|

1. Fysische geografie
Jordanië bestaat voornamelijk uit een gesteenteplateau met een
gemiddelde hoogte van 915 m. Van noordwest naar zuidoost kan men
onderscheiden: a. een heuvelland (tot ca. 1000 m) in het gebied ten
westen van de Jordaan; b. de Jordaanslenk, van noord naar zuid gevormd
door het Jordaandal (el Ghor), de Dode Zee, de Wadi Araba en de
noordelijkste uitloper van de Grote Afrikaanse Slenk; c. ten oosten
hiervan een heuvelland (1000 tot 1500 m). Dit gaat oost- en zuidwaarts
over in vrij vlakke woestijnlandschappen. De twee belangrijkste rivieren
zijn de Jordaan (zie Jordaan [aardrijkskunde]1), uitmondend in de ook
aan Jordanië grenzende Dode Zee, en de Jarmoek.
Jordanië kent hete zomers, met name op het plateau en in de
Jordaanvallei. De winters (november-mei) zijn tamelijk vochtig; de
berggebieden ten westen en oosten van de Jordaan zijn tamelijk koud en
kennen vorst en sneeuw. De neerslag bedraagt in het hoge heuvelland in
het noorden jaarlijks gemiddeld 700 mm; in het zuiden van de
Jordaanvallei 100 mm.
De plantengroei bestaat uit een steppevegetatie, armer of rijker al
naargelang de neerslag. De schaarse dierenwereld, aan de kust
mediterraan van karakter, maar in het binnenland met een typisch
(Arabisch) woestijnkarakter, wordt steeds armer, vnl. wat betreft de
grote zoogdieren (roof-, hoefdieren). In verscheidene delen van het land
zijn of worden natuurreservaten ingericht (El Azraq, Wadi Araba e.a.).
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De
bevolking is bijna geheel Arabisch, met als belangrijkste
minderheidsgroepering de Circassiërs, die, oorspronkelijk als
vluchtelingen, afkomstig zijn uit de Kaukasus (0,5%). Ruim de helft van
de bevolking is afkomstig uit door Israël bezette gebieden van
Palestina. De bevolkingsdichtheid in het noorden en noordwesten is
steeds aanmerkelijk groter geweest dan in de overige delen van het land.
De oorspronkelijke bewoners van de Oostoever zijn vnl. bedoeïenen; van
hen leidt eenderde een nomadisch bestaan. In 1994 woonde 70% van de
bevolking in de steden, waarvan de grootste zijn Amman (ca. 1 miljoen
inw.), Zarka (600.000 inw.) en Irbid (400.000 inw.). De jaarlijkse
bevolkingsgroei is zeer groot: tussen 1985 en 1993 gemiddeld 5,9%. De
helft van de bevolking is jonger dan 15 jaar.
2.2 Taal
Overal in Jordanië wordt het 'Jordaans' of 'Syrisch' Arabisch gesproken,
dat in vele opzichten afwijkt van het als schrijftaal gebruikte modern
standaard-Arabisch. Slechts in een klein aantal Circassische dorpen is
het Arabisch niet de voertaal.
2.3 Religie
Sinds de invoering van de grondwet in 1952 is de islam staatsgodsdienst.
Ruim 93% van de bevolking is de soennitische richting van de islam
toegedaan en volgt daarin de sjafi'itische rechtsschool; 3% zijn
sji'ieten (o.a. de Circassiërs). Naast islamieten telt het land een
aantal christelijke groepen: grieks-orthodoxen, rooms-katholieken en
enige protestanten.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Aan
het hoofd van het koninkrijk staat een constitutioneel monarch die
onschendbaar is. De troonopvolging is erfelijk bepaald en voorbehouden
aan mannen. De uitvoerende macht berust bij de Koning, die de
minister-president benoemt en kan ontslaan en opperbevelhebber van het
leger is. De wetgevende macht berust bij de Koning en de Nationale
Vergadering, die grondwettelijk bestaat uit een Senaat, bestaande uit 40
door de Koning voor acht jaar benoemde notabelen, die ouder moeten zijn
dan 40 jaar en een Huis van Afgevaardigden, bestaande uit 80 gekozen
leden. Zij worden voor 4 jaar gekozen. In nov. 1989 werden voor het
eerst in 23 jaar weer verkiezingen gehouden. Voor zittingen van beide
huizen is een quorum van tweederde vereist. De leden komen slechts in
bijzondere zittingen bijeen. Volgens een amendement op de grondwet uit
1976 heeft de koning het recht verkiezingen uit te schrijven dan wel
voor langere tijd uit te stellen. Er is (volgens de grondwet) algemeen
kiesrecht; vrouwen kregen pas in 1973 actief en passief kiesrecht. De
kiesgerechtigde leeftijd is 18 jaar.
