|
Naam. In het begin van de 7de eeuw wordt de naam Nihon of Nippon
voor het eerst aangetroffen; in 645 werd het de officiële aanduiding
voor het land. De Sino-Japanse samenstelling Nihon/Nippon (Chin.: Riben;
Sino-Koreaans: Ilbon) betekent 'oorsprong (ben) van de zon (ri)', dus:
(Land van) de Rijzende Zon. In de 8ste eeuw werd de benaming Riben in
China gebruikelijk. De Europese benamingen Japan, Japon, Japão, Giappone,
enz. gaan eveneens terug op de Chinese uitspraak (van Nihon): Riben, in
de 13de eeuw door Marco Polo als Zipangu (= Ribenguo, 'Land van de
Zonne-oorsprong') in Europa geïntroduceerd. Tot 1945 werd Japan ook vaak
Dai-Nippon (Groot-Japan) genoemd.
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
De
eilanden zijn bergachtig. Het grootste deel van de bergen en kammen komt
niet boven 2000 m, enkele uitgezonderd, zoals het kristallijne
Hidagebergte in Zuid-Honshu (tot 3000 m). Als hoeksteen van de
vulkanenreeks van de Fossa Magna, een 200 km lange tektonische slenk, is
de 3776 m hoge Fuji-san in Zuidoost-Honshu te beschouwen. Verder zijn er
op Honshu nog de Ontake-san (3185 m), de Norikuradake (3166 m), de
Tateyama (2936 m) en de Washigadake (2880 m). In het geheel zijn er in
Japan meer dan 240 vulkanen, waarvan 37 werkzaam. In verband met de
tektonische en de vulkanische verhoudingen zijn er in Japan talloze
aardbevingen en - in de diepe geosynclinale diepzeetroggen aan de
zuidoostzijde - ook vele zeebevingen die geweldige, de kustvlakten
teisterende vloedgolven (tsoenami) veroorzaken.
Per jaar komen gemiddeld meer dan 1000 aardschokken voor; grote
aardbevingen treden gemiddeld eens in de vijf jaar op. De drie
belangrijkste vulkanische zones liggen in Hokkaido, in Noord- en
Midden-Honshu en in Zuid-Kyushu. Het land is bijzonder rijk aan minerale
bronnen, o.m. zwavel- en radiumbronnen. De kusten zijn door tektonische
breukzones en dalen sterk versneden (ría-kusten). Laagvlakten zijn
bijzonder schaars en bovendien klein. Ze liggen veelal langs de kust als
alluviale riviervlakten; enkele komen voor in het binnenland. Vlak land
(helling kleiner dan 15°) neemt slechts ca. 25% van de totale
oppervlakte in.
1.2 Rivieren en meren
De rivieren zijn kort en woest en transporteren enorme hoeveelheden
gesteenten naar haar mondingsgebied. Ze zijn van groot belang voor
irrigatie en opwekking van elektriciteit. De rivierbedding ligt in de
vlakte veelal boven het omringende land en wordt door natuurlijke of
kunstmatige dijken op haar plaats gehouden. Er zijn weinig meren; het
grootste en bekendste is het Biwameer (675 km2) nabij Kyoto.
1.3 Geologie
De Japanse eilanden vormen een van de eilandbogen die rond de Grote
Oceaan liggen. De geologische geschiedenis van dit gebied is
betrekkelijk jong; er komen geen precambrische gesteenten voor. De
oudste gesteenten vindt men in een Paleozoïsche geosynclinale, die in
het noordwestelijk gedeelte van het tegenwoordige Japan lag. Hierin
werden sedimenten en basische, vulkanische gesteenten afgezet tijdens
het Siluur, Devoon, Carboon en Perm. Plooiing en metamorfose van deze
gesteenten vonden plaats tijdens Perm en Trias. Aan de oceaanzijde van
deze geosynclinale ging de sedimentatie door tot in het Krijt, waarna in
dat gebied eveneens plooiing en metamorfose optraden.
