|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Joegoslavië,
met zijn merendeels noordwest-zuidoost lopende bergketens, is een deel
van het Balkanschiereiland. In Servië wordt het berglandschap door
Morava [aardrijkskunde]2 en Vardar doorsneden en gaat dan over in het
Rhodopengebergte en de Transsylvaanse Alpen. De talrijke ketens en
bergmassieven, afgewisseld door langwerpige depressies (poljes),
strekken zich uit tot vlak aan de Adriatische Zee. Langs de hele
kuststreek doet zich het karstlandschap voor: een kaal bergland van
kalksteen; van de Adriatische kust behoort maar een fractie tot
Joegoslavië. Het hele zuidwesten is onvruchtbaar, de poljes en de
weinige rivierdalen uitgezonderd. Langs de kuststrook komen hier en daar
vruchtbare plekken voor. Het bergland in het oosten is tamelijk bosrijk;
de hoge ketens van Servië dalen naar het noorden toe via het vruchtbare
Šumadija naar de Vojvodina, de streek ten noorden van Belgrado.
1.2 Rivieren en meren
De Donau, ooit de belangrijkste verkeersader van Joegoslavië, stroomt
met 590 km van haar loop (4 deel), op sommige plaatsen met een breedte
van 1 tot 2 km, door Joegoslavië, ten dele als grensrivier met Kroatië
en met Roemenië. Van het gehele land behoort 80% tot het stroomgebied
van de Donau, die bijna alle Joegoslavische rivieren opneemt, zoals de
Sava en de Morava. Het Meer van Scutan of Skadar wordt afgewaterd door
de Bojana. Ten gevolge van de karstverschijnselen langs de Adriatische
kust verdwijnt veel water in scheuren en spleten.
1.3 Klimaat
Het binnenland staat geheel onder invloed van het ruwe continentale
klimaat, dat in dit gebied tot ver in het zuiden doordringt. Langs de
kust heerst een mediterraan klimaat. Naar het binnenland toe neemt de
regenval af. De randgebieden van het Pannonisch bekken hebben een
continentaal klimaat. 's Winters komen koude winden voor (bora). Het
hooggebergte heeft een alpenklimaat.
1.4 Plantengroei
In de continentale gebieden van Servië vindt men een soortgelijke
sparrengordel als in de Alpen. Boven de boomgrens bevindt zich overal
een kreupelhoutgordel met bergden. Algemeen in Joegoslavië is de šibljak,
een formatie van loofverliezende struwelen, die als degradatiestadia van
bossen te beschouwen zijn. Zij is uiterst soortenrijk met o.a. gele
kornoelje, pruikenboom, wollige sneeuwbal en Cotoneaster nebrodensis.
1.5 Dierenwereld
Deze is in het algemeen als Midden-Europees met een sterke Balkaninslag
te kenschetsen. Balkanelementen zijn o.a de vrij talrijke reptielen
(slangen en hagedissen), diverse soorten roofvogels (o.a. gieren) en
zoogdieren en de bewoners van de talrijke grotten. Doordat de
bevolkingsdichtheid in bepaalde delen van het binnenland naar verhouding
nog vrij gering is, heeft een gedeelte van het grote wild (wolf, bruine
beer, edelhert, gems, wild zwijn) zich kunnen handhaven; de lynx werd
opnieuw uitgezet, de eerste pogingen zijn reeds met succes bekroond. De
natuurbescherming wordt krachtig bevorderd; een groot aantal gebieden
(waaronder grotten) is onder bescherming geplaatst of heeft de status
van nationaal park.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling
Volgens de volkstelling van 1991 maakten Serviërs 62, 5% van de
bevolking uit, 16% was Albaniër, 5% Montenegrijn, 3% Hongaar, 3% moslim,
1,5% zigeuner, 1% Kroaat, 0,6% Slowaak en 3,4% beschouwde zichzelf als
'Joegoslaaf'. De jaarlijkse bevolkingsgroei bedroeg in 1991 0, 5%
(geboortecijfer: 14,6‰, sterftecijfer: 9,8‰). De gemiddelde
levensverwachting bij geboorte bedroeg 69 jaar voor mannen en 74,6 jaar
voor vrouwen.
2.2 Taal
Officiële taal is het Servisch (cyrillisch schrift). In Vojvodina en
Kosovo wordt Hongaars en Albanees gesproken.
2.3 Religie
Kerk en staat zijn gescheiden. De grondwet garandeert
godsdienstvrijheid, zolang die de belangen van de staat niet tegengaat.
