|
5. Geschiedenis
5.1 Prehistorie
De vroegste bewoners van Indonesië zijn volgens de meest waarschijnlijke
theorie verwant met de tegenwoordige bewoners van de Zuidzee-eilanden.
Zij werden vermoedelijk verdreven door volken van de zgn. Austronesische
taalfamilie, waartoe ook de Indonesiërs behoren. Deze Indonesiërs
behoren, met o.a. grote delen van de bevolking van Achter-Indië, tot de
Mongoliden. De zuiverheid van deze Indonesische afkomst is het best
bewaard bij volken als de Bataks, Dajaks en Alfoeren. De Indonesiërs
zijn zonder twijfel sinds de neolithische tijd in de archipel gevestigd.
Waarschijnlijk waren ook zij de brengers van de cultuurvorm die onder de
naam Dong Son bekend is. Deze naam wijst erop dat deze cultuurstroom in
Tonkin zijn oorsprong heeft gevonden. In prehistorische tijden,
voorafgaande aan de Hindoe-periode, kende men de landbouw op sawa's. De
sociale organisatie hing samen met de bevloeiing. Matriarchale
instellingen kwamen voor. Van metalen werd een rudimentair gebruik
gemaakt. Er was scheepvaart bij Maleiers en andere kust-Indonesiërs. De
Chinezen noemden hen Kun-lun, de Indiërs Dwipantara.
5.2 Hindoeïsering
Sinds
het begin van de westerse jaartelling werd Indonesië door de
Hindoe-cultuur beïnvloed. Indische zeelieden, handelaars, geleerden en
priesters kwamen in de archipel en brachten elementen van hun eigen
beschaving (zeden, wetten, alfabet, taal, sociale en religieuze vormen)
mee. Er werden brahmaanse en boeddhistische heiligdommen gesticht en
inscripties in het Sanskrit opgesteld. Uit deze individuele
Hindoe-vestigingen ontstonden - zo moet men zich voorstellen - de latere
Hindoe-rijken, hetzij doordat een Indiër zich opwierp als hoofd van de
autochtone bevolking, hetzij, waarschijnlijker, doordat een Indonesisch
vorst of hoofd de Hindoe-cultuur overnam en daardoor zijn prestige en
gezag versterkte. Het Hindoe-element werd ongetwijfeld door geregeld,
zij het nooit intensief, contact eeuwenlang aangevuld. De
geïntroduceerde Hindoe-beschaving onderging in sociaal en religieus
opzicht door het contact met de inheemse culturen sterke wijzigingen.
Speciaal op Java ontwikkelde zich op den duur een mengbeschaving, in
casu de zgn. Hindoe-Javaanse. Het boeddhisme is ook als wijzigende
factor in deze ontwikkeling niet te verwaarlozen: het kende geen
rasvooroordelen en spreidde een sterke missionaire activiteit ten toon.
De Hindoe-godsdiensten, vooral de Shiva-cultus (Shiva als
staatsbeschermer), oefenden in Indonesië een belangrijke invloed uit.
Overigens leefden de aanhangers van hindoeïsme en boeddhisme vreedzaam
naast elkaar en gingen de diverse vereringsvormen soms in elkaar op.
De Indische expansie was economisch en cultureel, niet politiek. De
Hindoe-rijken waren Indonesische rijken, waarvan de vorst en de adel de
hogerstaande beschaving van India hadden aanvaard. Het culturele
hindoeïsme (Hindoe in de betekenis dus van Indisch, niet in de zin van
Hindoe-godsdienst) werd een bindend element van de autochtone
Indonesische maatschappijen. Het belangrijkste Hindoe-rijk in Indonesië
was Sjriwijaya, het handelsemporium dat Malakka en Sumatera en de
scheepvaart van India naar China beheerste. In de 8ste eeuw kwam, voor
zover blijkt eerst op Java, de boeddhistische dynastie van de
Shailendra's (bergvorsten), die zich maharadja's (oppervorsten) noemden,
naar voren. In de tweede helft van de 9de eeuw heersten zij ook op
Sumatera, dus over Sjriwijaya, als afhankelijk gebied. De maritieme
macht van het rijk bereikte toen het hoogtepunt. In de 10de eeuw werd in
Chinese bronnen voor het eerst de naam San-fo-tsi gebruikt om het
Sumatraanse rijk aan te duiden. De macht van de Shailendra's op Java was
inmiddels gebroken, zoals blijkt uit het herstel van de Hindoe-culten.
