header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

JoegoslaviŽ

 

Terug naar overzicht Europa >>

 

JoegoslaviŽ (officieel: SŠveznŠ Republika Jugoslavija), federale republiek, bestaande uit ServiŽ en Montenegro, in het zuidoosten van Europa, op de Balkan, 102.173 km2, met (1995) 10.707.000 inw. (105 inw. per km2); hoofdstad: Belgrado (Servo-Kroatisch: Beograd). Munteenheid is de Joegoslavische dinar, verdeeld in 100 paras. Nationale feestdag is 29 november, de onafhankelijkheidsdag.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
JoegoslaviŽ, met zijn merendeels noordwest-zuidoost lopende bergketens, is een deel van het Balkanschiereiland. In ServiŽ wordt het berglandschap door Morava [aardrijkskunde]2 en Vardar doorsneden en gaat dan over in het Rhodopengebergte en de Transsylvaanse Alpen. De talrijke ketens en bergmassieven, afgewisseld door langwerpige depressies (poljes), strekken zich uit tot vlak aan de Adriatische Zee. Langs de hele kuststreek doet zich het karstlandschap voor: een kaal bergland van kalksteen; van de Adriatische kust behoort maar een fractie tot JoegoslaviŽ. Het hele zuidwesten is onvruchtbaar, de poljes en de weinige rivierdalen uitgezonderd. Langs de kuststrook komen hier en daar vruchtbare plekken voor. Het bergland in het oosten is tamelijk bosrijk; de hoge ketens van ServiŽ dalen naar het noorden toe via het vruchtbare äumadija naar de Vojvodina, de streek ten noorden van Belgrado.
1.2 Rivieren en meren
De Donau, ooit de belangrijkste verkeersader van JoegoslaviŽ, stroomt met 590 km van haar loop (4 deel), op sommige plaatsen met een breedte van 1 tot 2 km, door JoegoslaviŽ, ten dele als grensrivier met KroatiŽ en met RoemeniŽ. Van het gehele land behoort 80% tot het stroomgebied van de Donau, die bijna alle Joegoslavische rivieren opneemt, zoals de Sava en de Morava. Het Meer van Scutan of Skadar wordt afgewaterd door de Bojana. Ten gevolge van de karstverschijnselen langs de Adriatische kust verdwijnt veel water in scheuren en spleten.
1.3 Klimaat
Het binnenland staat geheel onder invloed van het ruwe continentale klimaat, dat in dit gebied tot ver in het zuiden doordringt. Langs de kust heerst een mediterraan klimaat. Naar het binnenland toe neemt de regenval af. De randgebieden van het Pannonisch bekken hebben een continentaal klimaat. 's Winters komen koude winden voor (bora). Het hooggebergte heeft een alpenklimaat.
1.4 Plantengroei
In de continentale gebieden van ServiŽ vindt men een soortgelijke sparrengordel als in de Alpen. Boven de boomgrens bevindt zich overal een kreupelhoutgordel met bergden. Algemeen in JoegoslaviŽ is de öibljak, een formatie van loofverliezende struwelen, die als degradatiestadia van bossen te beschouwen zijn. Zij is uiterst soortenrijk met o.a. gele kornoelje, pruikenboom, wollige sneeuwbal en Cotoneaster nebrodensis.
1.5 Dierenwereld
Deze is in het algemeen als Midden-Europees met een sterke Balkaninslag te kenschetsen. Balkanelementen zijn o.a de vrij talrijke reptielen (slangen en hagedissen), diverse soorten roofvogels (o.a. gieren) en zoogdieren en de bewoners van de talrijke grotten. Doordat de bevolkingsdichtheid in bepaalde delen van het binnenland naar verhouding nog vrij gering is, heeft een gedeelte van het grote wild (wolf, bruine beer, edelhert, gems, wild zwijn) zich kunnen handhaven; de lynx werd opnieuw uitgezet, de eerste pogingen zijn reeds met succes bekroond. De natuurbescherming wordt krachtig bevorderd; een groot aantal gebieden (waaronder grotten) is onder bescherming geplaatst of heeft de status van nationaal park.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling
Volgens de volkstelling van 1991 maakten ServiŽrs 62, 5% van de bevolking uit, 16% was AlbaniŽr, 5% Montenegrijn, 3% Hongaar, 3% moslim, 1,5% zigeuner, 1% Kroaat, 0,6% Slowaak en 3,4% beschouwde zichzelf als 'Joegoslaaf'. De jaarlijkse bevolkingsgroei bedroeg in 1991 0, 5% (geboortecijfer: 14,6Č, sterftecijfer: 9,8Č). De gemiddelde levensverwachting bij geboorte bedroeg 69 jaar voor mannen en 74,6 jaar voor vrouwen.
