|
5. Geschiedenis
5.1 Van de Arabische verovering tot 1925
De
in 637 ingezette Arabische verovering werd pas tussen 663 en 676
voltooid met de inlijving van Sistan, het huidige Afghanistan en de
Soghdische steden Samarkand en Boechara. De Kaspische provincies
Tabaristan (thans Mazandaran) en Gilan behielden nog lange tijd hun
zelfstandigheid. Als deel van het rijk der kaliefen (zie kalief) werd
Iran bestuurd door de gouverneurs van Irak. De Arabieren, die hun
interne veten meebrachten, vestigden zich vooral in de noordoostelijke
provincie Chorasan. Overgang naar de islam werd niet bijzonder
gestimuleerd. De Iraanse islamieten kregen vrijdom van bepaalde
belastingen, maar moesten als 'mawali' (Arab., = cliënten) van de
Arabieren genoegen nemen met een ondergeschikte positie. De Zoroastriërs
handhaafden zich als religieuze minderheid vooral in het zuiden van het
land. Religieuze sekten, die in het theocratische rijk van de islam ook
een politieke betekenis hadden, vonden een dankbaar gehoor bij
ontevreden mawali. Het waren enerzijds de charidjiten, anderzijds
extreme sji'ieten, bij wie de verwachting van een mahdi of messias een
grote rol speelde.
5.2 Abbasiden
De opstand ten gunste van de Abbasiden, die in 747 uitbrak in Chorasan,
steunde op deze bewegingen. Toen zij de Omajjaden uit het kalifaat
hadden verjaagd, ontdeden de Abbasiden zich van de leider van de
opstand, Aboe Moeslim. Dit had een reeks van religieus getinte
rebellieën in de Iraanse gebieden van het rijk tot gevolg.
De stichting van Bagdad in 762 vlak bij de oude Iraanse hoofdstad
symboliseerde een nieuwe oriëntatie: het hof en het staatsbestuur werden
naar Sassanidisch model ingericht. Van 786 tot 803 bezat de Perzische
familie der Barmakiden als viziers van de kalief Haroen al-Rasjid een
grote politieke macht. In de 9de eeuw verbrokkelde het oostelijke deel
van het kaliefenrijk door de opkomst van lokale dynastieën, die nog
slechts in naam het gezag van de kalief erkenden. Het begon met de
Tahiriden in Chorasan (822-875), die gevolgd werden door de Saffariden
in Sistan (861-900) en de Samaniden in Transoxanië (819-1005). In
Goergan kwam het Huis der Zijariden aan de macht (927-ca. 1090). Het
Kaspische kustgebied stond sinds ca. 850 onder invloed van de Zaidieten,
een sji'itische groepering, die de islamisering van deze provincies
sterk bevorderde. De Dailamieten, een militant bergvolk uit Gilan, dat
ook tot de sji'a was bekeerd, maakten zich in het midden van de 10de
eeuw onder leiding van de familie der Boejiden meester van West- en
Zuid-Iran, waar zij een aantal lokale staten vestigden. De kalief was
eveneens onderworpen aan hun macht. In deze periode kwam de Imamija, ook
wel Sji'a van de Twaalf Imams genoemd, tot ontplooiing.
5.3 Turken
Een nieuwe machtsfactor vormden de Turken, die aanvankelijk hun intrede
deden als militaire slaven in dienst van de kalief of van lokale
vorsten. Omstreeks 1000 ontstond als eerste Turkse staat binnen de islam
het rijk der Ghaznawiden, dat de erfenis van de Samaniden overnam.
Sultan Mahmoed (999-1030) breidde zijn macht uit tot in het centrum van
het Iraanse plateau, maar is vooral beroemd als veroveraar van grote
gebieden in Voor-Indië.
5.4 Seldjoeken
In
de eerste helft van de 11de eeuw drongen Turkse groepen onder leiding
van de clan der Seldjoeken in Iran door. In 1040 verdreven zij de
Ghaznawiden uit Chorasan en vervolgens maakten zij een einde aan de
Boejidische heerschappij in het westen van het land. In 1058 kreeg
Toghril, de eerste Seldjoeken-sultan, de investituur van de kalief. Iran
vormde nu opnieuw een eenheid, niet alleen politiek, maar ook in
religieus opzicht. De soennitische islam werd overal in ere hersteld.
Het ambtelijk apparaat bestond geheel uit Perzen, die de staatszaken
beheerden ten behoeve van de Turkse militaire kaste. Deze situatie
bestond ook onder de latere dynastieën van vreemde origine. Onder de
sultans Alp Arslan en Malik Sjah berustte de leiding bij de bekwame
vizier Nizam al-Moelk. Een interne bron van onrust vormden de
isma'ilitische Nizari's, beter bekend als de Assassijnen, die onder
Hasan-i Sabbagh een extreem-sji'itische staat hadden gesticht in
bergvestingen in het noorden en oosten van Iran. De eenheid van het
Seldjoekenrijk ging in de 12de eeuw verloren door feodale versnippering.