In 1991 kwam een einde aan een periode van ruim dertig jaar waarin de
vorming van politieke partijen verboden was. Via de aanvaarding van een
nationaal handvest werd in juni officieel het meerpartijenstelsel
aanvaard. De grootste partij in het parlement, dat uit vele
onafhankelijke leden en talrijke kleine partijen bestaat, is het
Islamitische Actiefront (IAF).
3.2 Administratieve indeling
Jordanië telt 12 districten (liwas), die onderverdeeld zijn in
subdistricten (quadas). De stadsbesturen worden lokaal gekozen, de
burgemeesters door de regering benoemd.
3.3 Rechtswezen
Er wordt recht gesproken namens de Koning door door de Koning benoemde
rechters. De rechtsprekende instellingen zijn naar westers model
ingericht en onafhankelijk. Voor zaken betreffende huwelijk, scheiding,
erfrecht, enz. kunnen moslims zich bij traditionele islamitische
sjari'a-rechtbanken vervoegen, bestaande uit één rechter (qadi). Voor
christenen bestaan voor deze zaken eigen religieuze rechtbanken,
bestaande uit drie rechters.
3.4 Lidmaatschap van internationale organisaties
Jordanië is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties
van de VN, de Islamitische Conferentie en de Arabische Liga. Voorts is
er een samenwerkingsverdrag met de EU en maakt Jordanië sinds 1989 deel
uit van de Arabische Samenwerkingsraad (ACC).
3.5 Defensie
Jordanië kent een dienstplicht van twee jaar voor mannen. Het staande
leger gaat door voor het best getrainde Arabische leger. Het Jordaanse
leger komt voort uit het befaamde door de Engelsen ingestelde Arabische
Legioen van John Bagot Glubb. Het leger telde in 1988 ruim 85!000 man,
overwegend landmacht. Het materieel is van overwegend Amerikaanse en
Britse makelij.
3.6 Sociale situatie
Vooral door de overmakingen van Jordaanse gastarbeiders uit de Arabische
oliestaten maakte Jordanië in de jaren zeventig een stevige economische
groei door. Er was nauwelijks werkloosheid. Door de daling van de
aardolieprijzen in de jaren tachtig namen deze inkomsten af, terwijl ook
de Arabische subsidies aan Jordanië terugliepen. De economische groei
liep terug, terwijl de werkloosheid drastisch toenam (van 8% in 1986 tot
14% in 1987). In 1987 werkten 280.000 Jordaniërs in het buitenland,
overwegend in Arabische staten. De Jordaniërs hebben over het algemeen
een hoog opleidingsniveau. Ongeschoolde arbeid wordt vaak verricht door
Palestijnen en Egyptenaren. De regering stimuleert de scholing en
inschakeling in het arbeidsproces van vrouwen, o.a. door het opzetten
van crèches. De gezondheidszorg staat op een relatief hoog niveau. Er is
één arts per 1000 inwoners.
De verzorging (scholing, gezondheid en voeding) van de uit Palestina
afkomstige bewoners van Jordanië wordt voor een zeer groot deel
gerealiseerd door de UNRWA (United Nations Relief and Works Agency for
Palestine Refugees in the Middle East). Naast de gezondheidszorg van de
UNRWA bestaat er een nationale gezondheidszorg die op vele terreinen met
deze VN-organisatie samenwerkt.
