header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

ItaliŽ

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

 

 

ItaliŽ (officieel: La Repubblica Italiana), republiek in het zuiden van Midden-Europa, 301.277 km2, met (schatting 1995) 57.150.000 inw. (190 inw. per km2); hoofdstad: Rome (Roma). De naam ItaliŽ is afgeleid van Italia. Binnen de geografische grenzen van ItaliŽ liggen de onafhankelijke republiek San Marino [aardrijkskunde]1 en de soevereine staat Vaticaanstad. Munteenheid van ItaliŽ is de lira (L), onderverdeeld in 100 centesimi. Nationale feestdagen zijn 25 april (einde fascisme en Duitse bezetting in 1945) en 2 juni, de dag waarop ItaliŽ in 1946 een republiek werd, telkens gevierd op de eerste zondag van juni.

Malta

Pictures of Cinque Terre

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
ItaliŽ bestaat uit vier landschappen: het Alpengebied, de Povlakte, het Apennijns schiereiland en de eilanden. Het Alpengebied omvat geheel Noord-ItaliŽ met een wijde boog (900 km lang en 150-220 km breed), die begint met de Ligurische Alpen en zich tot de Italiaans-Joegoslavische grens voortzet. Met enkele uitzonderingen volgt de grens van ItaliŽ, met resp. Frankrijk, Zwitserland en Oostenrijk, de hoofdkam van de Alpen. Een aantal passen maakt van oudsher het verkeer met de landen ten noorden van de Alpen mogelijk. De Povlakte is een door de Alpenrivieren geleidelijk met alluviaal materiaal opgevulde, zich naar het oosten toe verwijdende vlakte, ca. 500 km lang, zeer vruchtbaar en door de Po [aardrijkskunde] en haar talrijke zijrivieren bevloeid. In dit gebied treden herhaaldelijk overstromingen op. Het Apennijns schiereiland, dat een opmerkelijke vorm heeft die enigermate aan een kaplaars doet denken, heeft als ruggengraat het Apennijnengebergte, een zijtak van de Alpen.
SiciliŽ en SardiniŽ zijn de grootste eilanden. Kleinere eilanden zijn o.m. Elba, de vulkanische Liparische eilanden (met de vulkaan Stromboli), Ischia en Capri. Het Apennijns schiereiland en SiciliŽ zijn gebieden van tektonische onrust in verband met de breukrand van de grote dalingsgebieden van de Middellandse Zee. Van vulkanisme getuigen o.a. de Vesuvius bij Napels, Etna op SiciliŽ, talrijke zwavel- (solfataren), gas- (fumarolen) en koolzuurbronnen (mofetten) en slijkvulkanen.
1.2 Rivieren en meren
De Italiaanse meren zijn gedeeltelijk van het Alpentype (voormalige tongbekkens van gletsjers: Lago di Garda, Lago di Como, Lago Maggiore), gedeeltelijk ontstaan uit oude kraters (Lago di Vico, Lago di Bolsena e.a.), gedeeltelijk (vermoedelijke) overblijfselen van een pliocene zeestraat (Lago Trasimeno en de kleine meren van Montepulciano en Chiusi). De Po voert met talrijke zijrivieren (Dora Riparia, Dora Baltea, Ticino, Adda, Oglio, Mincio) het water van het Alpengebied af, met andere (Tanaro, Trebbia, Nure, Taro, Parma, Enza, Secchia) het water uit de Apennijnen; de brede delta schuift door afzetting van slib steeds verder de Adriatische Zee in. Een deel van het uit het Alpengebied afkomstige water vloeit ondergronds af; in de Povlakte treedt het in talrijke bronnen (fontanili) te voorschijn. De van de Apennijnen naar de Adriatische Zee afstromende rivieren zijn meestal kort en hebben een zeer onregelmatige waterstand; de grotere rivieren Arno [aardrijkskunde], Ombrone, Tiber, Garigliano en Volturno monden alle in de Tyrrheense Zee uit.
1.3 Geologie
De geologische bouw van ItaliŽ wordt in belangrijke mate beheerst door de Apennijnen. In de Zuid-Alpen, in CalabriŽ en op SardiniŽ vindt men gesteenten, vnl. kristallijne schisten en granieten, behorend tot het variscisch orogeen. Op dit grondgebergte ontwikkelde zich een geosynclinale. De dikte van de daarin tijdens het MesozoÔcum afgezette gesteenten is hier vrij gering (3000-4000 m). Tijdens de Trias en Jura vormden zich veel evaporieten, kalken en dolomieten, terwijl het Krijt gekenmerkt is door veel vulkanische gesteenten, serpentinieten en radiolarieten. In het Oligoceen vond een belangrijke sedimentatie plaats van gegradeerde zandstenen, een zgn. Flysch-afzetting. De tektoniek van de Apennijnen is zeer gecompliceerd door de aanwezigheid van vele incompetente gesteenten, die aanleiding gaven tot veel chaotische structuren. De plooiing vond plaats in het Tertiair, gedeeltelijk reeds in het Eoceen, gedeeltelijk in het Mioceen. De jongste geschiedenis is gekenmerkt door een belangrijke jong-tertiaire en kwartaire sedimentatie in de Povlakte en het recente vulkanisme, zoals dat van de Vesuvius, Etna en Stromboli. De belangrijke seismische activiteit in Zuid-ItaliŽ wijst op het voortduren van tektonische bewegingen.
1.4 Klimaat
Hoewel ItaliŽ als geheel genomen een Middellandse-Zeeklimaat heeft, kan men er toch duidelijk een aantal verschillende klimaatgebieden onderscheiden. Zo heeft de Povlakte hete zomers met temperaturen die slechts weinig lager zijn dan op SiciliŽ, maar de winters zijn er koud en vochtig, met veel nevel en mist. De januaritemperatuur van Piacenza kan beneden het vriespunt komen en er ligt vaak dagenlang sneeuw.
Het merengebied aan de zuidzijde van de Alpen ligt meer beschut en heeft daardoor een zachter klimaat. Het noordelijk deel van de Apennijnen en de hoog gelegen gebieden in Toscane en UmbriŽ zijn in de winter maandenlang met sneeuw bedekt. Terwijl de Riviera reeds enigszins een Middellandse-Zeeklimaat heeft met zachte winters en een droge tijd in de zomer - zij het ook met nog te veel neerslag -, vertoont Zuid-ItaliŽ met zeer droge en hete zomers dit klimaat in extreme vorm. Kenmerkend is daarbij ook een veel groter percentage zonneschijn.
Op en nabij het Italiaanse schiereiland komt een aantal lokale winden voor. Bekend is bijv. de sirocco, een zuidelijke wind, die als warm en vochtig wordt ervaren en deprimerend werkt. De frisse westelijke tot noordwestelijke wind, die na het passeren van de depressie de sirocco vervangt, wordt tramontane genoemd. Dezelfde naam geeft men ook aan noordelijke of noordoostelijke winden, die koele continentaal polaire lucht aanvoeren. De koude mistral uit het RhŰnedal doet zich ook in de omgeving van Genua voelen. Plaatselijk koude valwinden worden daar maestrale genoemd. Langs de noordelijke oevers van de Adriatische Zee komt in het winterhalfjaar een koude valwind voor, de bora, die afkomstig is van de Dalmatische kust en die vaak stormkracht bereikt.
1.5 Plantengroei
Laag- en heuvelland, nl. in hoofdzaak de kustgebieden, behoren tot de mediterrane regio. De vegetatie is hier groen in de winter, bloeit in april en mei, verschroeit in de zomer. De oorspronkelijke vegetatie, thans zo goed als geheel verdwenen, is een altijdgroen loofbos van steeneiken. In de plaats daarvan heerst thans de macchia, een formatie van altijdgroene dichte en doornige heesters en dwergstruiken, gevormd door verschillende plantengezelschappen, al naar de intensiteit en frequentie van afbranden en naar de grondsoort. Een van de sterk periodiek gebrande vegetaties is het bloemrijke, reeds door Ovidius bezongen struweel Rosmarino-Lithospermetum met tal van aromatische kruiden. In de middelgebergten met hun koudere winters wordt de macchia vervangen door struwelen die 's winters hun blad verliezen en meer met de Midden-Europese overeenkomen, met o.a. donzige eik en gele kornoelje. In het hooggebergte (Alpen en Dolomieten) zijn de subalpine naaldwoudgordel en de alpine dwergstruik- en weidegordel zeer fraai ontwikkeld (zie Alpen ß 5).
1.6 Dierenwereld
De dierenwereld is van een Centraal-Europees en mediterraan karakter; in het noorden treft men nog alpine vormen aan (o.a. steenbok en gems), in het zuiden mediterrane vormen (o.a. moeflon op SardiniŽ, stekelvarken, Romeinse mol en een aantal reptielen). Het grote wild is zeer bedreigd in zijn voortbestaan; bruine beer en wolf zijn zeer zeldzaam geworden. Wellicht is de zeldzame monniksrob nog aan de kusten van ItaliŽ te vinden. De vogelwereld wordt sterk bedreigd door de vangst in de trektijd in voor- en najaar. Naast sterke druk van de jacht heeft ook de ontbossing, reeds ver gevorderd in de Romeinse tijd, tot het zeldzaam worden van vele soorten bijgedragen. Nieuwe inzichten breken maar langzaam baan.