In de provincies gedroegen de atabegs, gouverneurs van minderjarige
prinsen, zich als zelfstandige vorsten. De grote toevloed van Turkse
nomaden had blijvende demografische gevolgen. Transoxanië was al sinds
de 11de eeuw op weg om een Turks sprekend gebied te worden. Hetzelfde
gebeurde in Azerbajdzjan, dat door zijn klimaat aantrekkelijk was voor
de nomaden. De Seldjoeken werden in het oosten opgevolgd door de
Chwarizm-sjahs, een Turkse dynastie, ondanks de Oudiraanse titel. Zij
geraakten in conflict met de Abbasiden, die onder kalief al-Nasir
(1180-1225) voor het laatst een politieke factor van betekenis vormden.
5.5 Mongolen
Voordat het tot een beslissing kwam, had in 1220 de inval van de
Mongolen onder Djingiz Chan plaats. Deze bracht een vrijwel totale
vernietiging voor de grote steden in Oost-Iran, waarvan sommige, zoals
Rajj en Nisjapoer, zich niet meer herstelden. De definitieve verovering
door de Mongolen was het werk van Hoelagoe, enkele decennia later. Hij
nam de vestingen van de Assassijnen in en maakte in 1258 voorgoed een
eind aan het kalifaat van Bagdad. De Mongoolse heersers van Iran, de
Il-chans, waren in naam vazallen van de groot-chans in Mongolië. Veel
langer dan de Turken bleven zij buiten de invloed van de
islamitisch-Perzische cultuur. Pas met Ghazan (1295-1304) nam de
dynastie definitief de islam aan. Deze vorst trachtte door
administratieve hervormingen iets te herstellen van de schade die de
grote verwoestingen bij de verovering en de uitbuiting van de
boerenbevolking daarna teweeg hadden gebracht. Het zuiden had het minst
te lijden gehad onder het Mongoolse geweld. In Fars regeerden in de 13de
eeuw de Salghoeriden en in de 14de de Indjoe-dynastie en de
Moezaffariden. Ondanks de eindeloze dynastieke twisten heerste er een
betrekkelijke veiligheid. De dood van Aboe Sa'id in 1335 betekende in
feite het einde van de Il-chans. In de politieke chaos die hierop
volgde, konden in het westen de Mongoolse dynastie der Djalajiriden
(1336-ca. 1432), in Chorasan de Koerts van Herat en de sji'itische
Sarbadariden en te Fars de Moezaffariden zich enige tijd als lokale
machthebbers handhaven. Zij gingen ten onder tijdens de veldtochten van
Timoer Lenk, die duurden van 1380 tot kort voor zijn dood in 1405 en die
met grote wreedheid werden uitgevoerd. Na de dood van Timoers zoon
Sjahroech in 1447 kwam het westen van Iran in de macht van Toerkmeense
heersers, eerst van de Kara-kojoenloe ( 'Zwarte Schapen') en van 1468 af
van de Ak-kojoenloe ( 'Witte Schapen'). Tot de laatste dynastie behoorde
Oezoen Hasan (1466-1478), wiens hof te Tebriz bezocht werd door
Venetiaanse gezanten bij een poging samen met hem een alliantie te
vormen tegen de opkomende macht van de Osmanen. De Timoeriden regeerden
in het oosten nog tot aan het begin van de 16de eeuw. Tegen het einde
van de 15de eeuw werden zij vanuit het noorden bedreigd door de Oezbeken
onder Sjaibani Chan. In Azerbajdzjan ontstond in dezelfde tijd een
coalitie van Turkse stammen, Kizilbasj genoemd naar hun rode
hoofddeksels. De leider was sjah Isma'il, een afstammeling van de
13de-eeuwse mysticus Sjaich Safi al-Din. In 1501 vernietigde hij het
rijk van de Ak-kojoenloe en in 1510 versloeg hij bij Merw de Oezbeken.
In korte tijd was hij heer en meester van geheel Iran.
5.6 Safawiden
Met de vestiging van de dynastie der Safawiden werd de grondslag gelegd
voor de huidige staat. De Sji'a, de drijvende kracht achter de beweging
van de Kizilbasj, werd in de vorm van de Imamija aan de bevolking als
staatsgodsdienst opgelegd. Dit is tot op de huidige dag zo gebleven. De
theologen, de moedjtahids, verwierven een grote invloed in de staat. Zij
interpreteerden de wil van de Mahdi (de verborgen imam), bij wie het
gezag in laatste instantie berustte. De hoofdstad van de Safawiden werd
in de loop van de 16de eeuw van Tebriz eerst verplaatst naar Kazwin en
vervolgens naar Esfahan. De schitterende bouwwerken in deze laatste stad
ontstonden vnl. tijdens het bewind van sjah Abbas I de Grote
(1588-1629), wiens hof door vele Europese diplomaten en reizigers werd
bezocht. De Engelse gebroeders Sherley adviseerden bij de modernisering
van het Iraanse leger. De Portugezen vestigden een handelspost op het
eiland Hormoez in de Perzische Golf. In 1622 werden zij met hulp van de
Engelsen verdreven. Ook de Nederlanders namen deel aan de handel in dit
gebied. Iran vervreemdde in deze periode van zijn islamitische
buurlanden, die alle soennitisch waren. De geduchtste tegenstander was
het Osmaanse Rijk, waaraan in 1638 Irak met de heilige plaatsen van de
Sji'a voorgoed moest worden prijsgegeven. Hierdoor namen de heiligdommen
in Iran zelf, zoals die van Mesjhed en Qom, in betekenis toe. Chorasan
werd tot in de 19de eeuw geteisterd door invallen van Oezbeken en
Toerkmenen. In 1722 vielen de Afghanen Iran binnen en plunderden Isfahan.
