header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Irak

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 

 

Irak (al-Djoemhoerijja al-Irakijja = de Republiek van Irak; Arab. iraq = zijde, oever [van de Eufraat en Tigris]), republiek in Zuidwest-AziŽ, 438.446 km2, met (schatting 1994) 21.699.000 inw. (49 inw. per km2); hoofdstad: Bagdad. Munteenheid is de Iraki dinar, verdeeld in 1000 fils. Nationale feestdag is 14 juli, de dag waarop in 1958 de monarchie ten val werd gebracht.
 

1. Fysische geografie
Landschappelijk bestaat Irak weliswaar vnl. uit laagland, maar het heeft daarnaast ook een berglandschap in het noordoosten (het Koerdistangebergte); woestijnen (40% van de totale oppervlakte) zijn er in het westen (Syrische Woestijn). Het laagland van Eufraat en Tigris (Tweestromenland) kent nog een tweedeling: bezuiden Bagdad ligt een zeer vlak landschap van afwisselend moerassen en slibvlakten, in welk gebied de Tigris in de lente grote overstromingen veroorzaakt. Benoorden Bagdad stromen daarentegen Eufraat en Tigris in duidelijk bepaalde dalen en strekt zich een plateau, het el-Djazira (lett.: eiland), tussen beide bovenlopen uit.
Het klimaat wordt gekenmerkt door een zeer warme (wekenlang boven de 40 įC) en uitgesproken droge zomer met een overheersende noordwestenwind (sjamal) en een gematigd koude winter (vorstperiodes) met enige neerslag (gemiddeld 150 mm).
Plantengroei en dierenwereld vertonen de kenmerken van de subtropische vlakten en berggebieden. Opmerkelijk is dat er een bijzonder weelderige rietvegetatie in het zuiden voorkomt. Ten gevolge van omvangrijke ontbossingen in historische tijd en van de toepassing van ongereglementeerde jachtmethoden in recente tijd is de fauna, vooral die van de grote zoogdieren, sterk verarmd. De Mesopotamische leeuw is begin 20ste eeuw uitgeroeid. Ook de Arabische struisvogel is verdwenen. In Koerdistan schijnen nog enkele edelherten voor te komen en hebben de Arabische moeflon en de ree zich kunnen handhaven.

2. Bevolking
(Photo: U.S. Air Force)De samenstelling van de bevolking is als volgt: 77% Arabieren, 19% Koerden, bijna 2% Turkomanen en ruim 2% kleine minderheidsgroeperingen (o.a. Perzen en Armenen) De bevolkingsaanwas bedraagt gemiddeld 3, 5% per jaar. De bevolking van de steden vertoont een snellere aanwas dan die van het platteland. In 1994 woonde 74% van de bevolking in stedelijke kernen. Bagdad alleen al had in 1994 4,9 miljoen inw. Enkele andere grote steden zijn Soeleimanija (1.157.000 inw.), Kirkoek (960.000), Basra (845.000) en Mosoel (778.000). Ongeveer de helft van de bevolking is jonger dan 15 jaar. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte is 66 jaar. De bevolkingsspreiding wordt vanuit etnisch oogpunt gekenmerkt door een concentratie van Koerden in de noordelijke berggebieden, van Turkomanen in het noordoosten en van Arabieren in het midden en in het zuidelijke deel van Irak. OfficiŽle taal is het Arabisch. Het Koerdisch en Turkse dialecten komen vooral voor in het noorden van het land, terwijl de volken in het oosten diverse vormen van Perzisch spreken. In religieus opzicht is ruim 96% islamitisch, iets meer dan de helft van hen behoort tot de sji'ieten, de rest tot de soennieten, die echter merendeels bevoorrechte posities innemen. Bijna 8% van de bevolking is christen, vnl. ChaldeeŽn. Er zijn kleine gemeenschappen MandeeŽn en Jezidi's.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
De republiek Irak kreeg in 1963 door een revolutie een socialistisch-democratisch karakter, maar is na de staatsgreep van 1968 de facto een dictatuur. Aan het hoofd van de republiek staat een president, die tevens regeringsleider en opperbevelhebber van de strijdkrachten is. De politieke macht berust volgens de grondwet van 1968 bij de Revolutionaire Commando Raad (RCC) van de Ba'thpartij (bestaande uit 9 leden). De Ba'thpartij is in feite de enige toegestane politieke partij. In juni 1980 werden voor het eerst sinds 1958 verkiezingen gehouden (waaraan voor het eerst vrouwen deelnamen) voor het parlement, dat eind juni 1980 werd geÔnstalleerd, en uit 250 leden bestaat, die voor vier jaar zijn gekozen en allen lid zijn van de Ba'thpartij of de 'beginselen van de Ba'thpartij zijn toegedaan'. Het parlement heeft maar tot zekere hoogte wetgevende macht. Voorts is er een Wetgevende Vergadering voor het autonome gebied Koerdistan.
