header_science

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Info geleedpotigen

 

 De dierenpagina ...klik hier

 
Geleedpotigen, de stam Arthropoda van het Dierenrijk. De Gelede wormen en de Geleedpotigen zullen vermoedelijk uit een gemeenschappelijke voorouder zijn ontstaan, want bij beide diergroepen is het lichaam in segmenten verdeeld  en vormt het zenuwstelsel een touwladder.

1. Bouw
1.1 Segmenten
De segmenten bij de Geleedpotigen zijn niet alle aan elkaar gelijk, zodat een kop, borststuk (thorax) en achterlijf (abdomen) onderscheiden kunnen worden. Elk segment draagt in principe een paar gelede aanhangsels, waarvan de leden door middel van gewrichten ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. De aanhangsels van de kopsegmenten dienen gewoonlijk voor de voedselvoorziening, die van het borststuk voor de voortbeweging terwijl de aanhangsels van het achterlijf verschillende functies kunnen hebben of ontbreken. Bij de lagere Schaaldieren en de Duizendpootachtigen is het niet mogelijk een scheiding te maken tussen borststuk en achterlijf, terwijl bij de Spinachtigen en bij sommige andere Schaaldieren kop en borststuk ťťn geheel vormen (kopborststuk of cefalothorax).
In de loop van de evolutie zijn bij de Diantennata en Tracheata vier segmenten met het acron (homoloog met de koplap van de gelede wormen) vergroeid. Zij vormen samen de kop. Op het acron en de hierop volgende segmenten staan: de eerste antennen (antennulae), de tweede antennen (antennae) – deze ontbreken bij de Insecten –, een paar bovenkaken (mandibels) en twee paar onderkaken (eerste en tweede paar maxillen). Bij de Chelicerata is de fusie anders en de ontwikkeling van de kop moeilijk te volgen. Hier vindt men achtereenvolgens aan het kopborststuk: cheliceren, pedipalpen en vier paar looppoten.
1.2 Cuticula
De opperhuidcellen vormen een zeer stevige cuticula, waarin allerlei stoffen zijn afgezet (o.a. chitine) en die vaak ondoorlatend is voor water, zodat landleven mogelijk is. De cuticula doet ook dienst als uitwendig skelet, dat de vorming van stevige poten, vleugels (insecten) en stevige monddelen mogelijk maakt. De groei wordt door het uitwendig skelet beperkt, zodat een periodieke vervelling noodzakelijk is; gedurende dit proces zijn de dieren kwetsbaar. Bij een vervelling wordt de oude cuticula afgestroopt; de nieuwe is aanvankelijk zacht en laat beperkte groei toe.
1.3 Beweging
Voor de beweging is het noodzakelijk, dat er skeletdelen zijn die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen; zo is elk segment opgebouwd uit een aantal skeletplaten en zijn er buigzame membranen tussen de segmenten. De beweging gebeurt, evenals bij de gewervelde dieren, door samenwerking van skelet en spieren.
1.4 Ademhaling, bloedsomloop en zintuigen
De ademhaling geschiedt door kieuwen (Schaaldieren), door tracheeŽn (Insecten), of door boeklongen en tracheeŽn (Spinachtigen). Het bloedvatenstelsel is open; een aan de rugkant gelegen hart pompt het bloed door het lichaam. Via spleten komt het bloed in het hart terug. De aanhangsels aan de kop bezitten reuk- en tastfuncties. Eveneens bevinden zich op de kop facetogen en ocellen .

2. Paleontologie
De geschiedenis van deze stam gaat met zekerheid terug tot het Onder-Cambrium. Mariene afzettingsgesteenten uit die periode bevatten de eerste trilobieten. Gedurende het gehele PaleozoÔcum is het vooral de onderstam Trilobieten die het overgrote deel van de toen levende arthropoden uitmaakte. Sinds het Jong-PaleozoÔcum zijn er naast de Trilobieten vertegenwoordigers van de Schaaldieren.
In de paleontologie zijn de Mosselkreeften het best bekend geworden. Zij verschenen in het Ordovicium. Tijdens het MesozoÔcum verschijnen geleidelijk de overige orden van de Schaaldieren. De Chelicerata zijn paleontologisch minder bekend; de enige bekende klasse zijn de Merostomata. De klasse Insecten is ook minder bekend.

 
   

Footer worldwidebase



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009