header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 


JordaniŽ

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 

 

JordaniŽ (officieel: Al-Mamlakah al-Oerdoennijjah al-Hasji-mijjah = Het Hasjemitisch Koninkrijk JordaniŽ), tot 1947 TransjordaniŽ, koninkrijk in Zuidwest-AziŽ, 90.650 km2, ten oosten van de Jordaan, met (1995) 4.217.000 inw. (47 inw. per km2); hoofdstad: Amman [aardrijkskunde]. Munteenheid is de Jordaanse dinar, verdeeld in 1000 fils. Nationale feestdag is 25 mei, Onafhankelijkheidsdag.


1. Fysische geografie

JordaniŽ bestaat voornamelijk uit een gesteenteplateau met een gemiddelde hoogte van 915 m. Van noordwest naar zuidoost kan men onderscheiden: a. een heuvelland (tot ca. 1000 m) in het gebied ten westen van de Jordaan; b. de Jordaanslenk, van noord naar zuid gevormd door het Jordaandal (el Ghor), de Dode Zee, de Wadi Araba en de noordelijkste uitloper van de Grote Afrikaanse Slenk; c. ten oosten hiervan een heuvelland (1000 tot 1500 m). Dit gaat oost- en zuidwaarts over in vrij vlakke woestijnlandschappen. De twee belangrijkste rivieren zijn de Jordaan (zie Jordaan [aardrijkskunde]1), uitmondend in de ook aan JordaniŽ grenzende Dode Zee, en de Jarmoek.
JordaniŽ kent hete zomers, met name op het plateau en in de Jordaanvallei. De winters (november-mei) zijn tamelijk vochtig; de berggebieden ten westen en oosten van de Jordaan zijn tamelijk koud en kennen vorst en sneeuw. De neerslag bedraagt in het hoge heuvelland in het noorden jaarlijks gemiddeld 700 mm; in het zuiden van de Jordaanvallei 100 mm.
De plantengroei bestaat uit een steppevegetatie, armer of rijker al naargelang de neerslag. De schaarse dierenwereld, aan de kust mediterraan van karakter, maar in het binnenland met een typisch (Arabisch) woestijnkarakter, wordt steeds armer, vnl. wat betreft de grote zoogdieren (roof-, hoefdieren). In verscheidene delen van het land zijn of worden natuurreservaten ingericht (El Azraq, Wadi Araba e.a.).

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking is bijna geheel Arabisch, met als belangrijkste minderheidsgroepering de CircassiŽrs, die, oorspronkelijk als vluchtelingen, afkomstig zijn uit de Kaukasus (0,5%). Ruim de helft van de bevolking is afkomstig uit door IsraŽl bezette gebieden van Palestina. De bevolkingsdichtheid in het noorden en noordwesten is steeds aanmerkelijk groter geweest dan in de overige delen van het land. De oorspronkelijke bewoners van de Oostoever zijn vnl. bedoeÔenen; van hen leidt eenderde een nomadisch bestaan. In 1994 woonde 70% van de bevolking in de steden, waarvan de grootste zijn Amman (ca. 1 miljoen inw.), Zarka (600.000 inw.) en Irbid (400.000 inw.). De jaarlijkse bevolkingsgroei is zeer groot: tussen 1985 en 1993 gemiddeld 5,9%. De helft van de bevolking is jonger dan 15 jaar.
2.2 Taal
Overal in JordaniŽ wordt het 'Jordaans' of 'Syrisch' Arabisch gesproken, dat in vele opzichten afwijkt van het als schrijftaal gebruikte modern standaard-Arabisch. Slechts in een klein aantal Circassische dorpen is het Arabisch niet de voertaal.
