|
4. Economie
4.1 Algemeen
De
economie wordt beheerst door twee problemen. Ten eerste de geografisch
ongelijke verdeling van de bevolking en van het
productie-consumptiepatroon, waarbij grote economische (en in het
verlengde daarvan ook politieke) belangentegenstellingen zijn gegroeid
tussen enerzijds het overbevolkte consumerende Java en anderzijds de
dunbevolkte, deviezenproducerende zgn. buitengewesten, dwz. de
buiten-Javaanse eilanden.
De moeilijkheden die met deze situatie samenhangen, zijn nog verscherpt
door een aantal specifiek Indonesische omstandigheden: de politieke
spanningen, de nationalisaties van 1957 en volgende jaren, de grote
militaire uitgaven (bijna 10% van de totale overheidsuitgaven in het
begrotingsjaar 1995/1996), de vrij kostbare bestuurshuishouding, die de
druk op de middelen verzwaarden.
Sinds 1988 maakte Indonesië echter een sterke economische opleving mee,
vooral dankzij een politiek van liberalisatie, die er o.a. op gericht is
de afhankelijkheid van de olieopbrengsten te verminderen en een meer
gedifferentieerde economie op te bouwen. Het economisch beleid van de
regering bevordert de export van verschillende (verwerkende) industrieën
(m.n. houtproducten). De gunstige resultaten hiervan zijn vooral ook te
danken aan de hulp van grote internationale financieringsorganisaties
(o.a. IGGI) en ontwikkelingshulp van de rijke landen. De exportgerichte
verwerkende industrie geldt thans als motor van de economie. Ook de
buitenlandse investeringen in het land zelf namen toe. Desalniettemin
blijft de Indonesische economie kwetsbaar door de afhankelijkheid van
het buitenland, de snelle bevolkingsgroei (werkloosheid), de grote
inkomensverschillen en, ten slotte, het autoritaire, antidemocratische
karakter van het land. Bij een inflatie van ca. 10% wordt midden jaren
negentig een economische groei gerealiseerd van ±7% per jaar.
4.2 Landbouw; veeteelt; bosbouw; visserij
Ruim 50% van de beroepsbevolking is in de landbouw werkzaam. Van de naar
schatting ruim 180!000 km2 cultuurgrond is ca. drie kwart voor
voedingsgewassen en de rest voor handelsgewassen in gebruik. De
belangrijkste voedingsgewassen zijn rijst, maïs, cassave en bataten,
voorts grondnoten, sojabonen, kopra en suiker. De rijstcultuur is de
oudste en overheersende cultuur, voor het belangrijkste deel op sawa's,
maar ook wel (buiten Java) op droge, jaarlijks wisselende velden (ladangbouw).
Na de rijstoogst worden zonder bevloeiing vaak tweede gewassen verbouwd.
Aangezien de rijstbouw van eminent belang is voor de voedselvoorziening
en het voor de overheidsfinanciën van even groot belang is onafhankelijk
te worden van rijstimport, zijn pogingen ondernomen de voedselproductie
te verhogen, die echter aanvankelijk niet tot de verwachte resultaten
leidden. Een sterke toename van productieve gebieden en gemiddelde
opbrengsten leidde ten slotte tot het gestelde doel van autarkie in
1984-1985, mede dankzij grote overheidssubsidies voor zowel producent
als consument om de prijzen niet tot wereldmarktniveau te hoeven
verlagen. Als gevolg van subsidietekorten door de val van de olieprijzen
in 1985-1986 en van misoogsten moest Indonesië tot in de jaren tachtig
rijst importeren. Inmiddels is het land overwegend zelfvoorzienend.
De voornaamste handelsgewassen zijn rubber, palmolie, tabak, thee,
kopra, koffie (op Brazilië en Colombia na de grootste wereldproducent),
peper en cacao: deze producten vormen, na de aardolie, het belangrijkste
deel van de export. De verbouw vindt hoofdzakelijk plaats op Sumatera en
Java, hetzij op grote cultuurondernemingen, hetzij, zoals bij de
rubberproductie, door kleine boeren. Indonesië is na Maleisië de
grootste wereldproducent van rubber.
Tuinbouw
wordt voor het grootste deel bedreven op erfcultures, dwz. op erven rond
de huizen: de producten (talrijke groente- en fruitsoorten, maar ook
kruiden en specerijen), worden ter plaatse geconsumeerd; slechts een
klein deel gaat naar de markt. Speciale tuinbouwbedrijven, voor
koolsoorten, bonen en prei in de bergstreken en voor bladgroenten in de
lager gelegen gebieden, leveren uitsluitend voor de markt.
Veehouderij dient vooral voor het houden van trekdieren (rund, buffel,
paard); voor consumptie zijn bestemd geiten, schapen, varkens en kippen.
