|
5. Geschiedenis
5.1 Pre- en protohistorie
Overblijfselen
van een paleolithische cultuur zijn in de Japanse archipel pas na de
Tweede Wereldoorlog ontdekt. Tot nog toe zijn in ca. 100 vindplaatsen,
verspreid over geheel Japan, paleolithische gereedschappen gevonden.
Over de datering van de oudste vondsten bestaat verschil van mening; die
van de Gongenyama II-cultuur (Midden-Paleolithicum) zouden uit de
periode 60.000-50.000 v.C. stammen, die van de Gongenyama I-cultuur
zouden vele millennia ouder zijn. Het Neolithicum begint in Japan ca.
7500 v.C. en wordt naar het type aardewerk, merendeels versierd door
touwafdrukken in de klei, Jomon(= touwmotief)-periode genoemd. Op grond
van de vormen en verdere versieringen van dit aardewerk wordt deze
periode in vijf stadia verdeeld, waarvan de laatste ca. 250 v.C.
afloopt. De Jomon-mensen waren vnl. jagers en verzamelaars.
In het begin van de 3de eeuw v.C. vond een geleidelijke overgang plaats
van een neolithische naar een brons/ijzercultuur: de Yayoi-cultuur. De
Yayoi-periode (tot ca. 300 n.C.) ontleent haar naam aan het feit dat het
eerste stuk aardewerk behorend tot deze cultuur, werd ontdekt in een
schelpenafvalheuvel in het stadsdeel Yayoi in Tokio. Brons en ijzer
waren terzelfder tijd in gebruik; wapens, gereedschappen, bronzen
spiegels, enz. werden aanvankelijk van het vasteland geïmporteerd, later
ter plaatse vervaardigd. Het roodachtige aardewerk, dat
hoogstwaarschijnlijk ook van continentale oorsprong is, werd op het wiel
gevormd.
De rijstcultuur werd via Korea uit China geïntroduceerd. Deze
cultuurtransformatie begon in Noord-Kyushu en verbreidde zich vandaar in
zuidelijke en oostelijke richting. Het is van belang hier vast te
stellen dat de gesignaleerde verschillen in cultuurstadia geen verschil
in ras behoeven te impliceren. Er is geen enkel bewijs van een dergelijk
verschil tussen bijv. de dragers van de Jomon-cultuur (vroeger wel
geïdentificeerd met de Ainoe) en die van de Yayoi-cultuur. Het vraagstuk
van de uiteindelijke herkomst van het volk dat wij thans 'de Japanners'
noemen, is nog verre van opgelost. Een groot, zo niet het grootste deel
van het huidige Japanse volk is ongetwijfeld vanuit het vasteland van
Noordoost-Azië via Korea het eilandenrijk binnengekomen.
Andere componenten van het Japanse volk zouden uit Zuidoost-Azië via
Taiwan en de Ryukyu-eilanden naar het noorden zijn getrokken. De
Yayoi-cultuur en de daaruit voortgekomen Kofuncultuur
(Grafheuvelcultuur) hadden een uitgesproken landbouwkarakter. In de
vondsten vanaf het begin van de 4de eeuw n.C., die behoren tot de jonge
Kofuncultuur, treden zonder enige overgang plotselinge verschillen op
die kennelijk wijzen op verovering door een ruitervolk van
Noordoostaziatische oorsprong. 'Zuidelijke' invloeden in de onderhavige
periode zijn te vinden in de shinto-architectuur, met name in de tempels
van Ise en Izumo.
Uit een vergelijking van gegevens in Chinese geschiedwerken met de
mythologische en legendarische verhalen uit de begin 8ste eeuw n.C. tot
stand gekomen oudste Japanse geschiedwerken (Koji-ki en Nihon shoki) kan
men zich enigermate een beeld vormen van de toestanden in het
protohistorische Japan, dat bewoond werd door clans of groepen van
clans. Een clan (Jap.: uji) leidde zijn herkomst af van een bepaalde
godheid (ujigami) en aan het hoofd ervan stond een clanhoofd (uji no
kami), wiens waardigheid erfelijk was. Simpel gezegd, is de loop der
geschiedenis zo geweest dat een van deze clans door gunstige
omstandigheden zijn macht gestadig wist uit te breiden en steeds meer
andere clans aan zich ondergeschikt maakte.
Deze clan voerde zijn afstamming terug op de Zonnegodin Amaterasu (zie
Amaterasoe) en zijn hoofd heeft ten slotte de keizerlijke waardigheid
verworven. Het woongebied van deze clan was in de omgeving van het
latere Nara, ten oosten van Osaka, in een gebied dat Yamato (Jamato)
genoemd wordt. De juiste relaties tussen deze clan en het genoemde
ruitervolk onttrekken zich nog aan beoordeling. Reeds vanaf begin of
midden 4de eeuw n.C. had het gebied Yamato echter zeer speciale
betrekkingen met Korea, dat in die tijd verdeeld was in drie
koninkrijken (zie Korea: § geschiedenis). Tussen de twee zuidelijke
koninkrijken, Paekche (in het zuidwesten) en Silla (in het zuidoosten),
lag een klein gebied, in Japanse annalen Mimana genoemd (de omstreken
van het huidige Pusan), waar een soort stadhouderschap van Yamato
bestond en waar Japanse troepen gelegerd waren.
Daar Yamato slechts over een klein grondgebied in Centraal-Honshu
beschikte, was hier zeker geen sprake van imperialistische
expansiedrang. Men moet Mimana eerder zien als soort uitvoerbasis van de
vastelandscultuur naar Yamato. Politiek was Yamato vrijwel altijd
verbonden met Paekche, welk land het hielp in de strijd tegen zijn
buren, in het bijzonder Silla, dat uiteindelijk (668) het gehele
schiereiland onder zijn heerschappij zou verenigen. In 562 werden de
Japanners door Silla uit Mimana verdreven.
5.2 De introductie van de vastelandsbeschaving
Tien jaar eerder, in 552 (mogelijk echter in 538), had de koning van
Paekche (Jap.: Kudara) aan de heerser van Yamato een aantal geschenken
gezonden, t.w. een Boeddhabeeld en enige boeddhistische geschriften, en
deze nieuwe religie als de grondslag voor een goede en gelukkige
regering aangeprezen. Hoewel het boeddhisme zeker eerder in Japan bekend
was, betekent deze zending het begin van de ontwikkeling van het
boeddhisme aldaar, dat - niet zonder strijd - hoe langer hoe meer
aanhangers won en de inheemse godsdienst (shinto; zie sjintô) begon te
overvleugelen.
Het succes van het boeddhisme moet niet alleen in de verheven leringen
gezocht worden, maar ook in het feit dat mét deze religie/filosofie
talloze elementen van de Chinese beschaving in Japan geïntroduceerd
werden: astronomie, kalenderwetenschap, geneeskunde, beeldende kunsten,
muziek. Het belangrijkst waren de verdere invoering en verbreiding van
het Chinese schrift, dat de belangrijkste factor is geweest voor de
verbreiding van de Chinese beschaving. Terwijl deze aanvankelijk via
Korea Japan bereikte, begon men op den duur hoe langer hoe meer directe
contacten met het Rijk van het Midden te zoeken.
