|
De naam
Indonesië (Indonesia), het eerst gebruikt door de Britse etnoloog G.R.
Logan in 1850, is afgeleid van Lat. India en Grieks nèsos (= eiland) en
betekent Indische archipel. Munteenheid is de rupiah (Rp), onderverdeeld
in 100 sen. Nationale feestdag is 17 augustus, Onafhankelijkheidsdag.
1. Fysische geografie
1.1 Archipel
De
Indonesische eilanden omvatten het grootste deel van de archipel tussen
het zuidoosten van het vasteland van Azië en het werelddeel Australië.
Er zijn meer dan 13.000 eilanden en eilandjes. De vijf grootste eilanden
zijn: Nieuw-Guinea (voor iets meer dan de helft Indonesisch grondgebied:
Irian Jaya), Borneo (voor ongeveer twee derde Indonesisch grondgebied:
Kalimantan), Sumatera, Sulawesi (Celebes) en Djawa (Java
[aardrijkskunde]). Tezamen beslaan zij meer dan 90% van het totale
grondgebied van de republiek. Het grootste deel van het overige gebied
valt binnen twee eilandengroepen: Nusa Tenggara (Kleine Sunda-eilanden)
en Maluku (Molukken). De afzonderlijke eilanden vertonen grote
verschillen, niet alleen in grootte, maar ook in hoogte, hoewel zij met
uitzondering van de kleinste alle bergachtig zijn en in vele gebieden
vulkanische activiteit heerst. De grote vruchtbaarheid van Indonesië
hangt voor een belangrijk deel samen met de bodemgesteldheid. Vooral
bodems van vulkanische herkomst kunnen zeer vruchtbaar zijn: jonge
ferrallitische gronden van bijv. Sumatera en Java en andosolen van de
toppen en hoger gelegen hellingen van vulkanen.
Indonesië is gelegen in de Austraalaziatische Middelzee tussen de
Indische en de Grote Oceaan. Deze zee bestaat uit een aantal kleinere
zeeën (o.a. Javazee, Zuid-Chinese Zee, Arafurazee). Door de
interferentie van de getijbeweging in de Grote en de Indische Oceaan
hebben de getijden in deze zee een zeer gecompliceerd verloop: de
Javazee bijv. heeft maar eenmaal per 24 uur hoog- en laagwater. De grote
rivieren van Sumatera en Borneo zijn vrij goed bevaarbaar; Java kent
slechts één bevaarbare rivier: de Solo. De eilanden tussen het Sundaplat
en het Sahulplat hebben korte, snelstromende rivieren.
1.2 Geologie
De geologische bouw van dit uitgestrekte gebied is zeer ingewikkeld,
daar het ligt op het punt van samenkomst van de twee grote jonge orogene
gordels van de aarde: de circumpacifische plooiingsgordel en het
Tethys-orogeen, dat zich van de Alpen via de Himalaja tot Indonesië
uitstrekt. Beide orogene gordels zijn tijdens Mesozoïcum, Tertiair en
Kwartair gevormd. Bovendien is de orogene ontwikkeling nog niet
afgelopen, hetgeen o.a. blijkt uit de grote seismische en vulkanische
activiteit en de aanwezigheid van de diepzeetroggen. In Indonesië kan
men een dubbele eilandboog onderscheiden. De binnenste boog, die een
belangrijk vulkanisme bezit, bestaat uit de eilanden Sumatera, Java,
Bali, Lombok [aardrijkskunde], Sumbawa, Flores en Wetar. Hier is
plaatselijk het variscisch grondgebergte ontsloten, waarop een bedekking
ligt van mesozoïsche sedimenten, die gedeeltelijk reeds tijdens het
Krijt geplooid werden. Discordant ligt daarop weer een bedekking van
Tertiair met o.a. Mioceen met veel magmatische gesteenten als andesieten
en granodiorieten. Het Kwartair is gekenmerkt door een andesitisch en
basaltisch vulkanisme. De buitenste boog bestaat uit een aantal kleine
en meer verspreide eilandjes, zoals de Mentawai-eilanden, Timor,
Tanimbareilanden en Kai-eilanden. Hier komt geen ouder grondgebergte
voor. De plooiing van de hier veelal in diep water afgezette sedimenten
vond vnl. in het Mioceen plaats. Vulkanisme is afwezig op deze eilanden.
Tussen beide bogen ligt een vrij diepe trog, terwijl aan de convexe
zijde van de buitenboog de echte diepzeetrog ligt. Onder deze boog vindt
men de door Vening Meinesz ontdekte strook van negatieve
zwaartekrachtanomalie, terwijl onder de binnenboog een positieve
anomalie voorkomt.