Van de vijf nationale parken is Gran Paradiso bekend vanwege steenbok en gems; in het nationale park van de Abruzzen leven gemzen en de laatste bruine beren. Vooralsnog is de toekomst van de wilde zoogdieren en vogels van ItaliŽ een zeer onzekere zaak. De houding van een belangrijk deel van de bevolking getuigt van weinig milieubesef; vooral de jachtregelingen laten veel te wensen over. Het land is rijk aan ongewervelde dieren; de studie van o.a. insecten en slakken zal zeker nog veel noviteiten opleveren. Onder de laatste telt de familie Helicidae (waartoe o.a. de wijngaardslak behoort) zeer veel soorten, waaronder een aantal endemen. Het marien-biologisch instituut ( 'Stazione Zoologica') te Napels, opgericht in 1874, heeft een wereldnaam.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Pictures of Amalfi CoastIn de loop der eeuwen is de bevolking van ItaliŽ ontstaan uit de samensmelting van diverse volken (Etrusken, GalliŽrs, PuniŽrs, ItaliŽrs, Germaanse elementen). De invasies in historische tijd hebben maar weinig sporen nagelaten. Het mediterrane type komt voor ten zuiden van Rome, het Dinarische type in Friuli-Venezia en het alpine type ten noorden van Rome. Naast de etnische bestaat - door de vitaliteit van de Italiaanse dialecten - ook een linguÔstische verscheidenheid; een en ander versterkt nog het particularisme, dat door de geografische omstandigheden ontstond. Eind 19de en begin 20ste eeuw leidde de snelle bevolkingsgroei tot grote emigratie. Uit Noord-ItaliŽ ging men vooral naar Midden- en West-Europa, uit Midden- en Zuid-ItaliŽ naar de Verenigde Staten, BraziliŽ en (vooral) ArgentiniŽ. Vele emigranten keerden echter na een aantal jaren naar hun geboorteland terug. In de jaren dertig is de emigratie verminderd. Na de Tweede Wereldoorlog nam zij weer toe, zij het in aanzienlijk mindere mate. Sinds 1983 echter overtreft de immigratie de emigratie. Naast de emigratie heeft er ten tijde van de onstuimige economische groei na de Tweede Wereldoorlog ook een omvangrijke binnenlandse migratie plaatsgevonden; een deel van de plattelandsbevolking, m.n. in het zuiden, is weggetrokken. Vooral de noordelijke industriesteden (Turijn, Genua, Milaan) en Napels [aardrijkskunde] en Rome trokken honderdduizenden migranten aan. De gebieden rondom deze steden bezitten dan ook de hoogste bevolkingsdichtheid. Ca. 18% van de bevolking woont in steden van meer dan 350.000 inwoners.
Het geboortecijfer is tussen 1979 en 1987 gedaald van 11, 9 naar 10,0Č. Doordat in genoemde periode het sterftecijfer veel minder daalde en zelfs weer ging toenemen (van 9,5 naar 10,0Č), nam de bevolkingsgroei af van 2,4Č in 1979 tot 0Čin 1993. Er treedt daardoor ook een veroudering van de bevolking op. In 1991 was nog maar 16% jonger dan 15 jaar; liefst de helft van de bevolking was ouder dan 45 jaar. De levensverwachting bij geboorte bedraagt 74 jaar voor mannen en 81 jaar voor vrouwen.
2.2 Religie
Ruim 90% van de bevolking behoort officieel tot de Rooms-Katholieke Kerk. Op 12 febr. 1984 tekenden de Italiaanse overheid en het Vaticaan een concordaat dat het principe van de rooms-katholieke religie als staatsgodsdienst, vastgelegd in de verdragen van Lateranen (1929), losliet. De Rooms-Katholieke Kerk is ingedeeld in een zeer groot aantal (ca. 300) gebieden, nl. bijzondere ressorten als vrije prelaturen, abdijen onder een abbas nullius (zie abt), aartsbisdommen en bisdommen, waarvan een deel rechtstreeks onder de Heilige Stoel valt. Er zijn ca. 500.000 protestanten en orthodoxen en ca. 35.000 joden. De belangrijkste protestantse kerk is de Waldenzische Kerk (Ital.: Chiesa Valdese, zie Waldenzen).
2.3 Talen
Het Italiaans is de landstaal; in de provincie Bolzano (Zuid-Tirol) spreekt men veel Duits, in enkele dalen van Piemonte en Valle d'Aosta wordt veel Frans gesproken; in de dalen van de Dolomieten en in de regione Friuli-Venezia Giulia Raetoromaans.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
De grondwet van 1 jan. 1948 omschrijft de staat als een 'democratische republiek, gegrondvest op arbeid'. Iedere vijf jaar gaan de Italianen naar de stembus om zowel de vertegenwoordigers van het parlement - dat uit een Kamer van Afgevaardigden (Camera dei Deputati, 630 leden) en een Senaat (Senato, 315 gekozen leden) bestaat - als die van de gewestelijke raden te kiezen. In de praktijk vinden er veelal vervroegde verkiezingen plaats. De president wordt gekozen door een verenigde zitting van beide Kamers, waaraan toegevoegd drie vertegenwoordigers van elke regionale raad. De president heeft een ambtsperiode van zeven jaar; hij heeft het recht het parlement te ontbinden (uitgezonderd in de laatste zes maanden van zijn ambtsperiode), de ministers-presidenten te benoemen, alsook een wetsontwerp vast te houden om in beraad te nemen. Na het beŽindigen van zijn ambtsperiode wordt hij automatisch lid van de Senaat voor het leven. De voorzitter van de Senaat is plaatsvervanger van de president.
3.2 Administratieve indeling
Er zijn 20 regioni (gewesten), die zijn onderverdeeld in 95 provincies en ruim 8000 gemeenten. Deze administratieve eenheden worden bestuurd door raden, die elke vijf jaar gekozen worden. Vijf regioni (SiciliŽ, SardiniŽ, Valle d'Aosta, Trentino-Alto Adige en Friuli-Venezia Giulia) bezitten een zekere mate van autonomie (regioni a statuto speciale).
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
ItaliŽ is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties van de VN. In 1957 behoorde het tot de oprichters van de EEG [politiek] (thans EU); voorts is het lid van de Raad van Europa, de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NATO), de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) en de West-Europese Unie (WEU).
3.4 Defensie
ItaliŽ is NATO-lid vanaf de oprichting in 1949. In 1996 waren bij de diverse onderdelen van de strijdkrachten 435.000 personen in dienst, van wie 200.000 dienstplichtigen en 111.000 carabinieri. De dienstplicht duurt bij leger en luchtmacht twaalf maanden, bij de marine achttien maanden. In 1996 werd 1,9% van de overheidsuitgaven besteed aan defensie. De carabinieri zijn belast met interne veiligheids-, grenswacht- en politiezaken.
3.5 Politieke partijen en vakbeweging
ItaliŽ werd sedert 1948 onafgebroken door de christen-democraten, al of niet in een coalitie met andere partijen, geregeerd, totdat begin jaren negentig door wijdvertakte corruptieschandalen, waarbij ook vooraanstaande politici betrokken waren, de bestaande partijen in diskrediet raakten en plaats moesten maken voor omgevormde of zelfs hele nieuwe partijen. De meest invloedrijke politieke partij was tot het begin van de jaren negentig de Democrazia Cristiana (DC), opgericht in 1943 als erfgenaam van de katholieke Partito Populare Italiano (PPI). In 1994 viel zij in tweeŽn uiteen: de linkervleugel ging door onder de oude naam van de partij, PPI, en de rechtervleugel ging verder onder de naam Centro Cristiano Democratico (CDD).
De Partito Comunista Italiano (PCI), opgericht in 1921 na een scheuring in de socialistische beweging, was lange tijd de tweede partij van het land. De PCI stelde zich in de loop der jaren op het terrein van de buitenlandse politiek steeds onafhankelijker van Moskou op (EEG en NAVO werden bijv. als gegeven geaccepteerd) om zodoende op binnenlands terrein met een gematigd beleid aansluiting bij de regeringspartijen te krijgen (zie ook het zgn. eurocommunisme van PCI-leider Berlinguer). In 1990 besloot de partij, als reactie op de gebeurtenissen in Oost-Europa, zich van het communisme af te wenden en een nieuwe linkse politieke partij op te richten, de Partito Democratico della Sinistra (PDS), die niettemin thans veel dichter bij het politieke midden staat dan voorheen. Enkele communisten weigerden de oude idealen op te geven en richtten de Partito della Rifondazione Comunista (PRC) op. De linkse partijen (PDS, PRC, PPI, I Verde [de Groenen] en de Lista Dini) gingen bij de verkiezingen van 1996 een lijstverbinding aan onder de naam l'”livo (de Olijfboom), waarmee ze de meerderheid in het parlement veroverden.
Het rechterblok, de Polo per le Libertŗ (Vrijheidsalliantie), bestaat eveneens uit vernieuwde of helemaal nieuwe partijen. De grootste van hen is Forza Italia (Vooruit ItaliŽ), de populistische partij van mediatycoon Silvio Berlusconi. De Alleanza Nazionale (AN) is sinds 1994 de nieuwe naam voor de in 1946 opgerichte neofascistische Movimento Sociale Italiano (MSI). De AN schoof wel iets meer op naar het politieke midden. De CCD completeert de Vrijheidsalliantie. Een belangrijke factor met betrekking tot de toekomstige staat ItaliŽ was de oprichting van Lega Nord in 1989, die onder leiding van U. Bossi streeft naar een splitsing van ItaliŽ naar Tsjechoslowaaks model en de oprichting van een onafhankelijk Noord-ItaliŽ onder de naam PadaniŽ.
Partijen met een lange geschiedenis, zoals de Partito Socialista Italiano (PSI; opgericht in 1892), de Partito Social-Democratico (PSDI; opgericht in 1947), de Partito Liberale Italiano (PLI; opgericht in 1848 door Cavour) en de kleine Partito Repubblicano Italiano (PRI; opgericht in 1897), verdwenen begin jaren negentig van het politieke toneel.
De grootste vakbond is de federatie van de communistisch-socialistische CGIL (opgericht in 1906), de rooms-katholieke CISL en de socialistisch/sociaal-democratisch/republikeinse UIL (samen 10,7 miljoen leden). De neofascistische CISNAL (bijna 2 miljoen leden) heeft veel invloed. Daarnaast bestaan veel zgn. autonome vakverenigingen, die niet bij een van de drie grote vakbonden zijn aangesloten en die werknemers per sector (bijv. onderwijzend personeel) vertegenwoordigen.