Reeds in 1730 werden zij verjaagd door Nadir Sjah, het hoofd van de
Turkse stam der Afsjaren, die in 1736 de laatste sjah der Safawiden
opvolgde. Hij ondernam een reeks van spectaculaire veldtochten, die hem
in 1739 zelfs naar Delhi voerden, vanwaar hij de pauwentroon als tribuut
meenam. Minder succes hadden zijn pogingen de hegemonie van de Sji'a te
doorbreken. Zijn dood in 1747 leidde tot een machtsvacuüm, dat slechts
voor een deel opgevuld werd door Karim Chan (1750-1779) van de
Zend-dynastie in Sjiraz, die, hoewel een bekwaam heerser, zijn gezag
maar in een gedeelte van het land erkend zag.
5.7 Kadjaren
Al geruime tijd had de Turkse clan der Kadjaren naar de macht gedongen.
In 1779 ontsnapte een van hen, Aga Mohammed, uit gevangenschap in Sjiraz
en slaagde er door een meedogenloos optreden in binnen enkele jaren
overal als sjah te worden aanvaard. Teheran werd hoofdstad. De tweede
vorst der Kadjaren, Fath Ali Sjah, ontving in de tijd van Napoleon zowel
Franse als Engelse gezanten. Een reeks van oorlogen met Rusland in de
Kaukasus verliep ongunstig voor de Iraniërs. Bij de verdragen van
Goelistan (1813) en Toerkmantsjai (1828) werden belangrijke gebieden aan
Rusland afgestaan.
De aanpassing aan de moderne tijd verliep onder de Kadjaren slechts
traag. Een uitzondering vormde het bewind van kroonprins Abbas Mirza
(1789-1833) in Azerbajdzjan, waaraan o.m. de invoering van de drukpers
in Tebriz te danken is. Onder Nasir al-Din Sjah (1848-1896) werd een
hogeschool, geschoeid op Europese leest, opgericht en kreeg het land een
telegraafverbinding. Omstreeks 1850 werd de religieuze beweging van de
Bab, waaruit later het baha'isme voortkwam, bloedig onderdrukt. Een
poging om Herat bij Iran in te lijven, leidde in 1857 tot een korte
oorlog met Engeland. De Russische bezetting van Centraal-Azië, die ca.
1880 werd voltooid, betrok Iran in een confrontatie tussen Brits en
Russisch imperialisme. Dit liep in 1907 uit op een verdeling van het
land in invloedssferen voor de beide mogendheden, welke een funeste
invloed had op de interne politieke ontwikkelingen. De sjah was door
buitenlandse reizen in geldgebrek geraakt en trachtte dit te compenseren
door het verlenen van concessies aan Europese ondernemers. Naar
aanleiding van het verlenen van een tabaksmonopolie braken in 1890
ernstige onlusten uit. In 1896 werd de sjah vermoord. Deze
gebeurtenissen vormden de inleiding tot de constitutionele revolutie die
onder de zwakke Moezaffar al-Din Sjah in 1905 uitbrak. Deze stemde in
met een Grondwet en de instelling van een nationale vergadering, madjlis,
maar zijn opvolger, Mohammed Ali (1906-1909), trachtte met Russische
steun de klok terug te zetten. Ten slotte wisten de voorstanders van de
Constitutie met hulp van de Bachtiari-nomaden de sjah tot aftreden te
dwingen, maar in 1911/1912 zetten de Russen hun zin door en werd het
autocratische bewind nagenoeg hersteld. Gedurende de Eerste Wereldoorlog
was het noorden bezet door Rusland en het zuiden door Groot-Brittannië.
Na de oorlog liet het sovjetbewind de aanspraak op politieke invloed
varen. Wel steunde het enkele separatistische bewegingen, zoals die van
Koetsjoek Chan in Gilan.
5.8
Reza Sjah
Bij het onderdrukken van deze opstand trad de kozakkenofficier Reza
Chan - zie foto sterk op de voorgrond. In 1921 ondernam hij een
staatsgreep in samenwerking met de journalist Zija al-Din Tabataba'i,
die echter spoedig opzij werd gezet. Reza Chan werd, eerst als minister
van Oorlog en vanaf 1923 als premier, de sterke man. Hij richtte zich
het eerst op de versterking van het leger, maar zijn plannen gingen uit
naar een verdergaande hervorming naar het voorbeeld van Atatürk. Hij
distantieerde zich van hen die de uitroeping van een republiek beoogden,
om een conflict met de machtige clerus te vermijden. Nadat de laatste
Kadjarenvorst, die naar Europa was uitgeweken, was afgezet, riep de
madjlis Reza Chan uit tot sjah (dec. 1925). Als Reza Sjah koos hij de
dynastieke naam Pahlawi, een reminiscentie aan het pre-islamitische
verleden van Iran.