2.3 Religie
Sinds de invoering van de grondwet in 1952 is de islam staatsgodsdienst. Ruim 93% van de bevolking is de soennitische richting van de islam toegedaan en volgt daarin de sjafi'itische rechtsschool; 3% zijn sji'ieten (o.a. de CircassiŽrs). Naast islamieten telt het land een aantal christelijke groepen: grieks-orthodoxen, rooms-katholieken en enige protestanten.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
JerashAan het hoofd van het koninkrijk staat een constitutioneel monarch die onschendbaar is. De troonopvolging is erfelijk bepaald en voorbehouden aan mannen. De uitvoerende macht berust bij de Koning, die de minister-president benoemt en kan ontslaan en opperbevelhebber van het leger is. De wetgevende macht berust bij de Koning en de Nationale Vergadering, die grondwettelijk bestaat uit een Senaat, bestaande uit 40 door de Koning voor acht jaar benoemde notabelen, die ouder moeten zijn dan 40 jaar en een Huis van Afgevaardigden, bestaande uit 80 gekozen leden. Zij worden voor 4 jaar gekozen. In nov. 1989 werden voor het eerst in 23 jaar weer verkiezingen gehouden. Voor zittingen van beide huizen is een quorum van tweederde vereist. De leden komen slechts in bijzondere zittingen bijeen. Volgens een amendement op de grondwet uit 1976 heeft de koning het recht verkiezingen uit te schrijven dan wel voor langere tijd uit te stellen. Er is (volgens de grondwet) algemeen kiesrecht; vrouwen kregen pas in 1973 actief en passief kiesrecht. De kiesgerechtigde leeftijd is 18 jaar.
In 1991 kwam een einde aan een periode van ruim dertig jaar waarin de vorming van politieke partijen verboden was. Via de aanvaarding van een nationaal handvest werd in juni officieel het meerpartijenstelsel aanvaard. De grootste partij in het parlement, dat uit vele onafhankelijke leden en talrijke kleine partijen bestaat, is het Islamitische Actiefront (IAF).
3.2 Administratieve indeling
JordaniŽ telt 12 districten (liwas), die onderverdeeld zijn in subdistricten (quadas). De stadsbesturen worden lokaal gekozen, de burgemeesters door de regering benoemd.
3.3 Rechtswezen
Er wordt recht gesproken namens de Koning door door de Koning benoemde rechters. De rechtsprekende instellingen zijn naar westers model ingericht en onafhankelijk. Voor zaken betreffende huwelijk, scheiding, erfrecht, enz. kunnen moslims zich bij traditionele islamitische sjari'a-rechtbanken vervoegen, bestaande uit ťťn rechter (qadi). Voor christenen bestaan voor deze zaken eigen religieuze rechtbanken, bestaande uit drie rechters.
3.4 Lidmaatschap van internationale organisaties
JordaniŽ is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties van de VN, de Islamitische Conferentie en de Arabische Liga. Voorts is er een samenwerkingsverdrag met de EU en maakt JordaniŽ sinds 1989 deel uit van de Arabische Samenwerkingsraad (ACC).
3.5 Defensie
JordaniŽ kent een dienstplicht van twee jaar voor mannen. Het staande leger gaat door voor het best getrainde Arabische leger. Het Jordaanse leger komt voort uit het befaamde door de Engelsen ingestelde Arabische Legioen van John Bagot Glubb. Het leger telde in 1988 ruim 85!000 man, overwegend landmacht. Het materieel is van overwegend Amerikaanse en Britse makelij.
3.6 Sociale situatie
Vooral door de overmakingen van Jordaanse gastarbeiders uit de Arabische oliestaten maakte JordaniŽ in de jaren zeventig een stevige economische groei door. Er was nauwelijks werkloosheid. Door de daling van de aardolieprijzen in de jaren tachtig namen deze inkomsten af, terwijl ook de Arabische subsidies aan JordaniŽ terugliepen. De economische groei liep terug, terwijl de werkloosheid drastisch toenam (van 8% in 1986 tot 14% in 1987). In 1987 werkten 280.000 JordaniŽrs in het buitenland, overwegend in Arabische staten. De JordaniŽrs hebben over het algemeen een hoog opleidingsniveau. Ongeschoolde arbeid wordt vaak verricht door Palestijnen en Egyptenaren. De regering stimuleert de scholing en inschakeling in het arbeidsproces van vrouwen, o.a. door het opzetten van crŤches. De gezondheidszorg staat op een relatief hoog niveau. Er is ťťn arts per 1000 inwoners.