4. Economie
4.1 Algemeen
Pictures of RomeNa de Tweede Wereldoorlog veranderde ItaliŽ van een wat achtergebleven agrarisch land in een moderne industriŽle natie. Deze transformatie veroorzaakte tussen 1950 en 1980 een groei van het bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking van 200%. Na 1980 daalde de groei tot gemiddeld 1, 3% per jaar, hetgeen gepaard ging met een stijgende werkloosheid (8% in 1980, 13,2% in 1985, 11% in 1987) en een groeiende overheidsschuld. Aan het eind van de jaren tachtig trad echter een herstel van de Italiaanse economie in. In 1989 steeg de groei van het bnp 3,3% en de inflatie daalde naar 6,5%. Daarentegen bleef het werkloosheidspercentage hoog (1989: 12%), evenals de overheidsschuld, die in 1990 opliep tot bijna É 2000 miljard (ongeveer evenveel als het verwachte bnp over dat jaar)!
De Italiaanse economie wordt gekenmerkt door een groot welvaarts- en ontwikkelingsverschil tussen het geÔndustrialiseerde noorden en het nog overwegend agrarische zuiden (il Mezzogiorno). De oorzaken moeten gezocht worden in verschillen ten aanzien van historische ontwikkeling, geografische ligging en fysisch milieu. Sedert 1950, met de instelling van een ontwikkelingsfonds voor het zuiden (Cassa per il Mezzogiorno), tracht de overheid de bestaande welvaartskloof te dichten. Aanvankelijk werd het merendeel van de enorme investeringsgelden gebruikt ter modernisering van de agrarische sector en ter verbetering van de infrastructuur. Toen evenwel bleek dat de modernisering van de agrarische sector de werkgelegenheid niet vergrootte maar eerder verkleinde, ging men meer de nadruk leggen op investeringen ten behoeve van een snelle industrialisatie. Hoewel het inkomensniveau in het zuiden mede hierdoor sterk is gestegen, is de achterstand ten opzichte van het noorden niet weggenomen. De onstuimige economische groei na 1945 is dan ook vrijwel geheel te danken aan de industriŽle expansie die in het noorden plaatsvond. De in het zuiden gecreŽerde industriecomplexen zijn weinig arbeidsintensieve, statische eenheden, die vaak slechts met overheidssteun in leven kunnen worden gehouden. Door de ongunstige economische ontwikkeling in het zuiden is de interregionale migratie sterk toegenomen (zie ook ß 2.1).
Karakteristiek voor de Italiaanse economie was de grote rol van de overheid. Niet alleen de lokale voorzieningsbedrijven, de spoorwegen en de luchtvaartmaatschappijen zijn staatsondernemingen, ook de aardolie- en aardgasbedrijven, de staalindustrie, de scheeps- en treinbouw, de machine-industrie en de hoogovens waren voor het grootste deel in staatshanden. De grootschalige privatiseringen moeten de slagvaardigheid van het bedrijfsleven vergroten en het overheidstekort terugdringen.
4.2 Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
De arbeidsproductiviteit in de landbouw is niet hoog: hoewel 7% van de beroepsbevolking in 1993 werkzaam was in de landbouw, bedroeg het aandeel van deze sector aan het bnp slechts 3%. In Midden- en Zuid-ItaliŽ draagt de agrarische structuur nog vaak een traditioneel karakter. Globaal gesproken is overal ten zuiden van de Arno de landbouw het dominerende bestaansmiddel, behalve rondom Napels en Rome. De verscheidenheid aan bedrijfstypen en bodemgebruik is groot. Van invloed hierop is m.n. de per seizoen wisselende neerslagfrequentie. Slechts in de herfst en winter valt er voldoende neerslag om de verbouw van een groot aantal gewassen mogelijk te maken, maar de oogsten daarvan moeten geschieden voor de aanvang van het droge seizoen. In het droge seizoen komt in deze streken de verbouw van akkerbouwgewassen nagenoeg tot stilstand en daarom is de maÔsverbouw in de zuidelijke streken minder verbreid dan men op grond van het temperatuurverloop zou mogen verwachten. Wijnbouw en olijfteelt zijn daarentegen zeer karakteristiek voor deze streken. Ook een bepaalde hellingsgraad legt de akkerbouw in vele streken beperkingen op. Slechts 20% van ItaliŽ bestaat uit laagvlakten. De steile hellingen in het resterende gedeelte worden doorgaans benut voor de bosbouw of als (schrale) weidegronden. De Povlakte is het meest productieve agrarische gebied van ItaliŽ.
De grootte van de bedrijven is ook regionaal sterk verschillend. Gebieden waar doorgaans gemiddeld grotere bedrijven worden aangetroffen, zijn de hogere delen van de Alpen en delen van de Apennijnen. In het algemeen overheerst echter het kleinbedrijf. Het voornaamste graangewas is tarwe, gevolgd door maÔs en rijst. De tarwe is vooral in Midden- en Zuid-ItaliŽ geconcentreerd (grondstof voor pasta's). De maÔsverbouw vindt vooral plaats in de laagvlakten ten noorden van de Po en verder ook in Abruzzi, Campania en SiciliŽ. De (geÔrrigeerde) rijstverbouw wordt uitgeoefend in de Povlakte rondom Milaan tussen de rivieren Dora Baltea en Adda. Andere verbouwde gewassen zijn peulvruchten (niet alleen belangrijk als basiselement voor het volksvoedsel, maar ook voor de export: ItaliŽ is Europa's grootste producent van sojabonen), in geheel ItaliŽ, aardappelen vooral in Midden-ItaliŽ, tabak in ApuliŽ, hennep rondom Napels en in de Podelta en katoen op SiciliŽ. De teelt van groenten en fruit is over geheel ItaliŽ verspreid. Bloementeelt wordt o.m. in LiguriŽ aangetroffen.
Naast de veldgewassen vormen de boomcultures een typisch element van het agrarische landschap; in 1994 werden 9, 4 miljard kilo druiven, 2,2 miljard kilo olijven en bijna 2 miljard kilo citrusvruchten geproduceerd. Wijnbouw treft men in geheel ItaliŽ aan en iedere streek is min of meer zelfvoorzienend (met uitzondering van de grote stedelijke centra). De wijnproductie bestaat voor tweederde uit rode en voor eenderde uit witte wijnen (zie voorts Italiaanse wijnen). De olijventeelt wordt zowel in gespecialiseerde als in gemengde vorm uitgeoefend in veelal heuvelachtige gebieden, vooral in ApuliŽ en CalabriŽ. De olijven worden voor het grootste deel verwerkt tot olijfolie. Ook de citruscultures (sinaasappelen en citroenen) komen in de zuidelijke gebieden voor (SiciliŽ, CalabriŽ en Campania). Het noorden is daarentegen weer het belangrijkste productiegebied van appels, peren en pruimen (Emilia-Romagna). In Zuid-Tirol bevindt zich het grootste gebied met fruitboomgaarden (voor appels) van Europa. De moerbeibomen voor de zijdeteelt staan voor het merendeel in de Povlakte.
