|
1. Fysische geografie
Landschappelijk bestaat Irak weliswaar vnl. uit laagland, maar het heeft
daarnaast ook een berglandschap in het noordoosten (het
Koerdistangebergte); woestijnen (40% van de totale oppervlakte) zijn er
in het westen (Syrische Woestijn). Het laagland van Eufraat en Tigris
(Tweestromenland) kent nog een tweedeling: bezuiden Bagdad ligt een zeer
vlak landschap van afwisselend moerassen en slibvlakten, in welk gebied
de Tigris in de lente grote overstromingen veroorzaakt. Benoorden Bagdad
stromen daarentegen Eufraat en Tigris in duidelijk bepaalde dalen en
strekt zich een plateau, het el-Djazira (lett.: eiland), tussen beide
bovenlopen uit.
Het klimaat wordt gekenmerkt door een zeer warme (wekenlang boven de 40
°C) en uitgesproken droge zomer met een overheersende noordwestenwind (sjamal)
en een gematigd koude winter (vorstperiodes) met enige neerslag
(gemiddeld 150 mm).
Plantengroei en dierenwereld vertonen de kenmerken van de subtropische
vlakten en berggebieden. Opmerkelijk is dat er een bijzonder weelderige
rietvegetatie in het zuiden voorkomt. Ten gevolge van omvangrijke
ontbossingen in historische tijd en van de toepassing van
ongereglementeerde jachtmethoden in recente tijd is de fauna, vooral die
van de grote zoogdieren, sterk verarmd. De Mesopotamische leeuw is begin
20ste eeuw uitgeroeid. Ook de Arabische struisvogel is verdwenen. In
Koerdistan schijnen nog enkele edelherten voor te komen en hebben de
Arabische moeflon en de ree zich kunnen handhaven.
2. Bevolking
De
samenstelling van de bevolking is als volgt: 77% Arabieren, 19% Koerden,
bijna 2% Turkomanen en ruim 2% kleine minderheidsgroeperingen (o.a.
Perzen en Armenen) De bevolkingsaanwas bedraagt gemiddeld 3, 5% per
jaar. De bevolking van de steden vertoont een snellere aanwas dan die
van het platteland. In 1994 woonde 74% van de bevolking in stedelijke
kernen. Bagdad alleen al had in 1994 4,9 miljoen inw. Enkele andere
grote steden zijn Soeleimanija (1.157.000 inw.), Kirkoek (960.000),
Basra (845.000) en Mosoel (778.000). Ongeveer de helft van de bevolking
is jonger dan 15 jaar. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte is
66 jaar. De bevolkingsspreiding wordt vanuit etnisch oogpunt gekenmerkt
door een concentratie van Koerden in de noordelijke berggebieden, van
Turkomanen in het noordoosten en van Arabieren in het midden en in het
zuidelijke deel van Irak. Officiële taal is het Arabisch. Het Koerdisch
en Turkse dialecten komen vooral voor in het noorden van het land,
terwijl de volken in het oosten diverse vormen van Perzisch spreken. In
religieus opzicht is ruim 96% islamitisch, iets meer dan de helft van
hen behoort tot de sji'ieten, de rest tot de soennieten, die echter
merendeels bevoorrechte posities innemen. Bijna 8% van de bevolking is
christen, vnl. Chaldeeën. Er zijn kleine gemeenschappen Mandeeën en
Jezidi's.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
De republiek Irak kreeg in 1963 door een revolutie een
socialistisch-democratisch karakter, maar is na de staatsgreep van 1968
de facto een dictatuur. Aan het hoofd van de republiek staat een
president, die tevens regeringsleider en opperbevelhebber van de
strijdkrachten is. De politieke macht berust volgens de grondwet van
1968 bij de Revolutionaire Commando Raad (RCC) van de Ba'thpartij
(bestaande uit 9 leden). De Ba'thpartij is in feite de enige toegestane
politieke partij. In juni 1980 werden voor het eerst sinds 1958
verkiezingen gehouden (waaraan voor het eerst vrouwen deelnamen) voor
het parlement, dat eind juni 1980 werd geïnstalleerd, en uit 250 leden
bestaat, die voor vier jaar zijn gekozen en allen lid zijn van de
Ba'thpartij of de 'beginselen van de Ba'thpartij zijn toegedaan'. Het
parlement heeft maar tot zekere hoogte wetgevende macht. Voorts is er
een Wetgevende Vergadering voor het autonome gebied Koerdistan.