3.2 Administratieve indeling
Irak is verdeeld in 18 provincies (waaronder 3 autonome provincies voor de Koerden), met aan het hoofd een gouverneur, bijgestaan door een Provinciale Raad. De steden hebben gekozen gemeenteraden en een door de centrale regering benoemde burgemeester. Bagdad bezit een aparte status.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Irak is lid van de Verenigde Naties en enkele suborganen van de VN, de Arabische Liga, OPEC (Organisatie van Olie Exporterende Landen) en OAPEC (Organisatie van Arabische Olie Exporterende Landen).
3.4 Partij- en vakbondswezen
Machtigste politieke partij is de Ba'thpartij (in 1947 in Damascus opgericht) onder leiding van president Saddam Hoessein; zij is sinds 1968 aan het bewind. Voorts is er de (verboden) Communistische Partij (opgericht in 1934), wier leiders voor het merendeel in ballingschap leven en de Koerdische Democratische Partij (opgericht in 1946), die conservatief-nationalistische doeleinden nastreeft. Uit verscheidene links-georiŽnteerde Koerdische groeperingen ontstond in 1976 de Patriottische Unie van Koerdistan. In de illegaliteit opereren voorts nog diverse Koerdische (o.a. de SPKI) en islamitische (dwz. sji'itische) groeperingen, zoals de al-Dawa. Overkoepelende vakbondsorganisatie is de Algemene Federatie van Vakbonden van Irak (opgericht in 1959); haar ledental bedraagt ca. 1,3 miljoen. Alle vakbonden worden beheerst door de Ba'thpartij.

4. Economie
(Photo: WN)Na het uitroepen van de republiek in 1958 heeft een aantal ingrijpende veranderingen op economisch gebied plaatsgevonden: o.m. landhervormingen en nationalisaties (o.a. de gehele zware industrie, inclusief de aardoliesector). Het duurde echter tot de jaren zeventig voordat de economie zich krachtig ontwikkelde dankzij de snel stijgende olie-inkomsten (tussen 1974 en 1980 bijna een verviervoudiging). Hierdoor kon de regering grote investeringsprogramma's uitvoeren. Het uitbreken van de oorlog met Iran in sept. 1980 (Eerste Golfoorlog) bracht de economie zware slagen toe. Ernstige verwoestingen aan de infrastructuur, waaronder olie-installaties, brachten in 1988 voor ca. $ 200 miljard schade aan. Daarnaast drukten de defensielasten zwaar op de begroting en veroorzaakten zij mede de snel groeiende schuldenlast. De export, vooral van aardolie, via de Perzische Golf kwam stil te liggen, terwijl SyriŽ in 1982 de aardoliepijpleiding over zijn grondgebied had afgesloten. Via andere en nieuw aangelegde leidingen slaagde Irak er weliswaar in zijn aardolie-export te herstellen, maar inmiddels waren door overschotten op de wereldmarkt de aardolieprijzen drastisch gedaald. Andere economische obstakels vormen de verzilting van de landbouwgrond, het tekort aan irrigatiewater en het gebrek aan geschoolde arbeiders.
Tijdens de Eerste Golfoorlog begon Irak met een liberalisering van de economie. Staatsbedrijven, o.a. in de landbouw, werden geprivatiseerd, terwijl buitenlandse investeringen werden aangemoedigd. Bij de economische hervormingen van maart 1987 werd ook begonnen met de privatisering van grote staatsindustrieŽn. De particuliere sector is vnl. geconcentreerd in de voedselverwerkende industrie, de textielindustrie, het toerisme, de dienstensector en de detailhandel. De aardolie is de kurk waar de Iraakse economie op drijft (meer dan 90% van de deviezenopbrengsten); slechts ca. 10% van de beroepsbevolking is in deze sector werkzaam. Sinds de inval in Koeweit in 1990 (Tweede Golfoorlog) kreeg Irak te maken met een internationale boycot die de economie volledig lamlegde, op de smokkel na. De export van olie werd grotendeels verboden. De inflatie schoot omhoog, levensmiddelen en medicijnen werden schaars. De bevolking lijdt het meest onder deze aanhoudende isolering van het regime-Saddam Hoesein. Recente cijfers ontbreken echter, hetgeen het hierna volgende wat ongewis maakt. Het land probeert met alle resterende middelen autarkisch te worden.