Veehouderij. Runderteelt wordt vooral aangetroffen in Lombardije, Veneto, Piemonte en Emilia-Romagna. Schapen- en geitenteelt wordt meer bedreven op SiciliŽ en SardiniŽ. De varkensfokkerijen bevinden zich vooral in Emilia-Romagna en Lombardije. De melkproductie (van koeien), hoewel gering, is vrijwel geheel in Noord-ItaliŽ geconcentreerd. Melk wordt echter vnl. geÔmporteerd uit Beieren.
De spreiding van het bosgebied is als volgt: ca. 60% in Noord- en Midden-ItaliŽ en 40% in Zuid-ItaliŽ en op SiciliŽ en SardiniŽ. Ca. 23% van het totaaloppervlak is bebost. Na een eeuwenlange periode van grote ontbossingen worden nu herbebossingen uitgevoerd om erosie te voorkomen. De bossen dienen voor hout- en brandstofvoorziening. Houtproducerende regioni zijn m.n. Trentino-Alto Adige en Lombardije.
De Adriatische kust is voor de Italiaanse visserij het belangrijkst. In 1992 werd 355 miljoen kilo vis gevangen. De belangrijkste vissoorten zijn ansjovis, sardines, tonijn, weekdieren (inktvis o.a.) en schaaldieren.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
ItaliŽ is arm aan grondstoffen. Steenkool ontbreekt vrijwel geheel. IJzererts komt slechts in geringe hoeveelheden voor. Lood en zink worden vooral op SardiniŽ en in de Alpen gevonden. Voorheen was ItaliŽ een van de grootste producenten van kwik (bij Monte Amiata in Toscane). Marmer wordt geŽxploiteerd bij Carrara.
ItaliŽ haalt 81% van zijn energie uit het buitenland. De eigen aardgasproductie bedroeg in 1994 20, 3 miljard m3. Daarnaast werd ingevoerd, vnl. uit Algerije en Rusland. De binnenlandse aardolieproductie (SiciliŽ) is bij lange na niet voldoende om aan de vraag te voldoen; voor de invoer van aardolie (ten behoeve van ruim 57% van het energieverbruik) is ItaliŽ vnl. afhankelijk van het Midden-Oosten.
De elektriciteitsproductie is van 1978 tot 1987 met een kwart toegenomen en bedroeg in 1993 211, 4 miljard kWh; hiervan is eenderde afkomstig van waterkrachtcentrales (vooral in het Alpengebied). De rest is bijna geheel afkomstig van thermische centrales.
4.4 Industrie
In 1994 werkte ruim 33% van de beroepsbevolking in de industriŽle sector, die voor 31% bijdroeg in het bnp. ItaliŽ is na Duitsland, Frankrijk en Groot-BrittanniŽ de vierde industriestaat van Europa.
De ijzer- en staalindustrie is geconcentreerd in de Povlakte (Milaan en Turijn), in Midden-ItaliŽ (Terni) en in enkele kustgebieden (Corrigliano, Piombino en Tarente). De machine-industrie bevindt zich vooral in het noorden: Turijn (auto's - FIAT, motoren, vliegtuigen), Milaan (locomotieven - BREDA, elektrotechniek - Marelli, auto's - Alfa Romeo, scooters en motoren - Autobianchi), Genua (scheepswerven - Ansaldo). Ook in de automobielindustrie (o.a. FIAT) neemt ItaliŽ een vooraanstaande plaats in Europa in. Andere belangrijke industriesteden zijn: Legnano (textielmachines), Ivrea (Olivetti), Pavia, Vicenza, Brescia en Bologna.
De lokatie van de chemische industrie, een van de grootste in de wereld, is min of meer beÔnvloed door de aanwezigheid van grondstoffen (zout, kaliumcarbonaat en zwavel) of havens, waar geÔmporteerde grondstoffen als aardolie, steenkool en fosfaat verwerkt worden.
Belangrijke gebieden zijn ook Turijn en Milaan, waar de hoofdvestigingen van Pirelli (rubber en plastics) en Montedison (petrochemie) zijn. De kunstmestproductie is gevestigd in de nabijheid van de afzetgebieden (Crotone, Porto Empedocle en Palermo). De textielindustrie is in sterke mate geconcentreerd in het noordwesten van de Povlakte.
De zijde-industrie (Como) heeft hier aan betekenis ingeboet, maar is nog steeds de belangrijkste van West-Europa. De wol- (Biella, Schio, Prato) en de katoenindustrie zijn vrijwel geheel afhankelijk van grondstoffenimport. Centra van katoenindustrie zijn: het gebied van Varese-Bergamo-Milaan met daarin Busto Arsizio en Legnano als sterk geÔndustrialiseerde steden en de Val Seriana ten noorden van Bergamo. De productie van rayongaren en synthetische vezels vindt ook in Lombardije en Piemonte plaats. Enkele moderne ondernemingen zijn echter ook gevestigd in de omgeving van Napels en in CalabriŽ.
De voedings- en genotmiddelenindustrie kent een minder geconcentreerde lokalisatie. Pastafabrieken vindt men verspreid in Zuid-ItaliŽ en SiciliŽ. Een belangrijke tak van de voedingsmiddelenindustrie is geassocieerd met de tomaten- en groenteteelt in de omgeving van Napels en Salerno. Andere centra zijn: Milaan (panettone) en Perugia (chocolade).
Van de overige industrieŽn is de cementindustrie zeer belangrijk, vooral in het gebied tussen Como en Brescia aan de voet van de Alpen, daarnaast ook in het Monferratogebied in het zuiden van Piemonte. Grondstoffen voor deze industrie (kalk en mergel) zijn in ruime mate voorhanden. De houtverwerkende industrie is sterk gedecentraliseerd. Veel van de verwerking gebeurt nog in de ambachtelijke sfeer. Belangrijke gebieden voor de meubelfabricage zijn de streek tussen Milaan en Como en het gebied ten zuiden van Pisa. Vigevano en de provincie Varese kennen een belangrijke schoenenindustrie.
4.5 Handel
Na 1981, toen de export de import met $ 15,8 miljard overtrof, daalde het negatieve saldo van de handelsbalans tot $ - 2,1 miljard in 1986. Sinds 1992 is de balans weer positief. De dienstenbalans vertoonde traditioneel, mede dankzij de enorme stroom toeristen, een overschot. De belangrijkste invoerproducten zijn aardolie, grondstoffen voor de metaal- en textielindustrie, hout, machinerie, auto's en levensmiddelen (o.a. vlees). De belangrijkste uitvoerproducten zijn textielgoederen, citrus, wijn, machines, auto's, computers, plastics en aardolieproducten. De voornaamste handelspartners zijn Duitsland, Frankrijk, de Verenigde Staten, Groot-BrittanniŽ en Nederland.
4.6 Bankwezen
De centrale bank is de Banca d'Italia. Zij verzorgt de bankbiljettenuitgifte en oefent, onder supervisie van een ministerieel comitť, controle uit op het overige bankwezen.
4.7 Verkeer
De Alpen en in mindere mate de Apennijnen vormen formidabele obstakels voor het verkeer. Desondanks beschikt ItaliŽ over een uitstekend net verkeersverbindingen. Het spoorwegnet omvat 20.000 km, waarvan ruim 12.000 km geŽlektrificeerd. Het Italiaanse wegennet is van goede kwaliteit. De totale lengte is 305.000 km, waarvan 6100 km autostrada.
Genua is de belangrijkste haven, gevolgd door VenetiŽ, Napels, Savona, Livorno, La Spezia, Tarente en TriŽst. De binnenscheepvaart is van ondergeschikt belang. Bij Rome (Fiumicino) en Milaan (Linate) zijn de grootste luchthavens. In totaal zijn er 25 internationale en 36 nationale luchthavens. Staatsluchtvaartmaatschappij is Alitalia.