In 607 werd voor het eerst een officiële gezant uit Japan naar het
Chinese hof gezonden. De overname van Chinees cultuurgoed bereikte
haar
hoogtepunt tijdens de zgn. Taika-hervorming (taika = grote verandering),
tussen 645 en 702. Hierbij werd het administratieve systeem van de
Chinese T'ang-dynastie (618-907) in zijn geheel overgenomen. Zo werd
o.a. al het particulier bezit aan grond en lijfeigenen afgeschaft
doordat al het land tot het eigendom van de keizer en het gehele volk
tot zijn onderdanen werden verklaard. Een gevolg was dat de keizer als
afstammeling van de Zonnegodin niet slechts de hogepriester van het land
was doch ook wereldlijk heerser naar Chinees voorbeeld werd. De uji
waren niet langer de belangrijkste sociale en politieke eenheden en hun
hoofden werden ambtenaren van de keizer.
Het gebied van de nieuwe gecentraliseerde eenheidsstaat was echter nog
maar betrekkelijk klein. Het noordelijk deel van Honshu en het huidige
Hokkaido maakten er in feite geen deel van uit. De in Noord-Honshu
wonende Ainoe werden gestadig naar het noorden teruggedrongen, maar pas
in de 18de eeuw volledig onderworpen. Gezien de geringe omvang van het
nieuwe 'keizerrijk' paste het administratieve stelsel van het enorme
T'ang-rijk daar heel slecht op en scherpe reacties bleven dan ook niet
uit. De leden van de Japanse aristocratie, de afstammelingen van de
vroegere clanhoofden, waren geenszins van plan afstand te doen van hun
macht en bevoegdheden.
In China was het ambtenaarschap in theorie te bereiken voor een ieder
die met goed gevolg de staatsexamens aflegde; in Japan bleef - ondanks
de invoering van ambtelijke examens - de ambtenarij in feite beheerst
door de adel. Het confucianisme vond in de periode van de
Taika-hervorming steeds meer verbreiding, hoewel het pas eeuwen later
bepalend zou worden voor de Japanse opvattingen omtrent ethiek.
5.3 De Nara-periode (710-794)
Op grond van de ideeën van rituele reinheid die in het shinto heersten,
werd in het oude Japan telkens na de dood van een keizer een nieuwe
hoofdstad gekozen. Een gevolg van de toenemende Chinese invloed was dat
in 710 voor het eerst een vaste hoofdstad gekozen werd, Nara, dat de
hoofdstad van acht keizers is gebleven. De periode die haar naam aan
deze hoofdstad ontleent, is de eerste glansperiode in de geschiedenis
van het land geweest, met name op het gebied van bouw- en
beeldhouwkunst. In deze periode begon zich een eigen richting in de
Japanse cultuur af te tekenen.
5.4 De Heian-periode (794-1192)
Nara bleef hoofdstad tot 784; tien jaar later werd een nieuwe hoofdstad
gekozen: Kyoto, toen Heian-kyo genaamd, die tot 1868 de residentie van
het keizerlijk huis gebleven is. De Heian-periode is het klassieke
tijdperk van alle schone kunsten en van de literatuur. Het boeddhisme
kwam verder tot ontwikkeling, terwijl een wederzijdse aanpassing tussen
deze religie en het shinto bereikt werd. In politiek opzicht is het feit
dat tussen de 9de en het midden van de 12de eeuw vrijwel de gehele
staatsmacht in handen van de Fujiwara kwam, vermeldenswaard.
De Fujiwara lieten hun dochters met keizers trouwen en keizers
voortijdig afdanken, plaatsten minderjarige keizers op de troon en
lieten leden van hun eigen familie als regenten en kanseliers optreden;
van alle ambten van enig belang wisten zij zich meester te maken. Hun
macht ontleenden zij verder aan het gebruik van de schenkingen van
sho-en, grondbezit, dat door de keizer aan boeddhistische kloosters,
prinsen en hoge ambtenaren als beloning voor verdiensten gegeven werd.
Deze sho-en bleven in naam eigendom van de keizer; zij waren echter
belastingvrij en stonden onder jurisdictie van de provinciale
stadhouders. Zij namen in de loop der tijd gestadig in aantal toe;
bovendien matigden bepaalde grootgrondbezitters zich het recht aan zelf
hun gebieden tot sho-en te verklaren.
In de 11de eeuw bestond de helft van het land uit sho-en. De Fujiwara
zagen in dit gebruik een schitterende gelegenheid hun macht steeds meer
te versterken; anderzijds kon dit stelsel hun ook noodlottig worden.
Deze landerijen zouden de economische basis gaan vormen van het
middeleeuwse feodale stelsel in Japan, daar het sjogoenaat (zie § 5.5)
de krijgsadel het recht toezegde ze te bezitten, te gebruiken of te
besturen. Terwijl de Fujiwara zich voornamelijk beperkten tot de
beïnvloeding van de politiek in de hoofdstad, kwamen de families van de
landadel aan de grenzen tot steeds grotere ontwikkeling en macht. Zij
streden niet alleen voortdurend onder elkaar, doch voerden in het
noorden oorlogen tegen de Ainoe en breidden zo de grenzen van het
Japanse grondgebied uit. Ca. 1150 wist een generaal van de adellijke
Taira-familie de macht van de Fujiwara uit te schakelen. Na een
langdurige strijd met haar rivaal om de macht, de Minamoto-familie,
moesten de Taira uiteindelijk het onderspit delven.
5.5 De Kamakura-periode (1192-1333)
In
het voorjaar van 1192 liet de overwinnaar van de Taira, Yoritomo
Minamoto, zich door de keizer de eretitel Sei-i-tai-shogun (afgekort
tot: shogun of sjogoen), 'groot opperbevelhebber ter onderwerping der
barbaren', verlenen. De titel werd voor het leven verleend en werd
erfelijk voor de militaire heersers van Japan. Van 1192 tot 1867 zijn er
- met enkele korte onderbrekingen - sjogoens geweest die de feitelijke
macht uitoefenden, terwijl de keizers slechts in naam de hoofden van de
staat waren. De keizer bleef in Kyoto wonen, maar Yoritomo maakte
Kamakura, niet ver van het huidige Tokio, tot hoofdstad van het
sjogoenaat. Hoewel verantwoordelijk aan de keizer, oefende hij op
feodale wijze een eigen bewind over het rijk uit.
Reeds in 1205 namen leden van de machtige Hojo-familie als regenten de
teugels in handen en in 1219 stierf de laatste sjogoen van de
Minamoto-familie. Sindsdien werden keizerlijke prinsen en leden van de
Fujiwara-familie tot sjogoen benoemd; de Hojo evenwel bleven het
regentschap uitoefenen. Een van hen, Tokimune Hojo (shikken [= regent]
van 1257 tot 1284), wist de Mongoleninvallen onder Koebilai Chan (1274
en 1281) af te slaan. De Mongoolse nederlagen waren vooral te danken aan
de tyfoons (kamikaze), die beide malen de Mongoolse vloot vernietigden.
De strijd had de schatkist van het sjogoenaat uitgeput, terwijl de
feodale heren in de randgebieden tot groter onafhankelijkheid konden
geraken. In 1319 besteeg een keizer, genaamd Daigo II (Go-Daigo Tenno),
de troon. Hij trachtte zich van de voogdij van de Hojo te bevrijden en
ondervond daarbij aanvankelijk veel tegenslag; in 1333 evenwel liep een
van de generaals van de Hojo, Takauji Ashikaga, naar hem over, waardoor
de strijd ten gunste van de keizer keerde en een eind werd gemaakt aan
het Kamakura-sjogoenaat.