Tegen het einde van de 10de eeuw streden Java en Sumatera om de
opperheerschappij: een Javaanse expeditie van 992 werd beantwoord door
de verwoesting van Java's hoofdstad in 1006, hetzij rechtstreeks door
Sumatera, hetzij indirect door een opstandige vazalvorst. Door de
veroveringen van Airlangga (tot 1042) werd een machtsevenwicht in de
archipel bereikt: Java beheerste het oosten, Sumatera het westen,
Sjriwijaya was langzamerhand verzwakt, mede door een overval van de
Zuidindische Cholas op Malakka en Sumatera. Het machtsevenwicht bleef
tot de 13de eeuw bestaan. Sjriwijaya moest voortdurend oorlog voeren om
zijn heerschappij ter zee te behouden. In sommige gebieden was
verzwakking van het gezag van de oppervorst waar te nemen. Het is
mogelijk dat Jambi in die tijd het centrum van het rijk geworden was. Na
1275 veroverde de Javaanse koning Kertanagara Jambi en enige decennia
later ontstond op Java het rijk van Majapahit. Ook de Achter-Indische
Thais bedreigden door hun invallen op Malakka het Sumatraanse rijk. In
de 14de eeuw werd een groot deel van Midden-Sumatera beheerst door de
Minangkabause vorst Aditijawarman (ca. 1340-1375).
Het koninkrijk Majapahit ontstond op Oost-Java na de val van Singasari
en de Chinese inval van 1293. Majapahit zette de expansiepolitiek van
Kertanagara voort en bereikte de grootste machtsuitbreiding onder Hayam
Wuruk en diens bekwame rijksbestuurder Gajah Mada. Direct werden Oost-
en Midden-Java door Majapahit beheerst, indirect de Indonesische
gebieden buiten Java. Op West-Java handhaafde zich echter het
onafhankelijke koninkrijk Pajajaran.
5.3 De komst van de islam en van de Europeanen
De 15de eeuw bracht de islampropaganda, die, uitgaande van Voor-Indië,
vnl. Gujarat, spoedig een staatkundig centrum vond in Malakka en van
daar vooral de handelswegen volgde: de kusten van Sumatera, Java en
Maluku waren het eerst tot de nieuwe godsdienst overgegaan en m.n. op
Java maakten zich toen de kuststreken los van het centrale gezag.
Zodoende ging in het begin van de 16de eeuw Majapahit te gronde en
maakte plaats voor het islamitische Demak. Ongeveer terzelfder tijd
verschenen de Portugezen ten tonele. In 1511 viel Malakka in hun handen;
de daar verdreven sultans vestigden zich op den duur in Johore, terwijl
tevens in het begin van de 16de eeuw een nieuw islamitisch rijk ontstond
in Atjeh. In Maluku in het oosten waren Ternate en Tidore de
belangrijkste machten, het eerste al snel onder invloed van de
Portugezen - hun vaste punt was het in 1522 gebouwde fort -, tot deze in
1574 tot wijken werden gedwongen en zich verder op Ambon concentreerden.
Zij streefden zowel naar het monopolie van de specerijhandel, waarvoor
zij gebruik maakten van de tussen de inheemse machthebbers bestaande
veten, als naar de verbreiding van het christendom. Na de vereniging van
het Portugese rijk met Spanje in 1580 kregen de Portugezen, wier invloed
reeds tanende was, hulp van de Spanjaarden uit de Filippijnen.
