1.1 Archipel
Indonesia picturesDe Indonesische eilanden omvatten het grootste deel van de archipel tussen het zuidoosten van het vasteland van AziŽ en het werelddeel AustraliŽ. Er zijn meer dan 13.000 eilanden en eilandjes. De vijf grootste eilanden zijn: Nieuw-Guinea (voor iets meer dan de helft Indonesisch grondgebied: Irian Jaya), Borneo (voor ongeveer twee derde Indonesisch grondgebied: Kalimantan), Sumatera, Sulawesi (Celebes) en Djawa (Java [aardrijkskunde]). Tezamen beslaan zij meer dan 90% van het totale grondgebied van de republiek. Het grootste deel van het overige gebied valt binnen twee eilandengroepen: Nusa Tenggara (Kleine Sunda-eilanden) en Maluku (Molukken). De afzonderlijke eilanden vertonen grote verschillen, niet alleen in grootte, maar ook in hoogte, hoewel zij met uitzondering van de kleinste alle bergachtig zijn en in vele gebieden vulkanische activiteit heerst. De grote vruchtbaarheid van IndonesiŽ hangt voor een belangrijk deel samen met de bodemgesteldheid. Vooral bodems van vulkanische herkomst kunnen zeer vruchtbaar zijn: jonge ferrallitische gronden van bijv. Sumatera en Java en andosolen van de toppen en hoger gelegen hellingen van vulkanen.
IndonesiŽ is gelegen in de Austraalaziatische Middelzee tussen de Indische en de Grote Oceaan. Deze zee bestaat uit een aantal kleinere zeeŽn (o.a. Javazee, Zuid-Chinese Zee, Arafurazee). Door de interferentie van de getijbeweging in de Grote en de Indische Oceaan hebben de getijden in deze zee een zeer gecompliceerd verloop: de Javazee bijv. heeft maar eenmaal per 24 uur hoog- en laagwater. De grote rivieren van Sumatera en Borneo zijn vrij goed bevaarbaar; Java kent slechts ťťn bevaarbare rivier: de Solo. De eilanden tussen het Sundaplat en het Sahulplat hebben korte, snelstromende rivieren.
1.2 Geologie
De geologische bouw van dit uitgestrekte gebied is zeer ingewikkeld, daar het ligt op het punt van samenkomst van de twee grote jonge orogene gordels van de aarde: de circumpacifische plooiingsgordel en het Tethys-orogeen, dat zich van de Alpen via de Himalaja tot IndonesiŽ uitstrekt. Beide orogene gordels zijn tijdens MesozoÔcum, Tertiair en Kwartair gevormd. Bovendien is de orogene ontwikkeling nog niet afgelopen, hetgeen o.a. blijkt uit de grote seismische en vulkanische activiteit en de aanwezigheid van de diepzeetroggen. In IndonesiŽ kan men een dubbele eilandboog onderscheiden. De binnenste boog, die een belangrijk vulkanisme bezit, bestaat uit de eilanden Sumatera, Java, Bali, Lombok [aardrijkskunde], Sumbawa, Flores en Wetar. Hier is plaatselijk het variscisch grondgebergte ontsloten, waarop een bedekking ligt van mesozoÔsche sedimenten, die gedeeltelijk reeds tijdens het Krijt geplooid werden. Discordant ligt daarop weer een bedekking van Tertiair met o.a. Mioceen met veel magmatische gesteenten als andesieten en granodiorieten. Het Kwartair is gekenmerkt door een andesitisch en basaltisch vulkanisme. De buitenste boog bestaat uit een aantal kleine en meer verspreide eilandjes, zoals de Mentawai-eilanden, Timor, Tanimbareilanden en Kai-eilanden. Hier komt geen ouder grondgebergte voor. De plooiing van de hier veelal in diep water afgezette sedimenten vond vnl. in het Mioceen plaats. Vulkanisme is afwezig op deze eilanden. Tussen beide bogen ligt een vrij diepe trog, terwijl aan de convexe zijde van de buitenboog de echte diepzeetrog ligt. Onder deze boog vindt men de door Vening Meinesz ontdekte strook van negatieve zwaartekrachtanomalie, terwijl onder de binnenboog een positieve anomalie voorkomt.
Aan de binnenzijde van deze dubbele eilandboog ligt de Sunda-shelf, een ondiepe zee. Borneo maakt in feite van deze shelf deel uit. De plooiing is er afwezig of in ieder geval veel minder intensief.
1.3 Klimaat
