header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Iran

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 

Iran (officieel: Djoemhoerije Eslamije Iran = Islamitische Republiek Iran), tot 1935 en tussen 1949 en 1979 PerziŽ geheten, republiek in West-AziŽ, 1.648.196 km2, met (schatting 1996) 66,8 miljoen inw. (41 inw. per km2); hoofdstad Teheran. Munteenheid is de rial, onderverdeeld in 100 dinar. Nationale feestdagen zijn 11 febr. (in 1979 de dag van de definitieve val van het oude Sjah-regime) en 1 april (in hetzelfde jaar de dag waarop de islamitische republiek werd uitgeroepen).
 

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Iran - Gilan & Mazandaran - Band e Pey forestsIran bestaat uit een centrale hoogvlakte (1000-1600 m hoog), in het westen en zuiden omringd door het Zagrosgebergte (gevormd door plooiingen tijdens het Plioceen), in het noorden door het Elboersgebergte (hoogste top: de vulkaan Demawend: 5771 m), terwijl in het oosten enige kleinere, discontinue bergketens voorkomen. De ketens lopen in het algemeen van het noordwesten naar het zuidoosten, zonder de zee te bereiken. Kenmerkend voor het centrale deel zijn de ontoegankelijke kavir: zoutmoerassen en de desjt (of dasjt = woestijn). Laagland komt voor in enkele smalle stroken langs de Perzische Golf en aan de voet van het Elboersgebergte.
1.2 Rivieren en meren
De enige goed bevaarbare rivier is de Karoen, die in het Zagrosgebergte ontspringt en uitmondt in de Sjat al-Arab (samenvloeiing van Eufraat en Tigris). Alleen in de regentijd bevaarbaar zijn de Kizil Oezen, die door het Elboersgebergte naar de Kaspische Zee stroomt, en de Aras (Araxes), de grensrivier tussen de Sovjet-Unie en Iran. De rivieren worden grotendeels gevoed door uit het gebergte afkomstig smeltwater. De vele kleine rivieren monden uit in zoutmeren. De grootste zoutmeren zijn het Oermiameer in het noordwesten en het Helmendmeer op de grens met Afghanistan.
1.3 Klimaat
Ten gevolge van zijn continentale karakter en de grote hoogte kent Iran klimatologische uitersten. De zomer is m.n. in het binnenland zeer warm, met temperaturen tussen de 45 en 55 įC, terwijl de winter uitgesproken koud kan zijn, met temperaturen tot ver beneden het vriespunt. Vooral in het zuidoosten wordt de zomer behalve door extreme hitte tevens door zeer sterke winden, vaak met snelheden van meer dan 150 km per uur, gekenmerkt. De vnl. in de winter vallende neerslag varieert sterk van plaats tot plaats. Het merendeel valt in de kuststrook langs de Kaspische Zee, tegen de noordelijke hellingen van het Elboersgebergte (gemiddeld 1150 mm per jaar), elders is de neerslag minimaal.
1.4 Plantengroei
De plantengroei vertoont, ten gevolge van de klimatologische en topografische verscheidenheid, vele regionale verschillen. De vegetatie bestrijkt de scala van dicht woud tot schaarse woestijnbegroeiing. Bossen komen vooral voor aan de kusten; de woestijnvegetatie is kenmerkend voor de centrale hoogvlakte. In de zoutmoerassen (kavir) op deze hoogvlakte komen zoutplanten voor.
1.5 Dierenwereld
Iran ligt op de grens van palaearctische en oriŽntaalse regio's. De dierenwereld is zeer rijk geweest, maar sterk beÔnvloed door de oude beschaving die gepaard is gegaan met kaalslag van de bossen en daarmee samenhangende erosie. De stabiliteit van na de Tweede Wereldoorlog resulteerde echter in een goed gereguleerde jacht en een netwerk van beschermde gebieden, zodat talrijke uitstervende soorten behouden konden blijven. De politieke onrust in de jaren tachtig heeft echter grote schade aangericht en het toekomstperspectief blijft vooralsnog zeer somber. Het meest bedreigde dier is ongetwijfeld het Mesopotamische damhert. In de Tweede Wereldoorlog werd de leeuw in Iran uitgeroeid; men neemt aan dat de Kaspische tijger nu ook totaal verdwenen is. Het jachtluipaard komt nog uiterst zelden voor; panter, steppekat, onager, verschillende gazellen en wilde schapen konden dankzij bescherming weer in aantal toenemen. Iran is een belangrijk overwinteringsgebied voor watervogels; flamingo's komen nog algemeen voor.