Terzelfder tijd ondernamen de Engelsen reizen door de archipel. Op Java
vertraagden onenigheden tussen islamitische machthebbers het tot stand
komen van een krachtige staat tot het eind van de 16de eeuw, toen
Mataram zich als zodanig ging consolideren; op West-Java was Bantam de
belangrijkste macht, dankzij zijn gunstige ligging voor de handel.
5.4 De Compagniestijd
In 1596 verschenen in de Indonesische archipel de eerste Nederlanders
(expeditie van Cornelis de Houtman). Hun spoedig concurrerende
handelsondernemingen werden in 1602 verenigd tot de Verenigde
Oost-Indische Compagnie. In 1605 maakte deze zich meester van haar
eerste territoriaal bezit: het Portugese fort op Ambon; in 1610
concentreerde zij haar krachten door de instelling van een Indische
regering onder een gouverneur-generaal en in 1619 verschafte Jan
Pieterszoon Coen haar een hoofdstad in het veroverde Jacatra, omgedoopt
in Batavia. Diezelfde gouverneur-generaal stelde zich met succes teweer
tegen Engelse aanspraken en vestigde de macht van de Compagnie op Banda,
terwijl hij zijn hoofdstad tegen Mataramse aanvallen wist te verdedigen.
Zijn opvolgers (vooral Van Diemen en Maetsuyker) zetten zijn politiek
voort en in de loop van de 17de eeuw kwam Maluku in Nederlandse handen,
werden Bantam en Mataram onder invloed van de Compagnie gebracht,
Makassar verslagen, Atjeh en Johore onschadelijk gemaakt en Ceylon op de
Portugezen veroverd, nadat in 1641 reeds Malakka, hun laatste steunpunt
in Zuidoost-Azië, was gevallen.
De 18de eeuw deed de bezwaren van het handelssysteem van de Compagnie
steeds meer aan het licht komen, en de hervormingspogingen van
gouverneur-generaal Van Imhoff (1743) hadden geen succes, de
concurrentie van de Engelsen werd voortdurend gevaarlijker en de Vierde
Engels-Nederlandse Oorlog leidde de ondergang van de Compagnie in; haar
bezittingen en lasten werden bij de staatsregeling van 1798 door de
staat overgenomen.
5.5 Nederlands-Indië tot 1942
In 1808 zond het Koningrijk Holland Daendels als gouverneur-generaal,
wiens bewind zich kenmerkte (behalve door zijn militaire maatregelen)
door een drastisch opruimen van allerlei hinderlijke
Compagniesoverblijfselen en een krachtig versterken van het Hollandse
gezag. Daardoor heeft hij in veel opzichten de baan vrijgemaakt voor de
hervormer Raffles, die gedurende het Engelse tussenbewind (1811-1816)
Java bestuurde en van wiens maatregelen, gedeeltelijk ingegeven door
Nederlandse raadslieden, vele door zijn opvolgers zijn gehandhaafd,
terwijl vooral de invoering van de landrente verstrekkende gevolgen
heeft gehad.
In 1816 keerde (ingevolge de Londense Conventie van 1814) het
Nederlandse gezag terug; het bracht geen reactie, maar bouwde voort op
wat het vond en trachtte ook buiten Java nieuwe relaties aan te knopen.
De stichting van Singapore door Raffles in 1819 haalde echter een streep
door de Nederlandse plannen om Batavia weer tot het middelpunt van een
groot handelsrijk te maken. De moeilijkheden met Engeland werden in 1824
bij traktaat zoveel mogelijk opgelost; de in datzelfde jaar op
initiatief van koning Willem I opgerichte Nederlandsche
Handel-Maatschappij scheen nieuwe groei voor de handel te zullen
betekenen. Financiële zorgen, gepaard met een opstand in de Javaanse
Vorstenlanden (1825-1830), noopten tot het in 1830 door
gouverneur-generaal Van den Bosch ingevoerde Cultuurstelsel.