3.7 Onderwijs
Het onderwijs is op Westerse leest geschoeid. Ongeveer 10% van de
scholen is particulier, een klein deel islamitisch. Na een lagere school
van zes jaar (gratis en verplicht) volgen verschillende vormen van
secundair en beroepsonderwijs. Er zijn drie staatsuniversiteiten: in
Amman, de Yarmoekuniversiteit in Irbid en in Mo'ata en een particuliere
universiteit in Zarka. Tussen 1961 en 1987 is het analfabetisme gedaald
van 67% naar 26%.
3.8 Pers en omroep
Hoewel er censuur bestaat, is er een redelijk gevarieerde pers. De
voornaamste dagbladen zijn Al Destour (de Grondwet; oplage: 60!000 exx.)
en het onafhankelijke Al Raj (de Opinie; oplage: 80!000 exx.).
Engelstalig zijn het dagblad The Jordan Times (15!000 exx.) en het
weekblad The Jerusalem Star. Het Jordaanse persbureau Petra is gevestigd
in Amman. De (staats)radio en -televisie (sinds 1968) verzorgen
uitzendingen in het Arabisch en in het Engels.
4. Economie
4.1 Algemeen
Met het wegvallen van de Westoever door de oorlog van 1973 gingen zowel
de belangrijke inkomsten uit de aldaar gevestigde en relatief hoog
ontwikkelde landbouw als uit het snel groeiende toerisme (Jeruzalem en
Bethlehem) verloren. In deze verliezen werd slechts gedeeltelijk
voorzien door schenkingen en leningen van Arabische aardolieproducerende
landen. De Jordaanse economie is voor een groot deel onafhankelijk van
buitenlandse hulp (o.a. Verenigde Staten en Arabische olielanden). Door
de Golfcrisis van 1990-1991 en de daarop volgende Tweede Golfoorlog
raakte de Jordaanse economie, na een periode van uitzonderlijke bloei,
door het verkeerd gekozen bondgenootschap met Irak opnieuw in het nauw.
Vooral het handelsembargo tegen Irak, veruit het belangrijkste
exportland voor Jordanië, kwam het land duur te staan. Bovendien lag de
import bijna stil als gevolg van de blokkade van Akaba. De werkloosheid
steeg van 15% in 1990 tot 30% begin 1991, voornamelijk veroorzaakt door
de gedwongen terugkeer van 150!000 Palestijnse Jordaniërs uit Koeweit en
de Golfstaten. Jordanië leed door de Golfcrisis en -oorlog een verlies
van $ 1,5 miljard op jaarbasis. Bovendien had het land op een bevolking
van ruim 3 miljoen inwoners een buitenlandse schuld van minstens $ 12
miljard. Dankzij goede resultaten in de mijnbouw, de landbouw en het
toerisme steeg het bnp van 1993 tot 1995 met 6% per jaar. Met hulp van
het IMF liep de buitenlandse schuld terug naar $ 6 miljard, een
halvering in vijf jaar tijds. Overigens is de bevolking er alleen maar
armer op geworden.
4.2 Landbouw, veehouderij en visserij
Bij de oorlog van 1967 verloor Jordanië het belangrijkste
landbouwgebied, de Westelijke Jordaanoever, waarvan het in 1988 ook
formeel afstand deed. Vanaf 1970 werd gewerkt aan verbetering van de
landbouw in het oostelijke Jordaandal. Grote, in vijfjarenplannen
vervatte irrigatieprojecten, hebben ongeveer 5% van de grond in cultuur
gebracht. Niettemin blijft de landbouw van ondergeschikt belang. Haar
aandeel in het bruto nationaal product (bnp) is 7%, terwijl in deze
sector ongeveer 5% van de beroepsbevolking werkzaam is. In de loop van
de jaren zijn de voedselimporten gestegen. Fruit en groenten (tomaten,
meloenen, citrus) zijn de belangrijkste gewassen van de Jordaanse
landbouw en worden geëxporteerd, vooral naar de Perzische-Golfstaten en
Saoedi-Arabië. De meer aride zones ten oosten van de Hedjaz-spoorlijn
worden zeer extensief bebouwd (granen en olijven). Behalve met
infrastructurele problemen heeft de landbouw ook te kampen met een
tekort aan arbeidskrachten; voor mechanisatie ontbreken in het algemeen
de financiële middelen.
