|
4. Economie
4.1 Algemeen
Sinds
de Tweede Wereldoorlog heeft Japan een krachtige economische expansie
gekend. Het land maakte een soort industriële revolutie door. De
naoorlogse periode laat zich in drie fasen indelen: 1. heropbouw (tot
ca. 1953) en ontwikkeling van de grondstoffenindustrie (tot ca. 1960);
2. uitbouw van de consumptiegoederenindustrie (tot ca. 1965); 3.
sindsdien een onvergelijkbare expansie van de verwerkende industrie,
sinds de jongste tijd verbonden met hoge exportoverschotten.
De basis voor deze economische expansie werd o.a. gelegd door
maatregelen van de Amerikaanse bezettingsmacht (landbouwhervorming, het
in zelfstandige ondernemingen opsplitsen van grote concerns en de
invoering van een modern vakbondensysteem - zie ook § geschiedenis),
zeer hoge persoonlijke spaarrentes, een zeer hoog opleidingsniveau, de
import van technologie en relatief lage kosten voor de ontwikkeling van
eigen technologieën, een van oudsher bestaande, harmonische verhouding
tussen de sociale partners (o.a. gebaseerd op de wijd verbreide
levenslange verbondenheid en trouw met de onderneming waar men werkt) en
een nauwe samenwerking tussen regering en economie.
In de periode 1965-1990 groeide het bruto nationaal product (bnp) per
hoofd van de bevolking gemiddeld met 4, 7% per jaar (van 1990 tot 1996
met 1,2%), het hoogste percentage ter wereld. In 1994 bedroeg het bnp
per hoofd van de bevolking $ 34.630. De inflatie is er relatief laag, in
de periode 1985-1994 1,3%, dankzij een krachtig anti-inflatiebeleid van
de Centrale Bank. De aanhoudende productiegroei zorgt ervoor dat het
werkloosheidspercentage internationaal gezien op een zeer laag niveau
ligt (in 1995: 3,2%).
M.n. de Verenigde Staten dringen sinds het midden van de jaren tachtig
aan op een verhoging van de consumptieve investeringen (huisvesting,
gezondheidszorg, sociale voorzieningen). Hierdoor zou de productie
minder snel groeien en de interne vraag toenemen, waardoor de enorme
export naar de Verenigde Staten zou afnemen. Mede ten gevolge van deze
druk werd in 1986/1987 door de overheid $ 23,5 miljard meer besteed dan
aanvankelijk was begroot. Tachtig procent van dit bedrag ging naar
huisvesting. Zulke 'stimuleringspakketten' keren regelmatig terug in
steeds grotere hoogte (1996: $ 300 miljard).
4.2 Landbouw, veeteelt, visserij en bosbouw
De betekenis van de primaire sector is na de Tweede Wereldoorlog sterk
afgenomen. In 1993 bedroeg de bijdrage van deze sector, waarin 5% van de
beroepsbevolking werkzaam was, nog maar 2% van het bnp.
Door het bergachtige karakter van het land is bouwland zeer schaars (11%
van de oppervlakte). Het voornaamste gewas is rijst, het volksvoedsel,
daarnaast verbouwt men aardappels, suikerbieten, citrusvruchten en
suikerriet. Het land kan zich voor 80% zelf voeden. De bekende
zijdecultuur is nauwelijks meer van belang. De agrarische
grondstoffenbasis is zeer smal en behalve voor zijde, vlas en in mindere
mate tabak, moet de behoefte voor het grootste gedeelte door invoer
worden gedekt. De bedrijfsgrootte is zeer gering: gemiddeld ca. 1,2 ha.
Ondanks een gebrek aan goede weidegronden en de geringe bedrijfsgrootte
lag de melkproductie in 1992 op 8, 6 miljoen ton. Na rijst is melk
tegenwoordig het belangrijkste agrarische product. Japan is met een
jaarlijkse vangst van ca. 7 miljoen ton het belangrijkste visserijland
ter wereld. Vóór 1940 bedroeg de vangst zelfs tussen de helft en
tweederde van de totale wereldvangst, in 1989 14%. Naast vis voor
menselijke consumptie levert de zee ook industriële grondstoffen, zoals
zeewier. De niet-eetbare vis wordt verwerkt tot vismeel. In de
parelvisserij heeft Japan een monopoliepositie; 95% van de vangst wordt
geëxporteerd. De visserij vormt de basis voor een omvangrijke industrie
en export van conserven. De visconsumptie behoort tot de hoogste ter
wereld: 45% van de dierlijke eiwittenconsumptie in Japan bestaat uit
vis. De vissersvloot telt (1993) 394.450 schepen (1,8 miljoen brt).
