Insecten en spinnen
behoren tot de groep van de geleedpotigen. Het zijn gelede, ongewervelde
dieren, die gelede poten en een uitwendig skelet hebben. Vier van de
vijf diersoorten behoren tot de geleedpotigen, zodat het niet
verwonderlijk is dat deze groep meer soorten omvat dan enige andere
groep binnen het dierenrijk. Wat aantallen soorten betreft, liggen de
insecten met meer dan 1 000 000 soorten aan kop. De groep van spinnen en
hun verwanten, de schorpioenen, mijten en teken, omvatten samen 50 000
soorten. Er zijn veel meer insecten dan mensen; de verhouding insecten:
mensen is ongeveer 200 miljoen: 1, wat inhoudt dat er voor iedere mens
200 miljoen insecten zijn. Hoe verschillend insecten ook van elkaar in
vorm en kleur zijn, ze bezitten allemaal een uit drie delen bestaand
lichaam, de kop, de thorax en het achterlijf (abdomen).
De thorax bestaat
uit drie segmenten, met aan elk daarvan één paar poten; insecten hebben
dus altijd zes poten. Het achterlijf is eveneens geleed, gewoonlijk in
acht tot twaalf segmenten. De voorste ledematen hebben zich ontwikkeld
tot vleugels en zijn bedekt met waterafstotende lichte veren. Sterke
vliegspieren, die aan het verlengde borstbeen hechten, dragen zorg voor
voldoende kracht om te kunnen vliegen. De oudst bekende vogel leefde
ongeveer 150 miljoen jaar geleden. Vogels stammen van reptielen af en
hun veren hebben zich uit de typisch reptielenschubben ontwikkeld.
Typerend voor insecten is hun driedelige lichaam, dat uit kop,
borstdeel (thorax) en achterlijf (abdomen) bestaat. Bijna alle insecten
hebben vleugels. Hun houding en vorm zijn zeer verschillend. Het zijn de
enige ongewervelde dieren die kunnen vliegen. Insecten komen overal op
aarde voor. Hun lengte varieert van 0,2 mm tot 35 cm. Verder bestaat er
ook een zeer grote variatie aan lichaamsvormen. Er zijn langwerpige,
afgeplatte en ronde exemplaren. Insecten hebben altijd zes poten.
Spinnen hebben daarentegen acht poten en kreeften tien.
Voor op de kop hebben insecten twee voelsprieten. Hierin bevinden zich
soms de smaakzintuigen, de reukorganen en de oren. Zogenaamde facetogen
zijn samengesteld uit soms wel duizenden "afzonderlijke" ogen. Bijen,
vlinders en sommige vliegen hebben hun smaakzintuigen op de poten
zitten. De zintuigen zijn deels zeer hoog ontwikkeld. Enkele insecten
kunnen ultrasonisch geluid waarnemen, andere kunnen UV-licht zien
(bijen). De aanhangsels die in dienst staan van de voedselopname zitten
aan de kop. De kauworganen kunnen boven- en onderkaken hebben. Insecten
krijgen hun voedsel binnen door te likken en te zuigen (zoals
bijvoorbeeld de mug), te likken en te zuigen (zoals bijvoorbeeld de
vlinder) of door te bijten en te kauwen (zoals bijvoorbeeld de kever)
hun werk doen.
Het lichaam van insecten, dat tegelijkertijd huid en skelet is, bestaat
uit een hoornachtig pantser (chitine), dat relatief hard is. Het houdt
het lichaam bij elkaar en beschermt het tegen uitdroging. Het is
samengesteld uit een groot aantal kleine delen (segmenten) die met
elkaar verbonden zijn. Omdat het chitinepantser niet meegroeit moet een
insect meerdere keren vervellen tijdens de verschillende
ontwikkelingsstadia. Er groeit dan onder het te kleine pantser een
nieuwe, zachte huid. De oude huid scheurt open en de huid wordt
afgestroopt. De nieuwe huid wordt snel hard. Dit proces herhaalt zich
tijdens het larvestadium meerdere keren, totdat het dier zijn
uiteindelijke grootte heeft bereikt. In de huid bevinden zich talrijke
klieren, zoals bijvoorbeeld geur- of vervellingsklieren. De oppervlakte
is bedekt met gifhaartjes, zintuighaartjes en schubben. De ademhaling
van insecten vindt plaats via een vertakt netwerk van buisjes, de
tracheeën. Insecten hebben geen longen. De tracheeën leiden naar alle
delen van het lichaam. Via minieme gaatjes in de oppervlakte van het
lichaam komt de lucht direct in de tracheeën. Deze ademhalingsgaatjes
worden ook wel stigmata genoemd.
Voor de voortplanting worden meestal bevruchte eitjes gelegd, heel
zelden worden er levende larven ter wereld gebracht. Via verschillende
larvenstadia en verpoppingstadia, waarin de dieren er volkomen anders
uitzien, ontwikkelen zich tenslotte de volwassen dieren. Insecten hebben
veel vijanden. Ze kunnen zich verbergen of weg lopen, daarnaast
beschikken sommige soorten over angels en gif. Vele keversoorten hebben
een hoornachtig schild dat hen beschermt. Andere insecten veranderen van
kleur. Zo kunnen bijvoorbeeld sommige vlinders en kevers de
waarschuwende kleuren van bijen of wespen imiteren, zodat vijanden
misleid worden. Andere kunnen zich camoufleren, zodat ze eruit zien als
de bladeren of de takken waarop ze zitten. Sommige dagvlinders hebben
hele grote vlekken op hun vleugels die eruit zien als ogen. Deze moeten
vogels afschrikken. Ze moeten hen laten geloven dat het kattenogen zijn.
Katten zijn een vijanden van de vogels.
De voorouders van de tegenwoordige insecten leefden tijdens het Devoon
(ongeveer 400 miljoen jaar geleden). In het late Carboon (333-286
miljoen jaar geleden) was de soortenrijkdom het grootst. Een voorbeeld
daarvan is de reuzenlibellen meganeura met een vleugelspanwijdte van 80
cm! Een tweede grote stap werd gezet toen kevers, vliegen en vlinders in
het Perm (286-248 miljoen jaar geleden) de mogelijkheid kregen een
metamorfose te ondergaan. Het huidige bestand aan insectensoorten
bestond al in het vroege Tertiair (25-2,5 miljoen jaar geleden). Men
heeft al meer dan 12.000 versteende soorten aangetroffen in gesteenten
die uit deze periode afkomstig zijn.
Ondertussen zijn er al meer dan 1 miljoen insecten beschreven. Men
ontdekt ieder jaar nog weer nieuwe soorten. Hun grote verscheidenheid en
hun mogelijkheden tot ontwikkeling zorgen ervoor dat ze in de meest
extreme gebieden kunnen overleven. Hierdoor komen ze zelfs in
woestijnen, hooggebergten en in Antarctica voor. Er leven relatief
weinig soorten in zee. De levenswijze van insecten is zeer verschillend.
Sommige leven alleen (libellen), andere leven in volken of kolonies
(termieten). |