Aan de binnenzijde van deze dubbele eilandboog ligt de Sunda-shelf, een
ondiepe zee. Borneo maakt in feite van deze shelf deel uit. De plooiing
is er afwezig of in ieder geval veel minder intensief.
1.3 Klimaat
Met
uitzondering van het hoogland, heeft het grootste deel van Indonesië
volgens de klimaatindeling van Köppen een tropisch regenklimaat, waarbij
de gemiddelde maandtemperaturen slechts weinig verschillen van het
jaargemiddelde, dat rond de 25 tot 27 °C ligt. De temperatuur in het
gebergte neemt met ongeveer 0,5 °C per 100 m stijging af. In het
centrale gebergte van Nieuw-Guinea komt op de toppen boven ca. 4500 m
eeuwige sneeuw voor. Het nivellerende effect van de alom aanwezige zeeën
is sterk.
Voor wat betreft de neerslag bestaan er grote verschillen, zowel naar
hoeveelheid als naar het seizoen waarin deze valt. Vanaf december tot
eind maart komen de heersende winden vanuit het noordoosten over
Noord-Sumatera, Kalimantan en Sulawesi, maar tijdens het passeren van de
evenaar buigen zij af en worden boven Java, Nusa Tenggara en daar
voorbij westnoordwest. Van juni tot oktober is de richting andersom,
waarbij een uitzonderlijk droge luchtstroom vanuit de Australische
woestijn de zuidelijke helft van Indonesië passeert en boven Sumatera
van een zuidoostelijke in een zuidwestelijke richting verandert. Dan
heeft deze luchtstroming inmiddels veel waterdamp opgenomen. De neerslag
valt niet gelijkmatig over het jaar verdeeld. Er zijn droge en natte
maanden. Het aantal droge maanden neemt in het algemeen van het westen
naar het oosten en van het noorden naar het zuiden toe. Een maand moet
als droog worden beschouwd, als er minder dan 60 mm neerslag valt. Maar
in gebieden die in hoge mate blootstaan aan de moessons, komt, wanneer
deze zwaar beladen zijn met waterdamp, veel zwaardere regenval voor.
Padang bijv., op de zuidwestelijke hellingen van Sumatera, ontvangt
jaarlijks ca. 4500 mm.
1.4 Plantengroei
De Indische archipel ligt in het oostelijke deel van het florarijk
Paleotropis en heeft een buitengewoon rijke flora, die zich van west
naar oost wijzigt in samenhang met het in deze richting droger wordende
klimaat. Sumatera, Borneo en Nieuw-Guinea buiten de gebergten en
oorspronkelijk ook West- en Midden-Java zijn resp. waren bedekt met zeer
dicht tropisch regenwoud. Veel tropisch regenwoud verdwijnt doordat de
zich uitbreidende bevolking steeds meer landbouwgrond nodig heeft en
daarom meer en meer bos kapt. Ook de kap ten behoeve van de
houtindustrie heft een zware tol op het bestand. Java is reeds lang een
cultuurland, waar het bos bijna geheel door landbouwgewassen en
onkruiden is vervangen. In het drogere Oost-Indonesië daarentegen
overweegt het in de droge tijd deels kale moessonbos, waarin de bomen
jaarringen hebben; belangrijk is hier het houtleverende djatibos (Tectona
grandis). Op de droge oostelijke Nusa Tenggara zijn zelfs savannen.
Langs de slibrijke zeekusten treft men de mangrove (vloedbos) aan;
daarachter groeien vooral op Sumatera en Borneo vaak uitgestrekte
veenmoerasbossen in voedselarm zoet water. De vegetatie van de gebergten
verandert met de hoogte en vertoont gordels vergelijkbaar met de
klimaatgordels die men aantreft tussen de evenaar en de polen: tot 1000
m de tropische gordel; tot 1500 m de submontane gordel, eveneens met
soortenrijk, maar minder hoogopgaand bos; tot 2400 m de montane zone,
met afnemend soortental en kleinere bomen; tot 4000 m de subalpine
gordel, met laag mosrijk bos of struikgewas (boven 3600 m komt vrijwel
geen aaneengesloten bos meer voor); boven 4000 m graslanden met mossen
en korstmossen en verspreide struiken, vergelijkbaar met de alpine
flora.