Kenmerkend voor dit laatste verschijnsel is de vorming van gepaarde
metamorfe zones, waarbij aan de oceaanzijde een zone met hoge druk/lage
temperatuur-metamorfose ontstond, en aan de continentzijde een zone met
lage druk/hoge temperatuur-metamorfose. De vele granieten die tijdens
het Krijt gevormd werden, liggen vnl. in de laatstgenoemde zone, terwijl
de ultrabasische gesteenten hoofdzakelijk tot de eerstgenoemde zone
beperkt zijn. Naar alle waarschijnlijkheid is de orogenese in Japan nog
steeds aan de gang.
1.4 Klimaat
Het klimaat wordt bepaald door de moessoncirculatie van Oost-Azië, ook
al werkt de maritieme ligging matigend. De neerslag is vooral gebonden
aan de zomermoesson, behalve langs de noordwestkust van het eiland
Honshu, die de meeste neerslag in de winter krijgt. Voorts treedt op
vele plaatsen een najaarsmaximum op in de neerslag; een deel hiervan
wordt veroorzaakt door tropische cyclonen, de tyfonen. De temperatuur
hangt 's winters samen met de geografische breedte en ligging van oost-
of westkust. Zo matigt de Kuro-Shiostroom de wintertemperatuur in een
smalle zone langs de Grote-Oceaankust. Ten noorden van 38° N.Br. daalt
de gemiddelde temperatuur in januari tot beneden het vriespunt, op
Hokkaido zelfs tot -7 °C. Op het meest zuidelijke eiland Kyushu echter
is de temperatuur in januari gemiddeld +7 °C. In de zomer zijn de
temperaturen in het grootste deel van het land hoog. Zij variëren dan
naar gelang de geografische breedte.
1.5 Plantengroei
De flora is zeer rijk; zij telt meer dan 3000 soorten hogere planten die
tot meer dan 1000 geslachten behoren. Het subtropische, altijdgroene bos
van Kyushu bestaat vnl. uit eiken en voorts soorten uit de
Laurierfamilie (bijv. de kamferboom), Theefamilie (zoals de beroemde
Camellia), Palmenfamilie (Trachycarpus excelsa), Illiaceae (steranijs),
Peperfamilie en Tulpenboomfamilie; het is rijk aan varens, bamboe en
epifytische orchideeën. Het subtropische bos gaat op Honshu over in het
zomergroene (loofverliezende) Japanse loof-naaldbos, dat tot de
soortenrijkste en weligste vegetatietypen ter wereld behoort.
Het bestaat vnl. uit verschillende soorten eiken, waarvan Quercus
grosseserrata de hoogste is, esdoorns, magnolia's, berken, essen, elzen,
haagbeuken, Prunus, voorts iepen en beuken, met als naaldbomen o.a.
Japanse ceder, kransspar, Hibacipres, Hinokicipres, Pinus densiflora, P.
parviflora, P. thunbergii, Tsuga sieboldii en Abies firma. Het bos is
voorts zeer rijk aan vele soorten lianen, een ondergroei van tientallen
soorten heesters en een vaak meters hoge kruidlaag, die een ware
wildernis vormt. Op Hokkaido wordt het aandeel van de naaldhoutsoorten
noordwaarts groter. Pinus glehnii is het rijkst ontwikkeld in de
uitgestrekte hoogvenen in het noorden.
1.6 Dierenwereld
De
dierenwereld is een mengfauna, palaearctisch van karakter, maar met een
sterke inslag van Aziatische elementen; daarnaast komen talloze
endemische vormen voor. Aziatische elementen zijn o.a. een makaak (Macaca
fuscata, de noordelijkst bekende apensoort), een vliegende hond
(vleermuissoort), de kraagbeer en het sikahert; palaearctische elementen
zijn o.a. de bruine beer en een aantal andere roofdieren (marterachtigen
en hondachtigen). De vogelwereld is rijk aan soorten. Reptielen en
amfibieën zijn eveneens goed vertegenwoordigd; vooral onder de
hagedissen treft men veel Aziatische elementen aan (gekko's en skinken).
De bekendste amfibie is de Japanse reuzensalamander (Megalobatrachus
japonicus), met bijna 1,50 m lengte de grootste bekende recente soort
van deze diergroep. Onder de zoetwatervissen spelen de Karperachtigen
een belangrijke rol.