5.9 Iran onder de Pahlawi's (1925-1979)
Reza Sjah stelde zich tot taak Iran in snel tempo te moderniseren. Het
onderwijs werd op westerse leest geschoeid, voor mannen en vrouwen werd
Europese kleding verplicht gesteld, de industrialisering werd op gang
gebracht, de dienstplicht ingevoerd en het leger gemoderniseerd. Het
bewind van Reza Sjah werd echter steeds meer autocratisch, hetgeen
verzet wekte bij de Kadjaren-adel, maar vooral bij de politiek bewuste
intelligentsia. Het leger vormde het voornaamste machtsinstrument waarop
Reza steunde. Sociale ontevredenheid, m.n. onder het stedelijke
proletariaat, deed het communisme, in Iran belichaamd in de
Toedeh-partij, aan invloed winnen.
Ondanks Irans neutraliteit in de Tweede Wereldoorlog vielen
Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie op 26 aug. 1941 het land binnen, daar
zij de belangrijke Duitse invloed in Iran als een bedreiging zagen. Reza
Sjah deed op 16 sept. 1941 afstand van de troon ten gunste van zijn zoon
Mohammed Reza. Het einde van de Tweede Wereldoorlog bracht in Iran
politieke en economische ontreddering. Terwijl Groot-Brittannië zich
terugtrok uit het zuidelijke deel van Iran, weigerde de Sovjet-Unie het
noorden te ontruimen. Hier, nl. in Azerbajdzjan en Mehabad, werden met
Russische steun onafhankelijke republieken uitgeroepen. Na
onderhandelingen ontruimde de Sovjet-Unie begin mei 1946 Noord-Iran, in
ruil voor een olieconcessie, zij het dat deze concessie pas van kracht
zou worden na ratificatie door de madjlis. De interne situatie
verslechterde doordat de Toedeh-partij een algemene staking afkondigde
in het gebied van de havenstad Abadan. In het kabinet werden vervolgens
drie Toedeh-ministers opgenomen. Conservatieve hoofden kwamen hiertegen
in gewapende opstand, met als resultaat het ontslag van de betreffende
ministers. In dec. 1946 maakte het Iraanse leger gewapenderhand een
einde aan de afscheiding van Azerbajdzjan en Mehabad. In okt. 1947
verwierp de nieuw gekozen madjlis de olieovereenkomst met de
Sovjet-Unie. De verhouding tussen Iran en de Sovjet-Unie raakte daarop
zeer gespannen, maar de regering in Teheran voelde zich gesterkt door
een begin oktober gesloten vriendschapsverdrag met de Verenigde Staten,
dat o.m. voorzag in militaire en economische hulp. Begin 1949 pleegde
een lid van de Toedeh-partij een aanslag op de sjah, waarbij deze werd
gewond. De partij werd hierna buiten de wet gesteld en een aantal
partijprominenten belandde in de gevangenis.
5.10 Nationalisatie aardolie-industrie
De positie van de sjah was nog lang geen hechte. Zowel de
intelligentsia, verenigd in het Nationale Front onder leiding van
Mossadeq, als ultrarechtse islamitische kringen, met als organisatie de
Fedayani Islam en als voornaamste woordvoerder ayatollah Mollah Kasjani,
keerden zich tegen de te ver gaande westerse invloeden in het land. Deze
uit verschillende ideologische motieven voortspruitende oppositionele
groeperingen vonden elkaar in een gemeenschappelijk verzet tegen een
medio 1949 door de regering gesloten nieuwe overeenkomst met de in
hoofdzaak Britse en grootste concessie-houdende Anglo-Iranian Oil
Company. Op instigatie van Mossadeq werd deze overeenkomst in nov. 1950
door de madjlis verworpen. In april 1951 sprak het parlement zich uit
voor nationalisatie van de aardolie-industrie en een maand later werd
Mossadeq premier. Een felle anti-Britse campagne brak los en de
betrekkingen met Groot-Brittannië werden verbroken. De Verenigde Staten
kozen de kant van Groot-Brittannië en staakten hun militaire hulp. Een
door Groot-Brittannië georganiseerde internationale boycot van Iraanse
aardolie, alsmede de medio 1953 ingetrokken Amerikaanse economische
hulp, veroorzaakten een economische crisis in Iran. Een politiek
conflict ontstond tussen Mossadeq en de sjah. In eerste instantie
resulteerde het conflict in de vlucht van de sjah, maar ten slotte in de
val van Mossadeq (19 aug. 1953). De Amerikaanse hulpverlening werd
terstond hervat en de betrekkingen met Groot-Brittannië werden hersteld.
Nieuwe onderhandelingen over het oliegeschil resulteerden in een
overeenkomst in sept. 1954, krachtens welke een internationaal
olieconsortium op basis van een 50-50-winstdeling met de regering en in
samenwerking met de nationale oliemaatschappij voor de winning en
verkoop van de Iraanse aardolie zou zorg dragen.