De Servisch-Orthodoxe Kerk vormt de grootste geloofsgemeenschap (44%).
Rooms-katholiek is 31% van de bevolking, islamitisch 12%.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1992 is Joegoslavië een federale republiek,
bestaande uit de deelstaten Servië en Montenegro. Het federale parlement
bestaat uit een Eerste Kamer, de zgn. Raad van Republieken (waarvan de
leden door deelstaatparlementen worden gekozen), en een Tweede Kamer, de
Raad van Burgers (waarvan de 138 leden direct worden gekozen).
Staatshoofd is de president, die door het voltallige parlement wordt
gekozen.
3.2 Administratieve indeling
Joegoslavië is bestuurlijk verdeeld in de federatieve deelrepublieken
Servië en Montenegro. Tot Servië behoren ook de (tot 1990 autonome)
provincies Kosovo in het zuiden, met hoofdstad Pristina, en Vojvodina in
het noorden, met hoofdstad Novi Sad.
3.3 Rechtswezen
Het rechtssysteem is vastgelegd in de grondwet van 1974. Naast de gewone
rechtbanken bestaan militaire rechtbanken en, sinds 1974, 'rechtbanken
van de geassiocieerde arbeid', competent bij twisten van belang voor de
sociaal-economische orde. De rechtspraak is niet onafhankelijk; naast de
gewone rechters staan ook gekozen lekenrechters. In 1987 is er een
parlementaire commissie gevormd om de grondwet ingrijpend te veranderen.
3.4 Lidmaatschap van internationale organisaties
Joegoslavië is internationaal geïsoleerd. Het is geen lid van de
Verenigde Naties, noch van de niet-gebonden landen.
3.5 Partij- en vakbondswezen
De oude communistische partijen zijn ook na het uiteenvallen van de
voormalige republiek Joegoslavië in 1990 in Servië en Montenegro de
dienst blijven uitmaken, in Servië de Socialistische Partij van Servië (SPS)
van president Miloševiç en in Montenegro de Democratische Partij van de
Montenegrijnse Socialisten (DPS). De belangrijkste oppositiepartijen
zijn de Servische Vernieuwingsbeweging van Vuk Draskoviç, de
Democratische Partij van Zoran Djindjiç en de Servische Burgerbond van
Vesna Pesiç, verenigd in de coalitie Zajedno (Samen), en de
Montenegrijnse oppositiecoalitie Nationale Eenheid.
Koepelorganisatie van alle vakbonden is het in 1945 opgerichte Savez
Sindikata Jugoslvije.
4. Economie
4.1 Algemeen
De
economie van 'rest-Joegoslavië' wordt geplaagd door de gevolgen van de
oorlog: torenhoge schulden, gierende inflatie, enorme werkloosheid. Neem
daarbij het wegvallen van de 'eigen' markt, het eveneens wegvallen van
de Oost-Europese handel en de VN-boycot en de schaarse rapen zijn gaar.
Betrouwbare cijfers ontbreken grotendeels, of zijn geflateerd.
Onderstaande informatie dient met enig voorbehoud ter kennis genomen te
worden.
Van de beroepsbevolking (ca. 45% van de totale bevolking) was in 1992
ca. 20% werkzaam in de landbouw (in 1961 nog 57%), hoewel deze sector in
dat jaar slechts voor ca. 12% bijdroeg aan het bruto nationaal product
(bnp). Behalve in de landbouw vormt de lage arbeidsproductiviteit ook
een probleem in vele bedrijven. De investeringen zijn tot nul
gereduceerd. De bijdrage van enkele andere sectoren aan het bnp was in
1991: industrie: 48%, rest (o.a. handel, bouw, verkeer,
dienstverlening): 40%. Het percentage werklozen in 1995 bedroeg 27%.
Meer dan 1 miljoen Joegoslaven werken in het buitenland, m.n. in
Duitsland. Eind 1995 was de inflatie gedaald tot 120% op jaarbasis. Een
saneringsprogramma voorzag daarna o.a. in een opwaardering van de dinar
(door van de 'oude dinar' vier nullen te schrappen) en in een koppeling
van de munt aan de koers van de Duitse mark. Maar van een werkelijke
sanering van de Joegoslavische economie (en bankwezen) kwam niets
terecht. Een van de belangrijkste problemen van de overheid was de lege
staatskas: gevolg van de oorlog.