2.2 Taal
OfficiŽle taal is het Servisch (cyrillisch schrift). In Vojvodina en Kosovo wordt Hongaars en Albanees gesproken.
2.3 Religie
Kerk en staat zijn gescheiden. De grondwet garandeert godsdienstvrijheid, zolang die de belangen van de staat niet tegengaat. De Servisch-Orthodoxe Kerk vormt de grootste geloofsgemeenschap (44%). Rooms-katholiek is 31% van de bevolking, islamitisch 12%.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1992 is JoegoslaviŽ een federale republiek, bestaande uit de deelstaten ServiŽ en Montenegro. Het federale parlement bestaat uit een Eerste Kamer, de zgn. Raad van Republieken (waarvan de leden door deelstaatparlementen worden gekozen), en een Tweede Kamer, de Raad van Burgers (waarvan de 138 leden direct worden gekozen). Staatshoofd is de president, die door het voltallige parlement wordt gekozen.
3.2 Administratieve indeling
JoegoslaviŽ is bestuurlijk verdeeld in de federatieve deelrepublieken ServiŽ en Montenegro. Tot ServiŽ behoren ook de (tot 1990 autonome) provincies Kosovo in het zuiden, met hoofdstad Pristina, en Vojvodina in het noorden, met hoofdstad Novi Sad.
3.3 Rechtswezen
Het rechtssysteem is vastgelegd in de grondwet van 1974. Naast de gewone rechtbanken bestaan militaire rechtbanken en, sinds 1974, 'rechtbanken van de geassiocieerde arbeid', competent bij twisten van belang voor de sociaal-economische orde. De rechtspraak is niet onafhankelijk; naast de gewone rechters staan ook gekozen lekenrechters. In 1987 is er een parlementaire commissie gevormd om de grondwet ingrijpend te veranderen.
3.4 Lidmaatschap van internationale organisaties
JoegoslaviŽ is internationaal geÔsoleerd. Het is geen lid van de Verenigde Naties, noch van de niet-gebonden landen.
3.5 Partij- en vakbondswezen
De oude communistische partijen zijn ook na het uiteenvallen van de voormalige republiek JoegoslaviŽ in 1990 in ServiŽ en Montenegro de dienst blijven uitmaken, in ServiŽ de Socialistische Partij van ServiŽ (SPS) van president MiloöeviÁ en in Montenegro de Democratische Partij van de Montenegrijnse Socialisten (DPS). De belangrijkste oppositiepartijen zijn de Servische Vernieuwingsbeweging van Vuk DraskoviÁ, de Democratische Partij van Zoran DjindjiÁ en de Servische Burgerbond van Vesna PesiÁ, verenigd in de coalitie Zajedno (Samen), en de Montenegrijnse oppositiecoalitie Nationale Eenheid.
Koepelorganisatie van alle vakbonden is het in 1945 opgerichte Savez Sindikata Jugoslvije.

4. Economie
4.1 Algemeen
De economie van 'rest-JoegoslaviŽ' wordt geplaagd door de gevolgen van de oorlog: torenhoge schulden, gierende inflatie, enorme werkloosheid. Neem daarbij het wegvallen van de 'eigen' markt, het eveneens wegvallen van de Oost-Europese handel en de VN-boycot en de schaarse rapen zijn gaar. Betrouwbare cijfers ontbreken grotendeels, of zijn geflateerd. Onderstaande informatie dient met enig voorbehoud ter kennis genomen te worden.
Van de beroepsbevolking (ca. 45% van de totale bevolking) was in 1992 ca. 20% werkzaam in de landbouw (in 1961 nog 57%), hoewel deze sector in dat jaar slechts voor ca. 12% bijdroeg aan het bruto nationaal product (bnp). Behalve in de landbouw vormt de lage arbeidsproductiviteit ook een probleem in vele bedrijven. De investeringen zijn tot nul gereduceerd. De bijdrage van enkele andere sectoren aan het bnp was in 1991: industrie: 48%, rest (o.a. handel, bouw, verkeer, dienstverlening): 40%. Het percentage werklozen in 1995 bedroeg 27%. Meer dan 1 miljoen Joegoslaven werken in het buitenland, m.n. in Duitsland. Eind 1995 was de inflatie gedaald tot 120% op jaarbasis. Een saneringsprogramma voorzag daarna o.a. in een opwaardering van de dinar (door van de 'oude dinar' vier nullen te schrappen) en in een koppeling van de munt aan de koers van de Duitse mark. Maar van een werkelijke sanering van de Joegoslavische economie (en bankwezen) kwam niets terecht. Een van de belangrijkste problemen van de overheid was de lege staatskas: gevolg van de oorlog.