4.1 Landbouw
Ondanks de landhervormingen in 1958, 1970 en 1980 is de bijdrage van de agrarische sector aan het bnp gedaald van 33% in 1953 tot 16% in 1989. In 1990 kon de landbouw slechts een kwart van de bevolking voeden. Belangrijkste oorzaken van deze ontwikkeling waren o.m. de gebrekkige agrarische planning, inadequate marktorganisatie en verouderde landbouwtechnieken. De wisselvallige regenval zorgt voor sterk wisselende oogsten. Daarnaast bestond er het probleem van een goede uitvoering van de landhervorming. De voornaamste landbouwproducten zijn tarwe en gerst; samen met linzen, wikke en lijnzaad vormen zij de winteroogst; 's zomers vooral rijst, dadels (na olie het voornaamste exportproduct), tabak en sesam. In het kader van eenjarige ontwikkelingsplannen streefde men naar volledige zelfvoorziening op voedselgebied. Dat streven wordt o.a. onderbouwd door een actief beleid ten aanzien van het in cultuur brengen van potentieel landbouwgebied. Grootschalige irrigatieprojecten werden echter door beide golfoorlogen vertraagd, terwijl Irak zich tevens zorgen maakte over de bouw van stuwdammen in de bovenloop van de Eufraat en de Tigris in de buurlanden SyriŽ en Turkije. Bij Mosoel en el-Haditha kwamen in de jaren tachtig grote stuwdammen gereed, die behalve voor de opwekking van hydro-elektrische energie ook bedoeld waren voor irrigatiedoeleinden.
Sinds 1991 is een wederopbouwprogramma gestart met prioriteit voor de (eigen) voedselvoorziening. De door de staat gegarandeerde prijzen voor de boeren werden verhoogd. Alles wordt in het werk gesteld om meer voedsel te hebben.
Veehouderij vult de akkerbouw in vrijwel geheel Irak aan: schapen vooral in de el-Djazira en op de rechteroever van de Eufraat, geiten in de bergachtige delen van het noorden, rundvee overal daar, waar voldoende groenvoer is, kamelen in de woestijngebieden en pluimvee.
4.2 Mijnbouw
De minerale rijkdom is, met uitzondering van aardolie, vrij gering. Bij Roemajla wordt aardgas gewonnen, waarvan de exploitatie sinds 1986 sterk is toegenomen. Zowel in het noorden (Kirkoek) als zuiden (Roemajla) liggen zeer grote velden. In 1985 werden nieuwe velden aangeboord bij Majnoen, Halfaja en ten oosten van Bagdad. De totale aardoliereserve wordt geschat op (1987) 100.000 miljoen vaten. Door de Eerste Golfoorlog zakte de productie aanvankelijk drastisch in, maar door de aanleg van nieuwe pijpleidingen naar Janboe (Saoedi-ArabiŽ) en Yumurtalik (Turkije), kon de productie aan het eind van de oorlog (1988) weer opgevoerd worden tot het oude niveau. De grootste aardolieraffinaderijen bevinden zich in de omgeving van Kirkoek en Alwend, voorts bij Bagdad en Basra. De boycot onder leiding van de Verenigde Staten naar aanleiding van de bezetting van Koeweit en de daarop volgende Tweede Golfoorlog heeft in Irak economisch grote schade veroorzaakt. De olie-export is thans nog steeds gelimiteerd toegestaan voor de betaling van voedsel en medicijnen voor de eigen bevolking en voor het doen van herstelbetalingen.
4.3 Energievoorziening
De industriŽle expansie heeft de behoefte aan energievoorziening sterk vergroot. Hydro-elektrische installaties bevinden zich bij o.a. Mosoel, el-Haditha, Kirkoek, Bagdad, Basra, Doekan en Daoera. In 1991 werden de nucleaire installaties gebombardeerd tijdens de Tweede Golfoorlog. Met behulp van o.a. de Sovjet-Unie, Frankrijk, JoegoslaviŽ en Japan werden sinds 1980 verscheidene waterkrachtcentrales gebouwd.