5.6 De Ashikaga- of Muromachi-periode (1336-1573)
Het herstel van de keizerlijke macht is niet van lange duur geweest,
daar Takauji verraad pleegde en een eigen sjogoenaat oprichtte met als
zetel de wijk Muromachi in Kyoto. Deze periode is met slechts enkele
onderbrekingen een tijdvak van voortdurende oorlogen geweest. In de
eerste plaats waren er tussen 1336 en 1392 twee keizerlijke hoven in
centraal Japan, waarvan de aanhangers elkaar constant en fel bestreden.
De zgn. zuidelijke dynastie bestond uit Daigo II en diens opvolgers, de
noordelijke uit het lid van de keizerlijke familie dat door Takauji
Ashikaga op de troon was gezet, en diens opvolgers. Deze strijd bood de
feodale heren, sinds die tijd algemeen daimyo genoemd, een schitterende
gelegenheid hun macht en gebied uit te breiden. Gewoonlijk stonden in
deze periode slechts de centrale provincies onder controle van de
sjogoen.
Niet in alle opzichten echter toont de Ashikaga-periode een donker
beeld. Nadat het boeddhisme in de Kamakura-periode in menig opzicht
vernieuwd, verdiept en ook gepopulariseerd was, kwam nu het zen tot
bijzondere bloei. Op de architectuur, tuinaanleg, schilderkunst,
theeceremonie (cha-no-yu of tja-no-joe) en bloemschikkunst (ikebana)
oefende deze vorm van boeddho-tauïsme grote invloed uit. Op literair
gebied moet de opkomst van het nô-drama genoemd worden. De handel met
het buitenland kwam tot nieuwe bloei; verscheidene daimyo brachten
belangrijke handelsbetrekkingen met China en Zuidoost-Azië tot stand.
In 1543 werd het eerste contact met het Westen gemaakt en wel met
Portugese handelaars, enkele jaren later gevolgd door missionarissen,
aanvankelijk Portugezen, later ook Spanjaarden. Behalve in godsdienstig
opzicht beïnvloedden zij ook anderszins Japan. Zo werden in Japan bijv.
vuurwapenen en uurwerken naar Westers model vervaardigd en deze laatste
werden al spoedig aangepast aan de eigen dagindeling.
5.7 De hereniging van het land
Tussen 1573 en 1603 kwamen drie mannen naar voren die de eenheid van
Japan herstelden. De eerste, de daimyo Nobunaga Oda (1534-1582),
veroverde vele van de centrale provincies, brak de enorme macht van de
boeddhistische kloosters en maakte een eind aan het Ashikaga-sjogoenaat.
De tweede, Hideyoshi Toyotomi (1536-1598), verenigde en pacificeerde het
land. In 1592 zond hij een grote expeditionaire macht naar Korea ter
verovering van dit schiereiland. Na aanvankelijke successen liep de
expeditie door de verenigde Chinees-Koreaanse tegenstand al spoedig
dood, hoewel de Japanse troepen in Korea bleven en in 1597 wederom naar
het noorden oprukten. Na de dood van Hideyoshi werden de Japanners
gerepatrieerd. De enige winst van deze expeditie voor Japan ligt in de
ontwikkeling van de boekdrukkunst en de keramiek: onder de uit Korea
meegenomen krijgsgevangenen bevonden zich talrijke pottenbakkers en de
opbloei van de beroemde Japanse porseleinkunst is grotendeels aan hen te
danken.
5.8 De Tokoegawa- of Edo-periode (1603-1868)
In 1600 kreeg de derde grote man, Ieyasu Tokoegawa (1542-1616), bij de
Slag van Sekigahara de feitelijke macht in Japan. Drie jaar later werd
hem door de keizer de titel van sjogoen verleend. De keizers bleven hun
schaduwbestaan te Kyoto leiden; de Tokoegawa-sjogoens zetelden te Edo,
het huidige Tokio. Zij schiepen een gecentraliseerde politiestaat,
waarvan bepaalde trekken vermeldenswaard zijn. Zo moesten bijv. alle
daimyo, de leenmannen van de sjogoen, een bepaalde periode in de
hoofdstad verblijven en een daaraan gelijke periode op hun leengoederen.
Hun vrouwen en kinderen verbleven echter constant in Edo.
De bevolking was rigoureus in vier klassen verdeeld. Bovenaan stonden de
samoerai of krijgslieden, waartoe zowel de sjogoen zelf als de daimyo,
civiele en militaire ambtenaren en alle militairen tot de laagste
voetknecht behoorden; voorts geleerden, bepaalde kunstenaars, artsen,
enz. De tweede klasse was die van de boeren, de derde die der
handwerkslieden, terwijl de kooplieden de vierde klasse vormden. Buiten
deze klassenindeling vielen de paria's (Eta en Hinin). De handelslieden
en missionarissen, die in de 16de eeuw nog met enthousiasme waren
ontvangen, werden sedert 1615 vervolgd en geweerd. Ook werd het
Japanners verboden naar het buitenland te reizen.
Een toenemende anti-christelijke instelling, angst voor inmenging van de
westerlingen in interne aangelegenheden en voor kolonisatie, en vrees
voor een bedreiging van de Japanse economie waren de voornaamste
oorzaken van deze maatregelen. Zo werd Japan afgesloten voor
buitenlanders (tot 1854), met uitzondering van Chinezen en Nederlanders.
Deze laatsten hadden in 1609 een pas gekregen, waarbij hun werd
toegestaan handel te drijven op Japan. Een bijzondere betekenis kreeg
hun aanwezigheid in Japan (op het kunstmatige eilandje Desjima) in de
tweede helft van de 18de eeuw, namelijk door de opkomst van de ran-gaku
(de 'Hollandse wetenschap', zie ran-gakoe). De beoefenaars van de
ran-gaku hebben de grondslagen gelegd voor de latere modernisering van
Japan.
Tijdens de periode van afsluiting werd de bevolkingsaanwas kunstmatig op
eenzelfde peil gehouden (25 tot 27 miljoen). Er was geen kwestie van
geleidelijke aanpassing aan de zich steeds veranderende economische en
maatschappelijke toestanden. Wat dit laatste betreft, is vooral de
overgang van een rijsteconomie naar een geldeconomie en de daarmede
verbonden opkomst van de handelsstand vermeldenswaard. Gedurende de meer
dan twee eeuwen vrede raakte de klasse der samoerai hoe langer hoe meer
in verval en werd in economisch opzicht afhankelijk van de kooplieden.
Met de opkomst van deze klasse en die der handwerkslieden alsook met de
groei van de grote steden begon de cultuur, met name de literatuur en
kunst, te 'verburgerlijken'. De officiële staatsleer in deze periode was
het aan China ontleende neoconfucianisme, dat uitstekend aansloot bij de
feodale verhoudingen in Japan. De studie van de exacte wetenschappen nam
een hoge vlucht.
5.9 De openstelling
De val van het Tokoegawa-sjogoenaat is door interne en externe krachten
bewerkstelligd. In verscheidene lagen der bevolking was de
ontevredenheid over de sjogoenale regering langzamerhand toegenomen.