5. Geschiedenis
Pictures of PaestumIn de oudheid bestonden op het huidige Italiaanse grondgebied tal van staten en volken, die ten slotte alle door de Romeinen werden onderworpen. Zie voor deze periode Italia en Romeinse Rijk. In de loop van de 4de eeuw werd het Romeinse Rijk verdeeld in een oostelijk en westelijk rijksdeel (zie ook Byzantijnse Rijk), waardoor de staatkundige versnippering een feit werd en het politieke centrum verschoof van Rome naar Byzantium. In 1861 werd het koninkrijk ItaliŽ geproclameerd en daarmee werd ItaliŽ formeel een staatkundige eenheid.
5.1 Middeleeuwen
In 493 veroverde Theodorik de Grote, koning der Ostrogoten, Ravenna en kreeg geheel ItaliŽ in zijn macht. Zijn opvolgers konden het land niet verdedigen tegen de Byzantijnse keizer Justinianus I, die ItaliŽ in 535 opnieuw bezette. In 568 veroverden de Longobarden Noord- en Midden-ItaliŽ, doch Rome bleef vrij, terwijl het exarchaat van Ravenna, het noordoosten en het zuiden onder Byzantijns gezag bleven. De Longobarden stichtten het koninkrijk van Pavia en de afhankelijke hertogdommen van Spoleto en Benevento. De streken onder Byzantium werden door duces, regionale gouverneurs van de keizer, bestuurd. In Rome was het bestuur aan de bisschop - dwz. de paus - toevertrouwd. Reeds op het einde van de 5de eeuw had paus Gelasius I aanspraak gemaakt op het primaat van het kerkelijke boven het wereldlijke gezag; zijn opvolgers, m.n. Gregorius de Grote, beklemtoonden dit nog sterker, waardoor militaire steun van Byzantium tegen de Longobarden uitbleef. In de 8ste eeuw zochten de pausen elders steun tegen de dreigende Longobarden, en wel bij de Franken, die omstreeks het midden van de 8ste eeuw voor het eerst naar ItaliŽ kwamen, sedertdien hun heerschappij uitbreidden, het pausdom onder hun protectoraat stelden en de grondslagen legden voor de Kerkelijke Staat. Karel de Grote wierp zich op als koning der Longobarden (774) en werd in de kerstnacht van het jaar 800 te Rome door paus Leo III tot keizer gekroond. Het keizerschap van het westen raakte aan het pausdom gebonden. De pausen zouden twee eeuwen lang de keizerlijke steun behoeven om zich tegen de adellijke geslachten van Rome en andere vijanden in de Kerkelijke Staat en ItaliŽ staande te houden. Nadat Karel de Dikke in 887 de heerschappij verloren had, werd de Italiaanse kroon de inzet van een verwoede strijd tussen de vorsten van Noord-ItaliŽ. In Zuid-ItaliŽ gingen grote gebieden (o.a. SiciliŽ en SardiniŽ) in de 8ste eeuw verloren aan de Saracenen. Overigens had dit handelsbetrekkingen tot gevolg tussen kleine stadsrepublieken en het Midden-Oosten.
De kroning van de Duitse koning Otto de Grote tot keizer (962) beschouwt men als het begin van het Heilige Rooms-Duitse Rijk en van de eeuwenlange verstrengeling van de Duitse en de Italiaanse politiek. Tevens verhief Otto daarmee het pausdom uit zijn verval. Door de wijze waarop hij het aan zijn politiek ondergeschikt maakte, legde hij de grondslag voor de latere macht van de Kerk. Intussen begon Zuid-ItaliŽ een eigen leven te leiden, onder plaatselijke feodale heren als de hertogen van Benevento, Salerno en Spoleto (vertegenwoordigers van het Byzantijnse gezag), bisschoppen en Saracenen. In het begin van de 11de eeuw was bovendien een aantal stadsrepublieken tot grote macht gekomen (o.a. Gaeta, Napels, Amalfi). In 1016 begon de infiltratie van de NormandiŽrs, door lokale machten gebruikt in de strijd tegen de Saracenen; omstreeks het midden van de 11de eeuw leidde deze tot permanente vestiging in Aversa. Toen Robert Guiscard in 1071 Bari veroverde, betekende dit het einde van de Byzantijnse macht in ItaliŽ. Vůůr 1200 was geheel Zuid-ItaliŽ, met uitzondering van Capua, Amalfi en een deel van Benevento, Normandisch gebied en was ook SiciliŽ op de Saracenen veroverd. In de Investituurstrijd had geheel ItaliŽ partij gekozen (zie ook Ghibellijnen; Welfen). Na het Concordaat van Worms (1122) werd de strijd van ideologisch naar zuiver politiek terrein verlegd: medespelers waren de paus, de keizer en de NormandiŽrs in het zuiden. Dit alles leidde ten slotte tot een grote versterking van de macht van de Noord- en Midden-Italiaanse steden. De Hohenstaufen behielden echter in ItaliŽ een belangrijk steunpunt door het huwelijk van keizer Hendrik VI met de erfdochter van SiciliŽ, Constantia d'Altavilla. Het rijk van SiciliŽ werd hierdoor meer dan ooit een bedreiging voor het pausdom. De uiterste poging van keizer Frederik II zich aan de pauselijke voogdij te onttrekken, mislukte en na hem was het met het keizerlijk gezag in ItaliŽ gedaan. In de steden van het noorden ontstonden nieuwe republikeinse instellingen. In tal van deze verwierven militairen reeds in de 13de eeuw een door ambten gelegaliseerde macht, die weer in vele gevallen door hen zelf of door hun nakomelingen in alleenheerschappij (signoria) werd omgezet. Na de dood van Manfred, bastaardzoon van Frederik II en erfgenaam in SiciliŽ, kende de paus het rijk toe aan Karel van Anjou (1268): deze trad op als koning van Napels en SiciliŽ. Toen bleek dat Karel de heerschappij over geheel ItaliŽ ambieerde, slaagde de paus erin zijn macht te breken. Na de Siciliaanse vespers (1282) verloor Karel SiciliŽ, dat door de paus aan Aragůn werd toegewezen. In 1309 begon de 'Babylonische gevangenschap'. Daarmee was de wereldlijke macht van de paus over haar hoogtepunt heen.
De 15de eeuw werd beheerst door de machtsstrijd tussen Florence, Milaan en VenetiŽ, waarbij Duitse en Franse vorsten en minder machtige republieken partij kozen. In het zuiden werd de strijd tussen Aragůn en Anjou in 1442 definitief beslist: Zuid-ItaliŽ kwam als koninkrijk Napels aan Alfons V van Aragůn, koning van SiciliŽ. Omstreeks het midden van de 15de eeuw trad voor het eerst een Italiaans evenwicht in. De oorlogen van Florence, VenetiŽ en Milaan tegen Napels en de paus (1478-1480) en van de paus en VenetiŽ tegen Ferrara en Napels (1482-1484) bewezen hoe wankel dit evenwicht was.
Eťn was ItaliŽ slechts op cultureel gebied. De renaissance ontplooide zich ten volle vanaf de 15de eeuw en beÔnvloedde Europa grondig.
5.2 Van het eind van de middeleeuwen tot de eenwording
Aan het einde van de 15de eeuw trad een periode van verval in, waarbij ItaliŽ een speelbal van de grote mogendheden werd. Tot in de tweede helft van de 16de eeuw werd de strijd tussen Habsburg en Valois grotendeels op Italiaanse bodem uitgevochten. In 1494 trok Karel VIII van Frankrijk met een leger ItaliŽ binnen om als erfgenaam van het Huis Anjou zijn aanspraken op Napels kracht bij te zetten. Een verbond tussen keizer, paus, Aragůn met CastiliŽ, Milaan en VenetiŽ dwong hem reeds in 1495 tot de terugtocht. Onder Karels opvolger, Lodewijk XII, herhaalde zich de geschiedenis. Behalve op Napels maakte deze vorst ook aanspraak op Milaan, dat hij in 1499 bezette. Napels werd door hem, samen met Ferdinand II van Aragůn, veroverd. Reeds in 1505 moesten de Fransen zich hieruit terugtrekken, waardoor dit hele koninkrijk, met SiciliŽ, Spaans werd. In 1508 begon de Franse koning een oorlog tegen VenetiŽ. Toen na aanvankelijke successen zijn bondgenoten zich tegen hem keerden, moest hij ten slotte in 1513 heel ItaliŽ weer ontruimen. Milaan kwam in 1535, in 1556 definitief, aan Spanje, zij het formeel als leen van het Duitse Rijk. In Florence bleven de de' Medici aan het bewind, sedert 1569 als groothertogen van Toscane, doch geheel afhankelijk van de Habsburgers. In 1559 erkende Frankrijk bij de Vrede van Le Cateau-Cambrťsis geheel ItaliŽ als bezit of invloedssfeer van Spanje. Slechts de Republiek VenetiŽ bleef onafhankelijk.
De grote veranderingen op politiek gebied die in ItaliŽ in de 16de eeuw plaatsvonden, waren het onderdeel van een algemene ommekeer. De zgn. renaissancecultuur vertoonde in de loop van de 16de eeuw duidelijke tekenen van verstarring en verval. De Contrareformatie leidde tot een algehele hervorming van de kerk en na het midden van de 16de eeuw probeerden de pausen in een geheel nieuwe politiek - hoewel zij nog steeds in het bezit van het wereldlijk gezag over het grootste deel van ItaliŽ waren - niet meer aan de strijd om de hegemonie in Europa deel te nemen, maar zochten zij voortaan het prestige van de Kerk op religieuze en morele basis te funderen. Door samenwerking met de rooms-katholieke mogendheden en door de activiteiten van nieuwe instellingen en orden (m.n. de jezuÔeten) wist de Rooms-Katholieke Kerk een goed deel van haar macht te handhaven. ItaliŽ zelf echter raakte in verval: oorlogen, verlegging van het centrum van de wereldhandel naar de kusten van de Noordzee en de Atlantische Oceaan, het verval van Duitsland dat sinds de middeleeuwen het economisch achterland van Noord-ItaliŽ was geweest - dat alles droeg ertoe bij ItaliŽ ook economisch te ruÔneren. Alleen in de Republiek VenetiŽ bleven een grote geestelijke vrijheid en economische activiteit bestaan. In de 17de eeuw begon de sociale desintegratie die van ItaliŽ het klassieke land van culturele en economische achterstand maakte dat het tot diep in de moderne tijd bleef.