4.4 Industrie
Tot het begin van de jaren zeventig is de industriŽle sector slechts van bescheiden omvang geweest. Sindsdien is een uitbreiding merkbaar in de petrochemische sector (bij Basra, al-Zoebajr en Kirkoek), de cementproductie, ijzer- en staalindustrie (al-Zoebajr), kunstmestindustrie (Ka'im), textielindustrie (Mosoel) en in die industrieŽn die verbonden zijn met de verwerking van dierlijke en plantaardige producten. IndustriŽle centra zijn voorts Bagdad en Basra. Op het gebied van de petrochemie, staal- en aluminiumproductie werd bij de planning ook gebruik gemaakt van technische en financiŽle bijstand uit het buitenland, m.n. uit de toenmalige Sovjet-Unie. De belangrijkste industriŽle producten zijn: leder(waren), oliŽn, suiker, vetten, textiel, bier, lucifers en sigaretten. Het tekort aan arbeidskrachten in de industrie door de Eerste Golfoorlog werd tot de bezetting van Koeweit in 1990 voor een groot deel opgevangen door werknemers uit Egypte en JordaniŽ en door Palestijnen; in 1990 en 1991 verlieten grote aantallen buitenlandse werknemers het land. In 1988 werd een groot deel van de zware industrie ondergebracht bij het nieuwe superministerie van Industrie en Militaire Productie, terwijl een deel van de overige industriŽle bedrijven geprivatiseerd werd.
4.5 Handel
De export van aardolie (gemiddeld 95% van de totale exportwaarde) verklaart de positieve handelsbalans van Irak tot 1980. Met het uitbreken van de Eerste Golfoorlog in dat jaar daalde de productie en kelderden de olieprijzen, hetgeen leidde tot een sterke daling van de aardolie-uitvoer. De handelsbalans vertoonde sinds 1985 weer een zekere stabiliteit (importwaarde: $ 9,8 miljard [voedsel, wapens, machines], exportwaarde: $ 9,1 miljard). Iraks belangrijkste handelspartners waren (tot de bezetting van Koeweit in 1990) Frankrijk, ItaliŽ, BraziliŽ, Turkije, Japan, Groot-BrittanniŽ, Duitsland en de Verenigde Staten. Ca. 15% van de import betrof voedselproducten (vooral uit de Verenigde Staten en de EG) en ca. 60% bestond uit machines, chemische producten en transportbenodigdheden. Sinds de boycot beperkt de legale handel zich tot bondgenoot JordaniŽ en oud-vijand Iran. Turkije is de grootste afnemer van de illegale export.
4.6 Economische planning
Het in 1959 ingestelde ministerie van Planning stelde vijfjarenplannen op, maar het vijfjarenplan 1981-1985 moest in verband met de Eerste Golfoorlog voortijdig worden afgebroken en vervangen door een jaarlijkse planning. Een groot probleem bij de verdere ontwikkelingsplannen vormde het tekort aan deviezen en de grote buitenlandse schuldenlast van $ 60 ŗ 80 miljard in 1991 (vooral bij Japan, Groot-BrittanniŽ, Frankrijk, Duitsland en de Arabische Golfstaten). Sinds de boycot valt er niets meer te plannen.
4.7 Bankwezen
Sinds 1964 is het bankwezen genationaliseerd. Centrale bank is de Central Bank of Iraq in Bagdad, met bijkantoren in Mosoel en Basra. In 1988 werd naast de staatsbank een tweede commerciŽle bank geopend. Private zakenbanken bestaan weer sinds 1992.
4.8 Verkeer
De infrastructuur is wat de verkeersverbindingen betreft goed ontwikkeld. Irak beschikt over een uitgebreid modern netwerk van wegen, deels nog in aanbouw, van in totaal 33!000 km. De waterwegen waren van groot belang voor het vervoer van goederen. Door beide golfoorlogen werd de binnenscheepvaart vrijwel geheel stilgelegd. De belangrijkste havens zijn Basra, Oem Kasr en de nieuwe industriehaven Khor el-Zoebajr, alle gedurende beide golfoorlogen meestentijds gesloten. Grote internationale luchthavens zijn er bij Bagdad (2) en Basra. Voor binnenlands vliegverkeer zijn tevens de vliegvelden van Mosoel, Kirkoek en Basra van belang. De nationale luchtvaartmaatschappij heet Iraqi Airways. Het spoorwegnet werd na 1980 uitgebreid tot ca. 2678 km met de bedoeling Bagdad met de voornaamste industriecentra te verbinden. Overigens is een groot deel van deze infrastructuur tijdens de Tweede Golfoorlog zwaar beschadigd.