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Iran - Sistan & Baluchestan - Zabol,SistanCa. 65% van de bevolking bestaat uit de Farsi sprekende IraniŽrs. Er leven bovendien Arabische gemeenschappen in de zuidwestelijke laagvlakte van Khuzestan; Balutsji in het zuidoostelijke grensgebied met Pakistan, rondom de steden Zahedan en Iransjahr en Toerkmenen op de steppen van Gorgaan aan de Kaspische oostkust. Daarnaast zijn er talrijke (semi-)nomadische groepen. Hun traditionele territoria bevinden zich grotendeels in de uitlopers van het westelijke Zagrosmassief: van noord naar zuid achtereenvolgens de Sjahsawans, Koerden, Loeren, Bachtijaren, Kasjga'is en, rond de stad Sjiraz, de Chamsehfederatie. In Iran verbleven in 1996 ruim een miljoen Afghaanse vluchtelingen. Het jaarlijkse bevolkingsgroeicijfer behoort tot de hoogste ter wereld: 3,3% over de periode 1985-1994. Ca. 55% van alle inwoners is onder de twintig jaar. In 1956 woonde 30% van alle inwoners in steden van minstens 5000 inw.; in 1995 59%. Dit baart zorgen vanwege de ontvolking van het platteland en verwaarlozing van de primaire sector enerzijds en vanwege de explosieve, onbeheersbare groei van grote steden anderzijds. De hoofdstad Teheran vormt hiervan het extreemste voorbeeld, met een sinds 1956 verzesvoudigd inwonertal van naar schatting 8 miljoen (1995), gevolgd door Mashhad (1,5 miljoen), Isfahan (1 miljoen), Tebriz (1 miljoen) en Sjiraz (850.000). Sinds de islamitische revolutie zijn ca. een miljoen mensen naar het buitenland gevlucht.
2.2 Taal
Volgens de grondwet van 1979 geldt het Farsi (zie Perzische taal) als de 'officiŽle en gemeenschappelijke taal van de Islamitische Republiek Iran', verplicht gesteld voor officiŽle documenten en correspondentie, en voor schoolboeken. Farsi is voor 50% van de bevolking de omgangstaal. Daarnaast dient 'de taal van de koran' (klassiek Arabisch) als verplichte tweede taal onderwezen te worden in alle klassen van het middelbaar onderwijs. Ten slotte wordt het gebruik van 'lokale en etnische talen' toegestaan in de pers, de massamedia en het literatuuronderwijs. Deze laatste groep omvat enerzijds Iraanse talen als het Koerdisch en Balutsji (20%), en anderzijds het Azerbajdzjan-Turks (20%), Armeens en modern-Arabische dialecten.
2.3 Religie
In navolging van de oude grondwet (1906-1907) wordt ook in de republikeinse bepalingen van 1979 'het sji'isme van de twaalvers' (zie sji'ieten) als officiŽle godsdienst genoemd en daarmee blijft de republiek Iran het enige land met deze islamitische minderheidsvariant als staatsgodsdienst. Het betreffende artikel 12 geldt als 'eeuwigdurend en onveranderlijk', en stipuleert tevens 'volledige eerbiediging en vrijheid' ten aanzien van vijf andere islamitische varianten, georganiseerd in mazhabs of rechtsscholen, waarvan vier soennitisch (Hanafiten, Malikiten, Sjafi'iten, Hanbaliten). Vervolgens worden het zoroastrisme (zie mazdeÔsme), jodendom en christendom genoemd als 'enige erkende godsdienstminderheden' (art. 13) - met uitsluiting dus van o.a. de als ketters beschouwde en vervolgde Babi's (zie babisme) en Baha'i's (zie baha'isme) Ca. 98% van de IraniŽrs zijn islamieten, van wie ruim 90% sji'itisch, de rest soennitisch. Er zijn ca. 300.000 christenen en 30.000 joden, hoewel hun aantal afneemt.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Iran - Azarbayejan - Sheikh Safi al Din TombIran (PerziŽ) was vanaf de oudheid tot 1979 een monarchie. De eerste grondwet (1906-1907) legde de constitutionele monarchie als staatsvorm vast en begrensde de macht der monarchen. De laatst heersende monarchie, die van de Pahlawi's, heerste van 1925 tot 1979, toen de uit ballingschap teruggekeerde geestelijke ayatollah Chomeiny aan het bewind kwam. Volgens de door een referendum goedgekeurde grondwet van 1979 (wijziging in 1989, eveneens per referendum goedgekeurd) is Iran een islamitische republiek. Het staatsbestel laat zich typeren als een compromis tussen de beginselen van de islamitische theocratie en volkssoevereiniteit, tussen goddelijk geopenbaarde Wet en liberaal parlementarisme.
