header_science

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

De Buideldieren

 

De dierenpagina ...klik hier

 

Buideldieren, de superorde Marsupialia of Metatheria van de zoogdieren, die haar naam dankt aan een buidel (marsupium) aan de onderbuik van het wijfje, waarin de melkklieren uitmonden. Deze buidel, waarin het jong beschutting en voedsel vindt, wordt gesteund door twee met het schaambeen verbonden buidelbeenderen. Niet alle soorten bezitten een echte buidel, sommige hebben slechts enkele huidplooien, andere zelfs niet meer dan lange buikharen waartussen de tepels verscholen liggen. Bij de kangoeroes en bij de klimbuideldieren ligt de buidelopening aan de bovenzijde, bij de overige soorten, vooral bij de gravende, is zij gewoonlijk naar achteren gericht. Het gebit is een goed ontwikkeld blijvend melkgebit met veel snijtanden; het kan aangepast zijn aan een dieet voor zowel carnivoren, insecteneters als herbivoren. De tandwisseling is beperkt tot de derde of de vierde kies. De hersenen zijn klein. De temperatuurregeling van de Buideldieren is niet zo volmaakt als bij de hogere zoogdieren. De ontwikkeling van de tenen, die alleen klauwen en nimmer hoeven dragen, wijkt in zoverre van die van andere zoogdieren af, dat niet de derde en vierde teen de sterkste ontwikkeling vertonen, maar de vierde en de vijfde of alleen de vierde.

Een placenta ontbreekt bij de buideldieren niet geheel en al: bij de allereerste ontwikkeling in het lichaam van het moederdier is er wel een placenta aanwezig, die bij de buideldassen zelfs dezelfde bouw vertoont als bij de placentale zoogdieren. De openingen van de geslachtsorganen en de urinewegen bevinden zich in het benedeneind van het darmkanaal. De jongen van de buideldieren worden in een vroeg stadium van ontwikkeling geboren, na een korte draagtijd die tussen 8 en 40 dagen ligt. Het pasgeboren jong (bij de kangoeroe gewoonlijk slechts ťťn) komt haarloos, blind, met gesloten oren, gespleten bovenlip en nog functionerende oernier ter wereld, doch de neusgaten zijn reeds geopend en reuk en tastzin zijn goed ontwikkeld. De voorpoten zijn, ook bij de kangoeroes, bij de geboorte krachtiger ontwikkeld dan de achterpoten. Het jong (bij de reuzenkangoeroe ca. 3 cm groot, bij de buidelratten niet groter dan een erwt) kruipt met behulp van zijn nagels zelfstandig in de buidel van zijn moeder, waarbij de richting van de buikharen de weg wijst, en hecht zich daar met de buisvormige mondopening vast aan de lange beweeglijke tepel. Na enkele dagen zwelt de punt van de tepel knopvormig op en de lippen van het jong vergroeien gedeeltelijk weer met elkaar, zodat de mond de tepel niet dan met moeite kan loslaten. Aanvankelijk is het jong nauwelijks in staat tot zuigen; de moeder spuit de melk in de bek, waarbij de buidelbeenderen dienst schijnen te doen; er is geen kans op verslikken doordat het strottenhoofd nog in de neusgang steekt. Na een aantal maanden (bij de rode kangoeroe na ca. vijf) laat het jong de tepel los.

Bij de rode kangoeroe verlaat het jong na bijna zeven maanden voor het eerst de buidel, bij de reuzenkangoeroe duurt het wel acht maanden, bij de buidelratten daarentegen slechts ruim twee maanden. Pas na 18 maanden is de jonge reuzenkangoeroe zelfstandig. Bij het minste gevaar keert het jong aanvankelijk weer snel in de buidel terug.

Enkele dagen na de geboorte is het wijfje weer bronstig en kan opnieuw bevrucht worden. Is er een jong in de buidel, dan wordt zij na deze ene keer niet opnieuw bronstig. Het zogen van het jong remt de bronst en tevens de verdere ontwikkeling van de na de bevruchting van de eicel gevormde blastocyst (kiemblaas, een stadium uit de ontwikkeling van de bevruchte eicel), die vrij in de buikholte aanwezig blijft en zich niet verder ontwikkelt.