3.2 Administratieve indeling
Irak is verdeeld in 18 provincies (waaronder 3 autonome provincies voor
de Koerden), met aan het hoofd een gouverneur, bijgestaan door een
Provinciale Raad. De steden hebben gekozen gemeenteraden en een door de
centrale regering benoemde burgemeester. Bagdad bezit een aparte status.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Irak is lid van de Verenigde Naties en enkele suborganen van de VN, de
Arabische Liga, OPEC (Organisatie van Olie Exporterende Landen) en OAPEC
(Organisatie van Arabische Olie Exporterende Landen).
3.4 Partij- en vakbondswezen
Machtigste politieke partij is de Ba'thpartij (in 1947 in Damascus
opgericht) onder leiding van president Saddam Hoessein; zij is sinds
1968 aan het bewind. Voorts is er de (verboden) Communistische Partij
(opgericht in 1934), wier leiders voor het merendeel in ballingschap
leven en de Koerdische Democratische Partij (opgericht in 1946), die
conservatief-nationalistische doeleinden nastreeft. Uit verscheidene
links-georiënteerde Koerdische groeperingen ontstond in 1976 de
Patriottische Unie van Koerdistan. In de illegaliteit opereren voorts
nog diverse Koerdische (o.a. de SPKI) en islamitische (dwz. sji'itische)
groeperingen, zoals de al-Dawa. Overkoepelende vakbondsorganisatie is de
Algemene Federatie van Vakbonden van Irak (opgericht in 1959); haar
ledental bedraagt ca. 1,3 miljoen. Alle vakbonden worden beheerst door
de Ba'thpartij.
4. Economie
Na
het uitroepen van de republiek in 1958 heeft een aantal ingrijpende
veranderingen op economisch gebied plaatsgevonden: o.m. landhervormingen
en nationalisaties (o.a. de gehele zware industrie, inclusief de
aardoliesector). Het duurde echter tot de jaren zeventig voordat de
economie zich krachtig ontwikkelde dankzij de snel stijgende
olie-inkomsten (tussen 1974 en 1980 bijna een verviervoudiging).
Hierdoor kon de regering grote investeringsprogramma's uitvoeren. Het
uitbreken van de oorlog met Iran in sept. 1980 (Eerste Golfoorlog)
bracht de economie zware slagen toe. Ernstige verwoestingen aan de
infrastructuur, waaronder olie-installaties, brachten in 1988 voor ca. $
200 miljard schade aan. Daarnaast drukten de defensielasten zwaar op de
begroting en veroorzaakten zij mede de snel groeiende schuldenlast. De
export, vooral van aardolie, via de Perzische Golf kwam stil te liggen,
terwijl Syrië in 1982 de aardoliepijpleiding over zijn grondgebied had
afgesloten. Via andere en nieuw aangelegde leidingen slaagde Irak er
weliswaar in zijn aardolie-export te herstellen, maar inmiddels waren
door overschotten op de wereldmarkt de aardolieprijzen drastisch
gedaald. Andere economische obstakels vormen de verzilting van de
landbouwgrond, het tekort aan irrigatiewater en het gebrek aan
geschoolde arbeiders.
Tijdens de Eerste Golfoorlog begon Irak met een liberalisering van de
economie. Staatsbedrijven, o.a. in de landbouw, werden geprivatiseerd,
terwijl buitenlandse investeringen werden aangemoedigd. Bij de
economische hervormingen van maart 1987 werd ook begonnen met de
privatisering van grote staatsindustrieën. De particuliere sector is
vnl. geconcentreerd in de voedselverwerkende industrie, de
textielindustrie, het toerisme, de dienstensector en de detailhandel. De
aardolie is de kurk waar de Iraakse economie op drijft (meer dan 90% van
de deviezenopbrengsten); slechts ca. 10% van de beroepsbevolking is in
deze sector werkzaam. Sinds de inval in Koeweit in 1990 (Tweede
Golfoorlog) kreeg Irak te maken met een internationale boycot die de
economie volledig lamlegde, op de smokkel na. De export van olie werd
grotendeels verboden. De inflatie schoot omhoog, levensmiddelen en
medicijnen werden schaars. De bevolking lijdt het meest onder deze
aanhoudende isolering van het regime-Saddam
Hoesein. Recente cijfers ontbreken echter, hetgeen het hierna
volgende wat ongewis maakt. Het land probeert met alle resterende
middelen autarkisch te worden.