Sinds 1988 probeert Indonesië door middel van het importeren van fokvee
in te springen op een deel van de vrijgekomen exportmogelijkheden van
vlees, als gevolg van het verbod op veeteelt in Singapore.
Bijna tweederde van het land is bedekt met tropisch oerwoud (60% van
Sumatera, 77% van Kalimantan en 80% van Irian Jaya). Indonesië bezit
daarmee na Brazilië het grootste regenwoud ter wereld en is met 9,7
miljoen m3 de grootste houtexporteur van Zuidoost-Azië. De bossen worden
van oudsher hoofdzakelijk als staatsbedrijf geëxploiteerd; er zijn
echter concessies verleend aan Amerikaanse, Filippijnse en Japanse
maatschappijen. De laatste zijn m.n. werkzaam in Oost-Kalimantan, waar,
evenals elders in de archipel, op grote schaal ontbossing en bodemerosie
voorkomen als gevolg van onverantwoordelijk kappen. Sinds 1985 is de
export van ruw hout verboden en vervangen door uitvoer van houtproducten
(o.a. meubels). Ook wil de regering de schade aan het tropisch regenwoud
herstellen door middel van herbebossingsplannen. De bossen leveren
behalve hout ook harsen en gommen, terpentijn, rotan en kajapoetih-olie.
Het uit de sagopalm gewonnen merg is het volksvoedsel op Irian Jaya.
Visserij is voor de voedselvoorziening (eiwitten) zeer belangrijk. Met
name langs de kusten van Sulawesi en Kalimantan, in de Riau-archipel en
in Maluku leven sommige bevolkingsgroepen vrijwel uitsluitend van de
visvangst. In sommige streken van Java wordt vis uitgezet in de natte
rijstvelden; voorts zijn er, vooral langs de noordkust van Java, aparte
visvijvers; meer dan de helft van de gevangen vis wordt door deze
kunstmatige visvijvers geleverd. De zeevisserij is door modernisering
van de vissersvloot en verbeterde vangsttechnieken in de loop van de
jaren tachtig sterk vooruitgegaan (o.a. garnaalexport).
4.3 Mijnbouw
Met uitzondering van aardolie, aardgas en tin (Indonesië is na Maleisië
de grootste tinproducent ter wereld), worden de rijkdommen aan mineralen
weinig benut. Aardolie wordt aangetroffen op Oost- en Zuid-Sumatera, in
Oost-Kalimantan en op Oost-Java, maar ook wel off-shore. De exploitatie
is deels in handen van particuliere bedrijven, deels in handen van het
staatsbedrijf Pertamina.
Indonesië is de grootste aardolieproducent van Zuidoost-Azië. Aardgas
wordt hoofdzakelijk aangetroffen bij de Natuna-eilanden in de
Zuid-Chinese Zee en bij Zuid-Sumatera en Oost-Kalimantan. Met de
constructie van twee installaties voor de productie van vloeibaar
aardgas (LNG) bij Arun (Sumatera) en Bontang (Kalimantan) is Indonesië
hiervan met 24 miljoen ton per jaar de grootste producent en exporteur
ter wereld geworden. Tot de overige bodemschatten behoren vooral tin (op
Bangka, Billiton en Singkep in de Riau-Archipel), bauxiet (Bintan),
nikkel (Zuid-Sulawesi), steenkool (Zuid- en Midden-Sumatera) en
ijzererts (Irian Jaya). Voorts worden goud, zilver en koper gewonnen.
Ook hier is veel buitenlands kapitaal geïnvesteerd.
4.4 Energievoorziening
Meer dan 50% van de totale energievoorziening is afkomstig van met
aardolie of gas gestookte centrales. Hiernaast zijn waterkracht (Jatiluhurdam
op West-Java), geothermische energie (Diengplateau op Midden-Java) en
vooral steenkool belangrijke energiebronnen. Al jaren is er sprake van
plannen voor de bouw van een kerncentrale op Midden-Java.
4.5 Industrie
De industrie is voor het grootste deel geconcentreerd op Java. Meer dan
de helft daarvan bestaat uit kleine en middelgrote bedrijfjes die voor
ongeveer de helft gemechaniseerd zijn. Van de grotere bedrijven is ca.
85% gemechaniseerd; in deze sector treft men scheepsbouw,
aardolieraffinage, chemische industrie, textiel-, cement-, papier- en
kunstmestfabricage aan. Ook zijn er bedrijven ter vervaardiging van
elektronische apparatuur, auto's en vliegtuigen. Door de
liberalisatiepolitiek na 1966 en eind jaren tachtig zijn de activiteiten
van buitenlandse investeerders sterk toegenomen. Deze ontwikkeling is
ten koste gegaan van m.n. de kleinbedrijven (vervaardiging van
consumptiegoederen; verwerking van landbouwproducten) die de
concurrentie met de importproducten niet konden volhouden. Het aandeel
van de industriële productie in het bnp is opgelopen van 8,5% in 1970
tot 21% in 1993.