De mariene fauna vertoont eveneens een interessant mengsel van
tropische/subtropische en noordelijke (en zelfs subarctische) elementen;
de zuidelijkste eilanden hebben een kustfauna die geheel aansluit bij
die van het tropische Indo-Pacifische gebied, die van de noordelijkste
archipel is een voortzetting van die van westelijk Noord-Amerika. De
gevolgen van de zeer hoge bevolkingsdichtheid (die resulteerde in o.a.
het uitroeien van de Japanse wolf) worden enigszins gecompenseerd door
een sterke band van de Japanner met de natuur (vaak met een religieuze
achtergrond) wat geresulteerd heeft in talrijke reservaten en nationale
parken en een uitstekende natuurbeschermingswetgeving.
2. Bevolking
2.1 Algemeen
Van
de bevolking is het overgrote deel Japanners (99%). Van de overige,
niet-Japanse bevolkingsgroepen zijn de Ainoe en de Koreanen het
belangrijkst. Een toenemend probleem is de discriminatie van deze
bevolkingsgroepen en van de burakumin, nakomelingen van vroegere
verstotenen en paria's, die veelal in eigen dorpen of stadswijken wonen.
Na de Tweede Wereldoorlog werd Japan met een bevolkingsexplosie
geconfronteerd, maar door maatregelen van de overheid
(voorbehoedsmiddelen, mogelijkheid tot het plegen van abortus) werd deze
ontwikkeling in de jaren vijftig met succes bestreden; sinds 1960
vertoont het geboortecijfer een dalende lijn (1993: 9,6‰). De bevolking
nam tussen 1985 en 1993 met gemiddeld 0,4% toe, wat, gezien het lage
geboortecijfer, vnl. is te danken aan het lage sterftecijfer, dat sinds
1951 beneden de 10‰ ligt (1993: 7,1‰). De Japanners hebben de hoogste
levensverwachting ter wereld: die van de mannen bedroeg gemiddeld 76
jaar in 1993; die van de vrouwen 82,5 jaar.
2.2 Spreiding
Japan behoort tot de dichtstbevolkte landen ter wereld. Van de vier
grote eilanden heeft Hokkaido de laagste bevolkingsdichtheid (68 inw.
per km2) en Honshu de hoogste (421 inw. per km2). Shikoku en Kyushu
nemen met resp. 225 en 317 inwoners per km2 een tussenpositie in. Het
dichtst bevolkt zijn de stedelijke conglomeraties van Tokio-Yokohama,
Nagoya en Osaka-Kobe (meer dan 4000 inw. per km2). In 1993 woonde 65%
van de bevolking in deze conglomeraties. Hoewel de bevolking van Tokio
afneemt, groeit de agglomeratie van de stad nog steeds. Deze trend is
ook in Osaka waarneembaar. Ruim 77% van de bevolking woont in de steden.
De grootste zijn: Tokio (7, 9 miljoen inw.; aggl.: 11,8 miljoen),
Yokohama (3, 3 miljoen), Osaka (2, 5 miljoen), Nagoya (2, 1 miljoen),
Sapporo (1, 7 miljoen), Kyoto (1, 4 miljoen) en Kobe (1, 5 miljoen). Het
dunst bevolkt zijn
in het algemeen de berggebieden, die het grootste deel van het oppervlak
beslaan.
2.3 Taal
De officiële taal is Japans. Veel technische termen zijn uit de Engelse
taal overgenomen. Zie verder Japanse taal en schrift.
2.4 Religie
De grondwet garandeert godsdienstvrijheid. Als verreweg de belangrijkste
religie geldt het shinto (zie sjintô), dat ca. 130 sekten telt en sterk
beïnvloed is door het boeddhisme. In de belevingswereld van de bevolking
is het onderscheid tussen beide godsdiensten vaag. De meeste Japanners
belijden zowel het shinto (92%) als het boeddhisme (76%). Religieuze
minderheden worden gevormd door protestanten en rooms-katholieken (1, 2%
van de bevolking) en leden van de 'nieuwe religies', die bestaan uit
verschillende mengvormen van shinto, boeddhisme, taoïsme en christelijke
religies (9,3%).