4.1 Landbouw
Ondanks de landhervormingen in 1958, 1970 en 1980 is de bijdrage van de
agrarische sector aan het bnp gedaald van 33% in 1953 tot 16% in 1989.
In 1990 kon de landbouw slechts een kwart van de bevolking voeden.
Belangrijkste oorzaken van deze ontwikkeling waren o.m. de gebrekkige
agrarische planning, inadequate marktorganisatie en verouderde
landbouwtechnieken. De wisselvallige regenval zorgt voor sterk
wisselende oogsten. Daarnaast bestond er het probleem van een goede
uitvoering van de landhervorming. De voornaamste landbouwproducten zijn
tarwe en gerst; samen met linzen, wikke en lijnzaad vormen zij de
winteroogst; 's zomers vooral rijst, dadels (na olie het voornaamste
exportproduct), tabak en sesam. In het kader van eenjarige
ontwikkelingsplannen streefde men naar volledige zelfvoorziening op
voedselgebied. Dat streven wordt o.a. onderbouwd door een actief beleid
ten aanzien van het in cultuur brengen van potentieel landbouwgebied.
Grootschalige irrigatieprojecten werden echter door beide golfoorlogen
vertraagd, terwijl Irak zich tevens zorgen maakte over de bouw van
stuwdammen in de bovenloop van de Eufraat en de Tigris in de buurlanden
Syrië en Turkije. Bij Mosoel en el-Haditha kwamen in de jaren tachtig
grote stuwdammen gereed, die behalve voor de opwekking van
hydro-elektrische energie ook bedoeld waren voor irrigatiedoeleinden.
Sinds 1991 is een wederopbouwprogramma gestart met prioriteit voor de
(eigen) voedselvoorziening. De door de staat gegarandeerde prijzen voor
de boeren werden verhoogd. Alles wordt in het werk gesteld om meer
voedsel te hebben.
Veehouderij vult de akkerbouw in vrijwel geheel Irak aan: schapen vooral
in de el-Djazira en op de rechteroever van de Eufraat, geiten in de
bergachtige delen van het noorden, rundvee overal daar, waar voldoende
groenvoer is, kamelen in de woestijngebieden en pluimvee.
4.2 Mijnbouw
De minerale rijkdom is, met uitzondering van aardolie, vrij gering. Bij
Roemajla wordt aardgas gewonnen, waarvan de exploitatie sinds 1986 sterk
is toegenomen. Zowel in het noorden (Kirkoek) als zuiden (Roemajla)
liggen zeer grote velden. In 1985 werden nieuwe velden aangeboord bij
Majnoen, Halfaja en ten oosten van Bagdad. De totale aardoliereserve
wordt geschat op (1987) 100.000 miljoen vaten. Door de Eerste Golfoorlog
zakte de productie aanvankelijk drastisch in, maar door de aanleg van
nieuwe pijpleidingen naar Janboe (Saoedi-Arabië) en Yumurtalik
(Turkije), kon de productie aan het eind van de oorlog (1988) weer
opgevoerd worden tot het oude niveau. De grootste aardolieraffinaderijen
bevinden zich in de omgeving van Kirkoek en Alwend, voorts bij Bagdad en
Basra. De boycot onder leiding van de Verenigde Staten naar aanleiding
van de bezetting van Koeweit en de daarop volgende Tweede Golfoorlog
heeft in Irak economisch grote schade veroorzaakt. De olie-export is
thans nog steeds gelimiteerd toegestaan voor de betaling van voedsel en
medicijnen voor de eigen bevolking en voor het doen van
herstelbetalingen.
4.3 Energievoorziening
De industriële expansie heeft de behoefte aan energievoorziening sterk
vergroot. Hydro-elektrische installaties bevinden zich bij o.a. Mosoel,
el-Haditha, Kirkoek, Bagdad, Basra, Doekan en Daoera. In 1991 werden de
nucleaire installaties gebombardeerd tijdens de Tweede Golfoorlog. Met
behulp van o.a. de Sovjet-Unie, Frankrijk, Joegoslavië en Japan werden
sinds 1980 verscheidene waterkrachtcentrales gebouwd.