De verzorging (scholing, gezondheid en voeding) van de uit Palestina afkomstige bewoners van JordaniŽ wordt voor een zeer groot deel gerealiseerd door de UNRWA (United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Middle East). Naast de gezondheidszorg van de UNRWA bestaat er een nationale gezondheidszorg die op vele terreinen met deze VN-organisatie samenwerkt.
3.7 Onderwijs
Het onderwijs is op Westerse leest geschoeid. Ongeveer 10% van de scholen is particulier, een klein deel islamitisch. Na een lagere school van zes jaar (gratis en verplicht) volgen verschillende vormen van secundair en beroepsonderwijs. Er zijn drie staatsuniversiteiten: in Amman, de Yarmoekuniversiteit in Irbid en in Mo'ata en een particuliere universiteit in Zarka. Tussen 1961 en 1987 is het analfabetisme gedaald van 67% naar 26%.
3.8 Pers en omroep
Hoewel er censuur bestaat, is er een redelijk gevarieerde pers. De voornaamste dagbladen zijn Al Destour (de Grondwet; oplage: 60!000 exx.) en het onafhankelijke Al Raj (de Opinie; oplage: 80!000 exx.). Engelstalig zijn het dagblad The Jordan Times (15!000 exx.) en het weekblad The Jerusalem Star. Het Jordaanse persbureau Petra is gevestigd in Amman. De (staats)radio en -televisie (sinds 1968) verzorgen uitzendingen in het Arabisch en in het Engels.

4. Economie
4.1 Algemeen
Met het wegvallen van de Westoever door de oorlog van 1973 gingen zowel de belangrijke inkomsten uit de aldaar gevestigde en relatief hoog ontwikkelde landbouw als uit het snel groeiende toerisme (Jeruzalem en Bethlehem) verloren. In deze verliezen werd slechts gedeeltelijk voorzien door schenkingen en leningen van Arabische aardolieproducerende landen. De Jordaanse economie is voor een groot deel onafhankelijk van buitenlandse hulp (o.a. Verenigde Staten en Arabische olielanden). Door de Golfcrisis van 1990-1991 en de daarop volgende Tweede Golfoorlog raakte de Jordaanse economie, na een periode van uitzonderlijke bloei, door het verkeerd gekozen bondgenootschap met Irak opnieuw in het nauw. Vooral het handelsembargo tegen Irak, veruit het belangrijkste exportland voor JordaniŽ, kwam het land duur te staan. Bovendien lag de import bijna stil als gevolg van de blokkade van Akaba. De werkloosheid steeg van 15% in 1990 tot 30% begin 1991, voornamelijk veroorzaakt door de gedwongen terugkeer van 150!000 Palestijnse JordaniŽrs uit Koeweit en de Golfstaten. JordaniŽ leed door de Golfcrisis en -oorlog een verlies van $ 1,5 miljard op jaarbasis. Bovendien had het land op een bevolking van ruim 3 miljoen inwoners een buitenlandse schuld van minstens $ 12 miljard. Dankzij goede resultaten in de mijnbouw, de landbouw en het toerisme steeg het bnp van 1993 tot 1995 met 6% per jaar. Met hulp van het IMF liep de buitenlandse schuld terug naar $ 6 miljard, een halvering in vijf jaar tijds. Overigens is de bevolking er alleen maar armer op geworden.