De veehouderij is niet uitsluitend beperkt tot de vruchtbare gebieden,
waar runderen, paarden en kippen gefokt worden. Kamelen, schapen en
geiten vindt men in de meer aride zones, waar deze dieren worden geweid
door nomaden en halfnomaden. In 1990 waren er 1,2 miljoen schapen;
kippenfarms zijn sterk uitgebreid (61 miljoen kippen).
Visserij wordt in de Golf van Akaba bedreven en voorziet in ca. 20% van
de binnenlandse behoefte.
4.3 Mijnbouw
Behalve fosfaat bezit het land nauwelijks of geen delfstoffen. De
fosfaatvoorraden worden geschat op 2000 miljoen ton. Andere delfstoffen
die (in kleine hoeveelheden) worden gewonnen of waarvan de aanwezigheid
is aangetoond, zijn marmer, kaliumcarbonaat, steenzout, kalksteen,
pyriet, mangaan, gips en kopererts. Er zijn kleine aardolievelden bij
Azrak en aardgas is aangetroffen bij Ar Risha. Al sinds het verleden is
de Jordaanse energievoorziening volledig afhankelijk van
aardolieleveranties uit de Arabische landen. In de jaren zeventig echter
zijn tezamen met irrigatieprojecten hydro-elektrische installaties
operationeel geworden. De bedoeling was de aardoliebehoefte ten behoeve
van de energie hierdoor steeds verder terug te dringen; de
voortschrijdende industrialisatie sedert 1970 deed tegelijkertijd de
vraag echter belangrijk stijgen. Tevens bleek tijdens de Golfoorlog
hoezeer het land afhankelijk was geworden van de (goedkope)
aardolieleveranties door Irak.
4.4 Industrie
De industriële planning en ontwikkeling verliep na 1973 uitermate
succesvol. De respectievelijke vijfjarenplannen voorzagen steeds in het
stimuleren van de industriële ontwikkeling. De zware industrie bij Amman
en Akaba wordt gedomineerd door grote bedrijven die fosfaat,
kaliumcarbonaat, kunstmest, aardoliederivaten, cement en ijzer (Yarmoek)
produceren. Overigens wordt de Jordaanse industrie gekenmerkt door het
grote aantal kleine en middelkleine bedrijven, die actief zijn in de
voedselverwerking of allerhande producten vervaardigen voor de lokale
markt. De lokale industrie wordt door tariefheffingen op import
beschermd.
4.5 Handel
De uitvoer van fosfaat en kunstmest, groente en fruit is de
belangrijkste bron van inkomsten. Daarnaast worden op bescheiden schaal
naar andere Arabische landen (vooral Saoedi-Arabië) leer, tabak,
olijfolie en elektrische batterijen uitgevoerd. De export is vooral
gericht op Irak en Saoedi-Arabië en in mindere mate op Egypte, India en
Pakistan. De invoer overtreft de uitvoer met ca. 400%; geïmporteerd
wordt vooral uit Duitsland, de Verenigde Staten, Italië en Frankrijk. De
export gaat vooral naar India, Saoedi-Arabië en Indonesië.
4.6 Bankwezen
Mede door het uitvallen van Beiroet is de betekenis van de bank- en
dienstensector aanzienlijk toegenomen. Sinds 1975 is het aandeel in het
bnp verviervoudigd. Veel buitenlandse banken hebben vestigingen in
Amman. Restricties op buitenlandse investeringen zijn goeddeels
opgeheven. Centrale bank is de in 1964 opgerichte Central Bank of Jordan.
