|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Iran
bestaat uit een centrale hoogvlakte (1000-1600 m hoog), in het westen en
zuiden omringd door het Zagrosgebergte (gevormd door plooiingen tijdens
het Plioceen), in het noorden door het Elboersgebergte (hoogste top: de
vulkaan Demawend: 5771 m), terwijl in het oosten enige kleinere,
discontinue bergketens voorkomen. De ketens lopen in het algemeen van
het noordwesten naar het zuidoosten, zonder de zee te bereiken.
Kenmerkend voor het centrale deel zijn de ontoegankelijke kavir:
zoutmoerassen en de desjt (of dasjt = woestijn). Laagland komt voor in
enkele smalle stroken langs de Perzische Golf en aan de voet van het
Elboersgebergte.
1.2 Rivieren en meren
De enige goed bevaarbare rivier is de Karoen, die in het Zagrosgebergte
ontspringt en uitmondt in de Sjat al-Arab (samenvloeiing van Eufraat en
Tigris). Alleen in de regentijd bevaarbaar zijn de Kizil Oezen, die door
het Elboersgebergte naar de Kaspische Zee stroomt, en de Aras (Araxes),
de grensrivier tussen de Sovjet-Unie en Iran. De rivieren worden
grotendeels gevoed door uit het gebergte afkomstig smeltwater. De vele
kleine rivieren monden uit in zoutmeren. De grootste zoutmeren zijn het
Oermiameer in het noordwesten en het Helmendmeer op de grens met
Afghanistan.
1.3 Klimaat
Ten gevolge van zijn continentale karakter en de grote hoogte kent Iran
klimatologische uitersten. De zomer is m.n. in het binnenland zeer warm,
met temperaturen tussen de 45 en 55 °C, terwijl de winter uitgesproken
koud kan zijn, met temperaturen tot ver beneden het vriespunt. Vooral in
het zuidoosten wordt de zomer behalve door extreme hitte tevens door
zeer sterke winden, vaak met snelheden van meer dan 150 km per uur,
gekenmerkt. De vnl. in de winter vallende neerslag varieert sterk van
plaats tot plaats. Het merendeel valt in de kuststrook langs de
Kaspische Zee, tegen de noordelijke hellingen van het Elboersgebergte
(gemiddeld 1150 mm per jaar), elders is de neerslag minimaal.
1.4 Plantengroei
De plantengroei vertoont, ten gevolge van de klimatologische en
topografische verscheidenheid, vele regionale verschillen. De vegetatie
bestrijkt de scala van dicht woud tot schaarse woestijnbegroeiing.
Bossen komen vooral voor aan de kusten; de woestijnvegetatie is
kenmerkend voor de centrale hoogvlakte. In de zoutmoerassen (kavir) op
deze hoogvlakte komen zoutplanten voor.
1.5 Dierenwereld
Iran ligt op de grens van palaearctische en oriëntaalse regio's. De
dierenwereld is zeer rijk geweest, maar sterk beïnvloed door de oude
beschaving die gepaard is gegaan met kaalslag van de bossen en daarmee
samenhangende erosie. De stabiliteit van na de Tweede Wereldoorlog
resulteerde echter in een goed gereguleerde jacht en een netwerk van
beschermde gebieden, zodat talrijke uitstervende soorten behouden konden
blijven. De politieke onrust in de jaren tachtig heeft echter grote
schade aangericht en het toekomstperspectief blijft vooralsnog zeer
somber. Het meest bedreigde dier is ongetwijfeld het Mesopotamische
damhert. In de Tweede Wereldoorlog werd de leeuw in Iran uitgeroeid; men
neemt aan dat de Kaspische tijger nu ook totaal verdwenen is. Het
jachtluipaard komt nog uiterst zelden voor; panter, steppekat, onager,
verschillende gazellen en wilde schapen konden dankzij bescherming weer
in aantal toenemen. Iran is een belangrijk overwinteringsgebied voor
watervogels; flamingo's komen nog algemeen voor.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Ca.
