|
1. Landschap
Een
kalksteenplateau met karstverschijnselen (Cockpit Country) beslaat ruim
tweederde van het eiland; dit plateau bereikt in het oosten zijn
grootste hoogte in de Blue Mountains (Blue Mountain Peak: 2256 m). De
kust is plaatselijk zeer steil, met koraalriffen langs het noordelijke
deel. De talrijke rivieren zijn kort en worden benut voor
elektriciteitsopwekking en irrigatie.
2. Bevolking
De bevolking bestaat voor ca. 95% uit mensen van Afro-Caribische afkomst
en voor 1% uit blanken. Ongeveer 4% van de bevolking is van Indische of
Chinese afkomst. De kustvlakten, de gebieden van Central Range en de
Blue Mountains en de agglomeratie Kingston-St. Andrew kennen de grootste
bevolkingsconcentraties. Er vindt een sterke trek naar de steden plaats;
in 1994 woonde 52% van de bevolking in steden (in 1970 minder dan 25%).
De emigratie, die vooral voor de onafhankelijkheid in 1962 op grote
schaal plaatsvond naar Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, liep
terug, om weer toe te nemen vanaf het einde van de jaren zeventig.
Grootscheepse programma's voor gezinsplanning hebben de toename van de
bevolking (bijna 2% per jaar in de periode 1972-1974) doen dalen tot 0,
9% (1982-1991). Geboorte- en sterftecijfer (1993) bedragen resp. 23‰ en
5‰. De levensverwachting bij geboorte bedraagt ruim 70 jaar voor mannen
en 75 jaar voor vrouwen. De officiële taal is het Engels; de voertaal is
een Engels-Creools.
In religieus opzicht hebben de protestanten een meerderheidspositie
(vooral de anglicanen, baptisten en de presbyterianen). Ook de
Rooms-Katholieke Kerk telt meer dan 100.000 (7% van de bevolking)
gelovigen. Daarnaast zijn Afro-Caribische culten belangrijk, met name
het rastafarianisme.
3. Bestuur en samenleving
De huidige grondwet dateert van 1962 en bepaalt dat Jamaica een
parlementaire monarchie is binnen het Gemenebest; staatshoofd is de
Britse vorstin, die vertegenwoordigd wordt door een gouverneur-generaal.
De wetgevende macht berust bij het parlement, bestaande uit een Kamer
van Afgevaardigden (60 leden gekozen voor vijf jaar) en een Senaat (21
leden, van wie dertien worden benoemd op voorstel van de regeringspartij
en acht op voorstel van de oppositie). De uitvoerende macht berust bij
de premier (hoofd van de regerende partij) en zijn kabinet van
ministers. Er is algemeen kiesrecht voor inwoners van 21 jaar en ouder.
Sedert 1992 wordt er gewerkt aan een nieuwe grondwet.
Administratief is Jamaica verdeeld in veertien gemeenten met elk een
gekozen gemeenteraad. De Angelsaksische 'common law', aangevuld met
Jamaicaanse wetten vormt de basis van het rechtssysteem. Jamaica kent
geen dienstplicht; de Jamaica Defence Force is een vrijwilligersleger.
In 1987 telde dit 3265 man, inclusief 745 reserves.
Jamaica is lid van de Verenigde Naties en suborganisaties van de VN, het
Gemenebest, de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), het Sistema
Económico Latinoamericano (SELA), de algemene overeenkomst inzake
Tarieven en Handel (GATT), de Caribbean Community and Common Market (CARICOM),
en geassocieerd lid van de EU (Lomé-conventie).
Al sinds 1937 behoort Jamaica sociaal tot de vooruitstrevendste van de
Latijns-Amerikaanse landen. Sinds 1966 kent het land een systeem van
sociale verzekering dat voorzieningen voor ouden van dagen en weduwen en
wezen, uitkeringen bij arbeidsongevallen en een wettelijk vastgesteld
minimumloon regelt. Medische voorzieningen zijn in ruime mate voor de
gehele bevolking beschikbaar; behandeling bij ziekte en zwangerschap is
gratis, terwijl voor medicijnen een geringe vergoeding wordt gevraagd.
