Krokodilachtigen, de orde Crocodylia van de klasse Reptielen. Zij zijn fossiel
bekend vanaf de Boven-Trias. Krokodillen leven in rivieren, meren, moerassen en
sommige gaan ook in zee. Snel zwemmen vindt plaats door zijwaartse
golfbewegingen van de lateraal afgeplatte, sterk gespierde, lange staart,
waarbij de poten, hoewel bij sommige voorzien van zwemvliezen, langs het lichaam
gelegd worden. De staart wordt ook als wapen gebruikt. Op het land, waar ze
komen om zich te zonnen, kunnen ze over korte afstanden snel rennen.
1. Anatomie
De huid is bedekt met hoornschubben die, in tegenstelling tot die van hagedissen
en slangen, niet met elkaar verbonden zijn en elkaar niet dakpansgewijs
overlappen. Onder de hoornschubben liggen, althans op de rug, beenplaatjes in de
dikke lederhuid. Alleen van soorten waarbij deze op de buik ontbreken (bijv. de
Mississippi-alligator), is dat deel van de huid verwerkbaar tot leer. Op de kop
is de huid met de schedelbeenderen vergroeid. De vele tanden op de lange kaken
staan in kassen, zoals bij zoogdieren (thecodont). Krokodillen hebben geen
lippen en kunnen daardoor hun bek niet voor water afsluiten; niettemin is
ademhalen mogelijk met slechts de neusgaten op de snuitpunt en de ogen boven
water. Het gehemelte is bij deze groep nl. zeer goed ontwikkeld en door een
vlezig aanhangsel ervan, plus een uitsteeksel van de achterkant van de (niet-uitsteekbare)
tong kunnen mond en keelholte van elkaar afgesloten worden, zodat de ademlucht
via de neusholte ongehinderd de keelholte kan passeren.
2. Voedsel
Het voedsel bestaat voor jonge dieren uit waterinsecten, kreeftachtigen, vis,
kikvorsachtigen, enz., voor grotere ook uit vogels en zoogdieren, ook vee en
zelfs mensen. Een grote prooi wordt zo mogelijk onder water getrokken en
verdronken. De maag is gedeeltelijk spiermaag, zoals bij vogels; ook
krokodilachtigen slikken stenen in, wellicht om het fijnmaken van het voedsel te
bevorderen, waarschijnlijker om hun soortelijk gewicht te regelen.
3. Voortplanting
Vele mannelijke krokodilachtigen brullen vooral in de paartijd. Na de copulatie
(deze groep heeft een echte penis, gelijk aan die van de zoogdieren) legt het
wijfje de van een kalkschaal voorziene eieren óf in een gegraven kuil in het
zand, óf in een zelf gemaakt nest van modder en plantenresten. Zij bewaakt soms
dit nest en maakt het open, als de jongen zich na het uitkomen door piepgeluiden
laten horen. |
|
|