4.2 Landbouw
Pogingen tot gedwongen collectivisatie in de periode 1948-1952 hadden
geen succes, evenmin als de vorming van 'algemene landbouwcoöperaties' (zadroega)
vanaf 1955. In 1995 was 73% van het bouwland in particulier bezit. Hier
vindt 96% van de in de agrarische sector werkzame bevolking emplooi
(overigens vaak als bijbaan) die verantwoordelijk is voor 76% van de
totale agrarische productie. De contractuele samenwerking tussen boeren
wordt bevorderd door het opzetten van zgn. agro-industriële
ondernemingen. De graanopbrengsten (m.n. maïs) zijn redelijk, de teelt
van suikerbieten is minder, terwijl de veehouderij en de groente- en
fruitteelt slecht renderen. De belangrijkste agrarische producten zijn:
maïs, rogge, fruit, wijnen en vlees. De visserij levert visconserven.
4.3 Mijnbouw en energievoorziening
Joegoslavië is rijk aan grondstoffen. Behalve zeer veel bruinkool en
ligniet (op vele plaatsen) treft men er aan: koper, goud en zilver,
bauxiet, lood, zink en magnesiet. Ongeveer de helft van het
huishoudelijke energieverbruik komt uit kolen. De eigen aardolie- en
gaswinning voldoet niet aan de veel grotere vraag. Aardolie en aardgas
worden ingevoerd vanuit de Rusland, het Midden-Oosten en Libië. Ongeveer
eenderde van de benodigde elektriciteit wordt geleverd door
waterkrachtcentrales; ook wordt elektriciteit geleverd door op ligniet
en bruinkool gestookte thermocentrales.
4.4 Industrie
Na 1945 is op grote schaal geïndustrialiseerd. De ineenstorting van het
land en de boycot hebben de industrie zwaar gehavend. Er was veel
machinebouw, o.a. voor de landbouw en spoorwegen. De staalindustrie was
van groot belang. Veel Joegoslavische bouw- en constructiebedrijven (Energoinvest)
werkten in het buitenland.
4.5 Handel
Van enige officiële buitenlandse handel is vanweg de VN-boycot geen
sprake meer. Cijfers zijn sinds 1992 niet meer verstrekt.
4.6 Bankwezen
Centrale bank is de Joegoslavische Nationale Bank in Belgrado. Daarnaast
zijn er drie soorten handelsbanken: investerings-, handels-, en gemengde
(handels- en investerings)banken.
4.7 Verkeer
Hoewel het wegennet in de jaren zeventig sterk is verbeterd en
uitgebreid, is het overbelast. De totale lengte van het wegennet
bedraagt (1992) 47!912 km, waarvan 28!279 km geasfalteerd. Het
spoorwegennet heeft een lengte van 3960 km, waarvan 1342 km
geëlektrificeerd. In 1988 werd de enige spoorverbinding tussen
Joegoslavië en Albanië gesloten. De koopvaardijvloot bestaat (1992) uit
32 zeevarende schepen, met een totale bevrachting van 4656 ton, tussen
buitenlandse steden onderling. De enig overgebleven haven is Bar. Naast
de nationale luchtvaartmaatschappij Jugoslovenski Aerotransport (JAT)
bestaan er nog drie andere vliegmaatschappijen, w.o. Air Montenegro.
Joegoslavië beschikt over één internationale luchthaven: Belgrado. Het
binnenlands vliegverkeer is goed ontwikkeld, het buitenlandse is
afgesneden.
Het toerisme is volledig weggevallen. De grote attracties lagen buiten
romp-Joegoslavië, zodat deze sector geen rol van betekenis zal gaan
spelen.
5. Geschiedenis
5.1 Tot 1948
Joegoslavië
werd na de Eerste Wereldoorlog gevormd uit de koninkrijken Servië en
Montenegro, de voormalige Oostenrijks-Hongaarse gebieden Krain (zie ook
Slovenië), Kroatië-Slavonië, Dalmatië, Bosnië-Hercegovina en het
westelijk Banaat (Vojvodina). De vredesverdragen van Saint-Germain en
Trianon (met Oostenrijk, resp. Hongarije, 1919 en 1920) en Neuilly (met
Bulgarije, 1919, grenscorrecties ten gunste van Joegoslavië) alsmede het
verdrag van Rapallo met Italië, waarbij Joegoslavië zijn aanspraken op
Fiume (Rijeka) moest opgeven (1920), stelden de grenzen van het
koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen (dat eerst in 1928
officieel Joegoslavië ging heten) vast. De eerste koning was Peter I uit
het Huis Karadjorjeviç (gest. 1921). De nieuwe staat was in 1917 door de
verklaring van Korfoe van vertegenwoordigers van de Serviërs, Kroaten en
Slovenen geëist en vormde de vervulling van de Groot-Servische
aspiraties, die met name door vele Kroaten allerminst werden gehuldigd.