5. Geschiedenis
5.1 Het monarchale bewind
Zie voor de voorafgaande periode MesopotamiŽ. In de Eerste Wereldoorlog werd Irak door Britse troepen op de Turken veroverd en onder Brits mandaat gesteld. Faisal ibn-Hoesein, de tweede zoon van de sjarif van Mekka, werd na door de Fransen uit SyriŽ te zijn verdreven, in 1922 tot koning van Irak gekroond. In 1925 kreeg het land een parlement. Een Brits-Iraaks verdrag van 1927 maakte in 1930 een einde aan het mandaat en in 1932 trad Irak tot de Volkenbond toe. De voornamelijk Britse Iraq Petroleum Company (IPC) had in 1925 olieconcessies verkregen en zorgde in de loop der jaren voor een belangrijk deel van de staatsinkomsten. Het land werd steeds meer beheerst door politieke instabiliteit. Het religieus en etnisch pluralisme in Irak had hierin een groot aandeel. De dominante groep vormden de soennitisch-islamitische Arabieren. Sji'ieten, Koerden en kleinere religieuze en etnische volksgroepen werden gediscrimineerd. Tot eind 1945 vonden diverse Koerdenopstanden plaats. In 1933 richtte het leger moordpartijen aan onder de christelijke AssyriŽrs en in 1935/1936 trad het op tegen opstandige sji'ieten in het zuiden. Tegen de bevoorrechte positie van grootgrondbezitters, stamhoofden en stedelijk patriciaat rees onder de intelligentsia, arbeiders en boeren een toenemend verzet. Kabinetten wisselden elkaar snel af. Op 25 okt. 1936 voerde generaal Bakr Sidki een succesvolle staatsgreep uit. Sidki werd in aug. 1937 vermoord en daarna voerde het leger tot 1941 nog zes staatsgrepen uit. Koning Faisal was in 1933 gestorven en opgevolgd door zijn zoon Ghazi, die echter reeds in 1939 bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Diens minderjarige zoon Faisal II volgde hem op, tot 1953 onder regentschap van zijn oom Abdul Illah.
Met Turkije, Iran en Afghanistan had Irak in juli 1937 het zgn. Sa'adabadpact (non-agressie) gesloten. Iraks 'sterke man' werd Noeri al-Said. Hij had een groot aandeel in de oprichting in maart 1945 van de Arabische Liga. In 1948 nam Irak deel aan de strijd tegen IsraŽl. Ruim 130!000 Iraakse joden emigreerden naar de joodse staat. Een nieuw in jan. 1948 gesloten verdrag met Engeland oogstte felle nationalistische kritiek en werd door het parlement in Bagdad niet geratificeerd. Onder invloed van de Egyptische omwenteling van 1952 (Nasser) groeide de oppositie. Noeri al-Said dreef in 1955 Iraks aansluiting bij het Bagdadpact  door en raakte hierover in een fel conflict met Egypte. De Suezcrisis, het jaar daarop, veroorzaakte een verdere radicalisering van de oppositie in het land. Op 14 juli 1958 brachten opstandige militairen het 'ancien rťgime' ten val. De koning, de regent en Noeri al-Said vonden hierbij de dood.
5.2 De republiek
De nieuwe machthebber, generaal Abdoel Karim Kassem, keerde zich tegen Egypte, wendde zich tot de Sovjet-Unie om militaire en economische hulp, liet Irak uit het Bagdadpact treden (1959) en verwelkomde communistische steun aan zijn bewind tot in aug. 1960 communisten in Kirkoek een mislukte greep naar de macht deden. In 1961 maakte hij aanspraak op het pas onafhankelijk geworden sjeikdom Koeweit. In maart van dat jaar waren de Koerden onder Moestafa Barzani tegen hem in opstand gekomen. Het leger bleek niet in staat het Koerdisch verzet te onderdrukken. Ontevreden militairen brachten in samenwerking met de socialistische Ba'thpartij op 8 febr. 1963 Kassem ten val. Onder het nieuwe bewind kwam in okt. 1964 een gemeenschappelijk politiek directoraat met de toenmalige Verenigde Arabische Republiek (Egypte) tot stand. Met de Koerden werd in 1966 een wapenstilstand gesloten. Irak streed mee in de Juni-oorlog in 1967 tegen IsraŽl.