4.2 Landbouw
Pogingen tot gedwongen collectivisatie in de periode 1948-1952 hadden geen succes, evenmin als de vorming van 'algemene landbouwcoŲperaties' (zadroega) vanaf 1955. In 1995 was 73% van het bouwland in particulier bezit. Hier vindt 96% van de in de agrarische sector werkzame bevolking emplooi (overigens vaak als bijbaan) die verantwoordelijk is voor 76% van de totale agrarische productie. De contractuele samenwerking tussen boeren wordt bevorderd door het opzetten van zgn. agro-industriŽle ondernemingen. De graanopbrengsten (m.n. maÔs) zijn redelijk, de teelt van suikerbieten is minder, terwijl de veehouderij en de groente- en fruitteelt slecht renderen. De belangrijkste agrarische producten zijn: maÔs, rogge, fruit, wijnen en vlees. De visserij levert visconserven.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
JoegoslaviŽ is rijk aan grondstoffen. Behalve zeer veel bruinkool en ligniet (op vele plaatsen) treft men er aan: koper, goud en zilver, bauxiet, lood, zink en magnesiet. Ongeveer de helft van het huishoudelijke energieverbruik komt uit kolen. De eigen aardolie- en gaswinning voldoet niet aan de veel grotere vraag. Aardolie en aardgas worden ingevoerd vanuit de Rusland, het Midden-Oosten en LibiŽ. Ongeveer eenderde van de benodigde elektriciteit wordt geleverd door waterkrachtcentrales; ook wordt elektriciteit geleverd door op ligniet en bruinkool gestookte thermocentrales.
4.4 Industrie
Na 1945 is op grote schaal geÔndustrialiseerd. De ineenstorting van het land en de boycot hebben de industrie zwaar gehavend. Er was veel machinebouw, o.a. voor de landbouw en spoorwegen. De staalindustrie was van groot belang. Veel Joegoslavische bouw- en constructiebedrijven (Energoinvest) werkten in het buitenland.
4.5 Handel
Van enige officiŽle buitenlandse handel is vanweg de VN-boycot geen sprake meer. Cijfers zijn sinds 1992 niet meer verstrekt.
4.6 Bankwezen
Centrale bank is de Joegoslavische Nationale Bank in Belgrado. Daarnaast zijn er drie soorten handelsbanken: investerings-, handels-, en gemengde (handels- en investerings)banken.
4.7 Verkeer
Hoewel het wegennet in de jaren zeventig sterk is verbeterd en uitgebreid, is het overbelast. De totale lengte van het wegennet bedraagt (1992) 47!912 km, waarvan 28!279 km geasfalteerd. Het spoorwegennet heeft een lengte van 3960 km, waarvan 1342 km geŽlektrificeerd. In 1988 werd de enige spoorverbinding tussen JoegoslaviŽ en AlbaniŽ gesloten. De koopvaardijvloot bestaat (1992) uit 32 zeevarende schepen, met een totale bevrachting van 4656 ton, tussen buitenlandse steden onderling. De enig overgebleven haven is Bar. Naast de nationale luchtvaartmaatschappij Jugoslovenski Aerotransport (JAT) bestaan er nog drie andere vliegmaatschappijen, w.o. Air Montenegro. JoegoslaviŽ beschikt over ťťn internationale luchthaven: Belgrado. Het binnenlands vliegverkeer is goed ontwikkeld, het buitenlandse is afgesneden.
Het toerisme is volledig weggevallen. De grote attracties lagen buiten romp-JoegoslaviŽ, zodat deze sector geen rol van betekenis zal gaan spelen.

