header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Jamaica

 

Terug naar overzicht Noord-Amerika >>

 

Jamaica (v. Arawak xaymaca = land van bos en water), parlementaire monarchie binnen het Britse Gemenebest op het gelijknamige eiland in het Caribisch gebied, 10.991 km2, met 2,6 miljoen inw. (237 per km2); hoofdstad: Kingston. Tot Jamaica behoren de eilandengroepen Morant Cay en Pedro Cay ten zuiden van het eiland. Munteenheid is de Jamaica-dollar, onderverdeeld in 100 cents. Nationale feestdag is 6 augustus, Onafhankelijkheidsdag.

1. Landschap
aMVC174F.JPGEen kalksteenplateau met karstverschijnselen (Cockpit Country) beslaat ruim tweederde van het eiland; dit plateau bereikt in het oosten zijn grootste hoogte in de Blue Mountains (Blue Mountain Peak: 2256 m). De kust is plaatselijk zeer steil, met koraalriffen langs het noordelijke deel. De talrijke rivieren zijn kort en worden benut voor elektriciteitsopwekking en irrigatie.

2. Bevolking
De bevolking bestaat voor ca. 95% uit mensen van Afro-Caribische afkomst en voor 1% uit blanken. Ongeveer 4% van de bevolking is van Indische of Chinese afkomst. De kustvlakten, de gebieden van Central Range en de Blue Mountains en de agglomeratie Kingston-St. Andrew kennen de grootste bevolkingsconcentraties. Er vindt een sterke trek naar de steden plaats; in 1994 woonde 52% van de bevolking in steden (in 1970 minder dan 25%). De emigratie, die vooral voor de onafhankelijkheid in 1962 op grote schaal plaatsvond naar Groot-BrittanniŽ en de Verenigde Staten, liep terug, om weer toe te nemen vanaf het einde van de jaren zeventig.
Grootscheepse programma's voor gezinsplanning hebben de toename van de bevolking (bijna 2% per jaar in de periode 1972-1974) doen dalen tot 0, 9% (1982-1991). Geboorte- en sterftecijfer (1993) bedragen resp. 23Č en 5Č. De levensverwachting bij geboorte bedraagt ruim 70 jaar voor mannen en 75 jaar voor vrouwen. De officiŽle taal is het Engels; de voertaal is een Engels-Creools.
In religieus opzicht hebben de protestanten een meerderheidspositie (vooral de anglicanen, baptisten en de presbyterianen). Ook de Rooms-Katholieke Kerk telt meer dan 100.000 (7% van de bevolking) gelovigen. Daarnaast zijn Afro-Caribische culten belangrijk, met name het rastafarianisme.