4.7 Verkeer en toerisme
Het toerisme kreeg een gevoelige klap door het verlies van de Westelijke
Jordaanoever, maar deze sector wist zich sindsdien te herstellen; de
Golfcrisis en -oorlog leidden evenwel tot forse inkrimping. De
belangrijkste toeristische centra zijn de rotsstad Petra, Djerasj (Gerasa),
de badplaats Akaba en de oostoever van de Dode Zee. Vooral uit Arabische
landen komen steeds meer toeristen naar Jordanië. Moderne hotels en
verbeterde infrastructuur moeten deze sector verder stimuleren. Het
wegennet (ruim 6000 km in 1993) is in de jaren tachtig aanzienlijk
verbeterd, vooral de noord-zuidverbindingen. Het spoorwegnet heeft
alleen industrieel enige betekenis. De haven van Akaba is van betekenis
voor zowel Jordanië als Irak. In 1985 werd een veerbootverbinding tussen
Akaba en Nuweibeh (Egypte) geopend. In 1983 werd een nieuwe
internationale luchthaven ten zuiden van Amman in gebruik genomen. De
nationale luchtvaartmaatschappij (Royal Jordanian, voorheen Alia)
onderhoudt verbindingen met de belangrijkste luchthavens in de wereld.
5. Geschiedenis
Het 'Overjordaanse' of Transjordaanse gebied behoorde eens tot de oudste
beschavingen. Muurschilderingen in grotten in de Jordaanvallei tonen aan
dat het gebied rond 4300 v.C. reeds sedentaire gemeenschappen kende.
Grote semitische migraties vanuit het hart van het Arabisch Schiereiland
brachten Kanaänieten naar de Westoever, die er later kleine koninkrijken
stichtten. In het begin van de 2de eeuw n.C. kwam het gebied bij het
Romeinse Rijk; vervolgens regeerden er vazallen van het Byzantijnse
rijk. In de 7de eeuw werd het gebied bij het islamitische rijk
ingelijfd; het behoorde achtereenvolgens tot de kaliefenrijken van
Damascus en Bagdad. In 1516 ging het deel uitmaken van het Ottomaanse
rijk.
Tijdens de desintegratie van dit rijk in de Eerste Wereldoorlog kwam het
gebied sterk in de internationale belangstelling. Het deel van
Klein-Azië dat door Arabieren werd bewoond (Masjrik), werd met het
Sykes-Picot-verdrag op papier tussen Groot-Brittannië en Frankrijk
verdeeld. Jordanië werd aan Groot-Brittannië toegedacht. Zionisten
legden intussen op deze regio een claim ten behoeve van de stichting van
een Joods Nationaal Tehuis; deze claim werd met de Britse
Balfour-verklaring gehonoreerd. Inmiddels hadden Arabische legers onder
leiding van de Britten (T.E. Lawrence) de Masjrik van Turkse
overheersing bevrijd.
Er werd een Arabische regering gevormd onder leiding van emir Feisal,
zoon van de sjarif van Mekka. Begin 1919 riep het Arabische Nationale
Congres in Damascus Syrië en Irak tot twee aparte staten uit, hetgeen
stuitte op hevig verzet van de Fransen en de zionisten. De Conferentie
van San Remo (febr. 1919) gaf de Britten het mandaat over Palestina en
scheidde het daarmee feitelijk af van Syrië, dat onder Frans mandaat
kwam. Feisal werd vervolgens door de Fransen uit Damascus verdreven
(juli 1919). Irak was in Britse handen geraakt; de positie van
Transjordanië bleef onduidelijk. Feisals broer Abdoellah, door de lokale
heersers in dit gebied binnengehaald als afgevaardigde van zijn vader,
de sjarif van Mekka, werd door de Britten erkend als emir van
Transjordanië, dat zij in 1922 onttrokken aan het aan de zionisten
beloofde land voor het Joods Nationaal Tehuis.