5. Geschiedenis
5.1 Tot 1948
JoegoslaviŽ werd na de Eerste Wereldoorlog gevormd uit de koninkrijken ServiŽ en Montenegro, de voormalige Oostenrijks-Hongaarse gebieden Krain (zie ook SloveniŽ), KroatiŽ-SlavoniŽ, DalmatiŽ, BosniŽ-Hercegovina en het westelijk Banaat (Vojvodina). De vredesverdragen van Saint-Germain en Trianon (met Oostenrijk, resp. Hongarije, 1919 en 1920) en Neuilly (met Bulgarije, 1919, grenscorrecties ten gunste van JoegoslaviŽ) alsmede het verdrag van Rapallo met ItaliŽ, waarbij JoegoslaviŽ zijn aanspraken op Fiume (Rijeka) moest opgeven (1920), stelden de grenzen van het koninkrijk der ServiŽrs, Kroaten en Slovenen (dat eerst in 1928 officieel JoegoslaviŽ ging heten) vast. De eerste koning was Peter I uit het Huis KaradjorjeviÁ (gest. 1921). De nieuwe staat was in 1917 door de verklaring van Korfoe van vertegenwoordigers van de ServiŽrs, Kroaten en Slovenen geŽist en vormde de vervulling van de Groot-Servische aspiraties, die met name door vele Kroaten allerminst werden gehuldigd. Deze laatsten streefden naar een federatieve structuur, maar de 'Vidovdan' (= St. Vitus)-grondwet van 1921 was gebaseerd op de door de ServiŽrs voorgestane eenheidsgedachte. De in het begin van de 20ste eeuw door de gebroeders RadiÁ gestichte Kroatische Boerenpartij ontwikkelde zich tot een nationaal eenheidsfront tegen de Servische suprematie.
Nadat Stjepan RadiÁ in 1925 door erkenning van de grondwet een verzoening had nagestreefd, werd hij in 1928 bij een schietpartij in het Joegoslavische parlement, de Skupötina, vermoord. Deze gebeurtenis werd de aanleiding voor de instelling van een separatistische landdag in de Kroatische hoofdstad Zagreb. Koning Alexander (op de troon sinds 1921) kondigde nu een persoonlijke dictatuur af, ontbond de Skupötina en verbood de politieke partijen. De landsindeling op grond van historische en etnische eenheden werd door een zuiver administratieve in negen banaten (provincies) vervangen. Hoewel in 1931 een nieuwe grondwet werd geproclameerd, die in het herstel van het parlement voorzag, bleef de situatie precair. Alexander werd in 1934 door een aanhanger van de extremistische Kroatische Ustaöa-beweging (gesteund door ItaliŽ en Hongarije) vermoord. Zijn opvolger was de 11-jarige Peter II; het regentschap voerde diens oom prins Paul.
Onder Alexander volgde JoegoslaviŽ een pro-Franse buitenlandse politiek. De samenwerking met Tsjechoslowakije en RoemeniŽ (gericht tegen de revisionistische politiek van Hongarije) werd door de oprichting van de Kleine Entente onderstreept. Met Griekenland, RoemeniŽ en Turkije sloot JoegoslaviŽ het Balkanpact. De versterking van de positie van Duitsland en ItaliŽ (ook economisch: JoegoslaviŽ was afhankelijk van de Duitse markt voor zijn uitvoerproducten) bracht onder minister-president StojadinoviÁ (1936-1939) een koerswijziging teweeg. In navolging van ItaliŽ trachtte StojadinoviÁ een soort Servisch fascisme te creŽren. Zijn opvolger CvetkoviÁ slaagde er in 1939 in, met de leider van de Kroatische boerenpartij, Macek, een akkoord te sluiten, waarbij aan KroatiŽ een ruime mate van autonomie werd toegekend, te laat echter om nog een vreedzaam naast elkaar leven van Kroaten en ServiŽrs te bereiken. Op 25 maart 1941 sloot JoegoslaviŽ zich bij het Driemogendhedenpact aan; twee dagen daarna bracht een Servische volksopstand, onder leiding van generaal SimoviÁ, CvetkoviÁ ten val. De Duitse reactie kwam prompt: op 6 april 1941 begon de oorlog, die op 17 april met de capitulatie van de Joegoslavische strijdkrachten eindigde.
KroatiŽ, met inbegrip van SlavoniŽ, BosniŽ en Hercegovina, werd nu een koninkrijk (een Italiaanse prins werd nominaal-koning) met Ante PaveliÁ als dictator (zie KroatiŽ). SloveniŽ (Krain) werd verdeeld tussen Duitsland en ItaliŽ. DalmatiŽ en Montenegro kwamen aan ItaliŽ, Vojvodina aan Hongarije, MacedoniŽ grotendeels aan Bulgarije, voor een kleiner deel aan AlbaniŽ. ServiŽ werd (hoofdzakelijk door Duitsers) bezet gebied met een marionettenregering onder NediÁ.