Deze laatsten streefden naar een federatieve structuur, maar de 'Vidovdan'
(= St. Vitus)-grondwet van 1921 was gebaseerd op de door de Serviërs
voorgestane eenheidsgedachte. De in het begin van de 20ste eeuw door de
gebroeders Radiç gestichte Kroatische Boerenpartij ontwikkelde zich tot
een nationaal eenheidsfront tegen de Servische suprematie.
Nadat Stjepan Radiç in 1925 door erkenning van de grondwet een
verzoening had nagestreefd, werd hij in 1928 bij een schietpartij in het
Joegoslavische parlement, de Skupština, vermoord. Deze gebeurtenis werd
de aanleiding voor de instelling van een separatistische landdag in de
Kroatische hoofdstad Zagreb. Koning Alexander (op de troon sinds 1921)
kondigde nu een persoonlijke dictatuur af, ontbond de Skupština en
verbood de politieke partijen. De landsindeling op grond van historische
en etnische eenheden werd door een zuiver administratieve in negen
banaten (provincies) vervangen. Hoewel in 1931 een nieuwe grondwet werd
geproclameerd, die in het herstel van het parlement voorzag, bleef de
situatie precair. Alexander werd in 1934 door een aanhanger van de
extremistische Kroatische Ustaša-beweging (gesteund door Italië en
Hongarije) vermoord. Zijn opvolger was de 11-jarige Peter II; het
regentschap voerde diens oom prins Paul.
Onder Alexander volgde Joegoslavië een pro-Franse buitenlandse politiek.
De samenwerking met Tsjechoslowakije en Roemenië (gericht tegen de
revisionistische politiek van Hongarije) werd door de oprichting van de
Kleine Entente onderstreept. Met Griekenland, Roemenië en Turkije sloot
Joegoslavië het Balkanpact. De versterking van de positie van Duitsland
en Italië (ook economisch: Joegoslavië was afhankelijk van de Duitse
markt voor zijn uitvoerproducten) bracht onder minister-president
Stojadinoviç (1936-1939) een koerswijziging teweeg. In navolging van
Italië trachtte Stojadinoviç een soort Servisch fascisme te creëren.
Zijn opvolger Cvetkoviç slaagde er in 1939 in, met de leider van de
Kroatische boerenpartij, Macek, een akkoord te sluiten, waarbij aan
Kroatië een ruime mate van autonomie werd toegekend, te laat echter om
nog een vreedzaam naast elkaar leven van Kroaten en Serviërs te
bereiken. Op 25 maart 1941 sloot Joegoslavië zich bij het
Driemogendhedenpact aan; twee dagen daarna bracht een Servische
volksopstand, onder leiding van generaal Simoviç, Cvetkoviç ten val. De
Duitse reactie kwam prompt: op 6 april 1941 begon de oorlog, die op 17
april met de capitulatie van de Joegoslavische strijdkrachten eindigde.
Kroatië, met inbegrip van Slavonië, Bosnië en Hercegovina, werd nu een
koninkrijk (een Italiaanse prins werd nominaal-koning) met Ante Paveliç
als dictator (zie Kroatië). Slovenië (Krain) werd verdeeld tussen
Duitsland en Italië. Dalmatië en Montenegro kwamen aan Italië, Vojvodina
aan Hongarije, Macedonië grotendeels aan Bulgarije, voor een kleiner
deel aan Albanië. Servië werd (hoofdzakelijk door Duitsers) bezet gebied
met een marionettenregering onder Nediç.
Onmiddellijk na de capitulatie begon kolonel Dra"a Mihajloviç met zijn
cetniks (naam ontleend aan de Servische vrijheidsstrijders tegen de
Turkse overheersing) het gewapend verzet in naam van de
Servisch-nationale gedachte. Eerst op 7 juli 1941 (na de Duitse overval
op Rusland) begon de communistische opstand. Weldra ontstond een felle
vijandschap tussen communistische partizanen en cetniks. Vele cetniks
gingen met de Duitsers en vooral met de Italianen collaboreren. De
communisten onder Tito maakten ten volle gebruik van de kansen die de
ontbinding van de oude sociale en politieke verhoudingen hun bood. Zij
ontwikkelden een programma van nationale verzoening (belofte van
autonomie aan Kroaten en Slovenen), nationale eer (vooral de Serviërs en
Montenegrijnen hadden een sterke nationale - en bovendien pro-Russische
- traditie) en sociale omwenteling.