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Japan
is een constitutioneel keizerrijk, waarin volgens de grondwet van 3 mei
1947 de keizer het symbool van de staat en de eenheid van het volk is.
De soevereiniteit berust bij het volk. De keizer heeft geen macht met
betrekking tot de regering; hij voert slechts bepaalde handelingen uit
die gestipuleerd zijn in de grondwet. Hij benoemt de eerste-minister,
die aangewezen wordt door het parlement, en de opperrechter van het
hooggerechtshof, die wordt aangewezen door het kabinet. Hij kondigt
wetten en verdragen af, roept het parlement bijeen, kent
onderscheidingen toe, enz. Het parlement (Kokkai) is het hoogste orgaan
van de staatsmacht en omvat twee Kamers: het Huis van Afgevaardigden (Shugi-in)
met 511 leden, gekozen voor vier jaar, en het Hogerhuis (Sangi-in) met
252 leden, gekozen voor zes jaar. De uitvoerende macht ligt bij het
kabinet (Naikaku), waarvan de premier door beide kamers wordt
aangewezen.
3.2 Administratieve indeling
Het land is verdeeld in 47 prefecturen (todofuken), waarvan er drie een
aparte status hebben, t.w. de stadprefecturen (fu) Osaka en Kyoto en het
hoofdstadgebied (to) Tokio. Zowel de gouverneurs van prefecturen als de
burgemeesters van steden en dorpen worden gekozen door de plaatselijke
bevolking.
3.3 Rechtswezen
Het oudst bekende Japanse recht (7de eeuw) was op het Chinese
geïnspireerd; de rechtspraak berustte bij de keizer, een aantal
processuele voorschriften werd uitgevaardigd, alsmede een strafwet die
zich tegen de bloedwraak keerde; voor het overige heerste gewoonterecht,
gebaseerd op moraal en religie. In de latere middeleeuwen nam het recht
een sterk feodaal karakter aan, de rechtsbedeling was voorbehouden aan
de adel, en wat op schrift werd gesteld, was veeleer een handleiding
voor de rechter dan een volkswetboek. Hoofdzakelijk steunde het recht op
de gewoonte; allengs ontwikkelde zich ook een systeem van rechterlijke
precedenten. Na de Meiji-restauratie van 1868 werd direct een aanvang
gemaakt met het voorbereiden van een wetgeving naar westers voorbeeld.
Op alle gebieden, vooral ook op het gebied van het administratieve
recht, is allengs de wet in de plaats van de gewoonte getreden, en de
gewoonte geldt dan ook tegenwoordig slechts als recht wanneer de wet
zulks toelaat of een leemte vertoont. De rechtspraak is gebaseerd op een
uit 1947 daterende wet waarin onder invloed van de Amerikanen de
oprichting van een opperste gerechtshof en vier lagere rechtbanken (hoge-,
districts-, familie- en lokale rechtbanken) werd gedicteerd. Het hoogste
gerechtshof, gevormd door een door de keizer aangewezen opperrechter en
14 door het kabinet aangestelde gewone rechters, spreekt recht via een
'grote bank' en drie kleinere banken, waarbij een gedetailleerd
reglement bepaalt welke zaken door welke bank behandeld dienen te
worden.
De vier lagere rechtbanken vormen eveneens een hiërarchisch geheel,
waarbij de belangrijkste strafrechtelijke en civiele zaken bij de hoge
rechtbank terecht komen. Karakteristiek zijn in het tegenwoordige
Japanse recht alleen nog het familierecht en het erfrecht. Evenals in
China bevat het wetboek speciale regelen voor de organisatie en de
voortzetting van het 'huis', d.i. de familie onder het gezag van een
familiehoofd; in principe treedt de vrouw, door het huwelijk, uit haar
huis en in dat van de man, maar door een systeem van adoptie kan ook de
man in het huis van de vrouw treden. Het huis geldt als een
afzonderlijke eenheid uit een oogpunt van eigendom en aansprakelijkheid,
en het huisvermogen is aan eigen regelen van erfrecht onderworpen.