65% van de bevolking bestaat uit de Farsi sprekende Iraniërs. Er leven
bovendien Arabische gemeenschappen in de zuidwestelijke laagvlakte van
Khuzestan; Balutsji in het zuidoostelijke grensgebied met Pakistan,
rondom de steden Zahedan en Iransjahr en Toerkmenen op de steppen van
Gorgaan aan de Kaspische oostkust. Daarnaast zijn er talrijke (semi-)nomadische
groepen. Hun traditionele territoria bevinden zich grotendeels in de
uitlopers van het westelijke Zagrosmassief: van noord naar zuid
achtereenvolgens de Sjahsawans, Koerden, Loeren, Bachtijaren, Kasjga'is
en, rond de stad Sjiraz, de Chamsehfederatie. In Iran verbleven in 1996
ruim een miljoen Afghaanse vluchtelingen. Het jaarlijkse
bevolkingsgroeicijfer behoort tot de hoogste ter wereld: 3,3% over de
periode 1985-1994. Ca. 55% van alle inwoners is onder de twintig jaar.
In 1956 woonde 30% van alle inwoners in steden van minstens 5000 inw.;
in 1995 59%. Dit baart zorgen vanwege de ontvolking van het platteland
en verwaarlozing van de primaire sector enerzijds en vanwege de
explosieve, onbeheersbare groei van grote steden anderzijds. De
hoofdstad Teheran vormt hiervan het extreemste voorbeeld, met een sinds
1956 verzesvoudigd inwonertal van naar schatting 8 miljoen (1995),
gevolgd door Mashhad (1,5 miljoen), Isfahan (1 miljoen), Tebriz (1
miljoen) en Sjiraz (850.000). Sinds de islamitische revolutie zijn ca.
een miljoen mensen naar het buitenland gevlucht.
2.2 Taal
Volgens de grondwet van 1979 geldt het Farsi (zie Perzische taal) als de
'officiële en gemeenschappelijke taal van de Islamitische Republiek
Iran', verplicht gesteld voor officiële documenten en correspondentie,
en voor schoolboeken. Farsi is voor 50% van de bevolking de omgangstaal.
Daarnaast dient 'de taal van de koran' (klassiek Arabisch) als
verplichte tweede taal onderwezen te worden in alle klassen van het
middelbaar onderwijs. Ten slotte wordt het gebruik van 'lokale en
etnische talen' toegestaan in de pers, de massamedia en het
literatuuronderwijs. Deze laatste groep omvat enerzijds Iraanse talen
als het Koerdisch en Balutsji (20%), en anderzijds het
Azerbajdzjan-Turks (20%), Armeens en modern-Arabische dialecten.
2.3 Religie
In navolging van de oude grondwet (1906-1907) wordt ook in de
republikeinse bepalingen van 1979 'het sji'isme van de twaalvers' (zie
sji'ieten) als officiële godsdienst genoemd en daarmee blijft de
republiek Iran het enige land met deze islamitische minderheidsvariant
als staatsgodsdienst. Het betreffende artikel 12 geldt als 'eeuwigdurend
en onveranderlijk', en stipuleert tevens 'volledige eerbiediging en
vrijheid' ten aanzien van vijf andere islamitische varianten,
georganiseerd in mazhabs of rechtsscholen, waarvan vier soennitisch (Hanafiten,
Malikiten, Sjafi'iten, Hanbaliten). Vervolgens worden het zoroastrisme
(zie mazdeïsme), jodendom en christendom genoemd als 'enige erkende
godsdienstminderheden' (art. 13) - met uitsluiting dus van o.a. de als
ketters beschouwde en vervolgde Babi's (zie babisme) en Baha'i's (zie
baha'isme) Ca. 98% van de Iraniërs zijn islamieten, van wie ruim 90%
sji'itisch, de rest soennitisch. Er zijn ca. 300.000 christenen en
30.000 joden, hoewel hun aantal afneemt.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Iran
(Perzië) was vanaf de oudheid tot 1979 een monarchie. De eerste grondwet
(1906-1907) legde de constitutionele monarchie als staatsvorm vast en
begrensde de macht der monarchen. De laatst heersende monarchie, die van
de Pahlawi's, heerste van 1925 tot 1979, toen de uit ballingschap
teruggekeerde geestelijke ayatollah Chomeiny aan het bewind kwam.
Volgens de door een referendum goedgekeurde grondwet van 1979 (wijziging
in 1989, eveneens per referendum goedgekeurd) is Iran een islamitische
republiek. Het staatsbestel laat zich typeren als een compromis tussen
de beginselen van de islamitische theocratie en volkssoevereiniteit,
tussen goddelijk geopenbaarde Wet en liberaal parlementarisme.