Na de grondwetsherziening van 1848, die de Staten-Generaal invloed gaf
op Indische aangelegenheden, werd bij het bij die Grondwet voorziene
regeringsreglement van 1854 tot geleidelijke afschaffing van het stelsel
van de gedwongen cultures besloten. De agrarische wetgeving van De Waal
(1870) maakte de baan vrij voor het Europese kapitaal en de Europese
cultures. Ondanks de remmende invloed van de Atjeh-oorlog (1873-1903)
werd eindelijk ook de tijdens het Cultuurstelsel gevolgde
onthoudingspolitiek ten opzichte van de Buitengewesten verlaten.
De
eeuwwisseling luidde voor Nederlands-Indië het tijdperk in van de
ethische politiek, die ten doel had het belang van de inheemse bevolking
en haar opvoeding tot zelfstandigheid te bevorderen. Het onderwijs en de
welvaartszorg kregen meer aandacht. Vooral door de verbetering van het
onderwijs voor de inheemse bevolking - ook al profiteerde daarvan
verhoudingsgewijs maar een kleine groep - won de nationalistische
beweging in de volgende jaren snel terrein. In 1908 werd de Boedi Oetomo
(het schone streven) opgericht, nog in hoofdzaak Javaans-cultureel
gericht, in 1912 de Sarekat Islam, een massabeweging op islamitische
grondslag, in 1920 de communistische partij (PKI). In 1926-1927 kwam het
tot door de communisten geïnspireerd gewapend verzet tegen het
Nederlandse bestuur in West-Java (Bantam) en op de Westkust van Sumatera
(Minangkabau), waarna de PKI werd verboden (ze herleefde pas in 1945).
Ten slotte stichtte Soekarno in 1927 de PNI (Partai Nasionalis Indonesia),
die zich op het standpunt van volledige onafhankelijkheid (Merdeka) voor
Indonesië stelde.
De Nederlanders hebben de kracht van de nationalistische beweging
onvoldoende onderkend. Wel waren zij bereid tot de instelling van de
Volksraad in 1918, maar dit lichaam had slechts beperkte bevoegdheden,
ook toen vanaf 1931 van de 60 leden 30 Indonesiër waren (naast 25
Nederlanders en 5 Chinezen en Arabieren). Van deze 30 Indonesiërs werd
bovendien eenderde door het Nederlandse bestuur benoemd, terwijl de
overige 20 werden gekozen door een kiezerscorps van (in 1939) nog geen
1500 leden. Van een echte volksvertegenwoordiging was dan ook geen
sprake. Tegen de nationalisten, vaak met de communisten op één lijn
gesteld, traden de Nederlanders na 1926 geleidelijk scherper op. Zo
werden velen verbannen naar het interneringskamp Boven-Digul in het
ongezonde binnenland van (Westelijk) Nieuw-Guinea of naar een andere
uithoek van Indonesië; een lot dat onder het autoritaire regime van
gouverneur-generaal De Jonge onder meer Soekarno, Hatta en Sjahrir trof.
Pas door de Japanners werden deze nationalistische voormannen op vrije
voeten gesteld. Dat Nederland aan de Indonesische verlangens naar
grotere vrijheid niet tegemoet wilde komen, bleek opnieuw in 1938, toen
het de Soetardjo-petitie afwees, waarbij was verzocht om de
bijeenroeping van een rijksconferentie, teneinde aan Indonesië langs de
weg van geleidelijkheid zelfstandigheid toe te kennen binnen het
rijksverband.
5.6 De Japanse bezetting
In het voorjaar van 1942 bezetten de Japanners geheel Nederlands-Indië.
De Nederlanders werden geïnterneerd in kampen, waar velen om het leven
kwamen (naar schatting 13% van de 90!000 burgers en 23% van de 37!000
krijgsgevangenen), o.a. tal van gevangenen die aan de Birma-Siamspoorweg
moesten werken. Tijdens de Japanse bezetting was Indonesië politiek en
economisch geheel ondergeschikt aan Japan, terwijl de bevolking werd
gemobiliseerd ten behoeve van de Japanse oorlogsinspanning.