Kenmerkende bomen van de archipel zijn o.a. de palmen: kokospalm,
sagopalm, arenpalm (palmwijn, suiker), pinangpalm (betelnoten), rotan en
de vele soorten van het geslacht Ficus. In het westelijk deel van de
archipel overheersen de hardhout leverende Dipterocarpaceae.
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld vertoont een gemengde samenstelling, doordat zowel
Aziatische als Australische elementen er deel van uitmaken. De lijn van
Wallace, tussen de Filippijnen, Borneo en Bali enerzijds en Sulawesi en
Lombok anderzijds, is wel niet scherp, maar geeft toch ongeveer de
scheiding aan. Vele eilanden vertonen een mengfauna. De fauna van de
Grote Sunda-eilanden, met uitzondering van Sulawesi (dat een aparte
plaats inneemt), komt in grote trekken overeen met die van het
Aziatische vasteland, terwijl die van Nusa Tenggara, ten oosten van Bali,
Maluku en Irian Barat een meer Australisch karakter heeft, al ontbreken
Aziatische elementen (bijv. eekhoorns) er niet. Op vele eilanden die in
het verleden (Pleistoceen) met elkaar of met het continent samenhingen,
konden, als gevolg van langdurige isolatie, nieuwe endemische rassen en
soorten ontstaan.
De dierenwereld van Sumatera en Borneo is over het algemeen rijker dan
die van Java, waar o.m. orang-oetan (Noord-Sumatera, Borneo), tapir (Sumatera)
en olifant ontbreken, terwijl de Javaanse neushoorn is gereduceerd tot
een klein aantal in het Udjong-Kulonreservaat. Van de apen zijn ook de
gibbons beperkt tot de westelijke eilanden; Sulawesi en de overige
oostelijke eilanden hebben andere apensoorten. Halfapen (lori's,
spookdiertje) komen eveneens alleen in het westen voor, evenals de
toepaja's. De tijger wordt aangetroffen op Sumatera, Java (vermoedelijk
uitgeroeid) en Bali (uitgeroeid), de panter op Java, de Kangeaneilanden
en mogelijk op Borneo, de Maleise beer op Sumatera en Borneo, de
Sumatraanse neushoorn (zeer bedreigd) alleen op Sumatera. Herten komen
op verschillende eilanden voor, maar zijn in het oosten mogelijk
ingevoerd. Van de herkauwers verdienen de banteng (alleen op Java), de
anoa van Sulawesi en de bosgems van Sumatera vermelding. De
zoogdierfauna van Maluku c.a. bestaat voornamelijk uit kleine soorten
hogere zoogdieren en buideldieren, welke laatste op Sulawesi hun
westgrens hebben.
Van de vogelwereld dienen genoemd te worden: argusfazant, trogons,
bladvogels en baardvogels, die tot de westelijke, en grootpoothoenders,
kasuaris en paradijsvogels, die tot de oostelijke fauna behoren. De
papegaaien (van Australische herkomst) zijn in het oosten rijker
vertegenwoordigd dan op de Grote Sunda-eilanden. De pauw komt alleen op
Java voor.
De reptielenfauna is een voortzetting van die van Malakka. Op Komodo
leeft de grootste varaan. Krokodillen zijn beperkt tot de kusten en een
aantal rivieren. Het aantal vissoorten is zeer groot. De Karperachtigen,
de labyrintvissen en de meervallen, die vnl. het zoete water bewonen,
ontbreken op de oostelijke eilanden, die toch al een armere
zoetwaterfauna hebben. De koraalriffen in het oosten van de archipel
behoren tot de rijkste ter wereld; zeeschildpadden worden ernstig
bedreigd in hun voortbestaan. Indonesië is buitengewoon rijk aan
insecten en andere ongewervelde dieren; de landbloedzuigers zijn alom
bekend.
1.6 Natuurbescherming
In de koloniale tijd is al vroeg een begin gemaakt met
natuurbescherming. De problematiek in Indonesië is enorm van omvang en
bestaat uit o.a. plaatselijke overbevolking, bijv. op Java (met als
remedie de transmigratie), en het kappen van het oerbos. Een netwerk van
nationale parken en reservaten, hoe uitgebreid ook, is geen garantie
voor het ook in de toekomst voortbestaan van delen van het natuurlijk
milieu. De bewaking van de reservaten blijkt in de praktijk veelal
onvoldoende te zijn. De meest bedreigde diersoorten zijn de orang-oetan,
de Javaanse tijger, Indische olifant, Sumatraanse neushoorn (zeer
bedreigd) en Javaanse neushoorn (minder dan 50 in één reservaat).
Telefoongids Indonesië
Postcodes Indonesië
|