5.3 Militaire staatsgreep
In juli 1968 werd, na een nieuwe militaire coup, de Ba'thist generaal Ahmed Hassan al-Bakr president. Zijn bewind kreeg al dadelijk interne spanningen te verwerken en radicaliseerde snel. In juli 1973 werd een Nationaal Front gevormd op basis van een gemeenschappelijk program van de Ba'thpartij, de Communistische Partij, welke laatste nu voor het eerst wettelijk werd erkend, en de Koerdische Democratische Partij. Het verzet van de Koerden laaide echter weer op. De betrekkingen met Iran werden uiterst gespannen, in de eerste plaats door een sinds 1969 spelend geschil rond de grensrivier Sjatt al-Arab, voorts o.m. wegens beweerde Iraanse wapenleveranties aan de Koerden en de door Iran geconstateerde maatschappelijke discriminatie van het sji'itische volksdeel in Irak. In april 1972 werd met de Sovjet-Unie een over vijftien jaar lopend vriendschapsverdrag gesloten, waardoor de Russen de mogelijkheid kregen hun aanwezigheid in de Perzische Golf te realiseren. Verscheidene malen was er sprake van hevige Iraans-Iraakse grensgevechten, tot in maart 1975 te Algiers een verzoeningsakkoord werd getekend. De opstand van de Koerden, die nu niet langer steun vanuit Iran kregen, kon hierna bloedig worden onderdrukt.
In maart 1973 ontwikkelde zich ook aan de grens met Koeweit een gespannen situatie: Irak maakte aanspraak op een stuk grensgebied en op twee eilanden in de Perzische Golf, die door Koeweit geacht worden binnen zijn territoriale wateren te liggen. Het uitbreken van de Oktoberoorlog in datzelfde jaar, tijdens welke Irak troepen en tanks naar SyriŽ zond die aan de strijd tegen IsraŽl deelnamen, deed de spanning in het gebied van de Perzische Golf afnemen.
5.4 Onderdrukking oppositie en Koerden
In de tweede helft van de jaren zeventig werd door de Ba'thpartij, die haar machtspositie vooral te danken heeft aan de steun van de strijdkrachten, alle oppositie krachtig onderdrukt. De door het bewind gevoerde repressiepolitiek leidde tot nieuwe confrontaties met Koerdische guerrillero's en in de loop van 1978 waren er berichten van in brand gestoken Koerdische dorpen en deportatie van 200!000 Koerden uit het noorden van Irak naar het zuiden, waarmee zou zijn beoogd een 'Koerden-vrije' zone te creŽren langs de grens met Iran en Turkije. De communisten werden in de loop van 1978 slachtoffer van een ware heksenjacht; in de loop van 1979 viel het Nationale Front uiteen.
5.5 Machtsovername Saddam Hoessein (foto)
Saddam HoesseinIn juli van dat jaar nam Saddam Hoessein al-Takriti, reeds geruime tijd de 'sterke man' in zijn land, het presidentschap van de ziekelijke Ahmed Hassan al-Bakr over.
In juni 1980 werden voor het eerst sinds 22 jaar weer parlementsverkiezingen gehouden, waaraan echter alleen de Ba'thpartij en de aan haar gelieerde partijen mochten deelnemen. De sji'itische organisatie al-Dawa (de Oproep) werd verboden en de geestelijk leider ayatollah Bakr al-Sadr werd in april 1980 terechtgesteld. Sji'ieten van Iraanse afkomst werden het land uitgewezen. Saddam Hoessein, die de uitwerking van de islamitische revolutie in Iran op zijn eigen sji'itische onderdanen vreesde, poogde van de veronderstelde verzwakking van het Iraanse leger na de revolutie gebruik te maken. Op 17 sept. 1980 zegde hij het Verdrag van Algiers op en claimde hij de volledige soevereiniteit over de Sjatt al-Arab en begon dezelfde maand een oorlog met Iran (Eerste Golfoorlog). Door het uitblijven van een snelle overwinning, raakte Hoessein in het defensief en zocht hij toenadering tot het Westen (nov. 1984 herstel van de diplomatieke betrekkingen met de Verenigde Staten, wapenaankopen in Frankrijk) en steun bij de gematigde Arabische staten, waartoe hij ook zijn standpunt inzake het IsraŽlisch-Arabisch conflict verzachtte. De betrekkingen met de Arabische Golfstaten, JordaniŽ en Egypte, werden nauw aangehaald. Alleen de verhouding met het rivaliserende Ba'thbewind in SyriŽ bleef uiterst vijandig, dit te meer daar SyriŽ in de Eerste Golfoorlog de zijde van Iran had gekozen.