Lovers Leap aMVC287F.JPG aMVC283F.JPG Coconut palm

3. Bestuur en samenleving
De huidige grondwet dateert van 1962 en bepaalt dat Jamaica een parlementaire monarchie is binnen het Gemenebest; staatshoofd is de Britse vorstin, die vertegenwoordigd wordt door een gouverneur-generaal. De wetgevende macht berust bij het parlement, bestaande uit een Kamer van Afgevaardigden (60 leden gekozen voor vijf jaar) en een Senaat (21 leden, van wie dertien worden benoemd op voorstel van de regeringspartij en acht op voorstel van de oppositie). De uitvoerende macht berust bij de premier (hoofd van de regerende partij) en zijn kabinet van ministers. Er is algemeen kiesrecht voor inwoners van 21 jaar en ouder. Sedert 1992 wordt er gewerkt aan een nieuwe grondwet.
Administratief is Jamaica verdeeld in veertien gemeenten met elk een gekozen gemeenteraad. De Angelsaksische 'common law', aangevuld met Jamaicaanse wetten vormt de basis van het rechtssysteem. Jamaica kent geen dienstplicht; de Jamaica Defence Force is een vrijwilligersleger. In 1987 telde dit 3265 man, inclusief 745 reserves.
Jamaica is lid van de Verenigde Naties en suborganisaties van de VN, het Gemenebest, de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), het Sistema Econůmico Latinoamericano (SELA), de algemene overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT), de Caribbean Community and Common Market (CARICOM), en geassocieerd lid van de EU (Lomť-conventie).
Al sinds 1937 behoort Jamaica sociaal tot de vooruitstrevendste van de Latijns-Amerikaanse landen. Sinds 1966 kent het land een systeem van sociale verzekering dat voorzieningen voor ouden van dagen en weduwen en wezen, uitkeringen bij arbeidsongevallen en een wettelijk vastgesteld minimumloon regelt. Medische voorzieningen zijn in ruime mate voor de gehele bevolking beschikbaar; behandeling bij ziekte en zwangerschap is gratis, terwijl voor medicijnen een geringe vergoeding wordt gevraagd. Voorlichting over gezinsplanning vindt op grote schaal plaats. De trek naar de steden leidt daar tot huisvestingsproblemen.
De twee belangrijkste politieke partijen zijn de People's National Party (PNP, opgericht in 1938) en de Jamaica Labour Party (JLP, opgericht in 1944). De PNP was tot 1989 een socialistische partij, die streefde naar een democratisch socialisme in een gemengde economie. In het buitenlands beleid streefde zij naar een ongebonden lijn. Zij steunt vooral op de vakbond NWU en op linkse intellectuelen. In 1989 wijzigde de PNP haar koers drastisch: thans staat zij een liberaal-economische politiek voor, gericht op privatiseringen van overheidsbedrijven en een toenadering tot de Verenigde Staten. De conservatief-liberale JLP steunt vooral op de middenklasse en op de vakbond BITU. Veel arbeiders zijn georganiseerd; de grootste drie vakbonden zijn de in 1938 opgerichte Trade Unions Congress of Jamaica (TUC), waaruit in 1952 de National Worker's Union of Jamaica (NWU) zich afsplitste; de derde grote vakbond is de in 1938 opgerichte Bustamante Industrial Trade Union (BITU).
Veel aandacht wordt besteed aan onderwijs. Lager onderwijs is verplicht voor kinderen van zeven tot vijftien jaar. Ca. 90% van de leerplichtigen gaat inderdaad naar school; 58% van de 12- tot 18-jarigen volgt secundair onderwijs. Kingston is de hoofdzetel van de University of the West Indies.
Persvrijheid is sinds 1980 weer gegarandeerd. Er verschijnen twee dagbladen: The Daily Gleaner (opgericht 1834; oplage circa 42!000 exx.) en The Star (46.000, in het weekend 80.000 exx.). Radio- en televisieprogramma's worden verzorgd door de Jamaica Broadcasting Corporation (sinds 1959) en het commerciŽle station Radio Jamaica Ltd.; het ministerie van Onderwijs verzorgt daarnaast nog educatieve radio- en televisie-uitzendingen.