In 1923 werd Transjordanië door de Britten onafhankelijkheid toegezegd,
welke het land in 1928 kreeg, nadat een Arabisch Legioen was gevormd
onder leiding van Britse officieren. Britse voogdij bleef bestaan op het
gebied van financiën en buitenlandse zaken. Met de snel groeiende stroom
zionisten nam de instabiliteit in West-Jordanië intussen snel toe. Het
Palestijnse verzet werd sterker en de onrust leek ook Oost-Jordanië aan
te tasten. Slechts door het doortastend optreden van de Britse majoor
John Bagot Glubb (Glubb Pasja), die de leiding van het Arabische Legioen
op zich nam en met de zeer loyale en ervaren bedoeïenensoldaten de basis
legde voor het moderne leger van Jordanië, werd het uiteenvallen van de
staat voorkomen.
In 1945 werd de Arabische Liga geformeerd, waarvan ook Jordanië lid
werd. Op 22 maart 1946 erkenden de Britten de Arabische Liga en verwierf
Jordanië volledige onafhankelijkheid. Groot-Brittannië behield bases op
Jordaans grondgebied en verplichtte zich tot een jaarlijkse financiële
steun. Zodra de Britten begonnen zich (gedeeltelijk) uit Palestina terug
te trekken en direct daaropvolgend de staat Israël was uitgeroepen (14
mei 1948), vielen Egyptische, Syrische, Iraakse en Jordaanse troepen
Palestina binnen. Alleen het Jordaanse leger werd niet door Israël
verslagen; het wist het oude stadsdeel van Jeruzalem en grote delen van
de Westoever te bezetten. In 1950 annexeerde Abdoellah deze gebieden,
hetgeen in de rest van de Arabische wereld op fel verzet stuitte. Op 20
juli 1951 werd Abdoellah vermoord. Zijn tweede zoon, Talal, regeerde
korte tijd, maar moest om gezondheidsredenen het koningschap overdragen
aan zijn zoon Hoessein (mei 1953).
Een bron van voortdurende politieke onrust vormde het Palestijnse
bevolkingsdeel, dat zijn sympathie en vertrouwen deed uitgaan naar de
nieuwe Egyptische machthebber Nasser. Voortdurende grensincidenten met
Israël leidden tot diverse Israëlische strafexpedities. Eind 1955 brak
een politieke crisis uit als gevolg van Britse druk om Jordanië tot het
Bagdad-pact te doen toetreden. Jordanië verklaarde zich ten slotte tegen
dit pact en op 2 maart 1956 ontsloeg koning Hoessein Glubb Pasja. In
okt. 1956 werd een pro-Egyptische regering gevormd onder de Palestijn
Naboelsi. Deze zegde op 29 nov. het Brits-Jordaanse verdrag op (vertrek
Britse troepen).
De Suez-crisis versterkte de pro-Egyptische sentimenten in het land. Een
nieuwe politieke crisis in april 1957 leidde tot het aftreden van
premier Naboelsi, een verbod op alle politieke partijen en het ongedaan
maken van Naboelsi's besluit diplomatieke betrekkingen aan te knopen met
de Sovjet-Unie. In febr. 1958 sloot Jordanië met Irak een federatie als
antwoord op de Syrisch-Egyptische unie (Verenigde Arabische Republiek).
Na de val van de (eveneens Hasjemitische) monarchie in Irak (14 juli
1958) zond Engeland op verzoek van Hoessein parachutisten, die korte
tijd in het land bleven. De federatie met Irak werd ontbonden. Slechts
Amerikaanse steun hield Jordanië op de been. De koning volgde een
pro-Westerse koers; zijn verhouding met president Nasser van Egypte werd
steeds meer gespannen en binnenslands kwam zijn positie herhaalde malen
in gevaar door activiteiten van Palestijnse oppositionele groeperingen.
De koning wist zich echter te handhaven met behulp van hem trouw zijnde
bedoeïenentroepen. Behalve grensincidenten met Israël vonden sinds de
machtsoverneming door de Ba'thpartij in Syrië (maart 1963) in stijgende
mate ook incidenten aan de Syrisch-Jordaanse grens plaats. In 1966, toen
Hoessein zich achter het islamitische alliantieplan van de Saoedische
koning Feisal schaarde, keerden Egypte, Syrië en Irak zich heftig tegen
dit plan.