Voorlichting over gezinsplanning vindt op grote schaal plaats. De trek
naar de steden leidt daar tot huisvestingsproblemen.
De twee belangrijkste politieke partijen zijn de People's National Party
(PNP, opgericht in 1938) en de Jamaica Labour Party (JLP, opgericht in
1944). De PNP was tot 1989 een socialistische partij, die streefde naar
een democratisch socialisme in een gemengde economie. In het buitenlands
beleid streefde zij naar een ongebonden lijn. Zij steunt vooral op de
vakbond NWU en op linkse intellectuelen. In 1989 wijzigde de PNP haar
koers drastisch: thans staat zij een liberaal-economische politiek voor,
gericht op privatiseringen van overheidsbedrijven en een toenadering tot
de Verenigde Staten. De conservatief-liberale JLP steunt vooral op de
middenklasse en op de vakbond BITU. Veel arbeiders zijn georganiseerd;
de grootste drie vakbonden zijn de in 1938 opgerichte Trade Unions
Congress of Jamaica (TUC), waaruit in 1952 de National Worker's Union of
Jamaica (NWU) zich afsplitste; de derde grote vakbond is de in 1938
opgerichte Bustamante Industrial Trade Union (BITU).
Veel aandacht wordt besteed aan onderwijs. Lager onderwijs is verplicht
voor kinderen van zeven tot vijftien jaar. Ca. 90% van de leerplichtigen
gaat inderdaad naar school; 58% van de 12- tot 18-jarigen volgt
secundair onderwijs. Kingston is de hoofdzetel van de University of the
West Indies.
Persvrijheid is sinds 1980 weer gegarandeerd. Er verschijnen twee
dagbladen: The Daily Gleaner (opgericht 1834; oplage circa 42!000 exx.)
en The Star (46.000, in het weekend 80.000 exx.). Radio- en
televisieprogramma's worden verzorgd door de Jamaica Broadcasting
Corporation (sinds 1959) en het commerciële station Radio Jamaica Ltd.;
het ministerie van Onderwijs verzorgt daarnaast nog educatieve radio- en
televisie-uitzendingen.
4. Economie
De Jamaicaanse economie is thans
gediversifieerder dan traditioneel het geval was. De landbouw, die in
1993 8% aan het bnp bijdroeg en werkgelegenheid bood aan 25% van de
werkende beroepsbevolking (220.800), produceert zowel voor de
binnenlandse consumptie als voor de export. De uitvoer van suiker maakte
in 1994 9% van de totale exportwaarde uit, maar deze sector heeft geen
goede vooruitzichten. Na de landbouw was het de winning van bauxiet, die
decennia lang de economie beheerste. Na een terugval in de jaren
zeventig en de eerste helft van de jaren tachtig, te wijten aan
strubbelingen rond voorgenomen nationalisatie en later een mondiale
recessie, tekent zich de laatste jaren een herstel af (5% bnp). De
sector biedt werkgelegenheid aan minder dan 4000 mensen. Het toerisme
heeft een sterke groei doorgemaakt, is nu een van de belangrijkste
deviezenverschaffers en verschaft aan 12.000 mensen werkgelegenheid. Van
groeiend belang is voorts de (lichte) industrie, die ca. 37% van het bnp
uitmaakt en 386.200 arbeidsplaatsen biedt.
Het socialistische bewind van Michael Manley (1972-1980) ging gepaard
met ernstige economische problemen. Deze waren deels te wijten aan
(economische) conflicten met de Verenigde Staten en met de lokale
industriële en middenklasse, deels met ondoelmatig beleid, deels ook met
de economische wereldcrisis. Onder Manley's opvolger Seaga (1980-1989)
vond een sterke toenadering tot de Verenigde Staten plaats. Seaga voerde
een orthodox-kapitalistisch beleid, gericht op het aantrekken van
buitenlandse ondernemingen. Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en
de Verenigde Staten ondersteunen deze politiek krachtig. Weliswaar
leidde dit tot een veelvuldig als 'gezond' geroemde herstructurering van
de economie, maar de economische groei was onevenwichtig. De inflatie
werd beteugeld en verminderde van 40% in 1978 tot 15,8% in 1995. De
werkloosheid daalde van 30% in 1978 tot 16% in 1995. De buitenlandse
schuld steeg tot $ 4,3 miljard. De handelsbalans is jaren negatief. De
jongste regering heeft aangekondigd een economisch pragmatische politiek
te volgen, waarbij de particuliere sector als de motor van de
economische groei gezien wordt.