4. Economie
De Jamaicaanse economie is thans gediversifieerder dan traditioneel het geval was. De landbouw, die in 1993 8% aan het bnp bijdroeg en werkgelegenheid bood aan 25% van de werkende beroepsbevolking (220.800), produceert zowel voor de binnenlandse consumptie als voor de export. De uitvoer van suiker maakte in 1994 9% van de totale exportwaarde uit, maar deze sector heeft geen goede vooruitzichten. Na de landbouw was het de winning van bauxiet, die decennia lang de economie beheerste. Na een terugval in de jaren zeventig en de eerste helft van de jaren tachtig, te wijten aan strubbelingen rond voorgenomen nationalisatie en later een mondiale recessie, tekent zich de laatste jaren een herstel af (5% bnp). De sector biedt werkgelegenheid aan minder dan 4000 mensen. Het toerisme heeft een sterke groei doorgemaakt, is nu een van de belangrijkste deviezenverschaffers en verschaft aan 12.000 mensen werkgelegenheid. Van groeiend belang is voorts de (lichte) industrie, die ca. 37% van het bnp uitmaakt en 386.200 arbeidsplaatsen biedt.
Het socialistische bewind van Michael Manley (1972-1980) ging gepaard met ernstige economische problemen. Deze waren deels te wijten aan (economische) conflicten met de Verenigde Staten en met de lokale industriŽle en middenklasse, deels met ondoelmatig beleid, deels ook met de economische wereldcrisis. Onder Manley's opvolger Seaga (1980-1989) vond een sterke toenadering tot de Verenigde Staten plaats. Seaga voerde een orthodox-kapitalistisch beleid, gericht op het aantrekken van buitenlandse ondernemingen. Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Verenigde Staten ondersteunen deze politiek krachtig. Weliswaar leidde dit tot een veelvuldig als 'gezond' geroemde herstructurering van de economie, maar de economische groei was onevenwichtig. De inflatie werd beteugeld en verminderde van 40% in 1978 tot 15,8% in 1995. De werkloosheid daalde van 30% in 1978 tot 16% in 1995. De buitenlandse schuld steeg tot $ 4,3 miljard. De handelsbalans is jaren negatief. De jongste regering heeft aangekondigd een economisch pragmatische politiek te volgen, waarbij de particuliere sector als de motor van de economische groei gezien wordt.
4.1 Landbouw, veeteelt, bosbouw en visserij
Van de totale landoppervlakte is ca. 30% in gebruik voor de verbouw van gewassen, 20% is weidegrond en 20% is met bos bedekt; De suikerexport is deels in handen van de staat; ca. 50% van de verbouw vindt plaats op grote plantages met elk een eigen raffinaderij. De belangrijkste landbouwgebieden zijn gelegen in de kustvlakten. Uit melasse, een bijproduct van suiker, wordt rum gestookt. Andere landbouwproducten zijn bananen, citrusvruchten, koffie, piment en gember. Van zeer groot belang, volgens sommige bronnen zelfs de belangrijkste agrarische deviezenverschaffer, is de verbouw van marihuana, die vooral wordt geŽxporteerd naar de Verenigde Staten. Van de voedselgewassen zijn van belang yams, aardappelen, rijst, cassave en maÔs. Veehouderij (extensief), bosbouw (tropische hardhoutsoorten) en visserij (makreel en tonijn) zijn van weinig betekenis. Er moet voedsel worden ingevoerd, inclusief vis.
4.2 Mijnbouw en energievoorziening
De winning van bauxiet, de belangrijkste delfstof (Jamaica is de op twee na grootste producent ter wereld - na AustraliŽ en Guinea), geschiedt in dagbouw en is sterk gemechaniseerd. Eenderde van de opbrengsten uit deze sector werd verdiend met de export van bauxiet, tweederde met het halfproduct aluinaarde. Deze producten samen leverden 60% van de totale exportwaarde op. De grootste maatschappijen in de bauxietwinning zijn Kaiser, Alcon, Alcoa en Acro. Sinds de sterke daling van de bauxietprijs op de wereldmarkt sinds 1992 daalde dit aandeel tot 8,7%. De aluinaardemarkt trok vanaf 1994 weer aan. Andere delfstoffen zijn gips, kalk en marmer. Voor de productie van elektrische energie (geÔnstalleerd vermogen in 1992: 2151 Kwh) is Jamaica vrijwel uitsluitend aangewezen op ingevoerde aardolie.
4.3 Industrie
De belangrijkste industriŽle activiteit is de verwerking van landbouwproducten; van belang zijn voorts de productie van textiel en schoeisel. Kingston is een belangrijk industrieel centrum (o.a. metaalindustrie, telecommunicatieapparatuur en een aardolieraffinaderij). Het aandeel van de sector voor het bnp besloeg in 1993 37%, in de werkgelegenheid 43%.
4.4 Handel
De belangrijkste importen bestaan uit aardolie en aardolieproducten, voedingsmiddelen, machines en grondstoffen. De belangrijkste handelspartners zijn de Verenigde Staten, voorts Canada, Venezuela, Groot-BrittanniŽ en de partners in de CARICOM. De centrale bank is sinds 1960 de Bank of Jamaica. Naast de twaalf handelsbanken zijn er twee ontwikkelingsbanken.
Jamaica beschikt over een goed wegennet; van de 18.200 km is 3200 km geasfalteerd. Van de ca. 389 km spoorweg (overheidsexploitatie) is de verbinding van Montego Bay met Kingston de belangrijkste (182 km). Er zijn verder vier spoorwegen voor het vervoer van bauxieterts. Er zijn veertien vliegvelden, waarvan twee internationale: Norman Manley International Airport (bij Kingston) en The Donald Sangster International Airport bij Montego Bay. Kingston is de grootste haven (werven en dokken); voorts: Montego Bay, Port Antonio, Savanna-la-Mar, Port Royal en Ocho Rios.