De communisten slaagden erin zonder de leiding uit handen te geven toch
vooraanstaande figuren uit andere partijen aan hun zijde te krijgen. In
de door de partizanen beheerste gebieden werden bevrijdingscomités
gevormd, die in nov. 1942 een 'anti-fascistische raad voor de nationale
bevrijding van Joegoslavië' in het Bosnische Bihaç oprichtten. De
militaire betekenis van de partizanen was niet gering. Zij slaagden erin
grote Duitse troepeneenheden te binden en toen zij in okt. 1944 (met
Russische hulp) Belgrado bezetten, betekende dit de bekroning van een
bevrijding die voor een belangrijk deel op eigen kracht was bevochten.
Na een kortstondige fase van coalitiepolitiek (dec. 1944: overeenkomst
Tito-Subašiç, de premier van de Joegoslavische regering te Londen,
maart 1945: meerpartijenregering) werden in nov. 1945 reeds verkiezingen
gehouden, waarbij slechts op een eenheidslijst kon worden gestemd. Uit
protest hiertegen en tegen de heersende intimidatie trokken de
democratische partijen zich terug. In 1946 werd een op Russische leest
geschoeide grondwet aangenomen. Het koningschap werd afgeschaft en
Joegoslavië werd tot een federatieve volksrepubliek geproclameerd,
bestaande uit zes republieken en twee autonome gebieden. Mihajloviç werd
gefusilleerd (1946).
Joegoslaviës binnen- en buitenlandse politiek in de eerste jaren na de
Tweede Wereldoorlog maakten het land tot een model- 'volksdemocratie'.
De opbouw van het apparaat (o.a de geheime politie) en de onderwerping
van tegenstanders voltrokken zich snel en zeer bloedig. Zo werden bijv.
tussen de 20.000 en 30.000 onschuldigen in Slovenië gedood (zomer 1945).
De agressiviteit naar buiten uitte zich in de kwestie-Triëst;
Joegoslavië, dat bij het vredesverdrag van Parijs (1947) geheel Istrië
minus de zone van Triëst verwierf, noopte de westelijke geallieerden tot
krachtige maatregelen. Bovendien steunde Tito de Griekse communisten.
De breuk met Moskou (formeel met de Kominform) in juni 1948 was dan ook
niet het gevolg van onorthodoxie in de toepassing van het 'marxisme-leninisme',
maar van de weigering van de Joegoslavische leiders zich de Russische
bevoogding en economische exploitatie te laten welgevallen. De
Sovjet-Unie en haar satellieten beperkten zich tot het uitlokken van
grensconflicten en het uitoefenen van economische druk; weldra kon
Joegoslavië met hulp van vooral de Verenigde Staten de gevolgen van de
breuk opvangen.
5.2 Binnenlandse ontwikkelingen na 1948
De tot 1948 zeer stalinistische Joegoslavische communisten hadden
aanvankelijk moeite met de ideologische interpretatie van de
'imperialistische' politiek van de Sovjet-Unie. Zelf zochten de
Joegoslaven naar een 'eigen weg' naar het socialisme, die zij meenden te
vinden in politieke en economische decentralisatie en in een vorm van
economische democratie die een grote invloed van de arbeiders in de
bedrijven (arbeidersraden) inhield. In 1954 werd het geschil over Triëst
opgelost.
Toen in 1955
Chroesjtsjov openlijk de 'eigen weg' van Joegoslavië aanvaardde,
verstomde aanvankelijk de kritiek op de Sovjet-Unie. Milovan Djilas viel
begin 1954, toen hij de oprichting van een democratisch-socialistische
partij had bepleit, in ongenade en werd in 1956, na de Russische inval
in Hongarije, die door Tito toch uiteindelijk werd gesanctioneerd, tot
jarenlange gevangenisstraf veroordeeld. Niettemin wensten de
Joegoslavische leiders een geleidelijke democratisering en
liberalisering niet op te geven. De naamsverandering (op het zesde
congres, 1952) van de partij in 'Bond van communisten', die minder als
direct machtsinstrument dan als ideologisch richtinggevend instrument
werd gedefinieerd, en het partijprogramma (zevende congres, 1958) waren
niet uitsluitend tactische manoeuvres. Nooit is echter beweerd dat met
de 'staat' ook de 'partij' moest afsterven.