4.2 Landbouw, veehouderij en visserij
Bij de oorlog van 1967 verloor JordaniŽ het belangrijkste landbouwgebied, de Westelijke Jordaanoever, waarvan het in 1988 ook formeel afstand deed. Vanaf 1970 werd gewerkt aan verbetering van de landbouw in het oostelijke Jordaandal. Grote, in vijfjarenplannen vervatte irrigatieprojecten, hebben ongeveer 5% van de grond in cultuur gebracht. Niettemin blijft de landbouw van ondergeschikt belang. Haar aandeel in het bruto nationaal product (bnp) is 7%, terwijl in deze sector ongeveer 5% van de beroepsbevolking werkzaam is. In de loop van de jaren zijn de voedselimporten gestegen. Fruit en groenten (tomaten, meloenen, citrus) zijn de belangrijkste gewassen van de Jordaanse landbouw en worden geŽxporteerd, vooral naar de Perzische-Golfstaten en Saoedi-ArabiŽ. De meer aride zones ten oosten van de Hedjaz-spoorlijn worden zeer extensief bebouwd (granen en olijven). Behalve met infrastructurele problemen heeft de landbouw ook te kampen met een tekort aan arbeidskrachten; voor mechanisatie ontbreken in het algemeen de financiŽle middelen.
De veehouderij is niet uitsluitend beperkt tot de vruchtbare gebieden, waar runderen, paarden en kippen gefokt worden. Kamelen, schapen en geiten vindt men in de meer aride zones, waar deze dieren worden geweid door nomaden en halfnomaden. In 1990 waren er 1,2 miljoen schapen; kippenfarms zijn sterk uitgebreid (61 miljoen kippen).
Visserij wordt in de Golf van Akaba bedreven en voorziet in ca. 20% van de binnenlandse behoefte.
4.3 Mijnbouw
Behalve fosfaat bezit het land nauwelijks of geen delfstoffen. De fosfaatvoorraden worden geschat op 2000 miljoen ton. Andere delfstoffen die (in kleine hoeveelheden) worden gewonnen of waarvan de aanwezigheid is aangetoond, zijn marmer, kaliumcarbonaat, steenzout, kalksteen, pyriet, mangaan, gips en kopererts. Er zijn kleine aardolievelden bij Azrak en aardgas is aangetroffen bij Ar Risha. Al sinds het verleden is de Jordaanse energievoorziening volledig afhankelijk van aardolieleveranties uit de Arabische landen. In de jaren zeventig echter zijn tezamen met irrigatieprojecten hydro-elektrische installaties operationeel geworden. De bedoeling was de aardoliebehoefte ten behoeve van de energie hierdoor steeds verder terug te dringen; de voortschrijdende industrialisatie sedert 1970 deed tegelijkertijd de vraag echter belangrijk stijgen. Tevens bleek tijdens de Golfoorlog hoezeer het land afhankelijk was geworden van de (goedkope) aardolieleveranties door Irak.
4.4 Industrie
De industriŽle planning en ontwikkeling verliep na 1973 uitermate succesvol. De respectievelijke vijfjarenplannen voorzagen steeds in het stimuleren van de industriŽle ontwikkeling. De zware industrie bij Amman en Akaba wordt gedomineerd door grote bedrijven die fosfaat, kaliumcarbonaat, kunstmest, aardoliederivaten, cement en ijzer (Yarmoek) produceren. Overigens wordt de Jordaanse industrie gekenmerkt door het grote aantal kleine en middelkleine bedrijven, die actief zijn in de voedselverwerking of allerhande producten vervaardigen voor de lokale markt. De lokale industrie wordt door tariefheffingen op import beschermd.
4.5 Handel
De uitvoer van fosfaat en kunstmest, groente en fruit is de belangrijkste bron van inkomsten. Daarnaast worden op bescheiden schaal naar andere Arabische landen (vooral Saoedi-ArabiŽ) leer, tabak, olijfolie en elektrische batterijen uitgevoerd. De export is vooral gericht op Irak en Saoedi-ArabiŽ en in mindere mate op Egypte, India en Pakistan. De invoer overtreft de uitvoer met ca. 400%; geÔmporteerd wordt vooral uit Duitsland, de Verenigde Staten, ItaliŽ en Frankrijk. De export gaat vooral naar India, Saoedi-ArabiŽ en IndonesiŽ.
4.6 Bankwezen
Mede door het uitvallen van Beiroet is de betekenis van de bank- en dienstensector aanzienlijk toegenomen. Sinds 1975 is het aandeel in het bnp verviervoudigd. Veel buitenlandse banken hebben vestigingen in Amman. Restricties op buitenlandse investeringen zijn goeddeels opgeheven. Centrale bank is de in 1964 opgerichte Central Bank of Jordan.