4.4 Industrie
Tot het begin van de jaren zeventig is de industriële sector slechts van
bescheiden omvang geweest. Sindsdien is een uitbreiding merkbaar in de
petrochemische sector (bij Basra, al-Zoebajr en Kirkoek), de
cementproductie, ijzer- en staalindustrie (al-Zoebajr),
kunstmestindustrie (Ka'im), textielindustrie (Mosoel) en in die
industrieën die verbonden zijn met de verwerking van dierlijke en
plantaardige producten. Industriële centra zijn voorts Bagdad en Basra.
Op het gebied van de petrochemie, staal- en aluminiumproductie werd bij
de planning ook gebruik gemaakt van technische en financiële bijstand
uit het buitenland, m.n. uit de toenmalige Sovjet-Unie. De belangrijkste
industriële producten zijn: leder(waren), oliën, suiker, vetten,
textiel, bier, lucifers en sigaretten. Het tekort aan arbeidskrachten in
de industrie door de Eerste Golfoorlog werd tot de bezetting van Koeweit
in 1990 voor een groot deel opgevangen door werknemers uit Egypte en
Jordanië en door Palestijnen; in 1990 en 1991 verlieten grote aantallen
buitenlandse werknemers het land. In 1988 werd een groot deel van de
zware industrie ondergebracht bij het nieuwe superministerie van
Industrie en Militaire Productie, terwijl een deel van de overige
industriële bedrijven geprivatiseerd werd.
4.5 Handel
De export van aardolie (gemiddeld 95% van de totale exportwaarde)
verklaart de positieve handelsbalans van Irak tot 1980. Met het
uitbreken van de Eerste Golfoorlog in dat jaar daalde de productie en
kelderden de olieprijzen, hetgeen leidde tot een sterke daling van de
aardolie-uitvoer. De handelsbalans vertoonde sinds 1985 weer een zekere
stabiliteit (importwaarde: $ 9,8 miljard [voedsel, wapens, machines],
exportwaarde: $ 9,1 miljard). Iraks belangrijkste handelspartners waren
(tot de bezetting van Koeweit in 1990) Frankrijk, Italië, Brazilië,
Turkije, Japan, Groot-Brittannië, Duitsland en de Verenigde Staten. Ca.
15% van de import betrof voedselproducten (vooral uit de Verenigde
Staten en de EG) en ca. 60% bestond uit machines, chemische producten en
transportbenodigdheden. Sinds de boycot beperkt de legale handel zich
tot bondgenoot Jordanië en oud-vijand Iran. Turkije is de grootste
afnemer van de illegale export.
4.6 Economische planning
Het in 1959 ingestelde ministerie van Planning stelde vijfjarenplannen
op, maar het vijfjarenplan 1981-1985 moest in verband met de Eerste
Golfoorlog voortijdig worden afgebroken en vervangen door een jaarlijkse
planning. Een groot probleem bij de verdere ontwikkelingsplannen vormde
het tekort aan deviezen en de grote buitenlandse schuldenlast van $ 60 à
80 miljard in 1991 (vooral bij Japan, Groot-Brittannië, Frankrijk,
Duitsland en de Arabische Golfstaten). Sinds de boycot valt er niets
meer te plannen.
4.7 Bankwezen
Sinds 1964 is het bankwezen genationaliseerd. Centrale bank is de
Central Bank of Iraq in Bagdad, met bijkantoren in Mosoel en Basra. In
1988 werd naast de staatsbank een tweede commerciële bank geopend.
Private zakenbanken bestaan weer sinds 1992.
4.8 Verkeer
De infrastructuur is wat de verkeersverbindingen betreft goed
ontwikkeld. Irak beschikt over een uitgebreid modern netwerk van wegen,
deels nog in aanbouw, van in totaal 33!000 km. De waterwegen waren van
groot belang voor het vervoer van goederen. Door beide golfoorlogen werd
de binnenscheepvaart vrijwel geheel stilgelegd. De belangrijkste havens
zijn Basra, Oem Kasr en de nieuwe industriehaven Khor el-Zoebajr, alle
gedurende beide golfoorlogen meestentijds gesloten. Grote internationale
luchthavens zijn er bij Bagdad (2) en Basra. Voor binnenlands
vliegverkeer zijn tevens de vliegvelden van Mosoel, Kirkoek en Basra van
belang. De nationale luchtvaartmaatschappij heet Iraqi Airways. Het
spoorwegnet werd na 1980 uitgebreid tot ca. 2678 km met de bedoeling
Bagdad met de voornaamste industriecentra te verbinden. Overigens is een
groot deel van deze infrastructuur tijdens de Tweede Golfoorlog zwaar
beschadigd.
