Jupiter [astronomie], in massa en afmetingen de grootste planeet
van ons zonnestelsel, echter niet (van de aarde uit gezien) de
helderste: Venus overtreft Jupiter in helderheid, terwijl Mars
soms ook helderder is.

Jupiter is echter
meestal helderder dan Sirius, de helderste ster op het noordelijk
halfrond. Bij gemiddelde oppositie is de helderheid -2, 2m. De
gemiddelde afstand tot de zon bedraagt 778.400.000 km, variërend van ca.
600.000.000 km tot 1.000.000.000 km. De omlooptijd bedraagt 11,862
aardse jaren, de excentriciteit van de baan is 0,04837 en de helling van
de baan ten opzichte van de ecliptica is 1°18¢17². De inclinatiehoek van
Jupiters equator ten opzichte van zijn baanvlak is 3°05¢. De
omwentelingstijd van Jupiter rond zijn as is zeer snel, 9h50m30s aan de
equator en 9h55m40s aan de polen, ook wel genoemd de rotatieperiode in
resp. systeem I en II. Deze snelle rotatie heeft een sterke afplatting
(6,5%) aan de polen veroorzaakt: de equatoriale diameter van Jupiter is
142!200 km of 11,2 × die van de aarde en de polaire diameter is 133.540
km. De schijnbare diameter van Jupiter varieert tussen 30²,5 bij
conjunctie en 49²,8 bij oppositie. Jupiters massa is 1,9 × 1027 kg,
hetgeen 317,8 × die van de aarde is. Met behulp van Jupiters afmetingen
kan hieruit zijn dichtheid (1,33 g/cm3) bepaald worden, hetgeen slechts
weinig meer is dan die van water. Dit impliceert dat hij vnl. uit
vloeistof en gas bestaat.Mercurius beweegt zich in zijn baan veel
sneller voort dan de andere planeten. De gemiddelde snelheid van
Mercurius is meer dan 170.000 km/uur. Dat is anderhalf keer zo snel als
de Aarde.
1. Uitgezonden
straling
Het is bekend dat de straling die door planeten en manen uitgezonden
wordt, uit gereflecteerd zonlicht bestaat. Jupiter blijkt echter
tweemaal zoveel straling uit te zenden als hij van de zon ontvangt. De
temperatuur van zijn oppervlak zou op die grote afstand 107 K moeten
bedragen, maar blijkt 127 K te zijn. Dit duidt op de aanwezigheid van
een interne energiebron, die vrijwel zeker van gravitationele aard zal
zijn. Vergelijkt men de evolutie van Jupiter met die van een ster, dan
ziet men dat in de contractiefase de temperatuur in de kern oploopt tot
50.000 K. Was deze temperatuur tienmaal hoger geweest (bijv. doordat er
tienmaal zoveel massa bij de contractiefase betrokken zou zijn geweest),
dan zouden er kernreacties zijn begonnen en zou Jupiter de tweede zon in
ons zonnestelsel zijn geweest. Bij contractie daarna van de buitenste
delen van de planeet koelt deze weer af, zoals in de afkoelingsfase van
witte dwergen. Het kan zijn dat Jupiter nog steeds in deze
afkoelingsfase verkeert en snel genoeg contraheert om de extra
hoeveelheid uitgezonden straling te verklaren. Een andere mogelijkheid
is dat dit stralingsexces te danken is aan verlies van interne energie,
ontstaan bij een snelle contractie in het verleden.
2. Chemische
samenstelling en structuur
Om iets over het inwendige van Jupiter te kunnen zeggen, heeft men
getracht een model op te stellen dat zo goed mogelijk voldoet aan de
waargenomen gegevens als de grootte, vorm en dichtheid van de planeet,
de vorm en intensiteit van het zwaartekrachtveld, de aanwezigheid van
het sterke magneetveld dat Jupiter omringt en het feit dat de planeet
meer straling uitzendt dan zij van de zon ontvangt. De eenvoudigste
manier om de chemische samenstelling van de planeet te bepalen, is aan
te nemen dat de zon en planeten alle uit een grote gaswolk, de oernevel,
zijn ontstaan. Alle planeten zullen dan, wat hun samenstelling betreft,
op de zon lijken. De tijd die de lichtere elementen als waterstof en
helium nodig hebben om zich aan de aantrekkingskracht van de kleinere
planeten te onttrekken, is slechts een fractie van de tijd die ons
zonnestelsel oud is; bij Jupiter is deze tijd juist vele malen langer.
Vandaar dat algemeen wordt aangenomen dat de chemische samenstelling van
Jupiter ook nu nog op die van de zon zal lijken. Inderdaad zijn gassen
als bijv. waterstof (H), helium (He), stikstof (in de verbinding van
ammoniak, NH3) en koolstof (als methaan, CH4) gedetecteerd in de
atmosfeer in verhoudingen die ook ruwweg bij de zon worden gezien (82% H,
17% He, 1% andere elementen).