De problemen waarvoor de Joegoslavische communisten zich gesteld zagen,
kregen een nieuwe dimensie zowel door de opbouw van een moderne economie
als door het aanvaarde beginsel van decentralisatie en zelfbestuur van
de ondernemingen, die beide in botsing kwamen met het machtsmonopolie
van de partij. Toen een economische hervorming in 1961, die o.a. de
arbeidersraden meer zeggenschap gaf inzake de besteding van winsten,
mislukte, werd dit feit door A. Rankoviç, hoofd van de geheime politie
toegeschreven aan een teveel, door anderen aan een tekort aan vrijheid
en decentralisatie.
Een tweede hervorming, in 1965, verzwakte nog verder de directe invloed
van partij en staat op het economisch gebeuren; zij betekende ook dat
onrendabele bedrijven in de steek moesten worden gelaten en dat de
werkloosheid toenam. In 1966 kwam Rankoviç, gedoodverfd als opvolger van
Tito, exponent van centralistische Servische belangen, ten val omdat
hij, naast zijn verzet tegen de economische hervorming en het
arbeidersbestuur, zich ook tegen Tito zelf zou hebben verzet door hem af
te luisteren.
In juni 1968 kwamen, in navolging van Parijs, de studenten in Belgrado
en Zagreb in opstand tegen de toenemende sociale verschillen, tegen de
bureaucratie en de 'rode prinsen van het socialisme'. Tito beloofde
verbeteringen, maar toen de beweging wegebde werden haar leiders
gearresteerd en veranderde er niets.
Kenmerkend voor het decennium 1970-1980 is dat de federale overheid
steeds meer macht verloor aan de regeringen van de republieken.
Ontevredenheid over de Kroatische achterstelling (financieel-economisch
en politiek) door Servië leidde in 1971 tot een uitbarsting van
nationalisme in Kroatië. Na ingrijpen van Tito werd in Kroatië vrijwel
de volledige staats- en partijleiding afgezet.
Later volgde een moeizame zuivering van de leiding in Servië (hier
heetten de tegenstanders liberalen en technocraten) en in de overige
republieken. In 1971 werd het principe van roulerend leiderschap
ingevoerd en versterkte de partij haar greep op het bestuur. Er trad een
merkbare verstrakking van het regime op. De instelling van een Centraal
Comité in 1974 dat de macht meer naar het centrum in Belgrado moest
halen, had weinig resultaat. De tegenstelling tussen de federale partij
en de overheid tegenover de leiding in de republieken, die hun eigen
belangen verdedigden, bleef bestaan.
De nieuwe grondwet van 1974 kende de burgers een groot aantal vrijheden
toe, die echter werden ingeperkt door de bepaling dat het sociale
systeem van Joegoslavië niet mocht worden aangetast. Het bestuur werd
gedecentraliseerd en de autonome (op Servisch grondgebied gelegen)
provincies Kosovo en Vojvodina kregen een grote mate van
zelfstandigheid.
Na de dood van Tito (mei 1980) traden de tegenstellingen tussen de
verschillende nationaliteiten steeds duidelijker aan het licht. Tegen
het einde van de jaren tachtig streefden met name de welvarende Slovenen,
en in mindere mate de Kroaten, naar een lossere band tussen de
verschillende republieken. In Servië, dat in het oude Joegoslavië meer
en meer ging domineren, ontstond een sterke Servisch-nationalistische
beweging onder leiding van de orthodox-communistische Servische
president Slobodan Miloševiç. Op het congres van de Joegoslavische
communistische partij in januari 1990 wilden de Sloveense communisten
een meerpartijenstelsel en daarnaast meer autonomie voor de
communistische partijen van de diverse republieken. De Servische
communisten vreesden opsplitsing van Joegoslavië (en aantasting van hun
macht). Uiteindelijk gaf de Joegoslavische communistische partij haar
leidende rol op. Voor de Slovenen was dit niet genoeg. Zij verlieten het
congres, waarna dit werd verdaagd.
5.2.1 Slovenië en Kroatië
De Sloveense communistische partij besloot op haar eigen congres in
februari dat zij een nieuw sociaal-democratisch verkiezingsprogramma zou
gaan ontwerpen. Zij veranderde haar naam in Partij van Democratische
Vernieuwing.
In april 1990 hadden in Slovenië en Kroatië de eerste vrije verkiezingen
plaats, die werden gewonnen door de anticommunistische coalities (resp.