5.11 Witte Revolutie
De val van Mossadeq betekende een duidelijke prestigewinst en
machtstoeneming voor sjah Mohammed Reza. De madjlis bleef in functie,
maar het laatste woord had de sjah. Deze ging zich bezighouden met
politieke en economische hervormingen, nadat hij reeds in 1950 begonnen
was met de verdeling van kroonland onder arme boeren. Oppositiepartijen
werden toegestaan, mits niet van subversieve aard. Als belangrijke
'loyale' oppositiepartij kwam de Mardom-(Volks)partij naar voren. In
1958 stelde de sjah de Pahlawi-stichting in, die tot taak kreeg de
verdeling van kroondomeinen onder landloze boeren te organiseren. In
okt. 1961 werd de 'Pehlewi Dynasty Trust' in het leven geroepen met een
vermogen van ƒ 400 miljoen, die tot doel had de maatschappelijke zorg
uit te breiden. In jan. 1963 gaf de sjah zijn fiat aan een uitgebreid
hervormingsprogram, dat o.m. voorzag in de bestrijding van corruptie,
het aan banden leggen van grootgrondbezit, landverdeling en verstrekking
van landbouwkredieten. Bij referendum werd dit program met grote
meerderheid aangenomen. Vanaf die tijd sprak men van de door de sjah op
touw gezette 'Witte Revolutie'. De verkiezingen in sept. 1963 leverden
een grote overwinning op voor de regeringspartij (later onder de naam
Novin Iran: Nieuw-Iran, optredend), ondanks het verzet van 'echte'
oppositiegroeperingen als het Nationale Front (aanhangers van Mossadeq)
en de ondergronds agerende Toedeh-partij. Het bewind van de sjah behield
autocratische trekken en van een echte democratie kon niet worden
gesproken. In april 1965 ontstond een korte politieke crisis, waarvan de
oorzaken nooit geheel duidelijk zijn geworden. Er zou een mislukte
aanslag op de sjah zijn gepleegd en een mislukte poging tot een
staatsgreep zijn ondernomen door 'Peking-gezinde' elementen. Talrijke
arrestaties werden verricht. Niettemin achtte de sjah zijn positie
voldoende sterk om in aug. 1967 opnieuw verkiezingen te laten houden,
die bij een opkomst van slechts 35% van de kiesgerechtigden opnieuw een
grote zege opleverden voor de regeringspartij Novin Iran. In okt. 1967
liet Mohammed Reza zich tot Sjah-in-Sjah (Koning der Koningen) kronen.
Na Mossadeq zette de sjah in toenemende mate zijn stempel op het
buitenlandse beleid.
In 1955 trad Iran toe tot het anticommunistische Bagdad-pact (later
Centrale Verdragsorganisatie, CENVO). Daarnaast werden de relaties met
de Sovjet-Unie zodanig verbeterd dat Iran in de jaren zestig economische
en militaire hulp van Sovjetzijde ontving. Ondanks deze toenadering
bleef de economische, technische en militaire hulpverlening van de
Verenigde Staten aan Iran onverminderd gehandhaafd. Met twee andere
leden van de CENVO, Turkije en Pakistan, werd in 1964 de zgn. Regional
Cooperation for Development (RCD) opgericht met als doel de economische
ontwikkeling van de drie genoemde landen in nauwe onderlinge
samenwerking te bevorderen. De relaties met de Arabische wereld waren
niet altijd gunstig. In 1960 werden de betrekkingen met Egypte verbroken
naar aanleiding van de Iraanse relaties (o.a. verschepingen van
aardolie) met Israël. Na de dood van president Nasser in sept. 1970
werden de Iraans-Egyptische betrekkingen hersteld. Op gezette tijden
werden de betrekkingen met het buurland Irak zeer gespannen, o.m. in
verband met de Koerdische kwestie (zie Koerden) en de beweerde wapenhulp
vanuit Iraans Koerdistan. In nov. 1971 bezette Iran een aantal
strategisch gelegen eilandjes in de Perzische Golf.
5.12 Amerikaanse steun
In het midden van de jaren zeventig ging Iran zich steeds meer
profileren als de ordebewaarder in het gebied van de Perzische Golf, een
rol waarin het m.n. door de Verenigde Staten werd gesteund. In staat
gesteld door de sedert 1974 enorm toegenomen inkomsten uit de uitvoer
van aardolie, begon de sjah op grote schaal wapens en militair materieel
in het Westen aan te kopen. In korte tijd was het Iraanse leger het best
uitgeruste in de hele regio. Omdat geschoold Iraans personeel ontbrak,
leverde het Westen, vooral de Verenigde Staten, technici om het
materieel te bedienen en Iraniërs op te leiden. Verder spande de Iraanse
diplomatie zich in om de betrekkingen met de buurlanden te verbeteren.
Er werden samenwerkingsakkoorden met Saoedi-Arabië, Turkije en Pakistan
gesloten en in 1975 werd het slepende geschil met Irak over de grens in
de rivier Sjat al-Arab bijgelegd. De sjah beloofde tevens de steun aan
de opstandige Iraakse Koerden te staken, waarna het Koerdische verzet
snel ineenzakte. Met de meeste westerse landen, maar ook met de
Sovjet-Unie werden samenwerkingsakkoorden gesloten. Om de ambitieuze
ontwikkelingsprogramma's te kunnen realiseren werden grote orders in het
Westen geplaatst en duizenden westerse technici en
ontwikkelingsdeskundigen werden binnengehaald.
5.13 Verzet tegen sjah
Binnenslands
bleef het bewind van de sjah omstreden. De oppositie bestond uit sterk
verschillende groeperingen, variërend van uiterst linkse
studentenbewegingen tot uiterst rechtse orthodoxe islamieten. Vooral
onder de islamitische geestelijken was het verzet tegen de sjah groot.