4.1 Landbouw, veeteelt, bosbouw en visserij
Van de totale landoppervlakte is ca. 30% in gebruik voor de verbouw van
gewassen, 20% is weidegrond en 20% is met bos bedekt; De suikerexport is
deels in handen van de staat; ca. 50% van de verbouw vindt plaats op
grote plantages met elk een eigen raffinaderij. De belangrijkste
landbouwgebieden zijn gelegen in de kustvlakten. Uit melasse, een
bijproduct van suiker, wordt rum gestookt. Andere landbouwproducten zijn
bananen, citrusvruchten, koffie, piment en gember. Van zeer groot
belang, volgens sommige bronnen zelfs de belangrijkste agrarische
deviezenverschaffer, is de verbouw van marihuana, die vooral wordt
geëxporteerd naar de Verenigde Staten. Van de voedselgewassen zijn van
belang yams, aardappelen, rijst, cassave en maïs. Veehouderij
(extensief), bosbouw (tropische hardhoutsoorten) en visserij (makreel en
tonijn) zijn van weinig betekenis. Er moet voedsel worden ingevoerd,
inclusief vis.
4.2 Mijnbouw en energievoorziening
De winning van bauxiet, de belangrijkste delfstof (Jamaica is de op twee
na grootste producent ter wereld - na Australië en Guinea), geschiedt in
dagbouw en is sterk gemechaniseerd. Eenderde van de opbrengsten uit deze
sector werd verdiend met de export van bauxiet, tweederde met het
halfproduct aluinaarde. Deze producten samen leverden 60% van de totale
exportwaarde op. De grootste maatschappijen in de bauxietwinning zijn
Kaiser, Alcon, Alcoa en Acro. Sinds de sterke daling van de bauxietprijs
op de wereldmarkt sinds 1992 daalde dit aandeel tot 8,7%. De
aluinaardemarkt trok vanaf 1994 weer aan. Andere delfstoffen zijn gips,
kalk en marmer. Voor de productie van elektrische energie (geïnstalleerd
vermogen in 1992: 2151 Kwh) is Jamaica vrijwel uitsluitend aangewezen op
ingevoerde aardolie.
4.3 Industrie
De belangrijkste industriële activiteit is de verwerking van
landbouwproducten; van belang zijn voorts de productie van textiel en
schoeisel. Kingston is een belangrijk industrieel centrum (o.a.
metaalindustrie, telecommunicatieapparatuur en een
aardolieraffinaderij). Het aandeel van de sector voor het bnp besloeg in
1993 37%, in de werkgelegenheid 43%.
4.4 Handel
De belangrijkste importen bestaan uit aardolie en aardolieproducten,
voedingsmiddelen, machines en grondstoffen. De belangrijkste
handelspartners zijn de Verenigde Staten, voorts Canada, Venezuela,
Groot-Brittannië en de partners in de CARICOM. De centrale bank is sinds
1960 de Bank of Jamaica. Naast de twaalf handelsbanken zijn er twee
ontwikkelingsbanken.
Jamaica beschikt over een goed wegennet; van de 18.200 km is 3200 km
geasfalteerd. Van de ca. 389 km spoorweg (overheidsexploitatie) is de
verbinding van Montego Bay met Kingston de belangrijkste (182 km). Er
zijn verder vier spoorwegen voor het vervoer van bauxieterts. Er zijn
veertien vliegvelden, waarvan twee internationale: Norman Manley
International Airport (bij Kingston) en The Donald Sangster
International Airport bij Montego Bay. Kingston is de grootste haven
(werven en dokken); voorts: Montego Bay, Port Antonio, Savanna-la-Mar,
Port Royal en Ocho Rios.