Op 7 juni 1981 verwoestte de IsraŽlische luchtmacht een kerncentrale in aanbouw bij Osirak bij Bagdad, waarvan men vermoedde dat zij gebruikt werd voor de ontwikkeling van atoomwapens.
5.6 Strijd tegen Koerden
In 1987 was Bagdad een grote operatie begonnen tegen de met Iran samenwerkende Koerdische opstandelingen (zowel de Koerdische Democratische Partij van Barzani als de Patriottische Unie van Koerdistan van Talabani). Daarbij werd tot internationale verontwaardiging op grote schaal gifgas gebruikt (o.a. tegen de burgerbevolking van Halabija op 16 maart 1988, 5000 doden). Door massale deportatie poogde het Iraakse bewind 'lege zones' langs de grenzen met Iran en Turkije te creŽren. Naast een harde onderdrukkingspolitiek, zuiveringen in het leger en de Ba'thpartij, hanteerde Saddam Hoessein een nieuw Iraaks nationalisme en persoonsverheerlijking als middelen om zijn macht te versterken. Na het ingaan van het bestand in de Eerste Golfoorlog in aug. 1988 kondigde hij economische en politieke liberaliseringen aan. Met JordaniŽ, Egypte en Noord-Jemen kwam Irak in febr. 1989 een economisch samenwerkingsverband overeen (de Arabische Raad voor Samenwerking).
In het voorjaar van 1990 werden achtereenvolgens gesmokkelde ontstekingsmechanismen voor kernladingen en onderdelen van een zgn. superkanon op Europese luchthavens onderschept. De betrekkingen met Groot-BrittanniŽ verslechterden nog meer door de executie van de Brits-Iraanse journalist Farzad Bazoft in Bagdad op beschuldiging van spionage. In mei 1990 zocht Irak verdere toenadering tot de PLO, o.a. door een Arabische topconferentie te organiseren over de immigratie van Sovjetjoden in IsraŽl.
5.7 Tweede Golfoorlog
(Photo: U.S. Air Force)Eind juli 1990 beschuldigde Irak Koeweit ervan de olieproductiequota van de OPEC te overschrijden, waardoor de olieprijzen te laag werden gehouden en Irak aanzienlijke inkomsten miste. Bovendien eiste Irak vergoeding voor olie, die Koeweit 'gestolen' zou hebben uit het gemeenschappelijke olieveld Roemajla. Nadat op het OPEC-overleg de crisis bezworen leek, maakte Irak aanspraak op de strategische Koeweitse eilandjes Warba en Boebijan. Spoedoverleg onder Egyptische en Saoedische bemiddeling in Jeddah mislukte, waarop Irak op 2 aug. 1990 Koeweit bezette en daardoor een grotere greep kreeg op de voor het Westen zo belangrijke olievoorraden (zie ook Tweede Golfoorlog). De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties stelde een economische blokkade tegen Irak en het bezette Koeweit in. De Verenigde Staten stuurden ondertussen een steeds omvangrijkere troepenmacht naar Saoedi-ArabiŽ. Op 8 aug. 1990 annexeerde Irak Koeweit om het vervolgens als Khadima als negentiende provincie op te nemen. Irak weigerde westerse buitenlanders uitreisvisa te verstrekken en wilde hen gebruiken als 'menselijk schild' bij een eventuele Amerikaanse aanval. Na een reeks al dan niet officiŽle diplomatieke missies besloot Irak op 6 dec. 1990 de gijzelaars alsnog te laten gaan. Op 29 nov. had inmiddels de Veiligheidsraad resolutie 678 aangenomen, die Irak een ultimatum stelde (15 jan. 1991) om Koeweit te ontruimen, waarna de lidstaten geweld tegen Irak mochten gebruiken. Na het verstrijken van het ultimatum op 15 jan. 1991 gingen in de nacht van 16 op 17 jan. de luchtmachten van de Verenigde Staten, Groot-BrittanniŽ, Frankrijk, Saoedi-ArabiŽ en Koeweit in het kader van de operatie 'Desert Storm' tot de aanval op Irak over. Irak werd uit Koeweit verdreven en werd deels bezet door de geallieerden. Op 28 jan. namen de geallieerden een voorlopig bestand in acht, nadat Irak had aangekondigd alle resoluties met betrekking tot Koeweit te zullen uitvoeren. Irak werd tevens gedwongen al zijn massavernietigingswapens te (laten) vernietigen onder toezicht van VN-inspecteurs.