Ten gevolge van de snel oplopende spanning rond Israël in mei 1967
verzoende Hoessein zich evenwel met Nasser en plaatste zijn leger onder
Egyptisch opperbevel. Tijdens de juni-oorlog van 1967 veroverde Israël
al het Jordaanse gebied ten westen van de Jordaan, terwijl
honderdduizenden vluchtelingen de rivier overtrokken. Palestijnse
verzetsorganisaties, met name al-Fatah, verweten Hoessein een te
gematigde houding ten opzichte van Israël en gingen de positie van de
koning steeds sterker bedreigen. In sept. 1970 kwam het tot een
kortstondige maar heftige burgeroorlog tussen Hoesseins bedoeïenenleger
en de Palestijnse bevrijdingsorganisaties, waarbij de laatsten als
politieke factor in Jordanië werden uitgeschakeld. In de zomer van 1971
werden hun laatste steunpunten opgeruimd. De binnen en buiten de
Arabische wereld snel toenemende erkenning van de Palestijnse
verzetsbeweging deed Hoessein echter besluiten opnieuw toenadering te
zoeken tot de Palestijnen, o.m. via een voorstel tot oprichting van een
Verenigd (nl. Jordaans-Palestijns) Arabisch Koninkrijk, dat echter zeer
slecht werd ontvangen.
Hoewel de koning zijn positie in de Arabische wereld wist te versterken
door zijn land te laten deelnemen, zij het ook symbolisch, aan de
Oktoberoorlog (1973), besloot de een jaar later gehouden Arabische
topconferentie te Rabat (okt. 1974) dat slechts de overkoepelende
Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) kon optreden als
vertegenwoordiger van de Palestijnen - een hoedanigheid die Hoessein tot
dan toe exclusief voor de Jordaanse regering had opgeëist. Nadat de
koning zich na fel verzet bij deze beslissing had moeten neerleggen, zag
hij ten gunste van de Palestijnen officieel af van zijn aanspraken op
het door Israël bezette gedeelte van de westelijke Jordaanoever en zegde
hij blijvende steun toe aan het streven naar herstel van de rechten van
de Palestijnen.
In 1979 verbrak Hoessein de betrekkingen met Egypte naar aanleiding van
het door de Egyptische president Sadat geïnitieerde vredesverdrag tussen
Israël en Egypte en de daarop volgende onderhandelingen over Palestijnse
autonomie. De nog altijd stroeve betrekkingen met de PLO werden verder
aangehaald.
Een Amerikaans vredesplan voor het Midden-Oosten (Reagan-plan, sept.
1982) bepleitte de zgn. Jordaanse optie: Palestijns zelfbestuur in
associatie met Jordanië. Verkennende besprekingen hierover tussen koning
Hoessein en PLO-leider J. Arafat leidden uiteindelijk in febr. 1985 tot
een gezamenlijk Jordaans-Palestijnse vredesstrategie. Een jaar later
echter strandde deze samenwerking op groeiende meningsverschillen.
Inmiddels had Jordanië de betrekkingen met Egypte hersteld (sept. 1984)
en beijverde het zich binnen de Arabische Liga voor de terugkeer van
Egypte, wat uiteindelijk in mei 1989 op de topconferentie van Casablanca
zijn beslag kreeg.
Pogingen van koning Hoessein om zijn aanhang op de Westelijke
Jordaanoever te vergroten (o.a. door ontwikkelingsgelden en
burgemeestersbenoemingen) en geheime onderhandelingen met de Israëlische
minister Peres, leidden niet tot concrete resultaten. Nadat in dec. 1987
in de bezette gebieden de Intifadah (Palestijnse opstand) was
uitgebroken, die zich niet alleen tegen het Israëlische bezettingsregime
keerde, maar ook tegen een mogelijke Jordaanse optie, besloot koning
Hoessein de bestuurlijke banden met de Westoever definitief te verbreken
(30 juli 1988). Dit betekende dat alle Jordaanse ambtenaren op de
Westoever werden ontslagen en dat de 850!000 inwoners hun Jordaanse
nationaliteit (maar nog niet hun paspoort) verloren. Het
ontwikkelingsplan werd stopgezet. De in jan. 1984 weer herstelde
Nationale Vergadering, waarvan de helft van de afgevaardigden de
Westelijke Jordaanoever vertegenwoordigden, werd ontbonden.