Zo voorziet de grondwet in een parlement van 270 afgevaardigden, de Vergadering van Islamitische Raadgeving (Madjlis), met 270 leden, van wie 265 rechtstreeks voor vier jaar gekozen vertegenwoordigers en 5 vertegenwoordigers van erkende religieuze minderheden. De Madjlis heeft het recht van initiatief, interpellatie en enquÍte; de grondwet voorziet echter tegelijkertijd in een Raad van Toezicht met vetomacht over elk parlementsbesluit dat door twaalf raadsleden (zes door de geestelijk leider benoemde islamitische rechtsgeleerden en zes door het parlement aangewezen juristen) 'in strijd met de Heilige Wet' wordt geacht. De uitvoerende macht berustte tot aan Chomeiny's dood in 1989 vnl. bij de niet-verantwoordingsplichtige rahbar of (geestelijk) 'leider' (Wali al-faqih). Sedertdien moet hij die delen met de voor vier jaar rechtstreeks gekozen president (een maal herkiesbaar). Deze benoemt o.a. de ministers die het vertrouwen van het parlement nodig hebben. De Nationale Veiligheidsraad is een invloedrijke adviesinstantie van de president. Hierin hebben zitting de voorzitters van het parlement, het kabinet en de rechterlijke macht, alsmede hoge ambtenaren en de zgn. revolutionaire wachters.
De geestelijk leider wordt voor het leven gekozen door een Raad van Experts (allen geestelijken). Hij bemiddelt tussen regering en de Raad van Toezicht.
Als gevolg van de omwenteling van 1979 is een politiek-partijenstelsel in de Westerse betekenis van het woord afgewezen. Met tweederde van de zetels in het parlement was de Islamitische Republikeinse Partij (IRP) bij de verkiezingen van 1980 en 1984 de grootste partij. In juni 1987 werd de IRP formeel ontbonden. Vanaf 1988 waren slechts individuele kandidaten verkiesbaar.
Binnen het getolereerde politieke spectrum laten zich drie stromingen ontwaren: een rechts-traditionele (aangehangen door o.m. geestelijk leider Chamenei), een gematigde rechts-modernistische en een linkse stroming. Deze laatste beschikte tussen 1980 en 1992 over een grote meerderheid in het parlement, maar werd daarna van haar macht beroofd. Vanwege talrijke betrekkingen met de revolutionaire wachters en religieuze instanties is ze echter nog steeds een belangrijke machtsfactor.
In de illegaliteit opereren diverse oppositiebewegingen, al dan niet vanuit het buitenland, zoals de Nationale Verzetsraad (een coalitie, waarin de Moedjahedien Chalk [= De Heilige Strijders voor het Volk] onder leiding van Massoud Rajavi de toon aangeven), de Fedayien Chalk (= Zij die zich Opofferen voor het Volk), de Toedeh (Massa)partij en de Democratische Partij van Iraans Koerdistan. De grondwet van Iran maakt geen melding van een vakbondswezen. 'Islamitische comitťs' moeten de belangen der werknemers in de bedrijven behartigen. Stakingen zijn verboden.
3.2 Administratieve indeling
Het land is ingedeeld in 25 provincies (196 gouvernementen en 501 districten). De grondwet komt nauwelijks tegemoet aan de wens tot grotere autonomie van de verschillende minderheden en volstaat met de erkenning van enige culturele autonomie.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Iran is lid van de Verenigde Naties en gespecialiseerde organisaties van de VN, de Organisatie van Niet-Gebonden Landen, het Colombo-plan, de OPEC en de Organisatie van de Islamitische Conferentie.