De Japanners waren voor dat doel ook bereid samen te werken met de
Indonesische nationalisten. Vooral Soekarno, die in juli 1942 te Batavia
was teruggekeerd, trad hierbij op de voorgrond. Een belangrijke
ontwikkeling was in 1943 de oprichting van een Indonesisch
vrijwilligersleger, de PETA, die tezamen met Japan Java tegen een
geallieerde inval zou moeten verdedigen. In deze militaire hulpformatie
kreeg o.a. Soedirman, na 1945 de eerste Republikeinse opperbevelhebber,
zijn opleiding. Intussen verslechterde de economische situatie, vooral
op het platteland, snel. Zo kwamen de grote landbouwondernemingen stil
te liggen. De toestand werd nog verergerd door de vordering van rijst
voor de Japanse troepen en de ronseling van arbeidskrachten (romusha's).
In deze tijd ontstond een nieuwe maatschappelijke categorie, de pemuda
(jongeren), samengesteld uit studenten, in internaten ondergebrachte
jongere ambtenaren en leden van militaire en paramilitaire hulpformaties
zoals de PETA. In het vervolg zouden de pemuda de schakel zijn tussen
stedelijk en agrarisch radicalisme.
In sept. 1944 beloofde de Japanse premier Koiso, toen de oorlog voor
zijn land steeds slechter begon te verlopen, aan Indonesië een spoedige
onafhankelijkheid, zoals die ook was verleend aan het door de Japanners
bezette Birma en de Filippijnen. Op 8 aug. 1945 werden Soekarno en Hatta
bij de Japanse commandant in Zuidoost-Azië, Terautsji, ontboden. In Da
Lat (Indo-China) bespraken zij de modaliteiten van de zelfstandigheid.
Maar één dag na hun terugkeer in Batavia gaf Japan zich aan de
geallieerden over (15 aug.). Twee dagen later riepen Soekarno en Hatta,
onder druk van de pemuda-jongeren, de Republiek Indonesië uit, waarvan
Soekarno president werd.
5.7 De overgangsperiode
Nederlands-Indië was op de dag van de Japanse capitulatie door het
Amerikaanse aan het Britse Zuidoost-Azië-commando overgedragen. Dit had
echter weinig troepen en kon het land voorlopig niet bezetten. Er kwam
een interregnum. De eerste Britten en Nederlanders kwamen pas in okt.
1945 op Java aan. In de meeste Buitengewesten werd het Nederlandse gezag
snel hersteld. Op Java en Sumatera echter bood de Republiek verzet in
een guerrilla tegen de terugkerende Nederlanders, die voorlopig werd
afgesloten na het onder Britse druk gesloten Nederlands-Republikeinse
akkoord van Linggadjati (nov. 1946), waaraan eerdere besprekingen - o.a.
de Hoge Veluwe-conferentie in april 1946 - waren voorafgegaan.
Levensvatbaar was deze overeenkomst echter niet. Om te beginnen
formeerde de Nederlandse luitenant-gouverneur-generaal Van Mook in de
door hem bestuurde gebieden deelstaten die het wantrouwen van de
Republiek wekten, omdat men er een poging in zag de Indonesiërs
onderling te verdelen. De belangrijkste deelstaat was Oost-Indonesië,
waartoe ook de Zuid-Molukken behoorden. Verder handhaafde Nederland de
maritieme blokkade van de Republiek, terwijl de Republiek de door de
Nederlanders bezette enclaves aan de kust onder druk hield. Op 21 juli
1947 begon Nederland zijn eerste 'politionele actie', die door toedoen
van de Verenigde Naties op 5 aug. werd gestaakt. In de onder Amerikaanse
druk gesloten Renville-overeenkomst aanvaardden Nederland en de
Republiek de goede diensten van de Verenigde Naties. Binnen de
Republiek, die na aug. 1947 tot het gebied van Midden-Java was
teruggedrongen, gistte het tussen de stedelijke radicalen, merendeels
volgelingen van Tan Malakka, en een man als de sociaal-democraat Sjahrir.
Parallel hiermee waren er binnen het leger tegenstellingen tussen de
Siliwangi-divisie van Nasoetion en pemuda-getinte Midden- en
Oost-Javaanse formaties. Op de achtergrond doemde het vraagstuk van de
'onwettige occupatie' van ondernemingsgronden door landloze boeren op.