4.7 Verkeer en toerisme
Het toerisme kreeg een gevoelige klap door het verlies van de Westelijke Jordaanoever, maar deze sector wist zich sindsdien te herstellen; de Golfcrisis en -oorlog leidden evenwel tot forse inkrimping. De belangrijkste toeristische centra zijn de rotsstad Petra, Djerasj (Gerasa), de badplaats Akaba en de oostoever van de Dode Zee. Vooral uit Arabische landen komen steeds meer toeristen naar JordaniŽ. Moderne hotels en verbeterde infrastructuur moeten deze sector verder stimuleren. Het wegennet (ruim 6000 km in 1993) is in de jaren tachtig aanzienlijk verbeterd, vooral de noord-zuidverbindingen. Het spoorwegnet heeft alleen industrieel enige betekenis. De haven van Akaba is van betekenis voor zowel JordaniŽ als Irak. In 1985 werd een veerbootverbinding tussen Akaba en Nuweibeh (Egypte) geopend. In 1983 werd een nieuwe internationale luchthaven ten zuiden van Amman in gebruik genomen. De nationale luchtvaartmaatschappij (Royal Jordanian, voorheen Alia) onderhoudt verbindingen met de belangrijkste luchthavens in de wereld.

5. Geschiedenis
Het 'Overjordaanse' of Transjordaanse gebied behoorde eens tot de oudste beschavingen. Muurschilderingen in grotten in de Jordaanvallei tonen aan dat het gebied rond 4300 v.C. reeds sedentaire gemeenschappen kende. Grote semitische migraties vanuit het hart van het Arabisch Schiereiland brachten Kanašnieten naar de Westoever, die er later kleine koninkrijken stichtten. In het begin van de 2de eeuw n.C. kwam het gebied bij het Romeinse Rijk; vervolgens regeerden er vazallen van het Byzantijnse rijk. In de 7de eeuw werd het gebied bij het islamitische rijk ingelijfd; het behoorde achtereenvolgens tot de kaliefenrijken van Damascus en Bagdad. In 1516 ging het deel uitmaken van het Ottomaanse rijk.
Tijdens de desintegratie van dit rijk in de Eerste Wereldoorlog kwam het gebied sterk in de internationale belangstelling. Het deel van Klein-AziŽ dat door Arabieren werd bewoond (Masjrik), werd met het Sykes-Picot-verdrag op papier tussen Groot-BrittanniŽ en Frankrijk verdeeld. JordaniŽ werd aan Groot-BrittanniŽ toegedacht. Zionisten legden intussen op deze regio een claim ten behoeve van de stichting van een Joods Nationaal Tehuis; deze claim werd met de Britse Balfour-verklaring gehonoreerd. Inmiddels hadden Arabische legers onder leiding van de Britten (T.E. Lawrence) de Masjrik van Turkse overheersing bevrijd.
Er werd een Arabische regering gevormd onder leiding van emir Feisal, zoon van de sjarif van Mekka. Begin 1919 riep het Arabische Nationale Congres in Damascus SyriŽ en Irak tot twee aparte staten uit, hetgeen stuitte op hevig verzet van de Fransen en de zionisten. De Conferentie van San Remo (febr. 1919) gaf de Britten het mandaat over Palestina en scheidde het daarmee feitelijk af van SyriŽ, dat onder Frans mandaat kwam. Feisal werd vervolgens door de Fransen uit Damascus verdreven (juli 1919). Irak was in Britse handen geraakt; de positie van TransjordaniŽ bleef onduidelijk. Feisals broer Abdoellah, door de lokale heersers in dit gebied binnengehaald als afgevaardigde van zijn vader, de sjarif van Mekka, werd door de Britten erkend als emir van TransjordaniŽ, dat zij in 1922 onttrokken aan het aan de zionisten beloofde land voor het Joods Nationaal Tehuis.