Door het rigoureuze politiesysteem hadden de autoriteiten echter weinig
te vrezen van bijv. de vrij talrijke boerenopstanden in jaren van
slechte oogst of natuurrampen. Een veel groter gevaar betekende de
steeds groeiende macht van de daimyo in West- en Zuid-Japan, die zich
nimmer met het sjogoenale systeem hadden kunnen verenigen. Vele
intellectuelen die tot het inzicht waren gekomen dat de sjogoen slechts
een usurpator was, hoopten op een herstel van de keizerlijke macht.
Bovendien groeide de vrees dat aan de onafhankelijkheid van Japan van
buitenaf een eind zou worden gemaakt.
Vanaf het begin van de 19de eeuw werden door de Westerse landen steeds
meer pogingen in het werk gesteld om de openstelling van Japan te
bewerkstelligen: men had behoefte aan de Japanse havens om er steenkool
te kunnen innemen; voorts had men belangstelling voor de handel met
Japan. Deze pogingen vonden hun hoogtepunt in de tocht naar Japan van de
Amerikaanse commodore M. Perry, die in juli 1853 een boodschap van de
president van de Verenigde Staten overbracht, welke ten doel had
handelsbetrekkingen tot stand te brengen. De sjogoenale regering, door
de omstandigheden gedwongen, ondertekende op 31 maart 1854 een voorlopig
verdrag, waarbij de havens van Shimoda en Hakodate werden opengesteld en
dat voorts o.m. een belofte inhield in de nabije toekomst diplomatieke
onderhandelingen te openen.
In 1856 arriveerde de eerste Amerikaanse consul-generaal in Japan, die
de openstelling van het land verder bewerkstelligde. Verdragen met
andere westerse mogendheden volgden spoedig. De openstelling bracht vele
interne moeilijkheden met zich mee. De vreemdelingenhaters, die zeer
talrijk waren, kwamen hoe langer hoe meer in het geweer tegen het
sjogoenaat en vele incidenten, ook gericht tegen de buitenlanders zelf,
vonden plaats. Een zeer belangrijk punt was dat het sjogoenaat de
verdragen met de vreemde mogendheden had gesloten zonder keizerlijke
sanctie. In 1865 bekrachtigde de keizer de gehate verdragen en het
sjogoenaat scheen gered. Door het verenigd optreden van de
anti-sjogoenale lenen Satsuma en Choshu in het volgende jaar echter werd
het lot der Tokugawa bezegeld en op 9 nov. 1867 bood de laatste sjogoen
de keizer zijn ontslag aan. Op 4 jan. 1868 werd het sjogoenaat bij
keizerlijk decreet afgeschaft.
5.10 De Meiji-periode (1868-1912)
Deze naam is ontleend aan de regeringsperiode van de toenmalige keizer,
wiens persoonsnaam Mutsuhito was. Daar men in Japan nooit de
persoonsnaam van de keizer (Tenno of Tenno Heika, Z.M. de Keizer)
gebruikt, wordt deze keizer aangeduid als Meiji Tenno. Meiji betekent
'verlichte regering'. Het herstel van de keizerlijke macht in 1868 noemt
men de Meiji-restauratie. Tal van vernieuwingen werden ingevoerd. In
1869 werd de keizerlijke hoofdstad verplaatst van Kyoto naar Edo, dat
omgedoopt werd in Tokio ( 'oostelijke hoofdstad'). In 1871 werden de
feodale lenen afgeschaft en werd het land in prefecturen verdeeld; een
nieuw muntstelsel werd ingevoerd en rijksposterijen werden opgericht.
In 1872 werd een nieuw opvoedingssysteem geïntroduceerd (verplicht
onderwijs) en werd de eerste spoorweg - tussen Tokio en Yokohama -
geopend. In het volgende jaar werden de algemene dienstplicht ingevoerd
en de Gregoriaanse kalender overgenomen. In 1882 werd de Bank van Japan
opgericht. Tussen 1882 en 1885 ontstonden de eerste moderne politieke
partijen. Het jaar 1885 zag de vorming van een modern kabinet en de
oprichting van de Nippon Yusen Kai-sha (Japanse Mailboot Mij.). Nadat in
1888 een Geheime Staatsraad was ingesteld, volgde in 1889 de afkondiging
van de (door Hirobumi Ito naar Pruisisch model ontworpen) Grondwet, als
gevolg waarvan in 1890 het parlement voor het eerst bijeenkwam.
De belangrijkste reactie tegen deze vernieuwingen gold de maatregelen
waarbij tussen 1869 en 1876 de feodaliteit werd afgeschaft. De daimyo
droegen hun lenen aan de kroon over; er werden lokale administratieve
eenheden ingesteld, ondergeschikt aan de centrale regering, en de
samoerai werden gewone burgers. Soms werden de samoerai, evenals de
daimyo, verheven tot de zgn. kazokoestand. Aan alle standen werden
gelijke rechten toegekend. Onder leiding van Takamori Saigo, een
samoerai uit Satsuma, kwamen de ontevredenen tot een gewapende opstand
tegen de regering (1877). Het in 1873 door generaal Aritomo Yamagata
naar Pruisisch model georganiseerde moderne leger van lotelingen
behaalde na negen maanden strijd echter een beslissende overwinning, die
wellicht meer van het verleden vernietigde dan de restauratie zelf.
In zijn diplomatieke betrekkingen gedurende de Meiji-periode was het
streven van Japan voornamelijk gericht op de afschaffing van de
ongelijke verdragen, die na de openstelling van het land gesloten waren
en waarbij de westerse mogendheden o.a. extra-territoriale rechten
verworven hadden. Wat de expansiedrang van Japan betreft, ging het er in
de eerste plaats om de verdedigbaarheid van het grondgebied te
vergroten, in de tweede plaats om het verwerven van koloniën die
grondstoffen zouden kunnen leveren voor zijn opkomende industrie. Reeds
vanaf 1853 was er voortdurend wrijving met Rusland geweest om de
verdeling van Sachalin.
Pas in 1875 werd een verdrag tussen beide landen gesloten, waarbij Japan
de Koerilen verwierf en Sachalin geheel aan Rusland werd overgelaten.
Een jaar eerder had Japan een strafexpeditie naar Taiwan gezonden om de
moord op Japanse schipbreukelingen te wreken. In 1879 werd het
koninkrijkje Ryukyu (Okinawa-ken) door Japan geannexeerd. Het
belangrijkst echter waren de betrekkingen met en de geschillen over
Korea. In 1876 dwong Japan Korea enkele havens voor de Japanse handel
open te stellen en diplomatieke betrekkingen aan te knopen. Hierdoor
ontstonden moeilijkheden met China, want hoewel Korea onafhankelijk was,
had dit koninkrijk gedurende vele eeuwen zeer speciale relaties met
China gehad.