Onmiddellijk na de capitulatie begon kolonel Dra"a MihajloviÁ met zijn cetniks (naam ontleend aan de Servische vrijheidsstrijders tegen de Turkse overheersing) het gewapend verzet in naam van de Servisch-nationale gedachte. Eerst op 7 juli 1941 (na de Duitse overval op Rusland) begon de communistische opstand. Weldra ontstond een felle vijandschap tussen communistische partizanen en cetniks. Vele cetniks gingen met de Duitsers en vooral met de Italianen collaboreren. De communisten onder Tito maakten ten volle gebruik van de kansen die de ontbinding van de oude sociale en politieke verhoudingen hun bood. Zij ontwikkelden een programma van nationale verzoening (belofte van autonomie aan Kroaten en Slovenen), nationale eer (vooral de ServiŽrs en Montenegrijnen hadden een sterke nationale - en bovendien pro-Russische - traditie) en sociale omwenteling.
De communisten slaagden erin zonder de leiding uit handen te geven toch vooraanstaande figuren uit andere partijen aan hun zijde te krijgen. In de door de partizanen beheerste gebieden werden bevrijdingscomitťs gevormd, die in nov. 1942 een 'anti-fascistische raad voor de nationale bevrijding van JoegoslaviŽ' in het Bosnische BihaÁ oprichtten. De militaire betekenis van de partizanen was niet gering. Zij slaagden erin grote Duitse troepeneenheden te binden en toen zij in okt. 1944 (met Russische hulp) Belgrado bezetten, betekende dit de bekroning van een bevrijding die voor een belangrijk deel op eigen kracht was bevochten.
Na een kortstondige fase van coalitiepolitiek (dec. 1944: overeenkomst Tito-SubaöiÁ, de premier van de Joegoslavische regering te Londen, maart 1945: meerpartijenregering) werden in nov. 1945 reeds verkiezingen gehouden, waarbij slechts op een eenheidslijst kon worden gestemd. Uit protest hiertegen en tegen de heersende intimidatie trokken de democratische partijen zich terug. In 1946 werd een op Russische leest geschoeide grondwet aangenomen. Het koningschap werd afgeschaft en JoegoslaviŽ werd tot een federatieve volksrepubliek geproclameerd, bestaande uit zes republieken en twee autonome gebieden. MihajloviÁ werd gefusilleerd (1946).
JoegoslaviŽs binnen- en buitenlandse politiek in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog maakten het land tot een model- 'volksdemocratie'. De opbouw van het apparaat (o.a de geheime politie) en de onderwerping van tegenstanders voltrokken zich snel en zeer bloedig. Zo werden bijv. tussen de 20.000 en 30.000 onschuldigen in SloveniŽ gedood (zomer 1945). De agressiviteit naar buiten uitte zich in de kwestie-TriŽst; JoegoslaviŽ, dat bij het vredesverdrag van Parijs (1947) geheel IstriŽ minus de zone van TriŽst verwierf, noopte de westelijke geallieerden tot krachtige maatregelen. Bovendien steunde Tito de Griekse communisten.
De breuk met Moskou (formeel met de Kominform) in juni 1948 was dan ook niet het gevolg van onorthodoxie in de toepassing van het 'marxisme-leninisme', maar van de weigering van de Joegoslavische leiders zich de Russische bevoogding en economische exploitatie te laten welgevallen. De Sovjet-Unie en haar satellieten beperkten zich tot het uitlokken van grensconflicten en het uitoefenen van economische druk; weldra kon JoegoslaviŽ met hulp van vooral de Verenigde Staten de gevolgen van de breuk opvangen.
5.2 Binnenlandse ontwikkelingen na 1948
De tot 1948 zeer stalinistische Joegoslavische communisten hadden aanvankelijk moeite met de ideologische interpretatie van de 'imperialistische' politiek van de Sovjet-Unie. Zelf zochten de Joegoslaven naar een 'eigen weg' naar het socialisme, die zij meenden te vinden in politieke en economische decentralisatie en in een vorm van economische democratie die een grote invloed van de arbeiders in de bedrijven (arbeidersraden) inhield. In 1954 werd het geschil over TriŽst opgelost.
Toen in 1955 Chroesjtsjov openlijk de 'eigen weg' van JoegoslaviŽ aanvaardde, verstomde aanvankelijk de kritiek op de Sovjet-Unie. Milovan Djilas viel begin 1954, toen hij de oprichting van een democratisch-socialistische partij had bepleit, in ongenade en werd in 1956, na de Russische inval in Hongarije, die door Tito toch uiteindelijk werd gesanctioneerd, tot jarenlange gevangenisstraf veroordeeld. Niettemin wensten de Joegoslavische leiders een geleidelijke democratisering en liberalisering niet op te geven. De naamsverandering (op het zesde congres, 1952) van de partij in 'Bond van communisten', die minder als direct machtsinstrument dan als ideologisch richtinggevend instrument werd gedefinieerd, en het partijprogramma (zevende congres, 1958) waren niet uitsluitend tactische manoeuvres. Nooit is echter beweerd dat met de 'staat' ook de 'partij' moest afsterven.