In 1923 werd TransjordaniŽ door de Britten onafhankelijkheid toegezegd, welke het land in 1928 kreeg, nadat een Arabisch Legioen was gevormd onder leiding van Britse officieren. Britse voogdij bleef bestaan op het gebied van financiŽn en buitenlandse zaken. Met de snel groeiende stroom zionisten nam de instabiliteit in West-JordaniŽ intussen snel toe. Het Palestijnse verzet werd sterker en de onrust leek ook Oost-JordaniŽ aan te tasten. Slechts door het doortastend optreden van de Britse majoor John Bagot Glubb (Glubb Pasja), die de leiding van het Arabische Legioen op zich nam en met de zeer loyale en ervaren bedoeÔenensoldaten de basis legde voor het moderne leger van JordaniŽ, werd het uiteenvallen van de staat voorkomen.
In 1945 werd de Arabische Liga geformeerd, waarvan ook JordaniŽ lid werd. Op 22 maart 1946 erkenden de Britten de Arabische Liga en verwierf JordaniŽ volledige onafhankelijkheid. Groot-BrittanniŽ behield bases op Jordaans grondgebied en verplichtte zich tot een jaarlijkse financiŽle steun. Zodra de Britten begonnen zich (gedeeltelijk) uit Palestina terug te trekken en direct daaropvolgend de staat IsraŽl was uitgeroepen (14 mei 1948), vielen Egyptische, Syrische, Iraakse en Jordaanse troepen Palestina binnen. Alleen het Jordaanse leger werd niet door IsraŽl verslagen; het wist het oude stadsdeel van Jeruzalem en grote delen van de Westoever te bezetten. In 1950 annexeerde Abdoellah deze gebieden, hetgeen in de rest van de Arabische wereld op fel verzet stuitte. Op 20 juli 1951 werd Abdoellah vermoord. Zijn tweede zoon, Talal, regeerde korte tijd, maar moest om gezondheidsredenen het koningschap overdragen aan zijn zoon Hoessein (mei 1953).
Een bron van voortdurende politieke onrust vormde het Palestijnse bevolkingsdeel, dat zijn sympathie en vertrouwen deed uitgaan naar de nieuwe Egyptische machthebber Nasser. Voortdurende grensincidenten met IsraŽl leidden tot diverse IsraŽlische strafexpedities. Eind 1955 brak een politieke crisis uit als gevolg van Britse druk om JordaniŽ tot het Bagdad-pact te doen toetreden. JordaniŽ verklaarde zich ten slotte tegen dit pact en op 2 maart 1956 ontsloeg koning Hoessein Glubb Pasja. In okt. 1956 werd een pro-Egyptische regering gevormd onder de Palestijn Naboelsi. Deze zegde op 29 nov. het Brits-Jordaanse verdrag op (vertrek Britse troepen).
De Suez-crisis versterkte de pro-Egyptische sentimenten in het land. Een nieuwe politieke crisis in april 1957 leidde tot het aftreden van premier Naboelsi, een verbod op alle politieke partijen en het ongedaan maken van Naboelsi's besluit diplomatieke betrekkingen aan te knopen met de Sovjet-Unie. In febr. 1958 sloot JordaniŽ met Irak een federatie als antwoord op de Syrisch-Egyptische unie (Verenigde Arabische Republiek). Na de val van de (eveneens Hasjemitische) monarchie in Irak (14 juli 1958) zond Engeland op verzoek van Hoessein parachutisten, die korte tijd in het land bleven. De federatie met Irak werd ontbonden. Slechts Amerikaanse steun hield JordaniŽ op de been. De koning volgde een pro-Westerse koers; zijn verhouding met president Nasser van Egypte werd steeds meer gespannen en binnenslands kwam zijn positie herhaalde malen in gevaar door activiteiten van Palestijnse oppositionele groeperingen. De koning wist zich echter te handhaven met behulp van hem trouw zijnde bedoeÔenentroepen. Behalve grensincidenten met IsraŽl vonden sinds de machtsoverneming door de Ba'thpartij in SyriŽ (maart 1963) in stijgende mate ook incidenten aan de Syrisch-Jordaanse grens plaats. In 1966, toen Hoessein zich achter het islamitische alliantieplan van de Saoedische koning Feisal schaarde, keerden Egypte, SyriŽ en Irak zich heftig tegen dit plan.