In 1885 sloten Japan en China in Tianjin een verdrag waarbij beide
landen de onafhankelijkheid van Korea waarborgden en overeenkwamen dat
geen van beide ooit troepen naar Korea zou zenden zonder de ander
daarvan eerst op de hoogte te stellen. De pogingen van Japan Korea tot
zijn invloedssfeer te maken en de intriges van China dit te verhinderen
zijn de oorzaak geweest van de Chinees-Japanse Oorlog van 1894-1895, die
met een beslissende overwinning van Japan eindigde. Bij het
vredesverdrag van Shimonoseki van 17 april 1895 verwierf Japan o.a. het
eiland Taiwan en een oorlogsvergoeding, terwijl Korea wederom
onafhankelijk werd verklaard. Daar de oorlog gedeeltelijk op
Mantsjoerijs grondgebied was uitgevochten, had Japan ook het bezit van
het schiereiland Liaodong opgeëist, maar deze eis werd door een
gezamenlijke interventie van Rusland, Frankrijk en Duitsland niet
ingewilligd.
De rancune over deze interventie is lange tijd bepalend geweest voor de
buitenlandse politiek van Japan. Uit bezorgdheid over de Russische
activiteiten in het Oosten zocht Groot-Brittannië steeds meer
toenadering tot Japan. Het gaf als eerste te kennen dat het bereid zou
zijn zijn extra-territoriale rechten in Japan op te geven, indien Japan
zijn rechtsstelsel op bepaalde punten zou hervormen. Een aantal
verdragen tussen 1894 en 1899 leidde tot de volledige juridische
soevereiniteit van Japan; twaalf jaar later verwierf het eveneens
volledige tariefautonomie. De Bokseropstand in China bood Japan de
mogelijkheid zijn internationaal aanzien te consolideren, daar de andere
mogendheden het verzochten een groot deel van de troepen te zenden die
deze opstand moesten onderdrukken. Rusland maakte van deze gelegenheid
gebruik Mantsjoerije te bezetten.
Door de eerste Brits-Japanse Alliantie van 1902 werd Japans nieuwe
positie als wereldmogendheid als het ware officieel erkend. Dit
bondgenootschap werd gesloten in het bijzonder voor het veilig stellen
van de onafhankelijkheid en het territoriaal bezit van Korea en China.
Rusland was nu als gevaarlijke tegenstander van Japan in dit gebied
overgebleven. In 1896 had Rusland zich van het recht verzekerd de
Oostchinese spoorweg in Mantsjoerije aan te leggen. In 1897 had het Port
Arthur en Dairen op het schiereiland Liaodong van China gepacht. In 1902
had Rusland zich bereid verklaard het in 1900 bezette Mantsjoerijse
gebied in drie etappes te ontruimen, maar slechts de zuidelijkste zone
verlaten. Bij dit alles kwam Rusland dan nog intrigeren in Korea.
Onderhandelingen over deze vraagstukken bleven zonder enig succes en
werden op 6 febr. 1904 door Japan afgebroken, terwijl tegelijk een einde
werd gemaakt aan de diplomatieke betrekkingen tussen beide landen.
Dankzij de Alliantie kon Japan, verzekerd van Britse vriendschap, een
oorlog beginnen zonder vrees voor inmenging van een derde mogendheid. De
oorlog begon met een overval op Port Arthur in de nacht van 8 op 9 febr.
1904, op 11 febr. werd de oorlog officieel verklaard. Het verloop van de
krijgsgebeurtenissen wekte bij de bevolkingen van de koloniale gebieden
in Azië bepaalde verwachtingen met betrekking tot het Japanse
leiderschap in dat werelddeel, dat - naar zij hoopten - tot hun eigen
onafhankelijkheid zou leiden. Bij het vredesverdrag van Portsmouth (New
Hampshire) op 5 sept. 1905 erkende Rusland Japans overwegende politieke,
militaire en economische belangen in Korea, deed afstand van de helft
van Sachalin (ten zuiden van de 50ste breedtegraad), ontruimde
Mantsjoerije en droeg de pacht van het schiereiland Liaodong en de
spoorwegen in Zuid-Mantsjoerije aan Japan over. Als direct gevolg van de
vrede werd Korea een Japans protectoraat, vijf jaar later (22 aug. 1910)
werd het definitief door Japan geannexeerd. Op 30 juli 1912 stierf de
Meiji-keizer.
5.11 De Taisho- en Showa-perioden (sedert 1912)
De Taisho-periode (keizer: Yoshihito) duurde van 1912 tot 1926; in 1926
besteeg keizer Hirohito de troon en sindsdien sprak men van
Showa-periode. Op 23 aug. 1914 verklaarde Japan Duitsland de oorlog en
nam dus aan geallieerde zijde aan de Eerste Wereldoorlog deel. Al
spoedig veroverde het het fort Zingdao en de Duitse kolonie in Giaozhou
(Shandong) alsook Duitslands bezittingen in de Grote Oceaan: de Marianen,
Marshalleilanden en Caroline-eilanden. Van de oorlogsomstandigheden
maakte Japan gebruik om in 1915 aan China de zgn. 21 Eisen te stellen,
die erop gericht waren een dominerende positie in dat land te verwerven.
Zij werden echter, met uitzondering van de erkenning van Japans
bijzondere positie in Zuid-Mantsjoerije, Oostelijk Binnen-Mongolië en
Shandong, niet aanvaard.
Daar Japans militaire activiteiten in de oorlog slechts zeer gering
waren, konden zijn handel en industrie zich op ongekende wijze
ontwikkelen ten nadele van de andere geallieerden. In de zomer van 1918
namen Japanse troepen deel aan een geallieerde expeditie naar Siberië
ter bestrijding van de bolsjeviki en ter bescherming van de Tsjechische
legionnaires. Drie Japanse divisies bezetten de Transsiberische spoorweg
tot aan het Bajkalmeer, terwijl ook Noord-Sachalin bezet werd. Toen de
Amerikanen zich in 1920 uit Siberië terugtrokken, bleven de Japanse
troepen; eerst in 1922 werd deze onderneming opgegeven. Bij het
vredesverdrag van Versailles verwierf Japan de voormalige Duitse
eilandbezittingen ten noorden van de evenaar als mandaatgebieden; uit
Giaozhou trok het zich drie jaar later terug. In mei 1925 evacueerden de
Japanse bezettingstroepen Noord-Sachalin.
De gebiedsuitbreiding van het Japanse imperium sedert 1868 was van
eminent strategisch belang. Het was dan ook te verwachten dat dezelfde
mogendheden die aanvankelijk Japans opkomst als tegenwicht tegen het
Russische gevaar toegejuicht hadden, zich op den duur tegen Japan zouden
keren. Van de reactie die na de Eerste Wereldoorlog aan de zijde van de
geallieerden tegen Japan intrad, moet vooral genoemd worden de
Vlootconferentie van Washington in 1921/1922, waarbij de vlootpariteit
tussen de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Japan op 5:5:3 werd
vastgelegd. Voorts werd bij die gelegenheid de Brits-Japanse Alliantie
van 1902 (vernieuwd in 1905 en 1911) opgeheven en stemde Japan toe in de
reeds genoemde evacuatie van Shandong en Siberië.
Ook in het binnenland voltrokken zich belangrijke veranderingen. In okt.
1918 was Kei (Satoshi) Hara als eerste niet-adellijke politicus
minister-president geworden. Hara ijverde voor de democratisering van
het politieke leven en versterking van het partijenstelsel. Ook nadat
hij door een politiek fanaticus in nov. 1921 was vermoord, bleven de
liberalisering en democratisering voortgang vinden. Het socialisme, dat
vóór 1914 zoveel mogelijk onderdrukt was, kwam in de jaren twintig tot
ontwikkeling; in 1925 werden niet minder dan vier socialistische
partijen opgericht. In 1928, toen voor het eerst verkiezingen met
algemeen kiesrecht voor mannen (in 1925 ingevoerd) werden gehouden,
slaagden de marxistische partijen erin acht zetels in het Huis van
Afgevaardigden te winnen.