Indonesia picturesMet uitzondering van het hoogland, heeft het grootste deel van IndonesiŽ volgens de klimaatindeling van KŲppen een tropisch regenklimaat, waarbij de gemiddelde maandtemperaturen slechts weinig verschillen van het jaargemiddelde, dat rond de 25 tot 27 įC ligt. De temperatuur in het gebergte neemt met ongeveer 0,5 įC per 100 m stijging af. In het centrale gebergte van Nieuw-Guinea komt op de toppen boven ca. 4500 m eeuwige sneeuw voor. Het nivellerende effect van de alom aanwezige zeeŽn is sterk.
Voor wat betreft de neerslag bestaan er grote verschillen, zowel naar hoeveelheid als naar het seizoen waarin deze valt. Vanaf december tot eind maart komen de heersende winden vanuit het noordoosten over Noord-Sumatera, Kalimantan en Sulawesi, maar tijdens het passeren van de evenaar buigen zij af en worden boven Java, Nusa Tenggara en daar voorbij westnoordwest. Van juni tot oktober is de richting andersom, waarbij een uitzonderlijk droge luchtstroom vanuit de Australische woestijn de zuidelijke helft van IndonesiŽ passeert en boven Sumatera van een zuidoostelijke in een zuidwestelijke richting verandert. Dan heeft deze luchtstroming inmiddels veel waterdamp opgenomen. De neerslag valt niet gelijkmatig over het jaar verdeeld. Er zijn droge en natte maanden. Het aantal droge maanden neemt in het algemeen van het westen naar het oosten en van het noorden naar het zuiden toe. Een maand moet als droog worden beschouwd, als er minder dan 60 mm neerslag valt. Maar in gebieden die in hoge mate blootstaan aan de moessons, komt, wanneer deze zwaar beladen zijn met waterdamp, veel zwaardere regenval voor. Padang bijv., op de zuidwestelijke hellingen van Sumatera, ontvangt jaarlijks ca. 4500 mm.
1.4 Plantengroei
De Indische archipel ligt in het oostelijke deel van het florarijk Paleotropis en heeft een buitengewoon rijke flora, die zich van west naar oost wijzigt in samenhang met het in deze richting droger wordende klimaat. Sumatera, Borneo en Nieuw-Guinea buiten de gebergten en oorspronkelijk ook West- en Midden-Java zijn resp. waren bedekt met zeer dicht tropisch regenwoud. Veel tropisch regenwoud verdwijnt doordat de zich uitbreidende bevolking steeds meer landbouwgrond nodig heeft en daarom meer en meer bos kapt. Ook de kap ten behoeve van de houtindustrie heft een zware tol op het bestand. Java is reeds lang een cultuurland, waar het bos bijna geheel door landbouwgewassen en onkruiden is vervangen. In het drogere Oost-IndonesiŽ daarentegen overweegt het in de droge tijd deels kale moessonbos, waarin de bomen jaarringen hebben; belangrijk is hier het houtleverende djatibos (Tectona grandis). Op de droge oostelijke Nusa Tenggara zijn zelfs savannen.
Langs de slibrijke zeekusten treft men de mangrove (vloedbos) aan; daarachter groeien vooral op Sumatera en Borneo vaak uitgestrekte veenmoerasbossen in voedselarm zoet water. De vegetatie van de gebergten verandert met de hoogte en vertoont gordels vergelijkbaar met de klimaatgordels die men aantreft tussen de evenaar en de polen: tot 1000 m de tropische gordel; tot 1500 m de submontane gordel, eveneens met soortenrijk, maar minder hoogopgaand bos; tot 2400 m de montane zone, met afnemend soortental en kleinere bomen; tot 4000 m de subalpine gordel, met laag mosrijk bos of struikgewas (boven 3600 m komt vrijwel geen aaneengesloten bos meer voor); boven 4000 m graslanden met mossen en korstmossen en verspreide struiken, vergelijkbaar met de alpine flora.
Kenmerkende bomen van de archipel zijn o.a. de palmen: kokospalm, sagopalm, arenpalm (palmwijn, suiker), pinangpalm (betelnoten), rotan en de vele soorten van het geslacht Ficus. In het westelijk deel van de archipel overheersen de hardhout leverende Dipterocarpaceae.