5. Geschiedenis
5.1 Het monarchale bewind
Zie voor de voorafgaande periode Mesopotamië. In de Eerste Wereldoorlog
werd Irak door Britse troepen op de Turken veroverd en onder Brits
mandaat gesteld. Faisal ibn-Hoesein, de tweede zoon van de sjarif van
Mekka, werd na door de Fransen uit Syrië te zijn verdreven, in 1922 tot
koning van Irak gekroond. In 1925 kreeg het land een parlement. Een
Brits-Iraaks verdrag van 1927 maakte in 1930 een einde aan het mandaat
en in 1932 trad Irak tot de Volkenbond toe. De voornamelijk Britse Iraq
Petroleum Company (IPC) had in 1925 olieconcessies verkregen en zorgde
in de loop der jaren voor een belangrijk deel van de staatsinkomsten.
Het land werd steeds meer beheerst door politieke instabiliteit. Het
religieus en etnisch pluralisme in Irak had hierin een groot aandeel. De
dominante groep vormden de soennitisch-islamitische Arabieren. Sji'ieten,
Koerden en kleinere religieuze en etnische volksgroepen werden
gediscrimineerd. Tot eind 1945 vonden diverse Koerdenopstanden plaats.
In 1933 richtte het leger moordpartijen aan onder de christelijke
Assyriërs en in 1935/1936 trad het op tegen opstandige sji'ieten in het
zuiden. Tegen de bevoorrechte positie van grootgrondbezitters,
stamhoofden en stedelijk patriciaat rees onder de intelligentsia,
arbeiders en boeren een toenemend verzet. Kabinetten wisselden elkaar
snel af. Op 25 okt. 1936 voerde generaal Bakr Sidki een succesvolle
staatsgreep uit. Sidki werd in aug. 1937 vermoord en daarna voerde het
leger tot 1941 nog zes staatsgrepen uit. Koning Faisal was in 1933
gestorven en opgevolgd door zijn zoon Ghazi, die echter reeds in 1939
bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Diens minderjarige zoon Faisal
II volgde hem op, tot 1953 onder regentschap van zijn oom Abdul Illah.
Met Turkije, Iran en Afghanistan had Irak in juli 1937 het zgn.
Sa'adabadpact (non-agressie) gesloten. Iraks 'sterke man' werd Noeri
al-Said. Hij had een groot aandeel in de oprichting in maart 1945 van de
Arabische Liga. In 1948 nam Irak deel aan de strijd tegen Israël. Ruim
130!000 Iraakse joden emigreerden naar de joodse staat. Een nieuw in
jan. 1948 gesloten verdrag met Engeland oogstte felle nationalistische
kritiek en werd door het parlement in Bagdad niet geratificeerd. Onder
invloed van de Egyptische omwenteling van 1952 (Nasser) groeide de
oppositie. Noeri al-Said dreef in 1955 Iraks aansluiting bij het
Bagdadpact door en raakte hierover in een fel conflict met Egypte.
De Suezcrisis, het jaar daarop, veroorzaakte een verdere radicalisering
van de oppositie in het land. Op 14 juli 1958 brachten opstandige
militairen het 'ancien régime' ten val. De koning, de regent en Noeri
al-Said vonden hierbij de dood.
5.2 De republiek
De nieuwe machthebber, generaal Abdoel Karim Kassem, keerde zich tegen
Egypte, wendde zich tot de Sovjet-Unie om militaire en economische hulp,
liet Irak uit het Bagdadpact treden (1959) en verwelkomde communistische
steun aan zijn bewind tot in aug. 1960 communisten in Kirkoek een
mislukte greep naar de macht deden. In 1961 maakte hij aanspraak op het
pas onafhankelijk geworden sjeikdom Koeweit. In maart van dat jaar waren
de Koerden onder Moestafa Barzani tegen hem in opstand gekomen. Het
leger bleek niet in staat het Koerdisch verzet te onderdrukken.
Ontevreden militairen brachten in samenwerking met de socialistische
Ba'thpartij op 8 febr. 1963 Kassem ten val. Onder het nieuwe bewind kwam
in okt. 1964 een gemeenschappelijk politiek directoraat met de
toenmalige Verenigde Arabische Republiek (Egypte) tot stand. Met de
Koerden werd in 1966 een wapenstilstand gesloten. Irak streed mee in de
Juni-oorlog in 1967 tegen Israël.