Bij het hiermee samenhangende radicalisme sloten in sept. 1948
Oost-Javaanse pemuda's aan. Met grondhervorming als leuze begonnen zij
in Madiun een opstand tegen de als pro-Nederlands gedoodverfde regering.
De Indonesische communistische partij (PKI) nam de leiding van de
revolte op zich. Deze werd echter door Nasoetions Siliwangi-divisie
neergeslagen.
Was Indonesië al ten tijde van het Renville-akkoord een factor in de
'koude oorlog' geworden, na Madiun kreeg de Republiek in Washington nog
meer gezag. Dit was de voornaamste reden waarom een in dec. 1948
ingezette tweede 'politiële actie' ondanks de bezetting van Yogyakarta
en de gevangenneming van vrijwel de gehele Republikeinse regering
politiek mislukte. Onder Amerikaanse pressie droeg Nederland op 27 dec.
1949 de soevereiniteit over Nederlands-Indië over (met uitzondering van
Nieuw-Guinea, waarvan de status binnen een jaar geregeld zou moeten
worden door onderhandelingen tussen Nederland en de Verenigde Staten van
Indonesië [VSI]). Een en ander werd geregeld in de akkoorden van de
Ronde-Tafelconferentie (aug.-nov. 1949).
5.8 Indonesië als onafhankelijke staat
Op grond van genoemd akkoord werden Nederland en de VSI in een Unie
verenigd, een schijnconstructie mede omdat de VSI niet levensvatbaar
waren. Hun staatshoofd was Soekarno, meer dan wie ook de belichaming van
het unitarisme. De VSI verdwenen dan ook op 17 aug. 1950. Alleen in de
Zuid-Molukken, waar in april 1950 een onafhankelijke republiek was
uitgeroepen, werd tegen deze ontwikkeling gewapend verzet geboden,
vooral door voormalige KNIL-militairen. In de plaats van de VSI kwam de
unitarische Republiek Indonesië, met een op Nederlandse leest geschoeide
voorlopige grondwet. Het hieraan inherente onschendbaarheidsbeginsel van
het staatshoofd was Soekarno niet naar de zin.
Politiek gesproken oefenden in Indonesië op grond van de
rondetafelconferentie Indonesiërs de macht uit, economisch gesproken
echter bleef het accent liggen op de Nederlandse handelshuizen en grote
plantages. Het parlementarisme kon in dit klimaat slecht gedijen. Tussen
de belangrijkste twee partijen, de islamitische pro-westelijke Masjumi
en Soekarno's oude partij, de Javaans getinte nationalistische en
neutralistische PNI, bestonden scherpe tegenstellingen. Het leger,
politiek scherp verdeeld, was een geduchte extraparlementaire factor.
Ondertussen had de PKI zich onder leiding van Aidit van Madiun hersteld.
Ze had een stevige greep op vak- en boerenbonden. Het leger, de PKI en
Soekarno werden de voornaamste machtscentra. In deze constellatie van
groeiend nationalisme en voortschrijdende inflatie zegde Indonesië in
1956 wegens het Nieuw-Guinea-geschil de Unie met Nederland op.
Verkiezingen voor een parlement (1955), een constituante (1955/1956) en
gemeenteraden (1957) waren succesrijk voor de PKI.
De situatie werd nog gecompliceerder toen, mede als reactie op deze
PKI-successen, conservatieve officieren in de Buitengewesten
separatistische neigingen gingen vertonen. Hierbij kwam dat Sumatera en
Sulawesi als exportgebieden meenden dat Java ten gevolge van
deviezenbepalingen (1953) hun inkomsten afroomde. De in 1957 ingezette
secessie werd militair onderdrukt, en wel door Nasoetion, die het met
Soekarno in alles behalve op het punt van de nationale eenheid oneens
was. In 1959 had Soekarno ondertussen met hulp van het leger de
constituante naar huis gestuurd en de oude grondwet van 1945
afgekondigd, die aan de president veel grotere macht gaf. De macht van
de politieke partijen werd in sterke mate beknot.
