Weekdieren of Mollusken, de stam Mollusca van
het Dierenrijk,
sinds het Cambrium
over de gehele wereld verspreid, momenteel met naar schatting 100.000
soorten, daardoor op de
Geleedpotigen na de soortenrijkste stam.
De Weekdieren vertonen een enorme diversiteit; de meeste groepen zijn
gekenmerkt door een week lichaam en het bezit van een harde schelp. Andere
typische weekdierkenmerken zijn verder een mantel (die het lichaam omhult),
een radula (rasptong, bestaand uit een samenstel van een groot aantal
horizontale rijen minuscule tandjes) en (kamvormige) kieuwen (ctenidia); de
verschillende groepen vertonen verder overeenkomst in bouw van
bloedvatenstelsel en zenuwstelsel en ook in de embryonale ontwikkeling.
De mantel (pallium), in wezen een huidplooi, is zelf weer gevouwen, zodat
een mantelholte gevormd wordt. De mantel is op veel verschillende manieren
gedifferentieerd en speelt een rol bij voedselvoorziening, ademhaling,
voortbeweging en opbouw van de schelp. Bij de Keverslakken en Mosselachtigen
is de mantel langs de voet vergroot voor het vergaren van voedsel; bij de
Slakken is door de torsie (draaiing van het lichaam) de mantel aan de
rugzijde komen te liggen. Bij de Koppotigen daarentegen is de mantel aan de
buikzijde gesitueerd en dient daar als krachtig gespierd orgaan voor de
voortbeweging. De mantel vormt de schelp. De wand van de schelp is in
principe opgebouwd uit drie lagen: een buitenlaag (periostracum, een
eiwitlaag), een prismatische middenlaag (calciet of aragoniet, op basis van
calcium) en een binnenlaag (gewoonlijk een parelmoerlaag). De schelp bestaat
voor een groot deel uit kalk; deze kalk wordt ontleend aan het voedsel of
aan het zeewater. Zie ook schelp, Slakken [dierkunde] en Mosselachtigen.
Het bloedvatenstelsel is een open stelsel. Het zenuwstelsel doet nog veel
aan dat van de Gelede wormen denken (touwladderzenuwstelsel met talrijke
modificaties). Bij de Koppotigen is van een zodanige concentratie van
zenuwknopen (ganglia) in de kop sprake, dat het woord ‘hersenen’ hier wel
voor gebezigd wordt.
De bevruchte eicel ondergaat een spiraalklieving, wat resulteert in een van
trilhaarkransen voorziene larve (trochophora-larve; zie ook Gelede wormen),
welk stadium ook binnen het ei doorlopen kan worden. Het volgende stadium,
de veligerlarve, heeft al een schelpje en een velum (drijf- en zwemvlies).
Ook dit stadium kan in het ei doorlopen worden; bij bepaalde groepen
voltrekt de gehele gedaanteverwisseling zich zelfs binnen het ei.
De drie grootste groepen van de Weekdieren zijn in principe gekenschetst
door hun leefwijze, nl. de Slakken zijn kruipende voedselraspers, die de
gehele wereld veroverd hebben, de Mosselachtigen zijn weinig beweeglijke
filtreerders in zee en zoet water, en de Koppotigen zijn zeer beweeglijke in
zee levende roofdieren geworden. Hoewel de Weekdieren gemakkelijk in een
aantal hoofdgroepen in te delen zijn, is de onderlinge relatie van die
groepen nog omstreden, wat samenhangt met verschillende inzichten
betreffende de afstamming van de Mollusken. Enerzijds zijn er argumenten aan
te voeren voor een gemeenschappelijke voorouder van de Gelede wormen, de
Geleedpotigen en de Weekdieren, anderzijds bestaat de mogelijkheid de
Weekdieren van eenzelfde voorouder als de Platwormen af te leiden. Hiermee
houdt o.a. verband de vraag of en in hoeverre de Weekdieren (sporen van)
segmentatie vertonen.
Tot de weekdieren, die men ook mollusca noemt, behoren meer dan 100.000
soorten. Ze worden onderverdeeld in drie hoofdcategorieën: mosselen, de
slakken en de koppotigen. Hoewel ze qua uiterlijk kunnen verschillen hebben
ze toch allemaal dezelfde bouw: kop, romp en mantel. Hun weke lichaam bevat
geen skelet. Aan de onderkant van de romp bevindt zich een voet, die
gewoonlijk ter voortbeweging dient. Bij de koppotigen (inktvissen) heeft
deze voet zich ontwikkeld tot een trechter en armen. De mantel, die meestal
begint bij de overgang tussen ingewandszak en voet, is in alle drie groepen
verschillend gevormd. Bij de meeste soorten bevindt zich hier vaste
behuizing van kalk, de schelp. Tussen de romp en de mantel ligt de
mantelholte, die bij de in het water levende soorten kieuwen bevat, en bij
de landslakken longen. Stoffen worden uitgewisseld via een open
bloedvatenstelsel. Het zenuwstelsel bestaat uit drie paar zenuwknopen. Deze
bevinden zich in de kop, in de voet en in de ingewanden. Ze zijn onderling
met elkaar verbonden. Vanuit deze zenuwknopen lopen de zenuwen door het
lichaam. Weekdieren planten zich voort door middel van eieren. Uit deze
eieren komen zwemmende larven komen. Tot de slakken behoren de longslakken
en de kieuwslakken, tot de koppotigen behoren de inktvis en de nautilus.
Uitgestorven soorten, zoals de belemnieten, zijn als fossielen in de
aardlagen bewaard gebleven. Ze hebben vooral in het Jura-tijdperk en het
Krijt geleefd. De ammonieten, die dezelfde bouw hebben als de nautilus,
leefden ook zo’n 200 miljoen jaar geleden in het Jura-tijdperk. Ze bevolkten
destijds in grote getalen de zeeën. Ook zij zijn uitgestorven. |
|
|