In hetzelfde jaar echter werden de leden van de communistische partij
gearresteerd en begonnen ook de macht en invloed van het socialisme
gestadig af te nemen. De ongezonde economische structuur van het land
leidde tot de zgn. bankcrisis van 1927, waarbij 36 banken moesten
sluiten en vele kleine en middelgrote ondernemingen failliet gingen -
dit laatste ten voordele van de zaibatsu (zaibatsoe; de grote concerns),
die deze ondernemingen absorbeerden. De wereldcrisis van 1929, die tot
gevolg had dat vele landen 'tariefmuren' oprichtten, versterkte het
inzicht dat Japan zijn aandacht wederom op koloniale expansie moest
richten. Hierdoor kregen de militaristische elementen in de Japanse
politiek de wind in de zeilen.
De reeds bestaande verachting van bepaalde Japanse leiders voor
internationale overeenkomsten en verdragen was bijzonder versterkt door
de Amerikaanse Immigration Act van 1924, waarbij - zonder rekening te
houden met het 'Gentlemen's agreement' tussen Japan en de Verenigde
Staten, in 1907 gesloten om het immigratieprobleem van Japanners in
Amerika te regelen - hun immigratie naar de Verenigde Staten verboden
werd. In sept. 1931 werd - onafhankelijk van de regering - door het
leger het Mantsjoerijse Incident op touw gezet. Dit incident had tot
feitelijk doel dit aan grondstoffen zo rijke gebied volledig afhankelijk
van Japan te maken. Op 9 maart 1932 werd de nieuwe staat Mantsjoekwo (Manzhuguo)
officieel gesticht, die op 15 sept. 1932 wel door Japan, maar niet door
de andere landen erkend werd. In 1933 werd de toenmalige provincie Jehol
bezet en trad Japan uit de Volkenbond.
Het Mantsjoerijse Incident betekende het begin van een gestadig
toenemende militaire invloed in het politieke leven. Op 15 mei 1932 brak
een militaire revolte uit in Tokio, waarbij minister-president Takeshi
Inukai, een vooraanstaand liberaal, werd vermoord. De bedrijvers van
dergelijke politieke moorden werden destijds licht of niet gestraft, en
politieke moord werd bijgevolg meer en meer een wapen in handen van de
ultranationalisten. In febr. 1936 vond een zeer ernstige opstand plaats,
onder leiding van jonge officieren en kadetten van het leger te Tokio,
die gedurende drie dagen de hoofdstad volledig in handen hadden. Bij die
gelegenheid werden de minister van Financiën Takahashi, de voormalige
premier Saito en het hoofd van de militaire opvoeding generaal Watanabe
- allen vooraanstaande gematigde politici - vermoord.
Op 25 nov. 1936 werd met Duitsland het Anti-Kominternpact gesloten.
Inmiddels was de Japanse politiek op het vasteland steeds agressiever
geworden. Na een nieuwe uitbreiding van de Japanse invloedssfeer in
Noord-China door de oprichting van de zgn. autonome Raad van Oost-Hebei
brak ten slotte in juli 1937 het Chinees-Japanse Incident uit, dat in
feite een informele oorlog tussen Japan en de nationalistische regering
van
Tjiang K'ai-sjek was. Dit incident, dat tot een strijd leidde die
eerst in 1945 werd beslist, werd oorzaak van nieuwe conflicten met en
verdere vervreemding van de andere mogendheden met belangen in het
gebied rond de Grote Oceaan.
Vooral de verhouding tussen Japan enerzijds en Groot-Brittannië en de
Verenigde Staten anderzijds werd steeds slechter. Op 27 jan. 1940 werd
het Amerikaans-Japanse Handelsverdrag door de Verenigde Staten opgezegd;
op 27 sept. 1940 werd het Driemogendhedenpact tussen Japan, Duitsland en
Italië gesloten. In augustus van hetzelfde jaar hadden alle Japanse
politieke partijen - vooral op aandrang van de toenmalige premier
Fumimaro Kono-e - zich vrijwillig ontbonden. Zij werden vervangen door
de Taisei-yokusan-kai, 'Organisatie tot ondersteuning van de keizerlijke
regering', die op 12 okt. 1940 gecreëerd werd.
Op 18 okt. 1941 kwam het kabinet-Tojo aan het bewind, dat
verantwoordelijk is geweest voor Japans deelname aan de Tweede
Wereldoorlog aan de zijde van Duitsland en Italië. Zonder
oorlogsverklaring begon Japan in de nacht van 7 op 8 dec. 1941 de
overval op Pearl Harbor. Binnen een half jaar had Japan de Westerse
mogendheden uit geheel Oost- en Zuidoost-Azië verdreven en de
belangrijkste strategische steunpunten in de Grote Oceaan bezet. Toen
echter keerden de kansen. Door de nederlaag in de Koraalzee leden Japans
plannen om Australië te veroveren schipbreuk. Daarop volgde de nederlaag
bij Midway (6 en 7 juni 1942). Eind 1942 was de superioriteit van de
Verenigde Staten ter zee hersteld. Medio 1943 gingen de geallieerden tot
het offensief over.
Na landingen op Nieuw-Guinea (5 aug.) en New Britain (15 dec.)
verplaatste de Amerikaanse vlootleiding in 1944 haar operaties naar het
centrum van de Grote Oceaan. Zeer snel werden de Gilberteilanden, de
Marshalleilanden, de Marianen, Guam en de Palau-eilanden bezet, en werd
het offensief tegen de Filippijnen ingezet. Japan had zijn beste
strijdkrachten verloren en was niet meer in staat de vijand het
offensief te ontnemen. Na de verovering van Okinawa (21 juni 1945)
werden de bombardementen op Japan zelf, die in nov. 1944 begonnen waren,
geïntensiveerd. Tegelijkertijd werd door een Engels offensief Birma
bevrijd. Een geweldig luchtoffensief (mei-aug. 1945) had een totale
verwoesting van Japans militaire apparaat en van vele steden tot gevolg.
De atoombommen op Hiroshima (6 aug.) en Nagasaki (9 aug.)
betekenden de genadeslag. 8 aug. verklaarde de Sovjet-Unie Japan de
oorlog en viel Mantsjoerije binnen.
De regering van Japan besloot nu te capituleren op voorwaarde dat de
keizer als soeverein zou worden gehandhaafd. De geallieerden verklaarden
echter, dat na beëindiging van de oorlog de regeringsvorm slechts door
de wil van het volk zou worden vastgesteld, waarop de keizer zelf
intervenieerde door aan te dringen op volledige overgave (14 aug. 1945).
Hierop trad het kabinet-Koiso-Yonai, dat in juli 1944 het kabinet-Tojo
vervangen had, af. Onder de verantwoordelijkheid van een zakenkabinet
werd op 2 sept. in de Baai van Tokio aan boord van het Amerikaanse
slagschip Missouri de overgave getekend. Onmiddellijk daarop begon de
ontruiming van alle bezette gebieden en de bezetting van Japan door
Amerikaanse en Australische troepen.