5.3 Militaire staatsgreep
In juli 1968 werd, na een nieuwe militaire coup, de Ba'thist generaal
Ahmed Hassan al-Bakr president. Zijn bewind kreeg al dadelijk interne
spanningen te verwerken en radicaliseerde snel. In juli 1973 werd een
Nationaal Front gevormd op basis van een gemeenschappelijk program van
de Ba'thpartij, de Communistische Partij, welke laatste nu voor het
eerst wettelijk werd erkend, en de Koerdische Democratische Partij. Het
verzet van de Koerden laaide echter weer op. De betrekkingen met Iran
werden uiterst gespannen, in de eerste plaats door een sinds 1969
spelend geschil rond de grensrivier Sjatt al-Arab, voorts o.m. wegens
beweerde Iraanse wapenleveranties aan de Koerden en de door Iran
geconstateerde maatschappelijke discriminatie van het sji'itische
volksdeel in Irak. In april 1972 werd met de Sovjet-Unie een over
vijftien jaar lopend vriendschapsverdrag gesloten, waardoor de Russen de
mogelijkheid kregen hun aanwezigheid in de Perzische Golf te realiseren.
Verscheidene malen was er sprake van hevige Iraans-Iraakse
grensgevechten, tot in maart 1975 te Algiers een verzoeningsakkoord werd
getekend. De opstand van de Koerden, die nu niet langer steun vanuit
Iran kregen, kon hierna bloedig worden onderdrukt.
In maart 1973 ontwikkelde zich ook aan de grens met Koeweit een
gespannen situatie: Irak maakte aanspraak op een stuk grensgebied en op
twee eilanden in de Perzische Golf, die door Koeweit geacht worden
binnen zijn territoriale wateren te liggen. Het uitbreken van de
Oktoberoorlog in datzelfde jaar, tijdens welke Irak troepen en tanks
naar Syrië zond die aan de strijd tegen Israël deelnamen, deed de
spanning in het gebied van de Perzische Golf afnemen.
5.4 Onderdrukking oppositie en Koerden
In de tweede helft van de jaren zeventig werd door de Ba'thpartij, die
haar machtspositie vooral te danken heeft aan de steun van de
strijdkrachten, alle oppositie krachtig onderdrukt. De door het bewind
gevoerde repressiepolitiek leidde tot nieuwe confrontaties met
Koerdische guerrillero's en in de loop van 1978 waren er berichten van
in brand gestoken Koerdische dorpen en deportatie van 200!000 Koerden
uit het noorden van Irak naar het zuiden, waarmee zou zijn beoogd een 'Koerden-vrije'
zone te creëren langs de grens met Iran en Turkije. De communisten
werden in de loop van 1978 slachtoffer van een ware heksenjacht; in de
loop van 1979 viel het Nationale Front uiteen.
5.5 Machtsovername Saddam Hoessein (foto)
In
juli van dat jaar nam Saddam Hoessein al-Takriti, reeds geruime tijd de
'sterke man' in zijn land, het presidentschap van de ziekelijke Ahmed
Hassan al-Bakr over.
In juni 1980 werden voor het eerst sinds 22 jaar weer
parlementsverkiezingen gehouden, waaraan echter alleen de Ba'thpartij en
de aan haar gelieerde partijen mochten deelnemen. De sji'itische
organisatie al-Dawa (de Oproep) werd verboden en de geestelijk leider
ayatollah Bakr al-Sadr werd in april 1980 terechtgesteld. Sji'ieten van
Iraanse afkomst werden het land uitgewezen. Saddam Hoessein, die de
uitwerking van de islamitische revolutie in Iran op zijn eigen
sji'itische onderdanen vreesde, poogde van de veronderstelde verzwakking
van het Iraanse leger na de revolutie gebruik te maken. Op 17 sept. 1980
zegde hij het Verdrag van Algiers op en claimde hij de volledige
soevereiniteit over de Sjatt al-Arab en begon dezelfde maand een oorlog
met Iran (Eerste Golfoorlog). Door het uitblijven van een snelle
overwinning, raakte Hoessein in het defensief en zocht hij toenadering
tot het Westen (nov. 1984 herstel van de diplomatieke betrekkingen met
de Verenigde Staten, wapenaankopen in Frankrijk) en steun bij de
gematigde Arabische staten, waartoe hij ook zijn standpunt inzake het
Israëlisch-Arabisch conflict verzachtte. De betrekkingen met de
Arabische Golfstaten, Jordanië en Egypte, werden nauw aangehaald. Alleen
de verhouding met het rivaliserende Ba'thbewind in Syrië bleef uiterst
vijandig, dit te meer daar Syrië in de Eerste Golfoorlog de zijde van
Iran had gekozen.