4.6 Handel
De handelsbalans is sinds 1980 positief (in 1992 +$ 6, 6 miljard). De
uitvoer bestaat voor het grootste deel uit grondstoffen: aardolie,
rubber, tin, tabak, koffie, thee, palmolie en kopra, maar ook triplex;
de invoer uit transport- en voedingsmiddelen, chemicaliën en
kapitaalgoederen. De voornaamste handelspartners zijn Japan, de
Verenigde Staten, Singapore, Duitsland, Nederland en Groot-Brittannië.
4.7 Economische planning en ontwikkelingssamenwerking
Na
het aan de macht komen van de regering-Soeharto werden plannen gemaakt
en uitgevoerd tot afschaffing van de belangrijkste staatsmonopolies en
tot liberalisering van het bedrijfsleven. Buitenlandse
kapitaalsinvesteringen werden daarbij aangemoedigd in alle sectoren van
het economisch leven. Financiële steun voor de uitvoering van de diverse
plannen werd gegeven door de zgn. donorlanden, die zich in 1967
verenigden in de Intergouvernementele Groep voor Indonesië (IGGI). Door
de regering zijn vanaf 1969 vijf vijfjarenplannen (Repelita I-V)
opgesteld. Het eerste (1969-1974) richtte zich vooral op de ontwikkeling
van textiel-, kunstmest-, cement- en papierfabricage; het tweede
besteedde in de eerste plaats aandacht aan de scheepsbouw; het derde aan
ontwikkelingen ten behoeve van onafhankelijkheid van de oliesector en
het vierde aan verbetering van de infrastructuur. Repelita V (1989-1994)
had als doel de binnen- en buitenlandse investeringen te stimuleren. In
de industriële ontwikkeling ligt het zwaartepunt bij een sterkere
integratie tussen groot-, midden- en kleinbedrijf. Hierdoor moesten tot
1994 jaarlijks ca. 2,3 miljoen nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd worden.
Het zesde vijfjarenplan (1994-1999) voorziet een jaarlijkse economische
groei van 6, 2%, een dalende bevolkingsgroei (van 1,7 naar 1,5%) en een
verdubbeling van het bnp per hoofd. De verwerkende industrie moet het
speerpunt worden. Grootscheepse investeringen moeten de ambitieuze
doelen helpen verwezenlijken.
In 1990 ondertekende de regering een verdrag met Singapore en Maleisië
over de economische ontwikkeling van de Riau-Archipel. Het eiland Batam,
gelegen tegenover Singapore, werd tot vrijhandelszone uitgeroepen en
vervult de voortrekkersrol van wat een nieuwe economische en industriële
groeikern in Zuidoost-Azië moet worden.
4.8 Bankwezen
De centrale bank is, sinds 1953, de Bank Indonesia, voorheen de Javase
Bank. Daarnaast bestaan staatsbanken, gespecialiseerde
kredietinstellingen en tientallen particuliere banken. Indonesië is lid
van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank en de
Aziatische Ontwikkelingsbank.
4.9 Verkeer
Van primair belang zijn het interinsulaire scheepvaartverkeer en de
kustvaart. Sinds 1985 is er, deels gefinancierd door de Wereldbank en de
Aziatische Ontwikkelingsbank, een ambitieus havenmoderniseringsprogramma
gaande. De belangrijkste havens zijn Tanjung Priok (bij Jakarta), waar
ca. een kwart van de invoer arriveert, Tanjung Perak (bij Surabaya),
Belawan (bij Medan) en Kjung Pandang (Zuid-Sulawesi). Vervoer over water
in het binnenland is alleen mogelijk over enkele grote rivieren op
Kalimantan en Sumatera, waar de scheepvaart echter veel hinder
ondervindt van het dichtslibben van rivieren. Het wegverkeer ondervindt
ernstige hinder van slechte wegen en van een tekort aan
transportmiddelen. Het wegennet (266.326 km in 1989) is het dichtst op
Java. De meeste spoorlijnen (totaal ca. 6500 km) zijn eveneens op Java
te vinden; het spoorwegnet is geheel in handen van de staat. Er zijn zes
grotere luchtvaatmaatschappijen. Binnenlands en buitenlands luchtverkeer
wordt hoofdzakelijk verzorgd door het staatsbedrijf Garuda Indonesian
Airways. De voornaamste internationale luchthavens zijn die van Jakarta,
Medan (Sumatera) en Depasar (Bali).
|