Het was van het begin af de politiek van de Verenigde Staten (de
bezetting van Japan was vrijwel een Amerikaans monopolie) het bestuur
over het sterk ingekrompen keizerrijk (Japan had als gevolg van zijn
nederlaag 44% van zijn grondgebied, w.o. de Ryukyu-eilanden, en ca. 25%
van zijn kapitaalsaccumulatie verloren) te laten uitoefenen door een
Japanse regering waarvan de autoriteit ondergeschikt moest zijn aan SCAP
(Supreme Command[er] for the Allied Powers). Op 9 okt. 1945 vormde baron
K. Shidehara, een van de promotors van de voormalige Volkenbond, een
kabinet dat tot 22 april 1946 aan het bewind bleef.
Onder deze en de volgende regeringen kwamen vele hervormingen waarop de
Amerikanen hadden aangedrongen, tot stand: leger en vloot met hun resp.
luchtmachten werden 'voorgoed' afgeschaft; het onderwijs werd
gedemocratiseerd; diep ingrijpende agrarische hervormingen (herverdeling
van het bouwland) kwamen tot stand; de zaibatsu, de grote concerns,
werden ontbonden; de vrijheid tot het vormen van politieke partijen en
de persvrijheid werden hersteld; het vrouwenkiesrecht werd ingevoerd en
de kiesgerechtigde leeftijd voor beide seksen werd verlaagd van 25 tot
20 jaar.
Op 3 nov. 1946 werd een nieuwe grondwet afgekondigd (van kracht geworden
3 mei 1947). Na de eerste naoorlogse verkiezingen (10 april 1946) werd
een liberaal-progressief coalitiekabinet gevormd met S. Yoshida als
premier. Bij het vredesverdrag van San Francisco (april 1952) herwon
Japan zijn onafhankelijkheid. Het in aug. 1952 met de Verenigde Staten
gesloten Veiligheidspact werd in de lente van 1954 gevolgd door een Pact
tot Wederzijdse Bijstand. In nov. 1954 gingen de factie-Hatoyama van de
liberale partij en de progressieve partij een fusie aan, die resulteerde
in de oprichting van de Liberaal-Democratische Partij (LDP). In dec.
1954 werd het kabinet-Yoshida opgevolgd door een kabinet met Ichiro
Hatoyama als premier - een kabinet dat tot stand kwam dankzij de steun
van de socialisten.
Dit kabinet, dat grotere onafhankelijkheid van de Verenigde Staten en
het aanknopen van handelsrelaties met China en de Sovjet-Unie
nastreefde, werd in dec. 1956, de maand waarin Japan toetrad tot de
Verenigde Naties, opgevolgd door een kabinet onder leiding van T.
Ishibashi, dat in febr. 1957 plaats moest maken voor een kabinet onder
leiding van N. Kishi, die als conservatiever en meer pro-Amerikaans gold
dan zijn beide voorgangers.
Het tweede kabinet-Kishi had in 1960 grote moeilijkheden in verband met
de verlenging van het Amerikaans-Japanse Veiligheidsverdrag en het
uitnodigen van
president Eisenhower voor een bezoek aan Japan; anti-regerings- en
anti-Amerikaanse demonstraties, waarbij de ultra-linkse (Blanquistische)
studentenorganisatie een belangrijke rol speelde, dwongen Kishi tot
aftreden. Het op 19 jan. 1960 getekende Veiligheidsverdrag was inmiddels
door beide partijen geratificeerd. Op 19 juli 1960 werd een nieuw
kabinet met H. Ikeda geïnstalleerd. De politieke onrust in dat jaar kwam
voorts tot uiting in de moord op de socialistische politicus I. Asanuma.
In 1961 werd de Japanoloog E.O. Reischauer tot Amerikaans ambassadeur in
Japan benoemd, uitdrukking van een ernstig streven naar de verbetering
van de betrekkingen tussen beide landen. Het eerste kabinet-Ikeda werd
opgevolgd door twee andere (van dec. 1960 tot nov. 1964). Eind 1962 werd
de handel verder geliberaliseerd (88%); in okt. 1964 werden de
Olympische Spelen te Tokio gehouden - een nieuw bewijs van de naoorlogse
erkenning van Japan.
In nov. 1964 werd het kabinet-Ikeda opgevolgd door een kabinet met
Eisaku Sato als premier. Zijn partij, de LDP, en de nationalistische
Komeito behaalden in dec. 1969 een grote overwinning bij de
parlementsverkiezingen, terwijl de socialistische oppositie een zware
nederlaag leed. Sato werd tijdens zijn bewind geconfronteerd met
bewegingen van radicale studenten, die o.m. pleitten voor fundamentele
universitaire hervormingen. Algemeen waren de protesten tegen de
voorwaarden (o.m. behoud van de Amerikaanse basis) waarop de
Ryukyu-eilanden door de Verenigde Staten aan Japan werden teruggegeven
(mei 1972).
In juli 1972 werd K. Tanaka door de partij tot opvolger van Sato
gekozen. Onder Tanaka vond erkenning van de Volksrepubliek China plaats,
terwijl de relaties met Taiwan werden verbroken. Opzien baarde het
optreden van de terreurorganisatie het Rode Leger (zie Zengakoeren),
zowel in Japan als daarbuiten (Tel Aviv 1972; Den Haag 1974). In dec.
1974 trad Tanaka af, mede ten gevolge van schandalen rond zijn persoon.
Hij werd opgevolgd door Takeo Miki.
Miki nam de econoom Fukuda, de voornaamste tegenspeler van Tanaka, als
vice-premier in zijn regering op, evenals M. Ohira als minister van
Financiën. Miki kon binnen de LDP dan ook op een brede steun rekenen.
Het schandaal rond de omkoping van politici door een vliegtuigfabriek
(zie Lockheedaffaire) werd, hoewel Miki er niet direct bij betrokken
was, toch de aanleiding van zijn aftreden. Er ontbrandde een heftige
factiestrijd binnen de LDP tussen m.n. Miki en Fukuda. Bij de
verkiezingen in dec. 1976 leed de LDP een zware nederlaag en Miki trad
af. Fukuda werd premier en bleef in 1977 een straf anti-inflatiebeleid
voeren.
In 1978 werd een vredes- en vriendschapsverdrag tussen Japan en China
gesloten. Tussen de westerse landen en Japan werden de botsingen over de
economische politiek van Japan steeds heftiger. Het Westen wilde dat
Japan zijn uitvoer vrijwillig zou beperken. Eind november trad Fukuda af
nadat hij bij de voorverkiezingen voor het voorzitterschap van de LDP
door zijn rivaal Ohira was verslagen. Deze werd in december als premier
geïnstalleerd. Hoewel Ohira bij de door hem uitgeschreven algemene
verkiezingen in okt. 1979 met de LDP een gevoelige nederlaag leed, wist
hij toch zijn positie als voorzitter van de LDP te behouden en werd
opnieuw premier. Door zich in grote conflicten zo veel mogelijk neutraal
op te stellen haalde Ohira zich in toenemende mate de toorn van de grote
mogendheden op de hals. Vrij plotseling viel op in mei 1980 het
kabinet-Ohira door een motie van wantrouwen. De verkiezingen van juni
1980 leverden voor de regerende LDP een groot succes op. Kort voor die
verkiezingen overleed Ohira. Hij werd opgevolgd door Z. Suzuki.