Ten gevolge van de snel oplopende spanning rond IsraŽl in mei 1967 verzoende Hoessein zich evenwel met Nasser en plaatste zijn leger onder Egyptisch opperbevel. Tijdens de juni-oorlog van 1967 veroverde IsraŽl al het Jordaanse gebied ten westen van de Jordaan, terwijl honderdduizenden vluchtelingen de rivier overtrokken. Palestijnse verzetsorganisaties, met name al-Fatah, verweten Hoessein een te gematigde houding ten opzichte van IsraŽl en gingen de positie van de koning steeds sterker bedreigen. In sept. 1970 kwam het tot een kortstondige maar heftige burgeroorlog tussen Hoesseins bedoeÔenenleger en de Palestijnse bevrijdingsorganisaties, waarbij de laatsten als politieke factor in JordaniŽ werden uitgeschakeld. In de zomer van 1971 werden hun laatste steunpunten opgeruimd. De binnen en buiten de Arabische wereld snel toenemende erkenning van de Palestijnse verzetsbeweging deed Hoessein echter besluiten opnieuw toenadering te zoeken tot de Palestijnen, o.m. via een voorstel tot oprichting van een Verenigd (nl. Jordaans-Palestijns) Arabisch Koninkrijk, dat echter zeer slecht werd ontvangen.
Hoewel de koning zijn positie in de Arabische wereld wist te versterken door zijn land te laten deelnemen, zij het ook symbolisch, aan de Oktoberoorlog (1973), besloot de een jaar later gehouden Arabische topconferentie te Rabat (okt. 1974) dat slechts de overkoepelende Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) kon optreden als vertegenwoordiger van de Palestijnen - een hoedanigheid die Hoessein tot dan toe exclusief voor de Jordaanse regering had opgeŽist. Nadat de koning zich na fel verzet bij deze beslissing had moeten neerleggen, zag hij ten gunste van de Palestijnen officieel af van zijn aanspraken op het door IsraŽl bezette gedeelte van de westelijke Jordaanoever en zegde hij blijvende steun toe aan het streven naar herstel van de rechten van de Palestijnen.
In 1979 verbrak Hoessein de betrekkingen met Egypte naar aanleiding van het door de Egyptische president Sadat geÔnitieerde vredesverdrag tussen IsraŽl en Egypte en de daarop volgende onderhandelingen over Palestijnse autonomie. De nog altijd stroeve betrekkingen met de PLO werden verder aangehaald.
Een Amerikaans vredesplan voor het Midden-Oosten (Reagan-plan, sept. 1982) bepleitte de zgn. Jordaanse optie: Palestijns zelfbestuur in associatie met JordaniŽ. Verkennende besprekingen hierover tussen koning Hoessein en PLO-leider J. Arafat leidden uiteindelijk in febr. 1985 tot een gezamenlijk Jordaans-Palestijnse vredesstrategie. Een jaar later echter strandde deze samenwerking op groeiende meningsverschillen. Inmiddels had JordaniŽ de betrekkingen met Egypte hersteld (sept. 1984) en beijverde het zich binnen de Arabische Liga voor de terugkeer van Egypte, wat uiteindelijk in mei 1989 op de topconferentie van Casablanca zijn beslag kreeg.
Pogingen van koning Hoessein om zijn aanhang op de Westelijke Jordaanoever te vergroten (o.a. door ontwikkelingsgelden en burgemeestersbenoemingen) en geheime onderhandelingen met de IsraŽlische minister Peres, leidden niet tot concrete resultaten. Nadat in dec. 1987 in de bezette gebieden de Intifadah (Palestijnse opstand) was uitgebroken, die zich niet alleen tegen het IsraŽlische bezettingsregime keerde, maar ook tegen een mogelijke Jordaanse optie, besloot koning Hoessein de bestuurlijke banden met de Westoever definitief te verbreken (30 juli 1988). Dit betekende dat alle Jordaanse ambtenaren op de Westoever werden ontslagen en dat de 850!000 inwoners hun Jordaanse nationaliteit (maar nog niet hun paspoort) verloren. Het ontwikkelingsplan werd stopgezet. De in jan. 1984 weer herstelde Nationale Vergadering, waarvan de helft van de afgevaardigden de Westelijke Jordaanoever vertegenwoordigden, werd ontbonden.