Zo voorziet de grondwet in een parlement van 270 afgevaardigden, de
Vergadering van Islamitische Raadgeving (Madjlis), met 270 leden, van
wie 265 rechtstreeks voor vier jaar gekozen vertegenwoordigers en 5
vertegenwoordigers van erkende religieuze minderheden. De Madjlis heeft
het recht van initiatief, interpellatie en enquête; de grondwet voorziet
echter tegelijkertijd in een Raad van Toezicht met vetomacht over elk
parlementsbesluit dat door twaalf raadsleden (zes door de geestelijk
leider benoemde islamitische rechtsgeleerden en zes door het parlement
aangewezen juristen) 'in strijd met de Heilige Wet' wordt geacht. De
uitvoerende macht berustte tot aan Chomeiny's dood in 1989 vnl. bij de
niet-verantwoordingsplichtige rahbar of (geestelijk) 'leider' (Wali
al-faqih). Sedertdien moet hij die delen met de voor vier jaar
rechtstreeks gekozen president (een maal herkiesbaar). Deze benoemt o.a.
de ministers die het vertrouwen van het parlement nodig hebben. De
Nationale Veiligheidsraad is een invloedrijke adviesinstantie van de
president. Hierin hebben zitting de voorzitters van het parlement, het
kabinet en de rechterlijke macht, alsmede hoge ambtenaren en de zgn.
revolutionaire wachters.
De geestelijk leider wordt voor het leven gekozen door een Raad van
Experts (allen geestelijken). Hij bemiddelt tussen regering en de Raad
van Toezicht.
Als gevolg van de omwenteling van 1979 is een politiek-partijenstelsel
in de Westerse betekenis van het woord afgewezen. Met tweederde van de
zetels in het parlement was de Islamitische Republikeinse Partij (IRP)
bij de verkiezingen van 1980 en 1984 de grootste partij. In juni 1987
werd de IRP formeel ontbonden. Vanaf 1988 waren slechts individuele
kandidaten verkiesbaar.
Binnen het getolereerde politieke spectrum laten zich drie stromingen
ontwaren: een rechts-traditionele (aangehangen door o.m. geestelijk
leider Chamenei), een gematigde rechts-modernistische en een linkse
stroming. Deze laatste beschikte tussen 1980 en 1992 over een grote
meerderheid in het parlement, maar werd daarna van haar macht beroofd.
Vanwege talrijke betrekkingen met de revolutionaire wachters en
religieuze instanties is ze echter nog steeds een belangrijke
machtsfactor.
In de illegaliteit opereren diverse oppositiebewegingen, al dan niet
vanuit het buitenland, zoals de Nationale Verzetsraad (een coalitie,
waarin de Moedjahedien Chalk [= De Heilige Strijders voor het Volk]
onder leiding van Massoud Rajavi de toon aangeven), de Fedayien Chalk (=
Zij die zich Opofferen voor het Volk), de Toedeh (Massa)partij en de
Democratische Partij van Iraans Koerdistan. De grondwet van Iran maakt
geen melding van een vakbondswezen. 'Islamitische comités' moeten de
belangen der werknemers in de bedrijven behartigen. Stakingen zijn
verboden.
3.2 Administratieve indeling
Het land is ingedeeld in 25 provincies (196 gouvernementen en 501
districten). De grondwet komt nauwelijks tegemoet aan de wens tot
grotere autonomie van de verschillende minderheden en volstaat met de
erkenning van enige culturele autonomie.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Iran is lid van de Verenigde Naties en gespecialiseerde organisaties van
de VN, de Organisatie van Niet-Gebonden Landen, het Colombo-plan, de
OPEC en de Organisatie van de Islamitische Conferentie.
      
4. Economie
4.1 Algemeen
De Iraanse
economie is door de islamitische revolutie van 1979 en de daarop
volgende boycot door de Verenigde Staten en enkele van zijn bondgenoten,
maar vooral door de Eerste Golfoorlog ernstig ontregeld. Onder het
bewind van de sjah kon het economisch systeem gekarakteriseerd worden
als een vrijemarkteconomie met aanzienlijke invloed van de staat. Dank
zij de inkomsten uit de aardoliewinning had de economie een hoog, maar
sterk fluctuerend groeicijfer en steeg het bruto nationaal product (bnp)
jaarlijks (in de jaren 1960-1977) gemiddeld met 7,9%. De aanzienlijke
inkomsten werden vnl. geïnvesteerd in verdere industrialisering, terwijl
een niet gering deel werd besteed aan de modernisering van de
strijdkrachten.