Het volgende jaar ging de president nog verder met de doorvoering van
het nieuwe staatsbestel, dat hij betitelde als 'geleide democratie'. Het
parlement werd in maart 1960 vervangen door een lichaam waarin naast
afgevaardigden van de politieke partijen ook vertegenwoordigers van
beroepen en maatschappelijke groeperingen, de zgn. functionele groepen,
zitting kregen. In aug. 1960 werden de Masjumi-partij en de
socialistische PSI, waaraan geen zetels in het parlement waren
toegewezen, verboden. In 1961 bleven slechts tien erkende partijen over;
de belangrijkste waren de islamitische Nahdatul Ulama, de
nationalistische PNI en de PKI. Maatregelen tegen journalisten en
dagbladen maakten een einde aan de persvrijheid. De spanning tussen de
aan invloed winnende communisten en hun sympathisanten enerzijds en de
nationalisten, islamieten en militairen anderzijds nam toe, m.n. in
1964, toen boeren op Java actie voerden tot herverdeling van de gronden.
Economisch bleef de toestand deplorabel, terwijl confrontaties, eerst
met Nederland en na de overdracht van Nieuw-Guinea in 1962 met Maleisië,
het land op grote militaire uitgaven kwamen te staan.
5.9 Staatsgreep door Soeharto
Op 30 sept. 1965 deed het hoofd van de presidentiële lijfwacht, overste
Untung, een greep naar de macht, naar hij zei om president Soekarno
tegen een staatsgreep van militairen te beschermen. Zes generaals, onder
wie de chef van de generale staf Achmed Jani, werden door de rebellen
omgebracht. Het leger bleef de toestand echter meester; de commandant
van de strategische reserve, generaal Soeharto,
herstelde
de orde in Jakarta. Op Midden-Java vonden gevechten plaats tussen
communistische opstandelingen en militairen. In de nu volgende verwarde
weken werden de communisten meedogenloos vervolgd. Onder de slachtoffers
was de leider van de communistische partij, Aidit. Soekarno werd na 1965
geleidelijk van het toneel verwijderd. President werd in 1967
Soeharto- zie foto, die zijn machtsbasis vond in het leger.
Het regime-Soeharto bracht een heroriëntatie teweeg in de buitenlandse
politiek. Financiële hulp door landen als de Verenigde Staten en
Nederland werd hervat: deze hulp kreeg een grootscheeps karakter, toen
ook andere landen daaraan gingen deelnemen. Ten gevolge hiervan werd
Indonesië economisch sterker afhankelijk van het Westen en als
uitvloeisel daarvan gedwongen zijn 'neutralistische' koers op te geven.
Binnenslands bleef nog veel ontevredenheid bestaan over de geringe
voortgang bij de ontwikkeling van de economie en de bestrijding van de
corruptie. Het bewind trachtte zijn positie te versterken door
drastische repressieve maatregelen. Een uiterlijk succes behaalde het in
1969, toen, onder sterke druk, Westelijk Nieuw-Guinea zich uitsprak voor
definitieve aansluiting bij Indonesië. Een politieke reorganisatie vond
plaats, toen de zgn. functionele groepen zich tot een partij
constitueerden (de Sekber Golkar), die, krachtig gesteund door de
overheid, in 1971 bij de algemene verkiezingen (de eerste sinds 1955)
een grote meerderheid verwierf. Na het vertrek van de Portugese troepen
uit Oost-Timor (zie Portugees Timor) mengde Indonesië zich eind 1975
militair in de gewapende strijd om machtsovername door de
bevrijdingsbeweging FRETILIN aldaar te voorkomen; op 17 juli 1976 maakte
president Soeharto officieel bekend dat Oost-Timor als 27ste provincie
bij Indonesië was ingelijfd; een daad die nooit door de Verenigde Naties
officieel erkend is.