Na een reeks kabinetswisselingen was in april 1985 Zaid al-Rifai opnieuw
premier geworden. Behalve met de Palestijnse kwestie werd zijn regering
eind jaren tachtig geconfronteerd met toenemende economische problemen.
Een reeks door het Internationale Monetaire Fonds (IMF) geadviseerde
prijsverhogingen leidde in april 1989 tot hevige onlusten in de grote
steden. Koning Hoessein ontsloeg hierop de van corruptie beschuldigde
Rifai en kondigde nieuwe verkiezingen aan. Deze leverden in nov. 1989
een verrassende overwinning op voor moslimfundamentalisten, die echter
niet in de nieuwe regering van Moedar Badran werden opgenomen.
In de Eerste Golfoorlog tussen Irak en Iran (1980-1988) koos Jordanië de
zijde van Irak en verleende dat land vooral logistieke steun. Dit leidde
tot ernstige spanningen met het buurland Syrië. Sinds 1986 vond er
echter weer een voorzichtige toenadering tot Syrië plaats. De banden met
Irak bleven echter nauw, niet in het minst doordat Irak Jordanië van
(goedkope) aardolie voorzag. Tijdens de Golfcrisis en de daaropvolgende
Tweede Golfoorlog (aug. 1990 - febr. 1991) kwam Jordanië in een
moeilijke situatie. Het was economisch zeer afhankelijk van de handel
met en van de import van aardolie uit het door een boycot van de
Verenigde Naties getroffen Irak. Tevens was een groot deel van de
bevolking (waaronder veel Palestijnen) fel gekant tegen het Amerikaanse
optreden in de Golf.
Zijn pro-Iraakse opstelling werd Jordanië niet in dank afgenomen door de
Verenigde Staten en Saoedi-Arabië. Na afloop van de Tweede Golfoorlog
werd Jordanië door de Verenigde Staten toch weer betrokken bij de
vredesconferentie over het Midden-Oosten in Madrid (okt.-nov. 1991). In
juli 1992 werd een wet aanvaard die de vorming van politieke partijen
mogelijk maakt. In dec. werden vijf partijen, en in febr. 1993 een zesde
partij, gelegaliseerd.
De
economische situatie verbeterde in 1993 nauwelijks, terwijl de
werkloosheid - mede door de terugkeer van gastarbeiders uit de
Golfstaten - met 30% zeer hoog bleef.
Koning Hoessein nam in 1995 duidelijk afstand van het bewind van Saddam
Hoessein in Irak, die hij ten tijde van de Tweede Golfoorlog nog als een
politieke vriend had beschouwd. Nadat Saddams schoonzoons in aug. 1994
naar Jordanië waren gevlucht, werden ze door koning Hoessein persoonlijk
ontvangen en riep de Jordaanse vorst de Iraakse leider op af te treden.
In de loop van 1996 bekoelden de relaties met Israël aanzienlijk door de
starre en weinig coöperatieve houding van de regering-Netanyahu. De
sinds de Golfoorlog verstoorde band met Saoedi-Arabië werd hersteld en
ook de betrekkingen met Koeweit normaliseerden zich. In okt. 1996
bezocht koning Hoessein als eerste Arabische staatshoofd de Palestijnse
gebieden, bij welke gelegenheid hij het gezag van Arafat legitimeerde.
Anderhalve maand eerder hadden zich in Karak en andere steden ernstige
rellen voorgedaan na een verdubbeling van de broodprijs. De achtergrond
van het broodoproer is gelegen in het feit dat de omschakeling van een
tribale samenleving met traditionele saamhorigheid naar een moderne
maatschappij (met een stagnerende economie) moeizaam verloopt.
Telefoongids Jordanië
Postcodes Jordanië
|