Het belangrijkste aspect van de politieke geschiedenis van ItaliŽ in de 17de eeuw was de geleidelijke opkomst van Savoye. In de 18de eeuw werd Savoye definitief de meest hecht georganiseerde en in militair opzicht sterkste staat van ItaliŽ. Na afloop van de Spaanse Successieoorlog verwierf hertog Victor Amadeus SiciliŽ. Hij nam toen de titel van koning aan. Nadat hij in 1720 SardiniŽ had verworven in ruil voor SiciliŽ, dat hij aan Oostenrijk afstond, noemde hij zich koning van SardiniŽ (in 1748 kreeg het koninkrijk SardiniŽ verdere uitbreiding). Ook in het zuiden van ItaliŽ bracht de Spaanse Successieoorlog veranderingen. Na afloop ervan kreeg Oostenrijk SardiniŽ (in 1720 geruild voor SiciliŽ) en Napels. In 1738 stond Oostenrijk Napels en SiciliŽ af aan een vertegenwoordiger van het Spaanse Huis Bourbon, op voorwaarde dat het Zuid-Italiaanse rijk nooit meer met de Spaanse kroon verenigd zou worden. Milaan werd in 1713 Oostenrijks bezit. De verenigde hertogdommen Parma en Piacenza gingen bij de verschillende vredesverdragen van de 18de eeuw steeds in andere handen over, totdat zij in 1748 ook aan een telg uit het Spaanse Huis Bourbon toevielen. In de 18de eeuw vermolmde het politiek en maatschappelijk bestel van bijna alle Italiaanse staten. Alleen het groothertogdom Toscane werd op verlichte wijze geregeerd, sinds het Huis de' Medici er door het Huis (Habsburg-)Lotharingen was opgevolgd. De toenemende kracht van SardiniŽ zou pas in de 19de eeuw aan de rest van ItaliŽ ten goede komen. Het eiland Corsica, vanouds Genuees bezit, werd in 1768 aan Frankrijk overgedragen. Op cultureel gebied begon ItaliŽ zich te herstellen. In filosofie, wetenschap en literatuur kondigde zich de herleving van het staatkundig en maatschappelijk elan reeds aan.
Een periode van grote veranderingen begon in 1796, toen Bonaparte met zijn legers het land binnentrok en de denkbeelden van de Franse Revolutie met zich meebracht. De staatkundige indeling werd geheel gewijzigd: Savoye (met Piemonte) werd bij Frankrijk ingelijfd; in de Povlakte werden de Cis- en de Transpadaanse Republieken gesticht, weldra verenigd tot de Cisalpijnse Republiek; Genua werd de Ligurische Republiek; de Kerkelijke Staat werd de Romeinse Republiek; Napels (zonder SiciliŽ) werd de ParthenopeÔsche Republiek; VenetiŽ kwam aan Oostenrijk. In 1799 werd de Kerkelijke Staat hersteld en keerde er een Bourbon-koning naar Napels terug. In 1801 werd Toscane tot Koninkrijk EtruriŽ, de Cisalpijnse Republiek tot Italiaanse Republiek gemaakt. In 1805 werd laatstgenoemde republiek, uitgebreid met VenetiŽ, tot Koninkrijk ItaliŽ onder Napoleon (met EugŤne de Beauharnais als onderkoning) uitgeroepen; Napels werd in 1806 een Frans vazalkoninkrijk onder Jozef Bonaparte (in 1808 vervangen door Joachim Murat); Genua en Parma werden bij Frankrijk ingelijfd. In 1807 annexeerde Frankrijk ook EtruriŽ en in 1808 de Kerkelijke Staat.
In 1815 begon ook in ItaliŽ de Restauratie. De staatkundige indeling werd als volgt: koninkrijk SardiniŽ (waaraan de voormalige republiek Genua was toegevoegd), Toscane, Modena, Parma en Lucca (in feite Oostenrijkse vazalstaten), het onder directe Oostenrijkse soevereiniteit staande Lombardisch-Venetiaanse koninkrijk (in grote trekken het vroegere gebied van Milaan en VenetiŽ), de Kerkelijke Staat, het koninkrijk der Beide SiciliŽn, het vorstendom Monaco en de republiek San Marino. Lucca kwam in 1847 bij Toscane. In al deze staten gingen de teruggekomen of nieuwe soevereinen tot een streng regime van onderdrukking en reactie over. De Franse instellingen werden opgeruimd en het ancien rťgime werd in volle omvang hersteld. De ontwikkeling die onder invloed van de Franse ideeŽn en instellingen op gang was gekomen, liet zich echter niet meer stuiten. Het verzet tegen de bestaande orde bleef voortduren en kreeg al spoedig in het liberalisme een ideologische basis. Verdrijving van alle niet-Italiaanse heersers en (in de meeste visies) vorming van ťťn nationale Italiaanse staat op moderne grondslag werden het gemeenschappelijk ideaal (het Risorgimento). In 1820 en 1821 kwam het tot daadwerkelijk verzet (zie Carbonari). In 1830 deed de Julirevolutie haar invloed in ItaliŽ gelden. Slechts met behulp van de Oostenrijkse wapens kon de status quo hersteld worden. Toen in 1846 een als liberaal beschouwde paus werd gekozen (Pius IX), vestigden velen hun hoop op hem. In het revolutiejaar 1848 werden in Napels, Toscane, SardiniŽ en de Kerkelijke Staat constituties uitgevaardigd. In Milaan en VenetiŽ braken revoluties uit, waarop Karel Albert van SardiniŽ de oorlog aan Oostenrijk verklaarde. Na de Sardinische nederlaag bij Custozza in juli 1848 werd een wapenstilstand gesloten. De revolutie in Napels was intussen onderdrukt. In de Kerkelijke Staat deden kort nadien de radicalen met succes een greep naar de macht. Pius IX moest vluchten en op 9 febr. 1849 werd de Romeinse republiek geproclameerd. In maart 1849 hervatte Karel Albert de strijd tegen Oostenrijk. Na de nederlaag bij Novara abdiceerde hij ten gunste van zijn zoon Victor Emanuel II, die 9 aug. vrede met Oostenrijk sloot. In april waren intussen de Fransen ten gunste van de paus de aanval op de Romeinse republiek begonnen. Eind aug. 1849 was overal in ItaliŽ de oude orde van zaken hersteld. Overal werden de constituties opgeheven, behalve in SardiniŽ (met koning Victor Emanuel), waar Cavour op de voorgrond trad, die, zowel gesteund als gedwarsboomd door Garibaldi, bereikte dat op 17 maart 1861 het onafhankelijke koninkrijk ItaliŽ kon worden geproclameerd. Dit omvatte geheel ItaliŽ, uitgezonderd San Marino en VenetiŽ en het kerngebied van de Kerkelijke Staat. Monaco was door de gebiedsafstand van SardiniŽ aan Frankrijk in 1860 van het Italiaanse gebied afgescheiden (zie Camillo Benso di Cavour en Risorgimento).
5.3 De jonge staat en zijn problemen
VenetiŽ-Lombardije was door tegenwerking van de Franse keizer Napoleon III in 1859 niet door Oostenrijk afgestaan, en in Rome namen Franse troepen paus Pius IX in bescherming, die geen afstand wilde doen van het wereldlijk gezag over de Kerkelijke Staat. De Italianen kregen VenetiŽ in handen door zich in 1866 met Pruisen te verbinden tegen Oostenrijk, ook al moesten de Italiaanse troepen in deze oorlog het onderspit delven. Na het uitbreken van de Frans-Duitse Oorlog in 1870 trok Napoleon III zijn troepen uit Rome terug, zodat met de inlijving van de hoofdstad de territoriale eenheid kon worden voltooid (sept. 1870). Pius IX weigerde in het verlies van zijn gebied te berusten. Ook onder zijn opvolgers was de verhouding tot de antiklerikale Italiaanse regering dikwijls moeilijk. Pas in 1929 kwam een concordaat tot stand, waarbij het koninkrijk ItaliŽ en de pauselijke soevereiniteit over Vaticaanstad werden erkend (zie Verdragen van Lateranen). ItaliŽ kreeg een tweekamerstelsel met een door de koning benoemde Senaat en een gekozen Kamer. Gedurende de eerste decennia werd het gezag van de regering ondermijnd door de twisten tussen de politieke partijen - de liberalen en de radicalen - en persoonlijke schandalen van politici. De belangrijkste politieke figuren in deze tijd waren Agostino Depretis en Francesco Crispi. Het financiŽle beleid liet te wensen over. De economische toestand was slecht. In het noorden kwam de industrie tot ontwikkeling, maar de sociale toestanden waren daar erbarmelijk; in het zuiden van het land schiep het grootgrondbezit een diepe kloof tussen het verarmde volk en de aanzienlijken. De grote werkloosheid deed vele Italianen emigreren. Het socialisme en anarchisme bloeiden. Koning Umberto I, die zijn in 1878 overleden vader Victor Emanuel II was opgevolgd, werd in 1900 door een anarchist vermoord, waarna Victor Emanuel III de troon besteeg.
In dit tijdperk verwierf ItaliŽ ook zijn schamele koloniale bezittingen: Eritrea (1882-1890), Italiaans Somaliland (1899-1905) en na een oorlog tegen Turkije, die het land tevens de Dodekanesos opleverde, LibiŽ. Een poging AbessiniŽ te onderwerpen, eindigde in een smadelijke nederlaag bij Adoea (1896). De verhouding tot Frankrijk was de eerste tijd koel. ItaliŽ zocht aansluiting bij Oostenrijk en Duitsland en sloot in 1882 met deze landen het Drievoudig Verbond. Nationalistische Italianen waren echter niet tevreden met de bereikte grenzen en maakten aanspraak op enkele ten dele door Italianen bewoonde gebieden: Nizza (Nice) en Savoye, die in 1860 in ruil voor de steun van Napoleon III aan Frankrijk waren afgestaan, alsmede Trente, IstriŽ met de stad TriŽst en Fiume, het Italia irredenta (zie irredentisme).