Na een reeks kabinetswisselingen was in april 1985 Zaid al-Rifai opnieuw premier geworden. Behalve met de Palestijnse kwestie werd zijn regering eind jaren tachtig geconfronteerd met toenemende economische problemen. Een reeks door het Internationale Monetaire Fonds (IMF) geadviseerde prijsverhogingen leidde in april 1989 tot hevige onlusten in de grote steden. Koning Hoessein ontsloeg hierop de van corruptie beschuldigde Rifai en kondigde nieuwe verkiezingen aan. Deze leverden in nov. 1989 een verrassende overwinning op voor moslimfundamentalisten, die echter niet in de nieuwe regering van Moedar Badran werden opgenomen.
In de Eerste Golfoorlog tussen Irak en Iran (1980-1988) koos JordaniŽ de zijde van Irak en verleende dat land vooral logistieke steun. Dit leidde tot ernstige spanningen met het buurland SyriŽ. Sinds 1986 vond er echter weer een voorzichtige toenadering tot SyriŽ plaats. De banden met Irak bleven echter nauw, niet in het minst doordat Irak JordaniŽ van (goedkope) aardolie voorzag. Tijdens de Golfcrisis en de daaropvolgende Tweede Golfoorlog (aug. 1990 - febr. 1991) kwam JordaniŽ in een moeilijke situatie. Het was economisch zeer afhankelijk van de handel met en van de import van aardolie uit het door een boycot van de Verenigde Naties getroffen Irak. Tevens was een groot deel van de bevolking (waaronder veel Palestijnen) fel gekant tegen het Amerikaanse optreden in de Golf.
Zijn pro-Iraakse opstelling werd JordaniŽ niet in dank afgenomen door de Verenigde Staten en Saoedi-ArabiŽ. Na afloop van de Tweede Golfoorlog werd JordaniŽ door de Verenigde Staten toch weer betrokken bij de vredesconferentie over het Midden-Oosten in Madrid (okt.-nov. 1991). In juli 1992 werd een wet aanvaard die de vorming van politieke partijen mogelijk maakt. In dec. werden vijf partijen, en in febr. 1993 een zesde partij, gelegaliseerd.
De economische situatie verbeterde in 1993 nauwelijks, terwijl de werkloosheid - mede door de terugkeer van gastarbeiders uit de Golfstaten - met 30% zeer hoog bleef.
Koning Hoessein nam in 1995 duidelijk afstand van het bewind van Saddam Hoessein in Irak, die hij ten tijde van de Tweede Golfoorlog nog als een politieke vriend had beschouwd. Nadat Saddams schoonzoons in aug. 1994 naar JordaniŽ waren gevlucht, werden ze door koning Hoessein persoonlijk ontvangen en riep de Jordaanse vorst de Iraakse leider op af te treden.
In de loop van 1996 bekoelden de relaties met IsraŽl aanzienlijk door de starre en weinig coŲperatieve houding van de regering-Netanyahu. De sinds de Golfoorlog verstoorde band met Saoedi-ArabiŽ werd hersteld en ook de betrekkingen met Koeweit normaliseerden zich. In okt. 1996 bezocht koning Hoessein als eerste Arabische staatshoofd de Palestijnse gebieden, bij welke gelegenheid hij het gezag van Arafat legitimeerde.
Anderhalve maand eerder hadden zich in Karak en andere steden ernstige rellen voorgedaan na een verdubbeling van de broodprijs. De achtergrond van het broodoproer is gelegen in het feit dat de omschakeling van een tribale samenleving met traditionele saamhorigheid naar een moderne maatschappij (met een stagnerende economie) moeizaam verloopt.

Telefoongids JordaniŽ
Postcodes JordaniŽ

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009