5. Geschiedenis
Jamaica
werd in 1494 door
Christophorus Columbus ontdekt en in 1509 onder Spaans bestuur
gesteld. De Indiaanse Arowakkenbevolking was in korte tijd uitgestorven
en door negerslaven vervangen. Na de verovering door de Engelsen in 1655
werd het een middelpunt voor slavenhandel en leverancier van suiker,
koffie, indigo en cacao. Het verbod van de handel in slaven (1807), hun
invrijheidstelling (1834) en de opheffing van de voorkeurrechten voor
koloniale import in Engeland (1846) leidden tot grote economische
moeilijkheden. Een grote opstand in 1865 (Morant Bay) leidde tot het
besluit de sedert 1655 bestaande volksvertegenwoordiging op te heffen en
Jamaica tot kroonkolonie te maken. Het verval van de suikerindustrie
werd tot op zekere hoogte gecompenseerd door de groei van andere
agrarische bedrijfstakken (bananen etc.). Zeer belangrijk was vervolgens
de winning van bauxiet. De invoering van bananencultures en het
tewerkstellen van - ingevoerde - Indianen redden het land van de
dreigende economische ondergang.
In 1944 kreeg Jamaica intern zelfbestuur, dat in de daarop volgende
jaren werd uitgebreid. Van 1958 tot 1962 maakte het, met andere Britse
gebieden in het Caribische gebied, deel uit van een West-Indische
federatie, die echter niet levensvatbaar bleek. Op 6 aug. 1962 werd
Jamaica onafhankelijk. Het bleef lid van het Gemenebest. De eerste tien
jaar na de onafhankelijkheid was het bewind in handen van de JLP onder
leiding van Alexander Bustamente, die in 1938 de eerste Caribische
vakbond (BITU) had opgericht en in 1943 de JLP stichtte.
Tijdens zijn bewind en dat van zijn opvolgers, Donald Sangster en Hugh
Shearer, bleven de maatschappelijke tegenstellingen groot. Daardoor kon
de belangrijkste rivaal, de PNP, zich ontwikkelen van een kleine partij
van intellectuelen tot een socialistische volksbeweging. Haar leider was
Michael Manley, de zoon van Norman Manley die in 1938 de PNP had
opgericht. In 1972 en opnieuw in 1976 won de PNP onder leiding van
Manley met groot verschil de parlementsverkiezingen. In een klimaat van
economische crisis, sociale onrust en politieke gewelddadigheid
nationaliseerde de regering enkele economische sleutelsectoren en voerde
een landhervorming door.
In de buitenlandse politiek haalde Manley de banden met de
COMECON-staten (vooral Cuba) stevig aan. In 1980 weigerde het IMF de
regering financiële steun. In okt. 1980 kwam de JLP, geleid door Edward
Seaga, aan de macht. Dit betekende een radicale koerswijziging, zowel in
de binnenlandse als in de buitenlandse politiek. Van 1980 tot 1989 was
Seaga Jamaica's premier. Zijn beleid was uitgesproken pro-Amerikaans
georiënteerd. Weliswaar verbeterde het politieke en economische imago
van Jamaica in de Westerse wereld, maar hieraan werd afbreuk gedaan door
de wijdverbreide criminaliteit op het eiland, dat in de verbouw van
marihuana een belangrijke alternatieve, zij het illegale bron van
inkomsten en werkgelegenheid heeft. Cultureel kwam het land in de
belangstelling door de reggaemuziek (Bob
Marley e.a.). In februari 1989 werden de verkiezingen gewonnen door
Michael Norman Manley. Hij werd, na te zijn afgetreden om
gezondheidsredenen, opgevolgd door Percival Patterson (maart 1992). Deze
was eerder vice-premier, maar was wegens zijn betrokkenheid bij het niet
laten betalen van importbelasting door Shell Oil, in december 1991
aftreden. Na verkiezingen in maart 1993, die gewonnen werden door
Pattersons PNP, werd door de oppositie een onderzoek geëist naar
mogelijke onregelmatigheden bij de verkiezingen.
Telefoongids Jamaica
Postcodes Jamaica
|