Ondanks een internationaal verbod op de walvisvangst sinds 1986 zet
Japan haar activiteiten op dit gebied gewoon voort. Het bosareaal
beslaat 70% van de totale oppervlakte. De hoeveelheid staand hout wordt
op bijna 2, 7 miljard m3 geraamd. In 1993 werd ongeveer 27 miljoen m3
gekapt. Veel hout moet echter geïmporteerd worden. De grote vraag van
Japan naar tropisch hardhout is desastreus voor het regenwoud.
4.3 Energievoorziening en mijnbouw
Voor zijn energiebronnen is Japan voor ca. 80% afhankelijk van de invoer
uit het buitenland. Voor 50-55% wordt de energiebehoefte gedekt door de
import van aardolie uit het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië. Teneinde de
afhankelijkheid van het buitenland te verminderen worden al jarenlang de
mogelijkheden bestudeerd om tot aanwending van alternatieve
energiebronnen te komen, waarbij m.n. gewerkt wordt aan zonne-energie,
geothermische stroom, het vergassen en vloeibaar maken van steenkool en
de opwekking van kernenergie. In 1986 werd 26,3% van de elektriciteit
door kernsplitsing in 36 kerncentrales gewonnen, terwijl er 16 centrales
in aanbouw waren.
De sluiting van weinig rendabele kolenmijnen (sinds 1986) staat hiermee
in nauw verband. In 1985 werd 57% van de energie door aardolie geleverd,
21% door steenkolen, 10% door kernenergie, 10% door aardgas en 2% door
overige energiedragers.
Het grootste deel van zijn behoefte aan delfstoffen moet Japan invoeren.
Alleen over kalksteen (voor de cementindustrie), zilver, zwavel en
pyriet (voor de productie van zwavelzuren) kan het land in voldoende
mate beschikken. Het aandeel van de mijnbouw in het bnp bedraagt een
kwart procent. Japan is de grootste importeur van steenkolen ter wereld.
4.4 Industrie
Na de Tweede Wereldoorlog trad Japan m.n. op het gebied van de
scheepsbouw en de kunstvezelindustrie spoedig naar voren. Daarna
veroverde ook de lichte industrie een vooraanstaande plaats op de
wereldmarkt. De industriële productie lag gedurende 1988/1989 bijna 8%
hoger dan in het voorgaande jaar. De hoge en groeiende productie is het
gevolg van een hard werkende bevolking en de toepassing van moderne
technologieën. Bij de verwerving van technologie in Japan kan een aantal
categorieën worden onderscheiden: de industriële sectoren die na de
Tweede Wereldoorlog zijn ontwikkeld en vnl. op buitenlandse technologie
zijn gebaseerd, zoals de petrochemie, synthetische vezels, elektronica,
enz.; de industriële sectoren die van voor de Tweede Wereldoorlog
dateren en waarin veel Japanse knowhow geïnvesteerd is, maar die in de
jaren vijftig en zestig met buitenlandse knowhow zijn versterkt, zoals
scheepsbouw, staal- en automobielindustrie en de vervaardiging van
optische instrumenten; sectoren waarin buitenlandse knowhow een geheel
eigen Japanse toepassing heeft gevonden, zoals in de elektronica- en
computerindustrie en systeemtechnologie (het combineren van
verschillende technieken tot een geïntegreerd systeem). Op de Verenigde
Staten na is Japan het productiefste land ter wereld.
4.5 Handel
Het overschot op de handelsbalans bedroeg in 1988 $ 72 miljard; het
saldo van 1995 ligt boven de $ 100 miljard. In 1995 ging 27, 3% van de
export naar de Verenigde Staten, terwijl dit land 22,4% van de import
leverde. Na de Verenigde Staten waren Zuid-Korea, Taiwan, Hongkong en
China de belangrijkste importeurs, en Taiwan, Zuid-Korea, Australië en
China de belangrijkste exporteurs. Japan exporteert niet alleen veel
goederen, maar ook een grote hoeveelheid kapitaal. Midden 1992 bedroegen
de Japanse investeringen in Noord-Amerika, Azië, Latijns-Amerika en
West-Europa resp. $ 65, 29, 28, en 25 miljard.