DEMOS en HDZ). In Slovenië werd de voormalige communist Milan Kucan
president, in Kroatië de nationalistische oud-dissident Franjo Tudjman.
Bij verkiezingen in de overige vier deelrepublieken bleven alleen in
Servië en Montenegro de tot socialisten omgedoopte communisten aan de
macht. President van Servië bleef de nationalistische communist Slobodan
Miloševiç.
Op een referendum in december spraken de Slovenen zich uit voor
afscheiding. In juni 1991 trachtte het Joegoslavische nationale leger de
zich zojuist per 25 juni onafhankelijk verklaarde republieken Slovenië
en Kroatië te isoleren van hulp uit het westen door o.a. grensovergangen
te bezetten en te bombarderen. Na EG-bemiddeling ontstond een broos
staakt-het-vuren. Hierna verplaatste de strijd zich naar het door
voornamelijk Serviërs bewoonde oostelijk deel van Kroatië, waar reeds in
de herfst van 1990 de daar wonende Serviërs de autonome republiek
Krajina hadden uitgeroepen. Het door de Serviërs gedomineerde federale
leger veroverde de in Krajina gelegen steden Vukovar en Osijek, die
daarbij zwaar beschadigd werden. Een staakt-het-vuren dat door een
VN-vredesmacht werd beschermd, maakte een einde aan de gevechten in
Krajina maar bestendigde de verovering daarvan door het federale
(inmiddels Servische wegens grootschalige desertie van andere
bevolkingsgroepen) leger. Anderzijds trok het federale (Servische) leger
zich in 1991 terug uit zowel Slovenië en de rest van Kroatië, waarna op
23 december 1991 Duitsland als eerste van de EG-landen Slovenië en
Kroatië erkende als onafhankelijke landen.
5.2.2 Bosnië-Hercegovina
De voor een groot deel (44%) door moslims bewoonde staat
Bosnië-Hercegovina hield in februari 1992 een referendum, waarbij
gekozen werd voor afscheiding van Joegoslavië. Het referendum werd
evenwel geboycot door de Servische minderheid (31,4%). Met hulp van het
federale leger veroverden de Bosnische Serviërs grote delen van
Bosnië-Hercegovina. Hierdoor ontstond een brug tussen Servië en het
eerder op de Kroaten veroverde Krajina. Aanvankelijk vochten moslims en
Kroaten zij aan zij, maar in 1993 keerden de Kroaten zich tegen de
moslims en trachtten ook zij hun gebied uit te breiden ten koste van de
moslims. Hieraan konden de diverse door EG-bemiddelaar Owen en
VN-bemiddelaars Vance en later Stoltenberg ontworpen plannen voor
aanvankelijk een op etniciteit gegrondveste verdeling in een groot
aantal provincies en later (1993) een verdeling in drie etnische staten,
geen einde maken. Eind 1993 werd gesproken over de verdeling van de
hoofdstad Sarajevo in etnische gebieden.
5.2.3 Macedonië
Het door de gevechten in met name Kroatië gebonden federale leger trok
zich in februari-maart 1991 definitief uit Macedonië terug. Vanwege
verzet door Griekenland - dat aanspraken maakte op de naam Macedonië -
bleef internationale erkenning uit tot 1993. Zie voorts Macedonië
[aardrijkskunde]2.
5.2.4 Servië en Montenegro (Klein Joegoslavië)
In Servië, en het sterk met Servië verbonden Montenegro, bleven de
centralistische tendensen sterk. De wijziging van de Servische grondwet,
die de autonomie van provincies Kosovo en Vojvodina beperkte, leidde in
1989 en 1990 tot ernstige onlusten in Kosovo, waarbij tientallen leden
van de Albanese minderheid het leven verloren.
De communisten bleven stevig in het zadel en verzetten zich uit alle
macht tegen ondermijning van hun gezag. In maart 1991 kwam het tot
bloedige botsingen in Belgrado tussen de Servische veiligheidstroepen en
tienduizenden anticommunistische betogers. Het leger herstelde de rust
en de Servische regering deed enige concessies op het gebied van de
democratie.
Vanwege de sterke betrokkenheid van Servië en Montenegro bij de
gevechten buiten hun grenzen werden zij getroffen door een
internationale economische boycot sinds november 1991. In 1992 besloten
beide republieken onder de naam Federale Republiek Joegoslavië in één
staatsverband verder te gaan. Op 23 april 1992 werd een nieuwe federale
grondwet aangenomen. Verkiezingen in mei werden gewonnen door de
Socialistische Partij (de voormalige communistische partij) van Miloševiç.