Sedert 1979 gelden andere economische doelstellingen: geen economische
overheersing door het buitenland, nadruk op de ontwikkeling van landbouw
en kleine industriële bedrijven; grotere staatsinvloed op de economie
door nationalisatie van de basisindustrieën en een grote plaats voor de
coöperatieve sector. Privé-eigendom wordt alleen gerespecteerd als dit
langs legitieme weg is verkregen. De invloed van de werknemers in de
bedrijven wordt door middel van arbeidsraden vergroot. Een aantal van
deze doelstellingen is gerealiseerd. Banken, verzekeringsbedrijven en de
gehele zware industrie zijn genationaliseerd, alsmede een aantal
bedrijven dat aan naaste medewerkers van de sjah toebehoorde. Daarnaast
heeft de staat import- en distributiecentra opgericht ter controle van
de handel in metalen, papier, hout, textiel en vezels. Er bestaan ook
distributiecentra voor een breed scala van levensmiddelen en
consumptiegoederen. De regering begon de buitenlandse handel, die van
oudsher tot de activiteiten van de bazari, de kleine handelaren in de
bazaars, behoort, onder staatscontrole te brengen. Door het uitbreken
van de Eerste Golfoorlog (1980) trad een ernstige economische recessie
in. De verwoesting van olie-installaties en fabrieken deed de aardolie-
en industriële productie dramatisch teruglopen, terwijl de agrarische
sector stagneerde. Door de verhoogde productie-, verzekerings- en
transportkosten, alsmede door de daling van de prijzen op de
wereldmarkt, liepen vooral de inkomsten uit de aardoliesector drastisch
terug. Het bnp daalde in 1980 met 13%, in 1981 met 10% en bleef
sindsdien dalen. Door middel van kortingen poogde Iran de export van
aardolie te herstellen, wat slechts geleidelijk aan lukte. De
werkloosheid (in 1987 28,6%) en de inflatie bereikten recordhoogten. De
economische problemen werden nog vergroot door onenigheid binnen de
politieke leiding over de rol van de staat in de economie. Terwijl
radicalen grootschalige nationalisaties en landhervormingen wilden
doorvoeren, hielden conservatieve leiders met een beroep op de islam
dergelijke maatregelen vaak tegen. Sinds 1988 leek een pragmatischer
technocratische benadering het te winnen.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
Van de 1, 65 miljoen km2 grond is 55% voor bebouwing geschikt. Ca. 11%
is echter slechts in cultuur gebracht, waarvan op nog geen derde
irrigatie plaatsvindt. In 1990 was 40% van de beroepsbevolking werkzaam
in de landbouw en droeg voor 23% bij aan het bnp. De agrarische
productie is vanaf het begin van de jaren zestig gestegen, maar daalde
later sterk. Na de revolutie werd zelfvoorziening van voedsel tot een
centraal thema van de economische politiek. Gebrek aan kapitaal,
arbeidskrachten (in verband met de urbanisatie) en onzekerheid over
landbezit (meningsverschillen binnen de overheid over landhervormingen
om het grootgrondbezit tegen te gaan) verhinderden echter grote
successen. De regering startte een omvangrijk programma ter ontwikkeling
van het platteland (Jihad i-sazandaji, = Heilige Oorlog voor de Opbouw)
met irrigatiewerken, scholen, moskeeën en gezondheidscentra. Vooral de
graanproductie werd zwaar gesubsidieerd. De belangrijkste
landbouwproducten zijn: katoen, fruit, diverse granen, rijst, dadels,
tabak en thee. De belangrijkste landbouwgebieden zijn gelegen in het
noordwesten, alsook in de bergdalen bij voldoende irrigatie. Een
geschikte grond voor landbouw is ook het kustgebied langs de Kaspische
Zee.
De veehouderij wordt vnl. door nomaden bedreven en levert melkproducten,
wol, haar en huiden. Sinds de nationalisatie van het bosgebied (ca.
11,5% van het grondgebied) in 1963 is de overheid overgegaan tot
bescherming en herbebossing. Voor de visserij is de Kaspische Zee van
enig belang (steur ten behoeve van kaviaar). De visserij in de Perzische
Golf is kleinschalig en bestemd voor eigen consumptie. Vervuiling
bedreigt hier de visserijsector.