3.4 Lidmaatschap van internationale organisaties
Japan is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties van
de VN, de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT), de
Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), het
Colombo-Plan en de APEC (economische unie tussen bijna alle landen rond
de Grote Oceaan).
3.5 Defensie
Japan kent slechts een 'zelfverdedigingsmacht'. De omschrijving van de
bevoegdheden van het leger zijn neergelegd in de grondwet die Japan
onder druk van de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog heeft
moeten accepteren. In deze grondwet staat dat 'het Japanse volk voor
altijd zal afzien van het soevereine recht om oorlog te voeren en van
het dreigen met of het gebruik maken van wapens als middel om
internationale conflicten te beslechten. Met de bedoeling het
voorafgaande te bereiken zullen geen troepen op het land, in de lucht of
in de zee worden gehandhaafd. Het recht van de staat om zich in staat
van oorlog te bevinden zal niet worden erkend'.
Ook mag Japan slechts een beperkt deel van zijn bruto nationaal product
aan zijn defensie uitgeven. In 1988 beschikte Japan over 156!000
manschappen bij de landmacht, 44.000 bij de marine en 45.000 bij de
luchtmacht. De uitgaven aan defensie bedroegen in 1988/1989 1,01% van
het bnp. Tussen Japan en de Verenigde Staten bestaat een
veiligheidsverdrag waarin o.a. de bepaling is opgenomen dat de Verenigde
Staten borg staan voor de veiligheid van Japan. In het kader van dit
verdrag zijn de Verenigde Staten met manschappen en materiaal aanwezig.
Ook werken de twee landen samen aan de ontwikkeling van
gevechtsvliegtuigen.
3.6 Arbeidsverhoudingen
De houding van vele Japanners, m.n. in hogere beroepen, ten aanzien van
hun werk en de onderneming waarin zij werken, verschilt sterk van die in
het Westen. Vele mensen nemen jarenlang geen vakanties op, omdat zij
vinden dat zij hun baas of bedrijf niet in de steek kunnen laten. Ook
bestaat in grote bedrijven nog steeds het systeem van 'tewerkstelling
voor het leven'.
Bijna 38% van de werkende bevolking bestaat uit vrouwen. Steeds meer
vrouwen ambiëren een carrière in een bedrijf. Het systeem van
levenslange gebondenheid en van salaris- en carrièreopbouw welke
afhankelijk is van het aantal dienstjaren, vormt echter een belemmering
voor de vrouwen die voor de opvoeding van de kinderen hun werk tijdelijk
willen onderbreken.
3.7 Sociale en medische voorzieningen
De gehele bevolking valt onder het systeem van sociale voorzieningen,
dat o.a. invaliditeits- en werkloosheidsuitkeringen en een
pensioenregeling omvat. Na pensionering ontvangt men 40% van het laatst
verdiende inkomen. In 1986 waren er per 1000 inwoners 12,7
ziekenhuisbedden beschikbaar.
In het kader van de verruiming van de werkgelegenheid wordt door de
bonden ook actie gevoerd voor bindende pensionering met 60 jaar. Tot nu
toe is 55 de pensioengerechtigde leeftijd, maar door de lage pensioenen
blijven de meeste mensen tot 65 jaar doorwerken.