Op 7 juni 1981 verwoestte de Israëlische luchtmacht een kerncentrale in
aanbouw bij Osirak bij Bagdad, waarvan men vermoedde dat zij gebruikt
werd voor de ontwikkeling van atoomwapens.
5.6 Strijd tegen Koerden
In 1987 was Bagdad een grote operatie begonnen tegen de met Iran
samenwerkende Koerdische opstandelingen (zowel de Koerdische
Democratische Partij van Barzani als de Patriottische Unie van
Koerdistan van Talabani). Daarbij werd tot internationale
verontwaardiging op grote schaal gifgas gebruikt (o.a. tegen de
burgerbevolking van Halabija op 16 maart 1988, 5000 doden). Door massale
deportatie poogde het Iraakse bewind 'lege zones' langs de grenzen met
Iran en Turkije te creëren. Naast een harde onderdrukkingspolitiek,
zuiveringen in het leger en de Ba'thpartij, hanteerde Saddam Hoessein
een nieuw Iraaks nationalisme en persoonsverheerlijking als middelen om
zijn macht te versterken. Na het ingaan van het bestand in de Eerste
Golfoorlog in aug. 1988 kondigde hij economische en politieke
liberaliseringen aan. Met Jordanië, Egypte en Noord-Jemen kwam Irak in
febr. 1989 een economisch samenwerkingsverband overeen (de Arabische
Raad voor Samenwerking).
In het voorjaar van 1990 werden achtereenvolgens gesmokkelde
ontstekingsmechanismen voor kernladingen en onderdelen van een zgn.
superkanon op Europese luchthavens onderschept. De betrekkingen met
Groot-Brittannië verslechterden nog meer door de executie van de
Brits-Iraanse journalist Farzad Bazoft in Bagdad op beschuldiging van
spionage. In mei 1990 zocht Irak verdere toenadering tot de PLO, o.a.
door een Arabische topconferentie te organiseren over de immigratie van
Sovjetjoden in Israël.
5.7 Tweede Golfoorlog
Eind
juli 1990 beschuldigde Irak Koeweit ervan de olieproductiequota van de
OPEC te overschrijden, waardoor de olieprijzen te laag werden gehouden
en Irak aanzienlijke inkomsten miste. Bovendien eiste Irak vergoeding
voor olie, die Koeweit 'gestolen' zou hebben uit het gemeenschappelijke
olieveld Roemajla. Nadat op het OPEC-overleg de crisis bezworen leek,
maakte Irak aanspraak op de strategische Koeweitse eilandjes Warba en
Boebijan. Spoedoverleg onder Egyptische en Saoedische bemiddeling in
Jeddah mislukte, waarop Irak op 2 aug. 1990 Koeweit bezette en daardoor
een grotere greep kreeg op de voor het Westen zo belangrijke
olievoorraden (zie ook Tweede Golfoorlog). De Veiligheidsraad van de
Verenigde Naties stelde een economische blokkade tegen Irak en het
bezette Koeweit in. De Verenigde Staten stuurden ondertussen een steeds
omvangrijkere troepenmacht naar Saoedi-Arabië. Op 8 aug. 1990 annexeerde
Irak Koeweit om het vervolgens als Khadima als negentiende provincie op
te nemen. Irak weigerde westerse buitenlanders uitreisvisa te
verstrekken en wilde hen gebruiken als 'menselijk schild' bij een
eventuele Amerikaanse aanval. Na een reeks al dan niet officiële
diplomatieke missies besloot Irak op 6 dec. 1990 de gijzelaars alsnog te
laten gaan. Op 29 nov. had inmiddels de Veiligheidsraad resolutie 678
aangenomen, die Irak een ultimatum stelde (15 jan. 1991) om Koeweit te
ontruimen, waarna de lidstaten geweld tegen Irak mochten gebruiken. Na
het verstrijken van het ultimatum op 15 jan. 1991 gingen in de nacht van
16 op 17 jan. de luchtmachten van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië,
Frankrijk, Saoedi-Arabië en Koeweit in het kader van de operatie 'Desert
Storm' tot de aanval op Irak over. Irak werd uit Koeweit verdreven en
werd deels bezet door de geallieerden. Op 28 jan. namen de geallieerden
een voorlopig bestand in acht, nadat Irak had aangekondigd alle
resoluties met betrekking tot Koeweit te zullen uitvoeren. Irak werd
tevens gedwongen al zijn massavernietigingswapens te (laten) vernietigen
onder toezicht van VN-inspecteurs.