Jame MosqueKhaju BridgeJame MosqueImam MosqueAliqapooAliqapooSi O Se Pol at night

4. Economie
4.1 Algemeen

De Iraanse economie is door de islamitische revolutie van 1979 en de daarop volgende boycot door de Verenigde Staten en enkele van zijn bondgenoten, maar vooral door de Eerste Golfoorlog ernstig ontregeld. Onder het bewind van de sjah kon het economisch systeem gekarakteriseerd worden als een vrijemarkteconomie met aanzienlijke invloed van de staat. Dank zij de inkomsten uit de aardoliewinning had de economie een hoog, maar sterk fluctuerend groeicijfer en steeg het bruto nationaal product (bnp) jaarlijks (in de jaren 1960-1977) gemiddeld met 7,9%. De aanzienlijke inkomsten werden vnl. geÔnvesteerd in verdere industrialisering, terwijl een niet gering deel werd besteed aan de modernisering van de strijdkrachten.
Sedert 1979 gelden andere economische doelstellingen: geen economische overheersing door het buitenland, nadruk op de ontwikkeling van landbouw en kleine industriŽle bedrijven; grotere staatsinvloed op de economie door nationalisatie van de basisindustrieŽn en een grote plaats voor de coŲperatieve sector. Privť-eigendom wordt alleen gerespecteerd als dit langs legitieme weg is verkregen. De invloed van de werknemers in de bedrijven wordt door middel van arbeidsraden vergroot. Een aantal van deze doelstellingen is gerealiseerd. Banken, verzekeringsbedrijven en de gehele zware industrie zijn genationaliseerd, alsmede een aantal bedrijven dat aan naaste medewerkers van de sjah toebehoorde. Daarnaast heeft de staat import- en distributiecentra opgericht ter controle van de handel in metalen, papier, hout, textiel en vezels. Er bestaan ook distributiecentra voor een breed scala van levensmiddelen en consumptiegoederen. De regering begon de buitenlandse handel, die van oudsher tot de activiteiten van de bazari, de kleine handelaren in de bazaars, behoort, onder staatscontrole te brengen. Door het uitbreken van de Eerste Golfoorlog (1980) trad een ernstige economische recessie in. De verwoesting van olie-installaties en fabrieken deed de aardolie- en industriŽle productie dramatisch teruglopen, terwijl de agrarische sector stagneerde. Door de verhoogde productie-, verzekerings- en transportkosten, alsmede door de daling van de prijzen op de wereldmarkt, liepen vooral de inkomsten uit de aardoliesector drastisch terug. Het bnp daalde in 1980 met 13%, in 1981 met 10% en bleef sindsdien dalen. Door middel van kortingen poogde Iran de export van aardolie te herstellen, wat slechts geleidelijk aan lukte. De werkloosheid (in 1987 28,6%) en de inflatie bereikten recordhoogten. De economische problemen werden nog vergroot door onenigheid binnen de politieke leiding over de rol van de staat in de economie. Terwijl radicalen grootschalige nationalisaties en landhervormingen wilden doorvoeren, hielden conservatieve leiders met een beroep op de islam dergelijke maatregelen vaak tegen. Sinds 1988 leek een pragmatischer technocratische benadering het te winnen.
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
Van de 1, 65 miljoen km2 grond is 55% voor bebouwing geschikt. Ca. 11% is echter slechts in cultuur gebracht, waarvan op nog geen derde irrigatie plaatsvindt. In 1990 was 40% van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw en droeg voor 23% bij aan het bnp. De agrarische productie is vanaf het begin van de jaren zestig gestegen, maar daalde later sterk. Na de revolutie werd zelfvoorziening van voedsel tot een centraal thema van de economische politiek. Gebrek aan kapitaal, arbeidskrachten (in verband met de urbanisatie) en onzekerheid over landbezit (meningsverschillen binnen de overheid over landhervormingen om het grootgrondbezit tegen te gaan) verhinderden echter grote successen. De regering startte een omvangrijk programma ter ontwikkeling van het platteland (Jihad i-sazandaji, = Heilige Oorlog voor de Opbouw) met irrigatiewerken, scholen, moskeeŽn en gezondheidscentra. Vooral de graanproductie werd zwaar gesubsidieerd. De belangrijkste landbouwproducten zijn: katoen, fruit, diverse granen, rijst, dadels, tabak en thee. De belangrijkste landbouwgebieden zijn gelegen in het noordwesten, alsook in de bergdalen bij voldoende irrigatie. Een geschikte grond voor landbouw is ook het kustgebied langs de Kaspische Zee.