De bekendste van hen was de ayatollah Chomeiny - zie foto, die in
ballingschap in Irak verbleef. Zij wezen de snelle verwesterlijking van
het land af en verzetten zich heftig tegen de secularisering van de
wetgeving, die in feite een aantasting van hun positie was. Zij kregen
steeds meer aanhang onder het volk. Andere groeperingen verzetten zich
tegen de censuur en het ontbreken van politieke vrijheden. In 1975 hief
de sjah de politieke partijen op en stichtte een eenheidspartij, de
Partij van de Iraanse Herrijzenis. Onder de verschillende etnische
minderheden leefde een sterk verzet tegen de vaak krachtdadig
doorgezette 'iranisering' die geen ruimte liet voor hun eigen cultuur.
Met behulp van de geheime dienst, de SAVAK, wist het regime de oppositie
nog enigszins te beteugelen, maar incidentele acties van de
stadsguerrilla in de vorm van overvallen op banken, ontvoeringen van en
aanslagen op hoge regeringsvertegenwoordigers konden niet worden
voorkomen. Een belangrijke bron van verzet waren de duizenden in het
buitenland studerende Iraniërs, die aandacht vroegen voor de situatie in
hun land. Zij kregen m.n. in het Westen ruim gehoor. Amnesty
International publiceerde bijzonderheden over de wrede activiteiten van
de SAVAK en de Amerikaanse president Carter deed in 1977 een beroep op
de sjah ernst te maken met de eerbiediging van de mensenrechten. Onder
deze druk liet de sjah enkele honderden politieke tegenstanders vrij en
ontving waarnemers van het Rode Kruis en Amnesty International.
In jan. 1978 werd in de heilige stad Qom gedemonstreerd tegen de in de
regeringspers verschenen beledigende artikelen over Chomeiny. De
demonstratie werd bloedig onderdrukt, maar de onrust sloeg over naar
andere steden. De demonstraties namen algauw een regeringsvijandig
karakter aan. Er werden vrije verkiezingen en het heengaan van de sjah
geëist. Aanvankelijk onderschatte het regime de ernst van de situatie,
maar in de zomer van 1978 was de situatie zo verslechterd dat de sjah
vrije verkiezingen beloofde en het hoofd van de SAVAK ontsloeg. Premier
Hoveyda werd vervangen door Sharif Imami. Deze deed een aantal
belangrijke concessies: de islamitische kalender werd weer ingevoerd,
politieke partijen werden toegestaan, de perscensuur werd opgeheven en
de bevoegdheden van de SAVAK werden beperkt. Chomeiny bleef echter zijn
volgelingen oproepen tot verdrijving van de sjah. In sept. 1978 werden
nieuwe betogingen tegen de sjah gehouden, waarvan die in Teheran (8
sept.) in een bloedbad eindigden. Eind oktober begonnen de arbeiders in
de olie-industrie aan wat een langdurige staking zou worden. Premier
Imami diende zijn ontslag in en de sjah betrok nu ook oppositionele
politici in de besprekingen voor de vorming van een nieuwe regering,
maar Chomeiny, die zich inmiddels in Parijs had gevestigd en wiens gezag
enorm was toegenomen en door vrijwel de gehele oppositie werd erkend,
verklaarde dat geen vergelijk met het Pahlawi-regime mogelijk was. Op 1
jan. 1979 aanvaardde Shapur Bakhtiar, jarenlang een tegenstander van de
sjah, het premierschap. Inmiddels was een grote uittocht van
buitenlanders begonnen, waardoor de economische activiteiten verder
stagneerden. Ook leden van de keizerlijke familie vertrokken naar het
buitenland, op 15 jan. gevolgd door de sjah en zijn gezin. Hij overleed
op 27 juli 1980 in Caïro.
5.14 Na de islamitische revolutie
Op 1 febr. 1979 keerde Chomeiny terug en de regering-Bakhtiar trad af.
Chomeiny nam in feite de macht over en benoemde Mehdo Bazargan tot
premier van een voorlopige islamitische regering. In de hierop volgende
periode werd de islamisering van Iran doorgevoerd en werden aanhangers
of vermeende aanhangers van de sjah gevangengezet en geëxecuteerd, onder
wie oud-premier Hoveyda. Een grote rol werd daarbij gespeeld door de
door Chomeiny opgerichte paramilitaire islamitische gardisten. Zij
arresteerden en berechtten naar willekeur een ieder die niet
onvoorwaardelijk Chomeiny steunde. Hun optreden wekte veel verzet bij de
gematigden en verscheidene ministers traden af, terwijl ook van de kant
van de islamitische geestelijkheid protesten opgingen. Chomeiny en zijn
aanhangers wisten echter hun positie te versterken. In april 1979 werd
een referendum gehouden waarbij de instelling van een islamitische
republiek goedgekeurd werd. Verkiezingen voor een constituerende
vergadering in aug. 1979 resulteerden in een overwinning voor de
Chomeiny-aanhangers en de nieuwe grondwet die in dec. 1979 goedgekeurd
werd, gaf de ayatollah als 'Grote Leider' vérstrekkende bevoegdheden. In
jan. 1980 werd de gematigde Bani Sadr, jarenlang een vertrouweling van
de ayatollah, tot president gekozen, maar hij kwam al spoedig in
conflict met de orthodoxe aanhangers van Chomeiny in de Partij van de
Islamitische Revolutie, de grootste partij in het nieuwe parlement. Hij
verzette zich steeds vaker tegen de terreur van de islamitische
gardisten en de aanhoudende toestand van rechteloosheid. Uiteindelijk
kwam hij in conflict met de ayatollah zelf; in het voorjaar van 1981
verklaarde Chomeiny Bani Sadr vervallen van zijn ambt en tot
volksvijand; hij wist in juli naar Frankrijk te vluchten, dat hem
politiek asiel verleende. De fundamentalistische Ali Rajaj werd de
nieuwe president. Hij kwam echter samen met premier Bahonar en vele
anderen op 30 aug. 1981 bij een bomaanslag om het leven. Ali Chamenei
werd vervolgens tot president gekozen.