De problemen waarvoor de Joegoslavische communisten zich gesteld zagen, kregen een nieuwe dimensie zowel door de opbouw van een moderne economie als door het aanvaarde beginsel van decentralisatie en zelfbestuur van de ondernemingen, die beide in botsing kwamen met het machtsmonopolie van de partij. Toen een economische hervorming in 1961, die o.a. de arbeidersraden meer zeggenschap gaf inzake de besteding van winsten, mislukte, werd dit feit door A. RankoviÁ, hoofd van de geheime politie toegeschreven aan een teveel, door anderen aan een tekort aan vrijheid en decentralisatie.
Een tweede hervorming, in 1965, verzwakte nog verder de directe invloed van partij en staat op het economisch gebeuren; zij betekende ook dat onrendabele bedrijven in de steek moesten worden gelaten en dat de werkloosheid toenam. In 1966 kwam RankoviÁ, gedoodverfd als opvolger van Tito, exponent van centralistische Servische belangen, ten val omdat hij, naast zijn verzet tegen de economische hervorming en het arbeidersbestuur, zich ook tegen Tito zelf zou hebben verzet door hem af te luisteren.
In juni 1968 kwamen, in navolging van Parijs, de studenten in Belgrado en Zagreb in opstand tegen de toenemende sociale verschillen, tegen de bureaucratie en de 'rode prinsen van het socialisme'. Tito beloofde verbeteringen, maar toen de beweging wegebde werden haar leiders gearresteerd en veranderde er niets.
Kenmerkend voor het decennium 1970-1980 is dat de federale overheid steeds meer macht verloor aan de regeringen van de republieken. Ontevredenheid over de Kroatische achterstelling (financieel-economisch en politiek) door ServiŽ leidde in 1971 tot een uitbarsting van nationalisme in KroatiŽ. Na ingrijpen van Tito werd in KroatiŽ vrijwel de volledige staats- en partijleiding afgezet.
Later volgde een moeizame zuivering van de leiding in ServiŽ (hier heetten de tegenstanders liberalen en technocraten) en in de overige republieken. In 1971 werd het principe van roulerend leiderschap ingevoerd en versterkte de partij haar greep op het bestuur. Er trad een merkbare verstrakking van het regime op. De instelling van een Centraal Comitť in 1974 dat de macht meer naar het centrum in Belgrado moest halen, had weinig resultaat. De tegenstelling tussen de federale partij en de overheid tegenover de leiding in de republieken, die hun eigen belangen verdedigden, bleef bestaan.
De nieuwe grondwet van 1974 kende de burgers een groot aantal vrijheden toe, die echter werden ingeperkt door de bepaling dat het sociale systeem van JoegoslaviŽ niet mocht worden aangetast. Het bestuur werd gedecentraliseerd en de autonome (op Servisch grondgebied gelegen) provincies Kosovo en Vojvodina kregen een grote mate van zelfstandigheid.
Na de dood van Tito (mei 1980) traden de tegenstellingen tussen de verschillende nationaliteiten steeds duidelijker aan het licht. Tegen het einde van de jaren tachtig streefden met name de welvarende Slovenen, en in mindere mate de Kroaten, naar een lossere band tussen de verschillende republieken. In ServiŽ, dat in het oude JoegoslaviŽ meer en meer ging domineren, ontstond een sterke Servisch-nationalistische beweging onder leiding van de orthodox-communistische Servische president Slobodan MiloöeviÁ. Op het congres van de Joegoslavische communistische partij in januari 1990 wilden de Sloveense communisten een meerpartijenstelsel en daarnaast meer autonomie voor de communistische partijen van de diverse republieken. De Servische communisten vreesden opsplitsing van JoegoslaviŽ (en aantasting van hun macht). Uiteindelijk gaf de Joegoslavische communistische partij haar leidende rol op. Voor de Slovenen was dit niet genoeg. Zij verlieten het congres, waarna dit werd verdaagd.
5.2.1 SloveniŽ en KroatiŽ
De Sloveense communistische partij besloot op haar eigen congres in februari dat zij een nieuw sociaal-democratisch verkiezingsprogramma zou gaan ontwerpen. Zij veranderde haar naam in Partij van Democratische Vernieuwing.