De veehouderij wordt vnl. door nomaden bedreven en levert melkproducten, wol, haar en huiden. Sinds de nationalisatie van het bosgebied (ca. 11,5% van het grondgebied) in 1963 is de overheid overgegaan tot bescherming en herbebossing. Voor de visserij is de Kaspische Zee van enig belang (steur ten behoeve van kaviaar). De visserij in de Perzische Golf is kleinschalig en bestemd voor eigen consumptie. Vervuiling bedreigt hier de visserijsector.
4.3 Industrie
De industriŽle sector bood in 1995 ca. 28% van de beroepsbevolking werkgelegenheid. In de periode 1978-1995 daalde het aandeel van de industrie in het bnp van 42% naar 16%. Na de revolutie werd aanvankelijk voorrang verleend aan kleinschalige industrie. Door de Eerste Golfoorlog daalde de industriŽle productie met meer dan 60%. Verwoestingen door Iraakse bombardementen, tekorten aan grondstoffen, kapitaal en geschoolde arbeid en tekorten aan energie lagen hieraan ten grondslag. De bouw van nieuwe industriŽle complexen en krachtcentrales werd door de oorlog vertraagd, maar na het ingaan van het bestand in 1988 weer ter hand genomen. Teheran is het voornaamste industriŽle centrum, op afstand gevolgd door Isfahan, Tebriz, Ahwaz en Hamadan. De kleine industriŽle bedrijven, waarvan vooral de tapijtknoperijen (zie Perzische tapijten) en goud- en zilversmeden voor de uitvoer werken, zijn in de meerderheid. De belangrijkste takken van industrie, na de aardolie-industrie, zijn de textiel-, de voedsel-, de machinebouw-, de metaal- en de bouwmaterialenindustrie.
4.4 Mijnwezen
De winning van aardolie en aardgas vormt de belangrijkste tak. De totale aardoliereserves werden in 1993 geschat op 11, 3 miljard ton (10% van de wereldvoorraad). De winning en verwerking zijn sedert 1973 in handen van de National Iranian Oil Company (NIOC, een staatsbedrijf). Voornaamste vindplaatsen zijn: het gebied om de Perzische Golf, de kust van de Kaspische Zee en het noordoostelijk grensgebied. De aardolie wordt via pijpleidingen naar de kust getransporteerd.
De aardgasreserves worden in grootte tot de tweede ter wereld gerekend (ca. 13% van de wereldreserves).
Het land is rijk aan bodemschatten, die echter nog niet alle geŽxploiteerd worden. Aanwezig zijn aanzienlijke voorraden lood, wolfraam- en mangaanertsen, bauxiet, uranium en asbest. Op steeds groter schaal worden steenkolen, ijzererts, nikkel, chroom en kobalt gewonnen.
4.5 Handel
Ingevoerd worden: machines, apparaten, voedingsmiddelen, ijzer- en staalproducten, voertuigen, textiel en textielgrondstoffen, chemische producten. Belangrijkste leveranciers zijn de EU-landen (vooral Duitsland en ItaliŽ), Japan en Turkije. Uitgevoerd worden: aardolie en olieproducten, textiel (tapijten) en plantaardige producten. Belangrijkste afnemers zijn: de EU-landen (vnl. de Benelux en ItaliŽ) en Japan. De handelsbalans is dankzij de olie-export positief.
4.6 Bankwezen
Centrale bank is de in 1960 opgerichte Bank Markazi Iran. Grootste handelsbank is de Bank Meli Iran. In 1979 werden alle banken genationaliseerd en onder islamitisch recht gebracht.
4.7 Verkeer
Het spoorwegnet (4567 km) wordt geŽxploiteerd door een staatsspoorwegmaatschappij. De belangrijkste verbinding is de Transiraanse spoorweglijn die de Kaspische Zee met de Perzische Golf verbindt. De lijn Teheran-Ankara geeft aansluiting op het Europese spoorwegnet. Het wegennet is met 151!500 km ontoereikend. De beste verbinden Teheran met de belangrijkste steden. De binnenscheepvaart is van weinig betekenis, maar de zeescheepvaart is het belangrijkste transportmiddel voor aardolie. De belangrijkste havens zijn Bandar-e-Abbas en Bandar-e-Anzali. Bandar-e-Khomeini en Bandar-e-Bushehr (Boesjir) zijn door de Eerste Golfoorlog zwaar getroffen, de havens van Hamadan en Khorramabad zijn vrijwel buiten gebruik geraakt. In 1988 werd begonnen met de herstelwerkzaamheden. Staatsscheepvaartmaatschappij is de Arya National Shipping Lines S.A., die het vervoer in de Perzische Golf en lijndiensten op Europa onderhoudt. Nationale luchtvaartmaatschappij is Iranair, die het binnenlandse en het internationale luchtvervoer verzorgt. Teheran, Shiraz en Bandar Abbas hebben een internationale luchthaven.

Telefoongids Iran
Postcodes Iran

 

Naar Iran geschiedenis >>

 

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009