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleef ItaliŽ aanvankelijk neutraal, daar het Drievoudig Verbond met Duitsland en Oostenrijk een defensief karakter had. Nationalisten, irredentisten en republikeinen zagen meer in deelname aan de oorlog aan de zijde van Engeland en Frankrijk. Nadat de geallieerde mogendheden bij het verdrag van Londen royale gebiedsuitbreiding hadden toegezegd, verklaarde ItaliŽ in mei 1915 de oorlog aan Oostenrijk en in aug. 1916 ook aan Duitsland. In militair opzicht was de oorlog geen succes, maar bij de vrede werd ItaliŽ beloond met IstriŽ en TriŽst, Zara in DalmatiŽ en geheel Zuid-Tirol. De kwestie Zuid-Tirol bleef vervolgens de Italiaans-Oostenrijkse betrekkingen belasten. Fiume, dat aanvankelijk tot vrijstaat was verklaard, werd in 1919-1920 eigenmachtig door de dichter d'Annunzio voor ItaliŽ bezet.
5.4 Het fascisme
Het einde van de oorlog bracht, zoals elders in Europa, ook ItaliŽ aan de rand van de afgrond: de liberale regering was zwak, de economische toestand slecht, de ontevredenheid groeide, er braken stakingen en ongeregeldheden uit en communistische arbeiders gingen tot de bezetting van fabrieken over. De communisten kwamen in botsing met de in 1919 opgerichte fascistische beweging van Benito Mussolini. In okt. 1922 organiseerden de fascisten een mars naar Rome, waarna Mussolini door Victor Emanuel tot minister-president benoemd werd. Mussolini stond aanvankelijk aan het hoofd van een coalitiekabinet, maar eind 1924 schakelde hij de oppositie uit en sindsdien regeerde hij dictatoriaal. De Kamer werd vervangen door een corporatief adviserend lichaam waarin de maatschappelijke groepen zouden zijn vertegenwoordigd (deze nieuwe staatsstructuur is nooit van de grond gekomen). Het bestuur van de fascistische partij, de Grote Fascistische Raad, kreeg verstrekkende bevoegdheden, maar kwam zelden of nooit bijeen. Op de samenstelling van de Raad had Mussolini, die zich 'duce' (= aanvoerder) liet noemen, overwegende invloed. Het gezag werd zo van boven af opgelegd. Ook in het economisch leven, de pers, het onderwijs en de jeugdbeweging was de staatsinvloed groot. Door het noodzakelijke samenleven met allerlei conservatieve krachten (m.n. het grootkapitaal, de monarchie, het leger en de Kerk) verloor het fascisme geleidelijk zijn revolutionaire trekken.
In de buitenlandse politiek eiste Mussolini voor ItaliŽ de positie van grote mogendheid op. In 1935 vielen de Italianen AbessiniŽ (EthiopiŽ) binnen, dat in mei 1936 bij het Italiaanse koloniale rijk werd ingelijfd. De Volkenbond beantwoordde deze daad met economische sancties, die echter nauwelijks uitwerking hadden. In de Spaanse Burgeroorlog verleende de Italiaanse regering steun aan de opstand van generaal Franco. Met het in 1933 in Duitsland aan de macht gekomen geestverwante bewind van Adolf Hitler was de verhouding aanvankelijk koel, soms zelfs gespannen, vanwege de Duitse aspiraties inzake Oostenrijk. Als gevolg van de Abessijnse Oorlog ontstond er echter toenadering en werd in okt. 1936 een verdrag van samenwerking gesloten ( 'As Rome-Berlijn'). In het voorjaar van 1939 gaf ItaliŽ van zijn expansieve aspiraties blijk door AlbaniŽ te bezetten en in te lijven. Mussolini wendde zijn invloed aan om de Britten en Fransen te MŁnchen te doen berusten in de Duitse eisen tegen Tsjechoslowakije (Akkoord van MŁnchen, 1938), maar toen de Duitsers op 1 sept. 1939 ook Polen binnenvielen, faalde zijn bemiddeling. Op 10 juni 1940, toen het Franse leger al was verslagen, verklaarde ItaliŽ de oorlog aan Groot-BrittanniŽ en Frankrijk in de hoop de aanspraken op Nice, Corsica en TunesiŽ te kunnen verwerkelijken. Opnieuw bleek de Italiaanse strijdmacht inferieur. De eind 1940 begonnen oorlog tegen Griekenland kon alleen dankzij de Duitse hulp in april 1941 worden beslecht. In Oost-Afrika waren de Italianen niet opgewassen tegen de Britten (val van Addis Abeba, 6 april 1941). In LibiŽ schoot de Duitse veldmaarschalk Rommel de falende Italianen te hulp, wat niet kon verhinderen dat de Britten onder Montgomery na de Slag bij El Alamein (okt. 1942) ook hier de overwinning behaalden. Op 10 juli 1943 landden de geallieerden, inmiddels versterkt met de Verenigde Staten, op SiciliŽ. Vijftien dagen later werd Mussolini door de Grote Fascistische Raad afgezet. Zijn opvolger, maarschalk Badoglio, sloot op 3 sept. een wapenstilstand met de geallieerden en verklaarde op 13 okt. 1943 de oorlog aan Duitsland. Op 8 sept. 1943 landden de geallieerden bij Salerno. De strijd om ItaliŽ werd geheel overgenomen door de Duitsers, die langzaam naar het noorden werden teruggedrongen; op 4 juni 1944 werd Rome bevrijd. In Noord-ItaliŽ riep Mussolini, die op 12 sept. 1943 door de Duitsers uit gevangenschap was bevrijd, de Italiaanse Sociale Republiek uit (gevestigd te SalÚ), waarin hij terugkeerde tot de extreem socialistische politiek van zijn jonge jaren. Op 29 april 1945 moesten de Duitse legers capituleren; een dag tevoren was Mussolini door verzetsstrijders op de vlucht gegrepen en omgebracht. ItaliŽ bleef officieel tot 1 jan. 1947 door de geallieerden bezet gebied. Bij de op 10 febr. 1947 bekrachtigde vrede verloor het land zijn koloniŽn en moest het DalmatiŽ, Fiume, IstriŽ en een deel van de provincie VenetiŽ aan JoegoslaviŽ afstaan. Griekenland kreeg de Dodekanesos. De zone van TriŽst, die onder internationaal beheer was gesteld, keerde op 25 okt. 1954 voor het grootste deel naar ItaliŽ terug. Met JoegoslaviŽ werd hierover in 1976 een definitief akkoord bereikt.
5.5 De Italiaanse republiek
Na de oorlog werd de oude strijdvraag: monarchie of republiek? weer opgerakeld. Victor Emanuel III, die door zijn medewerking aan het fascistische bewind was gecompromitteerd, trachtte de troon nog te redden door op 10 mei 1946 afstand te doen ten behoeve van zijn zoon Umberto II, maar de Italianen spraken zich in een referendum op 2 juni 1946 met 12 tegen 10 miljoen stemmen uit voor de republiek. Op dezelfde dag werd een constituerende vergadering gekozen, waarin links en rechts ongeveer evenveel zetels kregen. De christen-democraat Alcide de Gasperi, die in dec. 1945 een regering met socialisten en communisten (PCI) had gevormd, bleef eerste-minister. In mei 1947 traden de linkse partijen uit de regering. De communisten onder Palmiro Togliatti en de links-socialisten onder Pietro Nenni (PSI) verenigden zich tot een Volksfront, dat met steun van de vakbonden door stakingen en ongeregeldheden de regering aan het wankelen bracht. De parlementsverkiezingen van april 1948 leverden mede dankzij de houding van het Vaticaan en de Verenigde Staten de absolute meerderheid op voor de Democrazia Cristiana (DC), waardoor het voortbestaan van een democratisch en nauw met het Westen verbonden bewind was verzekerd (aansluiting bij de NAVO en de Europese Gemeenschap).
Als grootste groepering - ca. 40% - bleef de Democrazia Cristiana de aangewezen regeringspartij, maar bij de verkiezingen van 1953 verloor zij haar absolute meerderheid, zodat zij op de steun van coalitiepartners werd aangewezen, waarvoor aan de rechterzijde de liberalen en in mindere mate de neofascistische MSI en de monarchisten in aanmerking kwamen en aan de linkerzijde de (van de socialistische partij afgescheiden) sociaal-democraten en republikeinen. Dit ging ten koste van de politieke stabiliteit, te meer daar binnen de Democrazia Cristiana de meningen sterk verdeeld waren. De Gasperi trad in 1953 af. In snel tempo wisselden de kabinetten elkaar af, geleid door rechtse (Pella, Scelba, Segni) of linkse christen-democraten (Fanfani, Zoli). De verkiezingen van 1958, waarbij de uiterst rechtse partijen verliezen leden en de christen-democraten en de Nenni-socialisten winst boekten, brachten in deze toestand geen verandering.
In de linkervleugel van de christen-democraten gingen steeds meer stemmen op voor samenwerking met de Nenni-socialisten teneinde een meer vooruitstrevend beleid te kunnen voeren.
5.6 Wisselende coalities
De verkiezingen van 1963, waarbij de christen-democraten sterk achteruitgingen en de communisten meer dan een kwart van de stemmen veroverden, maakten deze apertura a sinistra (= opening naar links) vrijwel tot een noodzakelijkheid, die echter pas tot een mogelijkheid werd toen de Nenni-socialisten hun banden met de communisten definitief verbraken. De partijsecretaris van de christen-democraten, Aldo Moro, vormde in dec. 1963 een coalitieregering van christen-democraten, sociaal-democraten (PSDI), Nenni-socialisten (PSI) en republikeinen. Deze combinatie bleef tot de verkiezingen van mei 1968 aan het bewind, waarna de socialisten, inmiddels tot ťťn partij herenigd (PSU), zich wegens de aan de communisten geleden verliezen in de oppositie terugtrokken en de christen-democraat Leone een minderheidskabinet vormde. Dit trad echter reeds in nov. 1968 af, waarna een nieuw kabinet onder de christen-democraat Mariano Rumor optrad, weer bestaande uit christen-democraten, socialisten en republikeinen. Een hernieuwde scheuring in de socialistische partij (over de kwestie of op lokaal niveau met de communisten moest worden samengewerkt) leidde in juli 1969 tot de val van dit kabinet. In aug. 1969 vormde Rumor een christen-democratische minderheidsregering, die in febr. 1970 aftrad om plaats te maken voor een herstelde centrum-linkse coalitie, opnieuw onder leiding van Rumor. Rumor kwam reeds in juli 1970 ten val. Zijn opvolger en partijgenoot Colombo had te kampen met grote sociale onrust, groeiend extremisme en terrorisme. Hij werd in jan. 1972 door de voortdurende onenigheid tussen de coalitiepartners tot aftreden gedwongen. Niet in staat een parlementaire meerderheid te verwerven, besloot de premier van een interimkabinet, G. Andreotti, tot vervroegde verkiezingen. Er kwam hierna een regering van christen-democraten, sociaal-democraten en (conservatieve) liberalen o.l.v. Andreotti tot stand (juni 1972). In juli 1973 werd de centrum-linkse coalitie onder Rumor hersteld. Na een tweetal kabinetscrises te hebben doorstaan, moest Rumors regering in nov. 1974 plaats maken voor een kabinet-Moro, samengesteld uit christen-democraten en republikeinen. Een referendum over de in 1970 ondanks conservatief verzet aangenomen echtscheidingswet werd een groot succes voor de linkse partijen (mei 1974).