4.6 Bankwezen
Het bankwezen is gedeeltelijk in handen van de staat en voor een deel in
particuliere handen. Centrale bank is de in 1882 opgerichte Bank of
Japan (Nipponginko), die ook het papiergeld in omloop brengt. De Bank of
Japan oefent een grote invloed uit op de zaken van de particuliere
banken. Zowel de van staatswege in 1951 opgerichte Nationale
Ontwikkelingsbank, die vnl. kredieten verstrekt aan projecten die voor
de nationale economie belangrijk zijn, als de door de staat in 1950
opgerichte Export-Import Bank zijn zeer belangrijk. De postspaarbank is
verreweg de grootste spaarbank van het land.
De particuliere banken kunnen worden onderverdeeld in vier categorieën:
de citybanken (11), de voornaamste kapitaalbron voor de machtige
industriële groepen; de regionale banken (64), die vnl. in de
provinciehoofdsteden zijn gevestigd en die vooral kapitaal verschaffen
aan de middelgrote en kleinere bedrijven; de trustbanken (7), die zich
steeds meer op de taken van de handelsbanken zijn gaan toeleggen; ten
slotte zijn er nog 68 spaarbanken, 455 kredietbanken, 433
kredietcoöperaties en 60 buitenlandse banken. De handel in aandelen en
obligaties is totaal gescheiden van de normale bankactiviteiten. Slechts
speciaal daartoe gemachtigde effectenhuizen mogen hierin handelen.
4.7 Ontwikkelingssamenwerking
Japan is lid van alle internationale organisaties die zich met
ontwikkelingssamenwerking bezig houden. In 1994 besteedde de Japanse
overheid $ 13, 2 miljard aan ontwikkelingshulp, waarvan 61% bilateraal
en 39% multilateraal. Naast deze officiële ontwikkelingshulp (ODA)
besteedde het bedrijfsleven $ 14,8 miljard aan exportkredieten, directe
investeringen, leningen aan internationale organisaties en donaties. Het
totaal van overheids- en particuliere uitgaven bedroeg $ 20,5 miljard,
dwz. 0,86% van het bnp.
4.8 Verkeer
De belangrijkste havens zijn Yokohama, Nagoya, Kobe, Osaka, Moji en de
kolenhavens Otaru en Muroran. De handelsvloot besloeg in 1993 24,2
miljoen brt. De Japanse Nationale Spoorwegen werden in 1987
gereorganiseerd in zeven particuliere bedrijven: de Japanese Railways (JR)
Group (zes passagiersvervoerbedrijven en een vrachtvervoerbedrijf). De
totale lengte van het Japanse spoorwegnet bedroeg in 1996 51.163 km,
waarvan 40.739 km in handen van de JRG en 10.424 km in particuliere
handen. In 1993 vervoerden de spoorwegmaatschappijen samen 22.759
miljoen passagiers en 25.433 miljoen ton/kilometer vracht. Japan
beschikt over een aantal supersnelle passagierstreinen. De
Tokaido-express legt het traject Tokio-Osaka (515 km) in ruim drie uur
af. De Sanyo-express doet over de afstand Osaka-Hakata (1070 km) minder
dan zeven uur. De Seikantunnel (met bijna 54 km de langste ter wereld)
verbindt sinds 1988 de hoofdeilanden Honshu en Hokkaido en maakt deel
uit van de spoorwegverbinding Tokio-Sapporo.
Het wegennet omvatte in 1993 ca. 1, 131 miljoen km, waarvan 46!523 km
nationale wegen (daarvan bijna 90% verhard). Internationale
luchtvaartmaatschappijen zijn Japan Airlines (JAL) en de All Nippon
Airways (ANA). De belangrijkste luchthavens zijn die van Tokio, Osaka,
Nagoya en Narita, en sinds 1994 de nieuwe internationale luchthaven
Kansai International in de Baai van Osaka, de eerste zgn.
offshore-luchthaven ter wereld.
|