Talrijke andere politieke en militaire leiders kwamen in 1981 bij
bomaanslagen om het leven. Deze waren veelal het werk van de
Moedjahedien Chalk, die dan ook aan een meedogenloze vervolging
blootstond. Maar ook andere groeperingen die oppositie voerden, werden
geleidelijk uitgeschakeld. Vrijwel alle politieke partijen werden buiten
de wet gesteld, ook de communistische Toedeh-partij, die Chomeiny steeds
had gesteund. Tegelijk met de islamisering van de samenleving (invoering
islamitisch strafrecht, invoering van de chador - de traditionele zwarte
vrouwendracht met sluier -, verbod op alcohol, vervolging van
homoseksuelen en prostituees, sluiting van bioscopen en dancings) kregen
andersdenkenden het moeilijker. De Baha'isekte stond aan regelrechte
vervolging bloot; 35!000 joden ontvluchtten Iran.
5.15 Bezetting Amerikaanse ambassade
De betrekkingen met vele landen verslechterden. Van het begin af aan had
de revolutie een sterk anti-Westers, m.n. anti-Amerikaans karakter en in
nov. 1979 bezetten islamitische gardisten de Amerikaanse ambassade in
Teheran en gijzelden alle personeelsleden. Een van de eisen van de
bezetters was de uitlevering van de sjah, die toen voor een medische
behandeling in de Verenigde Staten was. De bezetting duurde 444 dagen
(tot 21 jan. 1981). De Verenigde Staten kondigden een algehele boycot af
en bevroren de Iraanse tegoeden; Iraanse studenten werden uitgewezen. In
april 1980 deden Amerikaanse commando's een mislukte poging de
gegijzelden te bevrijden.
Ook tegenover de Sovjet-Unie nam het regime in Teheran een vijandige
houding aan (wegens de inval in Afghanistan en de onderdrukking van
islamieten in de Sovjet-Unie).
5.16 Eerste Golfoorlog
In sept. 1980 brak een oorlog uit met Irak naar aanleiding van een
grensgeschil over de rivier Sjat al-Arab. In deze Eerste Golfoorlog wist
Iran in 1982 en 1983 de kansen in zijn voordeel te doen keren.
Internationaal raakte het land echter steeds meer in een isolement. De
betrekkingen met de Arabische wereld, in het bijzonder met de Arabische
Golfstaten, werden zeer gespannen. Op instigatie van ayatollah Chomeiny
gebruikten Iraanse pelgrims de jaarlijkse bedevaart naar Mekka voor
politieke doeleinden, wat op 31 juli 1987 tot een bloedbad leidde.
Tevens verschafte Iran steun aan geestverwante groeperingen elders
(zoals de Hezbollah in Libanon) en zou het zich schuldig hebben gemaakt
aan terreurdaden in Europa.
Geheime Amerikaanse wapenleveranties aan Iran (de Iran-contra-affaire,
zie Irangate) veroorzaakten een schandaal in de Verenigde Staten. Toen
deze besloten tankers in de Perzische Golf te gaan escorteren teneinde
die te vrijwaren voor Iraanse aanvallen, kwam de Iraans-Amerikaanse
confrontatie tot een nieuw hoogtepunt. In juli 1988 aanvaardde Iran ten
slotte VN-resolutie 598, waarin een staakt-het-vuren tussen Iran en Irak
was vervat. Het bestand in deze Eerste Golfoorlog ging op 20 aug. 1988
in. De sindsdien onder VN-toezicht gehouden vredesbesprekingen met Irak
leidden tot niets, maar in aug. 1990 deed de Iraakse leider Saddam
Hoessein, gedwongen door het internationale isolement waarin hij door
zijn confiscatie van Koeweit was geraakt, nieuwe voorstellen, die Iran
aanvaardde.
5.17 Rushdie-affaire
De betrekkingen met het Westen werden opnieuw ernstig op de proef
gesteld toen ayatollah Chomeiny in febr. 1989 opriep de Brits-Indiase
auteur Salman Rushdie te doden wegens zijn anti-islamitisch geachte boek
The satanic verses. Chomeiny stierf op 3 juni 1989 te Teheran. De Raad
van Deskundigen wees Ali Chamenei aan als 'Leider' van de Islamitische
Republiek. De als pragmatisch bekend staande voorzitter van het
parlement, Rafsanjani, werd op 28 juli 1989 tot nieuwe president van
Iran gekozen.
