|
Geleedpotigen, de stam Arthropoda van het
Dierenrijk. De Gelede wormen en de Geleedpotigen zullen vermoedelijk uit een
gemeenschappelijke voorouder zijn ontstaan, want bij beide diergroepen is het
lichaam in segmenten verdeeld en vormt het zenuwstelsel een touwladder.
1. Bouw
1.1 Segmenten
De segmenten bij de
Geleedpotigen zijn niet alle aan elkaar gelijk, zodat een kop, borststuk
(thorax) en achterlijf (abdomen) onderscheiden kunnen worden. Elk segment draagt
in principe een paar gelede aanhangsels, waarvan de leden door middel van
gewrichten ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. De aanhangsels van de
kopsegmenten dienen gewoonlijk voor de voedselvoorziening, die van het borststuk
voor de voortbeweging terwijl de aanhangsels van het achterlijf verschillende
functies kunnen hebben of ontbreken. Bij de lagere Schaaldieren en de
Duizendpootachtigen is het niet mogelijk een scheiding te maken tussen borststuk
en achterlijf, terwijl bij de Spinachtigen en bij sommige andere Schaaldieren
kop en borststuk één geheel vormen (kopborststuk of cefalothorax).
In de loop van de evolutie zijn bij de Diantennata en Tracheata vier segmenten
met het acron (homoloog met de koplap van de gelede wormen) vergroeid. Zij
vormen samen de kop. Op het acron en de hierop volgende segmenten staan: de
eerste antennen (antennulae), de tweede antennen (antennae) – deze ontbreken bij
de Insecten –, een paar bovenkaken (mandibels) en twee paar onderkaken (eerste
en tweede paar maxillen). Bij de Chelicerata is de fusie anders en de
ontwikkeling van de kop moeilijk te volgen. Hier vindt men achtereenvolgens aan
het kopborststuk: cheliceren, pedipalpen en vier paar looppoten.
1.2 Cuticula
De opperhuidcellen vormen een zeer stevige cuticula, waarin allerlei stoffen
zijn afgezet (o.a. chitine) en die vaak ondoorlatend is voor water, zodat
landleven mogelijk is. De cuticula doet ook dienst als uitwendig skelet, dat de
vorming van stevige poten, vleugels (insecten) en stevige monddelen mogelijk
maakt. De groei wordt door het uitwendig skelet beperkt, zodat een periodieke
vervelling noodzakelijk is; gedurende dit proces zijn de dieren kwetsbaar. Bij
een vervelling wordt de oude cuticula afgestroopt; de nieuwe is aanvankelijk
zacht en laat beperkte groei toe.
1.3 Beweging
Voor de beweging is het noodzakelijk, dat er skeletdelen zijn die ten opzichte
van elkaar kunnen bewegen; zo is elk segment opgebouwd uit een aantal
skeletplaten en zijn er buigzame membranen tussen de segmenten. De beweging
gebeurt, evenals bij de gewervelde dieren, door samenwerking van skelet en
spieren.
1.4 Ademhaling, bloedsomloop en zintuigen
De ademhaling geschiedt door kieuwen (Schaaldieren), door tracheeën (Insecten),
of door boeklongen en tracheeën (Spinachtigen). Het bloedvatenstelsel is open;
een aan de rugkant gelegen hart pompt het bloed door het lichaam. Via spleten
komt het bloed in het hart terug. De aanhangsels aan de kop bezitten reuk- en
tastfuncties. Eveneens bevinden zich op de kop facetogen en ocellen .
2. Paleontologie
De geschiedenis van deze stam gaat met zekerheid terug tot het Onder-Cambrium.
Mariene afzettingsgesteenten uit die periode bevatten de eerste trilobieten.
Gedurende het gehele Paleozoïcum is het vooral de onderstam Trilobieten die het
overgrote deel van de toen levende arthropoden uitmaakte. Sinds het
Jong-Paleozoïcum zijn er naast de Trilobieten vertegenwoordigers van de
Schaaldieren.
In de paleontologie zijn de Mosselkreeften het best bekend geworden. Zij
verschenen in het Ordovicium. Tijdens het Mesozoïcum verschijnen geleidelijk de
overige orden van de Schaaldieren. De Chelicerata zijn paleontologisch minder
bekend; de enige bekende klasse zijn de Merostomata. De klasse Insecten is ook
minder bekend. |