In april 1990 hadden in SloveniŽ en KroatiŽ de eerste vrije verkiezingen plaats, die werden gewonnen door de anticommunistische coalities (resp. DEMOS en HDZ). In SloveniŽ werd de voormalige communist Milan Kucan president, in KroatiŽ de nationalistische oud-dissident Franjo Tudjman. Bij verkiezingen in de overige vier deelrepublieken bleven alleen in ServiŽ en Montenegro de tot socialisten omgedoopte communisten aan de macht. President van ServiŽ bleef de nationalistische communist Slobodan MiloöeviÁ.
Op een referendum in december spraken de Slovenen zich uit voor afscheiding. In juni 1991 trachtte het Joegoslavische nationale leger de zich zojuist per 25 juni onafhankelijk verklaarde republieken SloveniŽ en KroatiŽ te isoleren van hulp uit het westen door o.a. grensovergangen te bezetten en te bombarderen. Na EG-bemiddeling ontstond een broos staakt-het-vuren. Hierna verplaatste de strijd zich naar het door voornamelijk ServiŽrs bewoonde oostelijk deel van KroatiŽ, waar reeds in de herfst van 1990 de daar wonende ServiŽrs de autonome republiek Krajina hadden uitgeroepen. Het door de ServiŽrs gedomineerde federale leger veroverde de in Krajina gelegen steden Vukovar en Osijek, die daarbij zwaar beschadigd werden. Een staakt-het-vuren dat door een VN-vredesmacht werd beschermd, maakte een einde aan de gevechten in Krajina maar bestendigde de verovering daarvan door het federale (inmiddels Servische wegens grootschalige desertie van andere bevolkingsgroepen) leger. Anderzijds trok het federale (Servische) leger zich in 1991 terug uit zowel SloveniŽ en de rest van KroatiŽ, waarna op 23 december 1991 Duitsland als eerste van de EG-landen SloveniŽ en KroatiŽ erkende als onafhankelijke landen.
5.2.2 BosniŽ-Hercegovina
De voor een groot deel (44%) door moslims bewoonde staat BosniŽ-Hercegovina hield in februari 1992 een referendum, waarbij gekozen werd voor afscheiding van JoegoslaviŽ. Het referendum werd evenwel geboycot door de Servische minderheid (31,4%). Met hulp van het federale leger veroverden de Bosnische ServiŽrs grote delen van BosniŽ-Hercegovina. Hierdoor ontstond een brug tussen ServiŽ en het eerder op de Kroaten veroverde Krajina. Aanvankelijk vochten moslims en Kroaten zij aan zij, maar in 1993 keerden de Kroaten zich tegen de moslims en trachtten ook zij hun gebied uit te breiden ten koste van de moslims. Hieraan konden de diverse door EG-bemiddelaar Owen en VN-bemiddelaars Vance en later Stoltenberg ontworpen plannen voor aanvankelijk een op etniciteit gegrondveste verdeling in een groot aantal provincies en later (1993) een verdeling in drie etnische staten, geen einde maken. Eind 1993 werd gesproken over de verdeling van de hoofdstad Sarajevo in etnische gebieden.
5.2.3 MacedoniŽ
Het door de gevechten in met name KroatiŽ gebonden federale leger trok zich in februari-maart 1991 definitief uit MacedoniŽ terug. Vanwege verzet door Griekenland - dat aanspraken maakte op de naam MacedoniŽ - bleef internationale erkenning uit tot 1993. Zie voorts MacedoniŽ [aardrijkskunde]2.
5.2.4 ServiŽ en Montenegro (Klein JoegoslaviŽ)
In ServiŽ, en het sterk met ServiŽ verbonden Montenegro, bleven de centralistische tendensen sterk. De wijziging van de Servische grondwet, die de autonomie van provincies Kosovo en Vojvodina beperkte, leidde in 1989 en 1990 tot ernstige onlusten in Kosovo, waarbij tientallen leden van de Albanese minderheid het leven verloren.
De communisten bleven stevig in het zadel en verzetten zich uit alle macht tegen ondermijning van hun gezag. In maart 1991 kwam het tot bloedige botsingen in Belgrado tussen de Servische veiligheidstroepen en tienduizenden anticommunistische betogers. Het leger herstelde de rust en de Servische regering deed enige concessies op het gebied van de democratie.