In okt. 1982 deden de verdeeldheid binnen de LDP en de verslechterde
economische situatie Suzuki besluiten af te treden. Zijn opvolger,
Yasuhiro Nakasone (LDP), verhoogde de defensie-uitgaven, knoopte nauwere
relaties aan met de Verenigde Staten en vergrootte de Japanse
betrokkenheid in internationale aangelegenheden. De LDP won in de
verkiezingen voor het Hogerhuis (juni 1983) drie zetels, waarmee zij op
een totaal van 137 van de 252 zetels uitkwam. Zes maanden later werd
Nakasone gedwongen vervroegde verkiezingen uit te schrijven, omdat de
zeer invloedrijke, maar van corruptie beschuldigde Tanaka weigerde op te
stappen.
Hoewel de LDP bij deze verkiezing de meerderheid verloor, bleef Nakasone
premier, nu als hoofd van een coalitieregering. Vanaf 1984 bezuinigde
hij sterk op de overheidsuitgaven, reorganiseerde het overheidsapparaat,
privatiseerde overheidsbedrijven en maakte een einde aan het rigide
examenstelsel in het onderwijs. Bij de verkiezingen van juli 1986 boekte
de LDP een enorme winst, waardoor Nakasone partijvoorzitter en premier
bleef. In juli 1987 deed zich binnen de LDP een politieke
aardverschuiving voor: 113 leden van de Tanaka-factie richtten een eigen
factie op. Drie maanden later legde Nakasone zijn functie van
partijvoorzitter en premier neer. Hij beval Noboru Takeshita aan als
zijn opvolger, en op 6 nov. stemde het parlement hiermee in. Takeshita
voerde de al sinds jaren voorgestelde en bekritiseerde
gebruikersbelasting (een soort btw) in.
Corruptie. Het Recruit-schandaal, waarbij enkele regeringsleden tegen
een lage prijs Recruit-aandelen konden kopen, leidde in dec. 1988/jan.
1989 tot het ontslag van enkele ministers. In juni 1989 moest ook
Takeshita zelf opstappen, toen uitkwam dat hij aanzienlijke
verkiezingsbijdragen van het Recruit Cosmos-concern had ontvangen. Bij
de verkiezingen voor het Hogerhuis in juli 1989 leed de LDP een zwaar
verlies, vooral ten gunste van de socialistische JSP. Desondanks werd
Toshiki Kaifu van de LDP tot premier benoemd.
Bijna alle politici die door het Recruit-schandaal moesten verdwijnen,
werden herkozen, onder wie de oud-premiers Takeshita en Nakasone. Kaifu
bleef evenwel alle bij dit schandaal betrokkenen uit zijn kabinet weren.
Daardoor werd zijn positie binnen de LDP zwak en uiteindelijk zag hij af
van een tweede ambtstermijn. In november 1991 werd Kiichi Miyazawa
premier. Van de 21 ministers in het nieuwe kabinet waren er negen
betrokken bij het Recruit-schandaal.
Miyazawa slaagde erin de 'Wet op de vredeshandhavende operaties' te doen
aannemen. Volgens deze wet mogen max. 2000 manschappen van het Japanse
zelfverdedigingsleger in het buitenland deelnemen aan vredesoperaties
van de Verenigde Naties. In september besloot het parlement om 1203
militairen en burgers met een VN-missie naar Cambodja te sturen.
De weigering van premier Miyazawa over te gaan tot de toegezegde
hervorming van het kiesstelsel leidde tot vervroegde verkiezingen in
juli 1993. Als gevolg van het verlies van de absolute meerderheid moest
de LDP toestaan dat - voor het eerst in 38 jaar - een regering werd
gevormd waaraan zij niet deel zou nemen. Premier werd Morihiro Hosokawa,
leider van de kort daarvoor in 1992 gevormde Nieuwe Partij van Japan.
Hosokawa raakte in maart 1994 in opspraak door zakelijke transacties uit
het verleden, waarna hij in april aftrad. De minderheidsregering Hata
hield het slechts twee maanden uit. Eind juni viel de LDP in tweeën
uiteen, nadat de factie van oud-premier Kaifu zich tegen de LDP-leiding
had gekeerd, die de socialist Murayama tot premier wilde benoemen van
een historisch coalitiekabinet, gevormd door de liberale LDP en de
socialisten, voorheen aartsrivalen.
In jan. 1995 kostte een aardbeving in Kobe en omgeving het leven aan
meer dan 5300 mensen. De totale schade werd geschat op bijna tweehonderd
miljard gulden. Nog geen twee maanden later werd de metro van Tokio het
doelwit van een aanslag met het dodelijke zenuwgas sarin, waarbij twaalf
mensen omkwamen en 5500 gewond raakten.
De Sociaal-Democratische Partij (SDPJ) van premier Murayama leed in juli
1995 verlies bij de Hogerhuisverkiezingen, waarin elke drie jaar opnieuw
wordt beslist over de helft van het aantal zetels. De coalitieregering
van SDPJ, LDP en de Sakigake-partij, een kleine afsplitsing van de LDP,
behield haar meerderheid. De regering kondigde steunmaatregelen aan voor
de kwakkelende economie, die in sept. 1995 een werkloosheidscijfer van
5,5% liet zien, inclusief de verborgen werkloosheid.
Begin jan. 1996 maakte de sociaal-democratische premier Murayama zijn
aftreden bekend. Hij werd opgevolgd door de voorzitter van de
Liberaal-Democratische Partij (LDP), Hashimoto. Bij vervroegde
verkiezingen in okt. 1996 won de LDP, maar een absolute meerderheid
bleef uit (239 van de 500 Lagerhuiszetels). In nov. werd Hashimoto
herkozen als minister-president en vormde hij een
LDP-minderheidsregering. De regering maakte in febr. 1996 maatregelen
bekend voor de deregulering van de economie en in nov. volgden
maatregelen voor de hervorming van het financiële systeem, waarbij o.a.
de concurrentie tussen banken, effectenhuizen en verzekeringsbedrijven
werd vergroot door ze toegang te geven tot elkaars markten. In het begin
van 1996 liet de economie na een recessie van vier jaar weer een herstel
zien.
Oorlogsverleden.
De betrekkingen met Noord- en Zuid-Korea verbeterden, toen Japan in de
loop van 1990 bij monde van
keizer Akihito excuses aan zijn voormalige kolonie aanbood; een
gebaar tot dan toe door Japan geweigerd. Beide landen ontvingen excuses
voor 'het ongelukkige verleden dat Japan Korea had aangedaan'. In 1991
sprak premier Kaifu tijdens een reis door Zuidoost-Azië zijn spijt uit
over Japans oorlogsverleden. En in 1992 betreurde keizer Akihito tijdens
een staatsbezoek aan de Volksrepubliek China het leed dat de Japanners
het Chinese volk hadden toegebracht. In aug. 1994 maakte de Japanse
regering bekend dat zij als gebaar naar de landen die hebben geleden
onder de Japanse bezetting, de komende tien jaar 100 miljard yen ter
beschikking zal stellen voor historisch onderzoek en
uitwisselingsprogramma's.
|