5.7 Rol communisten
In juni 1975 leverden regionale verkiezingen grote winst op voor de door partijsecretaris E. Berlinguer geleide Communistische Partij (PCI), een trend die in 1976 bij de parlementsverkiezingen werd bevestigd: de DC kreeg 38,7% van de stemmen; de PCI veroverde 34,4%. Het succes van de communisten kon vooral verklaard worden door de vele corruptieschandalen waarbij vooral de DC, maar ook alle andere regeringspartijen betrokken waren. Daarentegen hadden de communisten schone handen. Het werd steeds moeilijker om de PCI nog buiten de regering te houden. Berlinguer streefde sinds 1973 naar samenwerking met de DC in een grote coalitie (compromesso storico) en niet naar een links alternatief zonder de DC. Aangezien centrum-rechtse regeringen politiek niet haalbaar waren en de socialisten op dat moment niet bereid waren terug te keren naar centrum-linkse regeringen onder christen-democratische premiers, bleef Andreotti in juli 1976 weinig anders over dan het vormen van een minderheidsregering die gedoogd werd door alle partijen van de liberalen tot en met de communisten. De PCI streefde echter naar regeringsverantwoordelijkheid. Begin 1978 werd Andreotti tot aftreden gedwongen. Bij het oplossen van de regeringscrisis bemiddelde de voorzitter van de DC, Aldo Moro, vooral om naar een formule te zoeken waarbij de PCI in feite zou meeregeren, maar formeel buiten de regering zou blijven. Moro slaagde in die poging; hij begeleidde op die manier de katholiek-communistische samenwerking op een zorgvuldig langzame wijze. Daar kwam echter een abrupt einde aan toen Moro op 10 maart 1978 door de linkse terroristische organisatie Rode Brigades (Brigate Rosse) werd ontvoerd. Diezelfde dag stemde het parlement voor de vierde (minderheids)regering onder leiding van Andreotti. Op 9 mei werd het lijk van Aldo Moro gevonden. De katholiek-communistische samenwerking duurde daarop nog tot jan. 1979, toen de regering tot aftreden gedwongen werd. Steeds werd het de PCI duidelijker dat zij tussen de wal en het schip dreigde terecht te komen door noch regeringspartij, noch oppositie te zijn: de loyale houding jegens de DC en de regering (die immers gedoogd werd) dreigde de PCI veel stemmen te gaan kosten. In juni 1979 werden opnieuw vervroegde verkiezingen gehouden. Het terrorisme speelde uiteindelijk de regeringspartij die de democratische orde moest handhaven, in de kaart; bij de verkiezingen bleef de DC vrij stabiel op 38,3% staan, terwijl de PCI 4% verlies leed. De DC, die zich hierdoor veel minder door de PCI opgejaagd voelde, kon nu in alle rust naar een nieuwe regeringscombinatie toewerken. Er kwamen kabinetten tot stand onder leiding van F. Cossiga (van aug. 1979 tot april 1980 en van april tot sept. 1980) en A. Forlani (van okt. 1980 tot mei 1981), waaraan behalve de christen-democraten ook de republikeinen, liberalen, sociaal-democraten en sedert 1980, de socialisten in wisselende combinaties deelnamen. Uiteindelijk konden al deze partijen verenigd worden in de pentapartito (vijfpartijencoalitie). In 1981 moest de DC onder invloed van het schandaal rond de vrijmetselaarsloge P2 het premierschap afstaan.
5.8 Afnemende invloed christen-democraten
De eerste niet-christen-democratische regeringsleider van het republikeinse ItaliŽ was de republikein Spadolini, die van juli 1981 tot juli 1982 en van aug. tot nov. 1982 de bestaande regeringscombinatie aanvoerde. Na een overgangsregering onder leiding van Fanfani (dec. 1982-april 1983), kwam het premierschap in handen van de socialist B. Craxi, wiens regering de langste in de naoorlogse parlementaire geschiedenis was (van juli 1983 tot maart 1987). Dit kabinet werd vervangen door een interimkabinet onder Fanfani. De (vervroegde) verkiezingen van 1987, die gehouden werden in een klimaat van antagonisme tussen de twee voornaamste partijen van de 'pentapartito', de DC en de PSI, leverden geen duidelijke overwinnaar op, zodat de bestaande regeringssamenwerking ook daarna voortgezet werd. Op het kabinet-Goria (aug. 1987-maart 1988) volgde het kabinet-De Mita; dit viel op 19 mei 1989. Vervolgens vormde Giulio Andreotti een regering (juli 1989-maart 1991) en direct daarop weer een regering (april 1991-juni 1992).
5.9 Corruptie en mafia
Giuliano Amato vormde een nieuwe regering (juni 1992), die in april 1993 viel vanwege de bekend geworden corruptiepraktijken onder politici. Het eerste schandaal ontstond, toen begin 1992 bleek dat de socialistische leider B. Craxi betrokken was bij het vragen van grote sommen smeergeld voor het verlenen van vergunningen en het toewijzen van overheidsopdrachten. Veel politici moesten aftreden, waaronder de minister van Justitie, Carlo Tognoli, die ex-burgemeester was van Milaan, en in november Craxi zelf als leider van de socialistische partij. Inmiddels werd ook de mafia harder aangepakt. In september slaagden politie en justitie erin een groot aantal mafialeiders te arresteren, onder wie de tweede man van de Siciliaanse mafia, Giuseppe Madonia, en de leider van de Napolitaanse Camorra, Carmine Alfieri. In jan. 1993 werd Salvatore Riina, chef van een belangrijke groep Siciliaanse mafia-clans, gearresteerd en in maart 1995 tot levenslang veroordeeld. Onderwijl bleek dat de mafia, behalve banden met de vrijmetselaarsloges, ook banden had met oud-premier Andreotti. Deze werd beschuldigd wegens medeplichtigheid aan door de mafia gepleegde moorden. In een referendum in april 1993 kozen de kiezers voor verandering van het kiesstelsel, in de hoop daarmee de corruptie onder politici terug te dringen.
Verontrust door het vooruitzicht op een verkiezingsoverwinning van de voormalige communisten trad begin 1994 de mediamagnaat Silvio Berlusconi in de politieke arena met de door hem opgerichte beweging Forza Italia! (Vooruit ItaliŽ!). Bij de verkiezingen in maart boekte hij een grote overwinning. Dit betekende in feite het einde van de oude partijstructuur. Nieuw op het politieke toneel was verder de beweging Lega Nord, die afscheiding van de welvarende Noord-Italiaanse regio's nastreeft. Maar het succes van Berlusconi, wiens zakelijke activiteiten steeds nadrukkelijker in verband werden gebracht met omkopings- en corruptiepraktijken, bleek van korte duur. Berlusconi, die in strijd met zijn belofte, geen absolute scheiding wilde aanbrengen tussen zijn politieke en zakelijke bezigheden en tegen wiens zakenimperium Fininvest intussen diverse aanklachten liepen, diende eind 1994 het ontslag in van zijn regering.
Eind sept. 1995 begon het proces tegen de christen-democraat Giulio Andreotti, de machtigste politicus van het land in de jaren zeventig en tachtig, die ervan werd beschuldigd nauwe banden met de mafia te hebben onderhouden.
Op economisch gebied bleven de problemen groot, ondanks het succesvolle bezuinigingsbeleid van de in jan. 1995 aangetreden regering-Dini. Zijn in mei 1996 aan de macht gekomen opvolger Prodi streefde met zijn centrum-linkse coalitieregering naar politieke stabiliteit, sanering van de overheidsfinanciŽn en bestrijding van de werkloosheid. Begin 1997 was de economische groei echter teruggelopen en de werkloosheid was gestegen tot boven de 12%.
Lega Nordleider Umberto Bossi stuurde in 1996 aan op een volledige afscheiding van het noorden, maar bij tussentijdse verkiezingen in juni leed de Liga enkele gevoelige nederlagen en in febr. 1997 nuanceerde Bossi zijn wens tot afscheiding met de mededeling dat dit alleen met wederzijds goedvinden mogelijk was.
Ook in 1996 werden weer talloze politici veroordeeld op grond van corruptie. In mei werd mafialeider Giovanni Brusca gearresteerd, de hoofdverdachte van de moord in 1992 op rechter Giovanni Falcone.


Telefoongids ItaliŽ
Postcodes
ItaliŽ

 

Bezoek ook onze rubriek over Rome en de Romeinen >>

 

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009