De Buideldieren vormen een zeer oude groep, die in het Krijt ook verspreid was over Europa en AziŽ, maar thans is beperkt tot AustraliŽ, Nieuw-Guinea, Sulawesi en de Molukken en voorts, althans wat de buidelratten en ratopossums betreft, Zuid-Amerika, Midden-Amerika en een deel van Noord-Amerika. AustraliŽ ontving de Buideldieren vermoedelijk tegen het einde van het Krijt uit AziŽ. In EuraziŽ werden de Buideldieren verdrongen door de hogere zoogdieren, die niet meer in AustraliŽ konden doordringen, omdat dit toen reeds van de andere werelddelen was geÔsoleerd. Een andere hypothese stelt dat alleen in AustraliŽ de destijds wijd verspreide Buideldieren er in slaagden de overige zoogdieren vrijwel geheel te verdringen. Tegenwoordig wordt aangenomen dat de buideldieren in Gondwanaland ontstonden, het zuidelijk supercontinent waaruit o.a. AustraliŽ en Zuid-Amerika ontstonden. De Buideldieren vertonen een sterke differentiatie: er zijn roofdieren, insecteneters en planteneters, gravers, klimmers en steppedieren onder, zoals bij soorten uit geheel andere orden het geval kan zijn. Deze gelijkenis berust niet op verwantschap, maar op parallel lopende ontwikkeling (convergentie).

Van de ca. 265 soorten leeft ongeveer tweederde in AustraliŽ; de overige in Amerika.

Buideldieren zijn zoogdieren. Er bestaan 265 soorten en een grote verscheidenheid aan vormen. Toch hebben ze allemaal ťťn kenmerk gemeen: hun buidel.In tegenstelling tot de hoger ontwikkelde zoogdieren, die men ook wel placentalia (dieren met een placenta) noemt, brengen buideldieren hun jongen al vrij snel na de paring ter wereld. De jongen verkeren dan nog in een vroeg stadium van hun ontwikkeling. De zeer kleine jongen zijn niet alleen naakt, blind en doof, maar ook hun ledematen zijn nog niet volkomen ontwikkeld. De embryoís verblijven eerst enige tijd in een buidel of in een huidplooi van het vrouwtje. Meestal kruipen de jongen daar zelf heen. De huidplooi die meestal aan de voorzijde een opening heeft wordt normaal gesproken door twee buidelbeenderen op zijn plaats gehouden. Deze beenderen zitten aan de schaambeenderen vast. In de buidel bevinden zich de melklieren, waarmee het jong, totdat hij zich volledig heeft ontwikkeld, kan voeden. Na meerdere weken of maanden verlaat het jong voor de eerste keer de buidel. Het jong komt echter steeds weer terug in de buidel en blijft ook vaak, nadat hij al volgroeid is, tot de volgende paartijd bij de moeder.

Terwijl men vroeger geloofde dat de buideldieren oorspronkelijk uit AustraliŽ kwamen, zijn onderzoekers nu van mening, dat hun oorsprong in Amerika ligt. Hier heeft men versteende fossielen van buidelratten gevonden die uit het vroege Krijt stammen, ze zijn dus zoín 130 miljoen jaar oud. In deze periode ontwikkelden zich ook de eerste zoogdieren. Omdat Zuid-Amerika en AustraliŽ toen ťťn landmassa vormden konden de buideldieren in AustraliŽ komen. Buideldieren kwamen miljoenen jaren geleden ook in Europa voor. Ze werden echter door de hoger ontwikkelde zoogdieren verdrongen. Tegenwoordig komen de buideldieren alleen nog maar in Zuid-Amerika (30 soorten) en in AustraliŽ (230 soorten) voor. Men deelt ze in 9 families in, die afhankelijk van de familie tussen de 10 cm en de 2 meter lang worden.

Bekende buideldieren zijn de koala, de kangoeroe, de opossum en de wombat.
 

 

De dierenpagina ...klik hier

 

Footer worldwidebase



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009