Veel kritiek kreeg het regime-Soeharto, omdat het sinds de mislukte
staatsgreep van 1965 vele tienduizenden politieke gevangenen zonder vorm
van proces vasthield, o.a. op het afgelegen eiland Buru. Vrijwel al deze
gevangenen werden omstreeks 1979 vrijgelaten, zij het dat zij in hun
bewegingsvrijheid nog zekere belemmeringen ondervonden.
Hoewel de regerende Golkar-partij bij de verkiezingen in 1982 64% en in
1987 bijna 75% van de stemmen kreeg, kenmerkten de jaren 1977-1988 zich
door de nodige uitingen van ontevredenheid en sociale onrust. Ook kwam
de familie (m.n. mevrouw) Soeharto in opspraak wegens financiële
malversaties met publieke en liefdadigheidsfondsen.
Veel internationale kritiek kreeg Indonesië te verduren vanaf 1983, naar
aanleiding van de zgn. mysterieuze moorden op Java, waarbij vermeende
criminelen door onbekende daders (georganiseerd door het leger en met
goedvinden van de president, naar later bleek) werden vermoord.
In 1984 kwamen in de havenplaats Tanjung Priok groepen islamieten in
opstand tegen presidentiële maatregelen die een strengere controle op
politieke, sociale en religieuze organisaties inhielden door hun het
onderschrijven van de Pantjasila verplicht te stellen. Hierbij vielen
zeker achttien doden, gevolgd door bomaanslagen op Chinese bedrijven en
banken en op het tempelcomplex Borubudur. Bij velen, vooral jongeren en
PDI-aanhangers, won Soeharto weer aan populariteit.
In de loop van 1990 echter bepleitte de regering de overgang naar een
grotere 'openheid' (keterbukaan), die zich o.a. uitte in meer
persvrijheid. Van verschillende kanten drong men erop aan het politieke
systeem democratischer te maken. Soeharto noemde de staatsfilosofie
Pantjasila een 'open filosofie', die politieke meningsverschillen
verdraagt.
Soeharto zette daarnaast zijn toenadering tot de islam voort, ondanks
verzet van het leger. Toen in 1991 door het leger op Oost-Timor een
bloedbad onder demonstranten (100-150 doden) werd aangericht, stelde
Soeharto het leger ervoor verantwoordelijk en ontsloeg o.a. de regionaal
commandant van Oost-Indonesië. Als gevolg van de spanningen in Atjeh
zijn daar in 1991 en 1992 naar schatting 3000 burgers
om
het leven gekomen. Aan het eind van 1992 leek de rust te zijn
teruggekeerd. In maart 1993 werd Soeharto voor de zesde
achtereenvolgende keer president, zij het dat hij ditmaal de kandidaat
van het leger, generaal Sutrino, als vice-president moest accepteren en
dat buiten het leger een belangrijke stroming van vooral jongere
officieren voorstander is van een beperktere politiek-economische rol.
Op economisch gebied leidden de sterk toegenomen inflatie en de
tegenvallende investeringen in 1993 tot een verhoging van het
werkloosheidscijfer, wat weer grotere sociale spanningen tot gevolg had.
Ook in 1994 vonden gedurende het hele jaar proteststakingen plaats tegen
de zeer lage lonen en de mensonwaardige arbeidsomstandigheden. In de
vele corruptieschandalen, waarbij regelmatig ook familieleden van
president Soeharto waren betrokken, ging de rechterlijke macht een
steeds onafhankelijker positie innemen.
De economie bleef in de jaren negentig fors groeien. Hetzelfde gebeurde
met de kritiek op de politieke en economische machtsconcentraties,
waarin de presidentiële familie sleutelposities innam. De kloof tussen
arm en rijk werd groter, terwijl het gebrek aan concurrentie de economie
inefficiënter deed functioneren.
De presidentsverkiezingen van 1997 wierpen al in 1996 hun schaduw
vooruit: de regerende Golkarpartij poogde elke oppositie in de kiem te
smoren. Twee nieuwe oppositiepartijen werden verboden en Megawati
Soekarnoputri, de dochter van oud-president Soekarno, werd als leider
van de Democratische Partij van Indonesië ten val gebracht.
|