De militaire nederlaag van Bagdad leidde tot grote opstanden van
sji'ieten en Koerden. De eersten (verenigd in de Hoge Islamitische Raad)
beheersten enige dagen Basra en de heilige steden Nadjaf en Karbala,
maar het Iraakse leger wist eind maart met veel geweld deze steden te
heroveren. De opstandige Koerden van de Patriottische Unie (van Jalal
al-Talabani) en de Koerdische Democratische Partij (Massoed Barzani)
maakten zich meester van het noorden van Irak en de stad Kirkoek. De
Koerdische opstand werd neergeslagen. Meer dan een miljoen Koerden
vluchtten en verbleven in opvangkampen, ingericht door de geallieerden,
langs de Iraaks-Turkse en Iraaks-Iraanse grens. Het gebied ten noorden
van de 36ste breedtegraad werd op 10 april verboden verklaard voor
Iraakse militaire activiteiten. Na enige tijd begaven de Koerden zich
weer naar hun woongebieden. In maart 1992 begon het Iraakse leger een
groot offensief tegen sji'itische opstandelingen in het zuiden. Toen het
offensief in de zomer een massaal karakter aannam, stelden de Verenigde
Staten, Rusland, Groot-Brittannië en Frankrijk op 27 aug. een
vliegverbod in voor Irak ten zuiden van de 32ste breedtegraad. De
Iraakse regering probeerde daarna met andere middelen de opstandelingen
te verslaan.
In nov. 1994 erkende Irak de soevereiniteit van Koeweit, inclusief de in
1993 gewijzigde gemeenschappelijke grens. In het Iraakse gebied boven de
36ste breedtegraad raakte de Patriottische Unie van Koerdisten (PUK)
slaags met de Koerdische Democratische Partij (KDP) en de door Iran
gesteunde Islamitische Beweging. Ondanks het in nov. 1994 gesloten
akkoord tussen de PUK en de KDP laaide de strijd in 1995 weer op,
waarbij meer dan 3000 doden vielen. In aug. 1995 bereikten de partijen
wederom een akkoord na Amerikaanse bemiddeling, maar de uitvoering
leverde ook nu weer problemen op. In mei 1995 brak in de stad Ramadi een
ernstige rebellie uit binnen het leger, die in juni door elite-eenheden
werd bedwongen ten koste van honderden doden en tientallen executies.
Het parlement herkoos unaniem Saddam Hoessein als president voor een
nieuwe ambtsperiode van zeven jaar.
Twee in
1995 naar Jordanië gevluchte schoonzoons van Saddam Hoessein werden in
febr. 1996 bij terugkeer in Irak bij een schietpartij gedood. In maart
vonden voor het eerst sinds 1989 parlementsverkiezingen plaats, die naar
verwachting een grote overwinning opleverden voor de regerende
Ba'thpartij. De werkelijke macht bleef in handen van de Revolutionaire
Commandoraad onder leiding van Saddam Hoessein. Eind juni vonden grote
zuiveringen plaats binnen het leger, waarbij naar verluidt honderden
officieren werden geëxecuteerd. In dec. mislukte in het centrum van
Bagdad een moordaanslag op Uday, de invloedrijke oudste zoon van Saddam
Hoessein.
Het handelsembargo van de Verenigde Naties, dat Irak als gevolg van de
bezetting van Koeweit
sinds 1990 treft, bleef een ernstige belemmering voor de essentiële
olie-export. In 1996 werd het embargo enigszins versoepeld en werd het
land, onder strikt toezicht van de VN, toegestaan een beperkte
hoeveelheid olie te exporteren om met de opbrengst voedsel en medicijnen
te kopen voor de noodlijdende bevolking. Irak bleef zich echter
verzetten tegen een onbelemmerde internationale inspectie van zijn
wapenindustrie.
5.8 Oorlog in Irak
De invasie van Amerika en Engeland in Irak in 2003 maakte een einde aan
de heerschappij van Saddam Hoessein, maar beslist niet aan de onlusten
in het nog steeds woelige en bloedige Irak. De situatie is u allen
bekend.
Telefoongids Irak
Postcodes Irak
|