3.8 Politieke organisatie, partijwezen, vakbeweging
Lange
tijd werd het parlement gedomineerd door twee grote partijen, de
conservatieve Liberaal Democratische Partij (LDP; Jiyu Minshuto), die
sinds haar oprichting in 1955 tot 1993 onafgebroken aan de macht was, en
de linkse Sociaal-Democratische Partij van Japan (SDPJ; Shakai Minshuto,
opgericht in 1945). Maar sinds de verkiezingen van 1993, toen de LDP
voor het eerst in haar bestaan in de oppositie werd gedrongen, is het
Japanse partijenlandschap aanzienlijk veranderd. Om met de LDP een
regeringscoalitie te kunnen vormen gaf de SDPJ in 1994 een aantal van
haar traditionele standpunten op: de in de grondwet verankerde
'zelfverdedigingsmacht' van Japan werd geaccepteerd, alsmede
kernenergie, de nationale vlag en het volkslied en ten slotte ook het
militaire veiligheidsverdrag met de Verenigde Staten. Het gevolg was dat
de SDPJ 'leegliep' en praktisch van het politieke toneel verdween. Velen
zochten hun toevlucht in nieuwe partijen, zoals de Democratische Partij
(DP). In 1994 werd de op hervorming van de politiek en de economie
gerichte Shinshinto (Nieuwe Vooruitgangspartij; NFP) opgericht, waarbij
zich veel parlementsleden uit andere partijen aansloten. De NFP werd de
tweede partij van het land. Nog altijd heeft de in 1922 opgerichte
Japanse Communistische Partij (JCP; Nihon Kyosanto) veel invloed.
De vakbonden organiseren de werknemers meestal per bedrijf en niet per
bedrijfstak. Hierdoor is het aantal vakbonden enorm groot. In 1994 was
slechts 24% van de gesalarieerden georganiseerd in een bond. De grootste
vakbond is Rengo (8, 2 miljoen leden; d.i. tweederde van de
georganiseerde werknemers).
3.9 Onderwijs
De basis van het onderwijs, dat na de Tweede Wereldoorlog op Amerikaanse
leest geschoeid werd, wordt gevormd door de kleuterschool, die wordt
gevolgd door ongeveer tweederde van de kinderen. Na de kleuterschool
volgt de zesjarige lagere school, daarna de driejarige
'junior'-middelbare school. Tot zover is het onderwijs verplicht en,
voor zover door de staat opgezet, kosteloos. Vele Japanse ouders sturen
hun kinderen echter naar dure particuliere scholen. Naast de
particuliere scholen zijn er vele instituten die zich toeleggen op het
geven van bijlessen. Na de 'junior'-middelbare school gaat ruim 90% van
de kinderen naar de 'senior'-middelbare school, waar zij een driejarige
algemene of beroepsgerichte opleiding krijgen. Het hoger onderwijs wordt
verzorgd door (400) universiteiten, junior-colleges en technische
instituten, deels openbaar, deels particulier. Van de meer dan 80
staatsuniversiteiten is de Universiteit van Tokio de beroemdste.
3.10 Pers en omroep
De grondwet garandeert persvrijheid. Wat de circulatie van dagbladen
betreft nam Japan aan het eind van de jaren tachtig (na Rusland en de
Verenigde Staten) de derde positie ter wereld in: 575 exemplaren per
1000 inw. De totale oplage van de 124 verschillende dagbladen, die zeven
maal per week verschijnen, bedroeg in 1987 70,2 miljoen. Naast talloze
lokale dagbladen zijn er vijf grote nationale dagbladen waarvan Asahi
Shimbun (ochtendeditie: 11,6 miljoen exx.), Yomiuri Shimbun
(ochtendeditie: 8,9 miljoen exx.) en Mainichi Shimbun (ochtendeditie;
6,8 miljoen exx.) de grootste zijn en die dagelijks zowel een ochtend-
als een avondeditie uitbrengen.
De grootste persbureaus zijn Kyodo Tsushin-sha (KYODO) en Jiji
Tsushin-sha (JP). De dagbladen brengen gedetailleerder economisch nieuws
dan de pers in het Westen. Daarnaast verschenen er in 1988 2700
tijdschriften. Ook zijn er twee gezaghebbende financiële dagbladen,
Nihon Keizai Shimbun en Sankei Shimbun. Het omroepbestel is gedeeltelijk
gecommercialiseerd en voor een ander deel wordt het betaald uit het
kijk- en luistergeld.
De commerciële radio- en televisie-uitzendingen worden verzorgd door 137
particuliere ondernemingen, verenigd in de Nationale Organisatie van
Commerciële Zenders (MINPOREN). De niet-commerciële uitzendingen worden
verzorgd door de Nippon Hoso Kyokai (NHK, 2 televisie- en 3
radiokanalen, 6000 stations), die onder toezicht van de regering staat.
Telefoongids Japan
Postcodes Japan
|