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld vertoont een gemengde samenstelling, doordat zowel Aziatische als Australische elementen er deel van uitmaken. De lijn van Wallace, tussen de Filippijnen, Borneo en Bali enerzijds en Sulawesi en Lombok anderzijds, is wel niet scherp, maar geeft toch ongeveer de scheiding aan. Vele eilanden vertonen een mengfauna. De fauna van de Grote Sunda-eilanden, met uitzondering van Sulawesi (dat een aparte plaats inneemt), komt in grote trekken overeen met die van het Aziatische vasteland, terwijl die van Nusa Tenggara, ten oosten van Bali, Maluku en Irian Barat een meer Australisch karakter heeft, al ontbreken Aziatische elementen (bijv. eekhoorns) er niet. Op vele eilanden die in het verleden (Pleistoceen) met elkaar of met het continent samenhingen, konden, als gevolg van langdurige isolatie, nieuwe endemische rassen en soorten ontstaan.
De dierenwereld van Sumatera en Borneo is over het algemeen rijker dan die van Java, waar o.m. orang-oetan (Noord-Sumatera, Borneo), tapir (Sumatera) en olifant ontbreken, terwijl de Javaanse neushoorn is gereduceerd tot een klein aantal in het Udjong-Kulonreservaat. Van de apen zijn ook de gibbons beperkt tot de westelijke eilanden; Sulawesi en de overige oostelijke eilanden hebben andere apensoorten. Halfapen (lori's, spookdiertje) komen eveneens alleen in het westen voor, evenals de toepaja's. De tijger wordt aangetroffen op Sumatera, Java (vermoedelijk uitgeroeid) en Bali (uitgeroeid), de panter op Java, de Kangeaneilanden en mogelijk op Borneo, de Maleise beer op Sumatera en Borneo, de Sumatraanse neushoorn (zeer bedreigd) alleen op Sumatera. Herten komen op verschillende eilanden voor, maar zijn in het oosten mogelijk ingevoerd. Van de herkauwers verdienen de banteng (alleen op Java), de anoa van Sulawesi en de bosgems van Sumatera vermelding. De zoogdierfauna van Maluku c.a. bestaat voornamelijk uit kleine soorten hogere zoogdieren en buideldieren, welke laatste op Sulawesi hun westgrens hebben.
Van de vogelwereld dienen genoemd te worden: argusfazant, trogons, bladvogels en baardvogels, die tot de westelijke, en grootpoothoenders, kasuaris en paradijsvogels, die tot de oostelijke fauna behoren. De papegaaien (van Australische herkomst) zijn in het oosten rijker vertegenwoordigd dan op de Grote Sunda-eilanden. De pauw komt alleen op Java voor.
De reptielenfauna is een voortzetting van die van Malakka. Op Komodo leeft de grootste varaan. Krokodillen zijn beperkt tot de kusten en een aantal rivieren. Het aantal vissoorten is zeer groot. De Karperachtigen, de labyrintvissen en de meervallen, die vnl. het zoete water bewonen, ontbreken op de oostelijke eilanden, die toch al een armere zoetwaterfauna hebben. De koraalriffen in het oosten van de archipel behoren tot de rijkste ter wereld; zeeschildpadden worden ernstig bedreigd in hun voortbestaan. IndonesiŽ is buitengewoon rijk aan insecten en andere ongewervelde dieren; de landbloedzuigers zijn alom bekend.
1.6 Natuurbescherming
In de koloniale tijd is al vroeg een begin gemaakt met natuurbescherming. De problematiek in IndonesiŽ is enorm van omvang en bestaat uit o.a. plaatselijke overbevolking, bijv. op Java (met als remedie de transmigratie), en het kappen van het oerbos. Een netwerk van nationale parken en reservaten, hoe uitgebreid ook, is geen garantie voor het ook in de toekomst voortbestaan van delen van het natuurlijk milieu. De bewaking van de reservaten blijkt in de praktijk veelal onvoldoende te zijn. De meest bedreigde diersoorten zijn de orang-oetan, de Javaanse tijger, Indische olifant, Sumatraanse neushoorn (zeer bedreigd) en Javaanse neushoorn (minder dan 50 in ťťn reservaat).

Telefoongids IndonesiŽ
Postcodes IndonesiŽ

 

Naar IndonesiŽ bevolking en bestuur >>

 

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009