Op 21 juni 1990 werd Noordwest-Iran getroffen door een aardbeving, die
aan meer dan 40!000 mensen het leven kostte. Mede door de internationale
hulpacties verbeterden de betrekkingen met een groot aantal landen in
het Westen. Tijdens de Golfcrisis, die ontstond door de Iraakse inval in
Koeweit op 2 aug. 1990, nam Iran een neutraal standpunt in: het
veroordeelde de Iraakse bezetting van Koeweit, maar maakte tevens
bezwaar tegen de Amerikaanse militaire aanwezigheid aan de Golf. Iran
hield zich aan het economische embargo van de Verenigde Naties jegens
Irak; ook nadat Irak op 15 aug. 1990 akkoord ging met alle territoriale
eisen die Iran aan een vredesverdrag verbond. Iran kondigde aan in het
conflict strikt neutraal te zullen blijven en poogde de betrekkingen met
alle betrokken partijen (waaronder Turkije, Syrië en Saoedi-Arabië) te
verbeteren. Na het grote geallieerde luchtoffensief tegen Irak (17 jan.
1991) tijdens de Tweede Golfoorlog weken meer dan honderd Iraakse
gevechtsvliegtuigen naar Iran uit, waarop Iran beslag legde.
Iran reageerde zeer verontwaardigd op de bloedige onderdrukking van de
sji'itische opstand en de verwoestingen in de sji'itische heilige
plaatsen Karbala en Najaf in Irak. Meer dan een miljoen Iraakse
vluchtelingen (sji'ieten en Koerden) kwamen naar Iran. De door de
affaire-Rushdie slechte relatie met Groot-Brittannië verbeterde na de
vrijlating van de Brit Roger Cooper (1 april 1991). Hierna bezocht
minister Velayati eind juni Londen, waar hij een normalisatie van de
betrekkingen met Groot-Brittannië bereikte, hoewel het doodvonnis van
Salman Rushdie door Iran niet was herroepen. Een voorgenomen bezoek van
president Mitterrand aan Teheran vond geen doorgang wegens de moord op
de Iraanse oud-premier Bakhtiar in Suresnes bij Parijs, waarschijnlijk
door agenten van de Iraanse geheime dienst. In april was de voorzitter
van Bakhtiars nationale verzetsbeweging, Abdel Rahman Boroumand, al in
Parijs vermoord. De laatsten van de door Irak tijdens de Eerste
Golfoorlog van 1980-1988 krijgsgevangen gemaakte Iraniërs keerden op 14
febr. 1992 naar huis terug. Iran kondigde in april aan de in 1991 naar
Iran uitgeweken Iraakse vliegtuigen niet terug te zullen geven.
De eerste helft van de jaren negentig kenmerkte zich op binnenlands
politiek gebied door economische en sociale spanningen en door een
verhulde machtsstrijd tussen de conservatieve aanhangers van geestelijk
leider ayatollah Chamenei en de pragmatische achterban van de gekozen
(en in juni 1993 herkozen) president Rafsanjani, op wie in febr. 1994
een mislukte moordaanslag werd gepleegd. De conservatieven streven naar
islamisering van de maatschappij en proberen economische hervormingen te
blokkeren, terwijl de pragmatici liberalisering van de Iraanse economie
voorstaan en toenadering zoeken tot het buitenland. De economische
situatie bleef, ondanks de export van enorme hoeveelheden olie en gas en
een voorzichtige economische liberalisering, zorgwekkend door de dalende
groei en de lage olieprijzen. Toenemende inflatie en een hoog
werkloosheidscijfer (30%) zorgden voor sociale spanningen, die zich o.a.
uitten in talrijke bomaanslagen, waarbij de verzetsbeweging Moejahedien
Chalk actief was. Bij gevechten tussen sji'ieten en leden van de
soennitische minderheid in febr. 1994 en tussen Perzen en Azerbajdzjanen
in aug. vielen na ingrijpen van het leger tientallen doden. Ook in 1995
leidde de slechte economische situatie tot hevige rellen in een voorstad
van Teheran, waarbij een twintigtal doden vielen. Pogingen van de
revolutionaire
garde om in de zomer van 1995 de islamitische gedragsregels af te
dwingen, riepen fel verzet op van intellectuelen en studenten.
Bij de parlementsverkiezingen van maart en april 1996, die gekenmerkt
werden door een zeer lage opkomst, verloren de radicale conservatieven
weliswaar hun absolute meerderheid, maar zij bleven het parlement
domineren. Ook binnen de geestelijkheid groeide echter het verzet tegen
het geestelijk leiderschap van ayatollah Chamenei.
De Verenigde Staten, die Iran al jarenlang beschuldigen van steun aan
het internationale terrorisme en van het ontwikkelen van kernwapens,
verscherpten in aug. 1996 hun handels- en investeringsboycot tegen Iran.
De EU, die grote belangen heeft in Iran, verzette zich samen met Japan
tegen deze boycot en zette de 'kritische dialoog' met Teheran voort, ook
nadat een Iraanse religieuze organisatie in febr. 1997 de prijs had
verhoogd die zij acht jaar eerder op het hoofd van de Britse schrijver
Salman Rushdie - zie foto had gezet naar aanleiding van diens
boek The satanic verses.
|