De militaire nederlaag van Bagdad leidde tot grote opstanden van sji'ieten en Koerden. De eersten (verenigd in de Hoge Islamitische Raad) beheersten enige dagen Basra en de heilige steden Nadjaf en Karbala, maar het Iraakse leger wist eind maart met veel geweld deze steden te heroveren. De opstandige Koerden van de Patriottische Unie (van Jalal al-Talabani) en de Koerdische Democratische Partij (Massoed Barzani) maakten zich meester van het noorden van Irak en de stad Kirkoek. De Koerdische opstand werd neergeslagen. Meer dan een miljoen Koerden vluchtten en verbleven in opvangkampen, ingericht door de geallieerden, langs de Iraaks-Turkse en Iraaks-Iraanse grens. Het gebied ten noorden van de 36ste breedtegraad werd op 10 april verboden verklaard voor Iraakse militaire activiteiten. Na enige tijd begaven de Koerden zich weer naar hun woongebieden. In maart 1992 begon het Iraakse leger een groot offensief tegen sji'itische opstandelingen in het zuiden. Toen het offensief in de zomer een massaal karakter aannam, stelden de Verenigde Staten, Rusland, Groot-BrittanniŽ en Frankrijk op 27 aug. een vliegverbod in voor Irak ten zuiden van de 32ste breedtegraad. De Iraakse regering probeerde daarna met andere middelen de opstandelingen te verslaan.
In nov. 1994 erkende Irak de soevereiniteit van Koeweit, inclusief de in 1993 gewijzigde gemeenschappelijke grens. In het Iraakse gebied boven de 36ste breedtegraad raakte de Patriottische Unie van Koerdisten (PUK) slaags met de Koerdische Democratische Partij (KDP) en de door Iran gesteunde Islamitische Beweging. Ondanks het in nov. 1994 gesloten akkoord tussen de PUK en de KDP laaide de strijd in 1995 weer op, waarbij meer dan 3000 doden vielen. In aug. 1995 bereikten de partijen wederom een akkoord na Amerikaanse bemiddeling, maar de uitvoering leverde ook nu weer problemen op. In mei 1995 brak in de stad Ramadi een ernstige rebellie uit binnen het leger, die in juni door elite-eenheden werd bedwongen ten koste van honderden doden en tientallen executies. Het parlement herkoos unaniem Saddam Hoessein als president voor een nieuwe ambtsperiode van zeven jaar.
Twee in 1995 naar JordaniŽ gevluchte schoonzoons van Saddam Hoessein werden in febr. 1996 bij terugkeer in Irak bij een schietpartij gedood. In maart vonden voor het eerst sinds 1989 parlementsverkiezingen plaats, die naar verwachting een grote overwinning opleverden voor de regerende Ba'thpartij. De werkelijke macht bleef in handen van de Revolutionaire Commandoraad onder leiding van Saddam Hoessein. Eind juni vonden grote zuiveringen plaats binnen het leger, waarbij naar verluidt honderden officieren werden geŽxecuteerd. In dec. mislukte in het centrum van Bagdad een moordaanslag op Uday, de invloedrijke oudste zoon van Saddam (Photo: Getty Images)Hoessein.
Het handelsembargo van de Verenigde Naties, dat Irak als gevolg van de bezetting van K
oeweit sinds 1990 treft, bleef een ernstige belemmering voor de essentiŽle olie-export. In 1996 werd het embargo enigszins versoepeld en werd het land, onder strikt toezicht van de VN, toegestaan een beperkte hoeveelheid olie te exporteren om met de opbrengst voedsel en medicijnen te kopen voor de noodlijdende bevolking. Irak bleef zich echter verzetten tegen een onbelemmerde internationale inspectie van zijn wapenindustrie.
5.8 Oorlog in Irak
De invasie van Amerika en Engeland in Irak in 2003 maakte een einde aan de heerschappij van Saddam Hoessein, maar beslist niet aan de onlusten in het nog steeds woelige en bloedige Irak. De situatie is u allen bekend.

Telefoongids Irak
Postcodes Irak

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009