Vanwege de sterke betrokkenheid van ServiŽ en Montenegro bij de gevechten buiten hun grenzen werden zij getroffen door een internationale economische boycot sinds november 1991. In 1992 besloten beide republieken onder de naam Federale Republiek JoegoslaviŽ in ťťn staatsverband verder te gaan. Op 23 april 1992 werd een nieuwe federale grondwet aangenomen. Verkiezingen in mei werden gewonnen door de Socialistische Partij (de voormalige communistische partij) van MiloöeviÁ. Zij werden evenwel geboycot door de min of meer monddood gemaakte oppositie. De Servisch-Amerikaanse zakenman Milan PaniÁ werd premier en president werd de schrijver Dobrica CosiÁ. PaniÁ verweet MiloöeviÁ dat deze slechts een klein groepje oorlogszuchtige fanatici vertegenwoordigde. Hij moest het veld ruimen en werd in februari 1993 vervangen door Radoje KontiÁ. MiloöeviÁ versterkte zijn positie in juni 1993 door president Dobrica CosiÁ te laten vervangen.
De verkiezingen van dec. 1993 werden gewonnen door de Socialistische Partij van ServiŽ (SPS), die echter net geen meerderheid wist te behalen. De onderhandelingen om te komen tot een coalitieregering mislukten en uiteindelijk vormden de socialisten een minderheidsregering. In de zomer van 1994 kwam de zgn. contactgroep, bestaande uit de Verenigde Staten, Rusland, Groot-BrittanniŽ, Frankrijk en Duitsland, met een nieuw plan voor de verdeling van BosniŽ-Hercegovina: 49% van het grondgebied werd toegewezen aan de Bosnische ServiŽrs en 49% aan de moslim-Kroatische federatie. De Servische president MiloöeviÁ ging akkoord, maar hij slaagde er niet in de Bosnische ServiŽrs voor het plan te winnen. MiloöeviÁ, die aanstuurde op beŽindiging van het Bosnische conflict om daarmee een eind te maken aan de internationale sancties tegen JoegoslaviŽ, onthield zich in deze fase van steun aan de in het defensief gedrongen Bosnische en Kroatische ServiŽrs.
Op 21 nov. 1995 werd in de Amerikaanse stad Dayton (Ohio) na bemiddeling van de Verenigde Staten een vredesakkoord voor BosniŽ-Hercegovina bereikt tussen de presidenten IzetbegoviÁ van BosniŽ-Hercegovina, Tudjman van KroatiŽ en MiloöeviÁ van ServiŽ, die ook namens de Bosnische ServiŽrs onderhandelde. De vredesvoorstellen werden in dec. in Parijs getekend en de sancties tegen JoegoslaviŽ werden hierna opgeheven.
Als gevolg van de militaire opmars van de Bosnische moslims en de Kroaten in BosniŽ-Hercegovina kwam er een massale vluchtelingenstroom op gang van de Servische bevolking uit BosniŽ en KroatiŽ naar ServiŽ. Op economisch gebied ontstonden er tussen de Servische en de Montenegrijnse politieke leiding grote meningsverschillen over de economische koers. De Montenegrijnen pleitten voor invoering van de markteconomie en privatiseringen, terwijl de ServiŽrs zich fel verzetten tegen privatisering van de staatsbedrijven.
Na het Dayton-akkoord zocht JoegoslaviŽ toenadering tot KroatiŽ, MacedoniŽ en BosniŽ-Hercegovina. In april 1996 werden diplomatieke betrekkingen aangeknoopt met MacedoniŽ, een voorwaarde van de EU om tot erkenning van JoegoslaviŽ over te gaan.
In mei 1996 kwam het in de industriestad Nis tot ernstige sociale onlusten, nadat duizenden arbeiders al maandenlang geen salaris meer hadden ontvangen. De protesten richtten zich vooral tegen het economische beleid van de SPS van MiloöeviÁ. De verkiezingen voor het federale parlement van begin nov. leverden in ServiŽ een overwinning op voor de coalitie, bestaande uit de regerende SPS, Joegoslavisch Verenigd Links (JUL) en de Democratische Partij van ServiŽ. In Montenegro zegevierde de regerende Democratische Partij van de Socialisten van Montenegro (DPS). Bij de gelijktijdig gehouden gemeenteraadsverkiezingen behaalde de coalitie Zajedno (Samen), bestaande uit de drie grootste Servische oppositiepartijen, de Servische Vernieuwingsbeweging, de Democratische Partij en de Servische Burgerbond, samen met een aantal kleinere partijen, de meerderheid in bijna alle grote Servische steden. De SPS van MiloöeviÁ verklaarde daarop de meeste uitslagen ongeldig, waarna de oppositie, studenten en arbeidersorganisaties dagelijks massale demonstraties organiseerden in Belgrado om de verkiezingsuitslag te eerbiedigen. Na maandenlange demonstraties erkende MiloöeviÁ, mede onder grote buitenlandse druk, de overwinning van de gebundelde oppositie.


Telefoongids JoegoslaviŽ
Postcodes JoegoslaviŽ

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009