5. Geschiedenis
Jamaica werd in 1494 door Christophorus Columbus ontdekt en in 1509 onder Spaans bestuur gesteld. De Indiaanse Arowakkenbevolking was in korte tijd uitgestorven en door negerslaven vervangen. Na de verovering door de Engelsen in 1655 werd het een middelpunt voor slavenhandel en leverancier van suiker, koffie, indigo en cacao. Het verbod van de handel in slaven (1807), hun invrijheidstelling (1834) en de opheffing van de voorkeurrechten voor koloniale import in Engeland (1846) leidden tot grote economische moeilijkheden. Een grote opstand in 1865 (Morant Bay) leidde tot het besluit de sedert 1655 bestaande volksvertegenwoordiging op te heffen en Jamaica tot kroonkolonie te maken. Het verval van de suikerindustrie werd tot op zekere hoogte gecompenseerd door de groei van andere agrarische bedrijfstakken (bananen etc.). Zeer belangrijk was vervolgens de winning van bauxiet. De invoering van bananencultures en het tewerkstellen van - ingevoerde - Indianen redden het land van de dreigende economische ondergang.
In 1944 kreeg Jamaica intern zelfbestuur, dat in de daarop volgende jaren werd uitgebreid. Van 1958 tot 1962 maakte het, met andere Britse gebieden in het Caribische gebied, deel uit van een West-Indische federatie, die echter niet levensvatbaar bleek. Op 6 aug. 1962 werd Jamaica onafhankelijk. Het bleef lid van het Gemenebest. De eerste tien jaar na de onafhankelijkheid was het bewind in handen van de JLP onder leiding van Alexander Bustamente, die in 1938 de eerste Caribische vakbond (BITU) had opgericht en in 1943 de JLP stichtte.
Tijdens zijn bewind en dat van zijn opvolgers, Donald Sangster en Hugh Shearer, bleven de maatschappelijke tegenstellingen groot. Daardoor kon de belangrijkste rivaal, de PNP, zich ontwikkelen van een kleine partij van intellectuelen tot een socialistische volksbeweging. Haar leider was Michael Manley, de zoon van Norman Manley die in 1938 de PNP had opgericht. In 1972 en opnieuw in 1976 won de PNP onder leiding van Manley met groot verschil de parlementsverkiezingen. In een klimaat van economische crisis, sociale onrust en politieke gewelddadigheid nationaliseerde de regering enkele economische sleutelsectoren en voerde een landhervorming door.
In de buitenlandse politiek haalde Manley de banden met de COMECON-staten (vooral Cuba) stevig aan. In 1980 weigerde het IMF de regering financiŽle steun. In okt. 1980 kwam de JLP, geleid door Edward Seaga, aan de macht. Dit betekende een radicale koerswijziging, zowel in de binnenlandse als in de buitenlandse politiek. Van 1980 tot 1989 was Seaga Jamaica's premier. Zijn beleid was uitgesproken pro-Amerikaans georiŽnteerd. Weliswaar verbeterde het politieke en economische imago van Jamaica in de Westerse wereld, maar hieraan werd afbreuk gedaan door de wijdverbreide criminaliteit op het eiland, dat in de verbouw van marihuana een belangrijke alternatieve, zij het illegale bron van inkomsten en werkgelegenheid heeft. Cultureel kwam het land in de belangstelling door de reggaemuziek (Bob Marley e.a.). In februari 1989 werden de verkiezingen gewonnen door Michael Norman Manley. Hij werd, na te zijn afgetreden om gezondheidsredenen, opgevolgd door Percival Patterson (maart 1992). Deze was eerder vice-premier, maar was wegens zijn betrokkenheid bij het niet laten betalen van importbelasting door Shell Oil, in december 1991 aftreden. Na verkiezingen in maart 1993, die gewonnen werden door Pattersons PNP, werd door de oppositie een onderzoek geŽist naar mogelijke onregelmatigheden bij de verkiezingen.

Telefoongids Jamaica
Postcodes Jamaica

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009