Zij werden evenwel geboycot door de min of meer monddood gemaakte
oppositie. De Servisch-Amerikaanse zakenman Milan Paniç werd premier en
president werd de schrijver Dobrica Cosiç. Paniç verweet Miloševiç dat
deze slechts een klein groepje oorlogszuchtige fanatici
vertegenwoordigde. Hij moest het veld ruimen en werd in februari 1993
vervangen door Radoje Kontiç. Miloševiç versterkte zijn positie in juni
1993 door president Dobrica Cosiç te laten vervangen.
De verkiezingen van dec. 1993 werden gewonnen door de Socialistische
Partij van Servië (SPS), die echter net geen meerderheid wist te
behalen. De onderhandelingen om te komen tot een coalitieregering
mislukten en uiteindelijk vormden de socialisten een
minderheidsregering. In de zomer van 1994 kwam de zgn. contactgroep,
bestaande uit de Verenigde Staten, Rusland, Groot-Brittannië, Frankrijk
en Duitsland, met een nieuw plan voor de verdeling van
Bosnië-Hercegovina: 49% van het grondgebied werd toegewezen aan de
Bosnische Serviërs en 49% aan de moslim-Kroatische federatie. De
Servische president Miloševiç ging akkoord, maar hij slaagde er niet in
de Bosnische Serviërs voor het plan te winnen. Miloševiç, die aanstuurde
op beëindiging van het Bosnische conflict om daarmee een eind te maken
aan de internationale sancties tegen Joegoslavië, onthield zich in deze
fase van steun aan de in het defensief gedrongen Bosnische en Kroatische
Serviërs.
Op 21 nov. 1995 werd in de Amerikaanse stad Dayton (Ohio) na bemiddeling
van de Verenigde Staten een vredesakkoord voor Bosnië-Hercegovina
bereikt tussen de presidenten Izetbegoviç van Bosnië-Hercegovina,
Tudjman van Kroatië en Miloševiç van Servië, die ook namens de Bosnische
Serviërs onderhandelde. De vredesvoorstellen werden in dec. in Parijs
getekend en de sancties tegen Joegoslavië werden hierna opgeheven.
Als gevolg van de militaire opmars van de Bosnische moslims en de
Kroaten in Bosnië-Hercegovina kwam er een massale vluchtelingenstroom op
gang van de Servische bevolking uit Bosnië en Kroatië naar Servië. Op
economisch gebied ontstonden er tussen de Servische en de Montenegrijnse
politieke leiding grote meningsverschillen over de economische koers. De
Montenegrijnen pleitten voor invoering van de markteconomie en
privatiseringen, terwijl de Serviërs zich fel verzetten tegen
privatisering van de staatsbedrijven.
Na het Dayton-akkoord zocht Joegoslavië toenadering tot Kroatië,
Macedonië en Bosnië-Hercegovina. In april 1996 werden diplomatieke
betrekkingen aangeknoopt met Macedonië, een voorwaarde van de EU om tot
erkenning van Joegoslavië over te gaan.
In mei 1996 kwam het in de industriestad Nis tot ernstige sociale
onlusten, nadat duizenden arbeiders al maandenlang geen salaris meer
hadden ontvangen. De protesten richtten zich vooral tegen het
economische beleid van de SPS van Miloševiç. De verkiezingen voor het
federale parlement van begin nov. leverden in Servië een overwinning op
voor de coalitie, bestaande uit de regerende SPS, Joegoslavisch Verenigd
Links (JUL) en de Democratische Partij van Servië. In Montenegro
zegevierde de regerende Democratische Partij van de Socialisten van
Montenegro (DPS). Bij de gelijktijdig gehouden gemeenteraadsverkiezingen
behaalde de coalitie Zajedno (Samen), bestaande uit de drie grootste
Servische oppositiepartijen, de Servische Vernieuwingsbeweging, de
Democratische Partij en de Servische Burgerbond, samen met een aantal
kleinere partijen, de meerderheid in bijna alle grote Servische steden.
De SPS van Miloševiç verklaarde daarop de meeste uitslagen ongeldig,
waarna de oppositie, studenten en arbeidersorganisaties dagelijks
massale demonstraties organiseerden in Belgrado om de verkiezingsuitslag
te eerbiedigen. Na maandenlange demonstraties erkende Miloševiç, mede
onder grote buitenlandse druk, de overwinning van de gebundelde
oppositie.
Telefoongids Joegoslavië
Postcodes
Joegoslavië
|