4.3 Industrie
De industriële sector bood in 1995 ca. 28% van de beroepsbevolking
werkgelegenheid. In de periode 1978-1995 daalde het aandeel van de
industrie in het bnp van 42% naar 16%. Na de revolutie werd aanvankelijk
voorrang verleend aan kleinschalige industrie. Door de Eerste Golfoorlog
daalde de industriële productie met meer dan 60%. Verwoestingen door
Iraakse bombardementen, tekorten aan grondstoffen, kapitaal en
geschoolde arbeid en tekorten aan energie lagen hieraan ten grondslag.
De bouw van nieuwe industriële complexen en krachtcentrales werd door de
oorlog vertraagd, maar na het ingaan van het bestand in 1988 weer ter
hand genomen. Teheran is het voornaamste industriële centrum, op afstand
gevolgd door Isfahan, Tebriz, Ahwaz en Hamadan. De kleine industriële
bedrijven, waarvan vooral de tapijtknoperijen (zie Perzische tapijten)
en goud- en zilversmeden voor de uitvoer werken, zijn in de meerderheid.
De belangrijkste takken van industrie, na de aardolie-industrie, zijn de
textiel-, de voedsel-, de machinebouw-, de metaal- en de
bouwmaterialenindustrie.
4.4 Mijnwezen
De winning van aardolie en aardgas vormt de belangrijkste tak. De totale
aardoliereserves werden in 1993 geschat op 11, 3 miljard ton (10% van de
wereldvoorraad). De winning en verwerking zijn sedert 1973 in handen van
de National Iranian Oil Company (NIOC, een staatsbedrijf). Voornaamste
vindplaatsen zijn: het gebied om de Perzische Golf, de kust van de
Kaspische Zee en het noordoostelijk grensgebied. De aardolie wordt via
pijpleidingen naar de kust getransporteerd.
De aardgasreserves worden in grootte tot de tweede ter wereld gerekend (ca.
13% van de wereldreserves).
Het land is rijk aan bodemschatten, die echter nog niet alle
geëxploiteerd worden. Aanwezig zijn aanzienlijke voorraden lood,
wolfraam- en mangaanertsen, bauxiet, uranium en asbest. Op steeds groter
schaal worden steenkolen, ijzererts, nikkel, chroom en kobalt gewonnen.
4.5 Handel
Ingevoerd worden: machines, apparaten, voedingsmiddelen, ijzer- en
staalproducten, voertuigen, textiel en textielgrondstoffen, chemische
producten. Belangrijkste leveranciers zijn de EU-landen (vooral
Duitsland en Italië), Japan en Turkije. Uitgevoerd worden: aardolie en
olieproducten, textiel (tapijten) en plantaardige producten.
Belangrijkste afnemers zijn: de EU-landen (vnl. de Benelux en Italië) en
Japan. De handelsbalans is dankzij de olie-export positief.
4.6 Bankwezen
Centrale bank is de in 1960 opgerichte Bank Markazi Iran. Grootste
handelsbank is de Bank Meli Iran. In 1979 werden alle banken
genationaliseerd en onder islamitisch recht gebracht.
4.7 Verkeer
Het spoorwegnet (4567 km) wordt geëxploiteerd door een
staatsspoorwegmaatschappij. De belangrijkste verbinding is de
Transiraanse spoorweglijn die de Kaspische Zee met de Perzische Golf
verbindt. De lijn Teheran-Ankara geeft aansluiting op het Europese
spoorwegnet. Het wegennet is met 151!500 km ontoereikend. De beste
verbinden Teheran met de belangrijkste steden. De binnenscheepvaart is
van weinig betekenis, maar de zeescheepvaart is het belangrijkste
transportmiddel voor aardolie. De belangrijkste havens zijn
Bandar-e-Abbas en Bandar-e-Anzali. Bandar-e-Khomeini en Bandar-e-Bushehr
(Boesjir) zijn door de Eerste Golfoorlog zwaar getroffen, de havens van
Hamadan en Khorramabad zijn vrijwel buiten gebruik geraakt. In 1988 werd
begonnen met de herstelwerkzaamheden. Staatsscheepvaartmaatschappij is
de Arya National Shipping Lines S.A., die het vervoer in de Perzische
Golf en lijndiensten op Europa onderhoudt. Nationale
luchtvaartmaatschappij is Iranair, die het binnenlandse en het
internationale luchtvervoer verzorgt. Teheran, Shiraz en Bandar Abbas
hebben een internationale luchthaven.
Telefoongids Iran
Postcodes Iran
|