2.1 Vloeistofbewegingen
De hoge temperatuur in de kern (20.000 K) zorgt ervoor dat de aanwezige
elementen veeleer in vloeibare toestand dan als vaste stof aanwezig
zullen zijn. Bovendien is de druk daar zo hoog dat waterstof zich in een
metallisch vloeibare fase zal bevinden, zodat hier zowel
vloeistofbewegingen als elektrische stromen voor zullen komen, de twee
voorwaarden die nodig zijn om het magneetveld dat Jupiter omringt in
stand te houden door het principe van de zichzelf bekrachtigende dynamo
(waarmee ook het aardse magneetveld wordt verklaard, zie
aardmagnetisme). Onder aanname dat de planeet in hydrostatisch evenwicht
is, heeft men met behulp van de toestandsvergelijkingen voor waterstof
en helium het volgende model voor Jupiter opgesteld: een vrij kleine
kern in het centrum (bestaande uit SiO2, MgO), dan tot op 46!000 km van
het centrum een laag vloeibaar metallisch waterstof, een 24!000 km dikke
laag vloeibaar waterstof (gemengd met helium) en ten slotte de ca. 1000
km dikke atmosfeer. De daalcapsule van de Amerikaanse ruimtesonde
Galileo daalde op 7 december 1995 in deze atmosfeer door en verrichtte
ongeveer een uurlang metingen.
3. De atmosfeer met de Rode Vlek
De dikke wolkenlaag in de atmosfeer is het gedeelte van Jupiter dat men
ziet als men met een eenvoudige telescoop naar de planeet kijkt. De
donkere en lichte banden, evenwijdig aan de evenaar, zijn dan duidelijk
zichtbaar, evenals de Grote Rode Vlek in een van de zuidelijke tropische
zones. De ruimtevaartuigen Voyager 1 en 2 hebben deze wolkenlagen en
bewegingen hierin zeer nauwkeurig bestudeerd. Behalve een scheiding in
wolkenlagen zijn er veel andere details op de foto's te zien als witte
en bruine vlekjes, golfpatronen op de scheidingslagen, ‘pluimen’ in het
equatoriale gebied. De witte wolkenlagen en vlekken liggen hoog in de
atmosfeer en bestaan uit opstijgende gassen, de donkere lagen, de bruine
vlekken in de polaire streken en blauwgrijze gebieden in het equatoriale
gebied liggen dieper in de atmosfeer; het gas zakt hier naar beneden. De
hoogten van de verschillende gebieden zijn bepaald uit vergelijking met
opnamen in het infrarode (5 micrometer) gebied, gemaakt vanaf de aarde.
Hieruit bleek ook dat de Rode Vlek een flink stuk boven de atmosfeer
uitsteekt. De witte vlekken en de Grote Rode Vlek zijn meteorologisch
gezien gelijk. Zij vertonen eenzelfde draaikolkachtige anticyclonale
beweging, een opeenhoping van materiaal aan de westzijde en hebben
interacties met kleinere witte vlekken. Het enige verschil is dat de
Rode Vlek veel groter is (22!000 bij 11!000 km ten tijde van de
Voyager-ontmoetingen), een heel stuk boven het wolkendek uitsteekt en al
zeer lang bestaat: in 1665 werd hij reeds door Cassini gezien. In de
loop der jaren is zowel zijn intensiteit als zijn grootte veranderd;
gedurende enkele jaren is hij zelfs helemaal niet gezien. Al deze
vlekken zijn te vergelijken met een soort stormsystemen: materiaal
stijgt al wervelende op uit de diepere lagen van de atmosfeer. De
materie in de Rode Vlek komt waarschijnlijk uit de nog diepere lagen van
de atmosfeer of wordt door een heel ander mechanisme veroorzaakt.
3.1 Wolkenlagen
De kleuren van de verschillende wolkenlagen moeten verklaard kunnen
worden op grond van de chemische samenstelling van de atmosfeer. In het
algemeen wordt de atmosfeer gedacht uit twee of drie verschillende lagen
te bestaan: bovenin een laag ammoniakkristallen van ca. 150 K, dan
misschien een dunne laag ammoniumhydrosulfide van ca. 200 K, 25 km
beneden de eerstgenoemde laag, en ten slotte ijskristallen en beneden
ca. 270 K water waarin ammoniak is opgelost. De zones en witte vlekken
liggen zo hoog in de atmosfeer dat ze wit gekleurd worden door de
ammoniakkristallen. De gordels en donkerder gedeelten liggen dieper en
hebben een temperatuur die boven het smeltpunt van ammoniak ligt; hun
donkere kleur kan veroorzaakt zijn door dissociatie van H2S of
ammoniumhydrosulfide onder invloed van ultraviolet zonlicht. De rode
kleur van de Rode Vlek wordt in het algemeen toegeschreven aan rode
fosfor, die in zeer geringe hoeveelheden boven de wolkentoppen uit PH3
gevormd zou worden onder invloed van ditzelfde zonlicht.
4. Radiostraling
en magneetveld
In 1955 werd voor het eerst radiostraling van de planeet gedetecteerd
met een golflengte van 13, 6 m (de zgn. decameterstraling). De straling
was erg onregelmatig van karakter. Tegenwoordig is bekend dat deze
straling beperkt is tot golflengten langer dan ca. 7,5 m of tot
frequenties korter dan 40 MHz en dat het optreden van deze zgn. bursts
afhangt van de plaats van de maan Io in haar baan. De radiogolven worden
waarschijnlijk opgewekt door elektrische ontladingen boven in de
atmosfeer en ionosfeer. Door de beide Voyager-ruimtevaartuigen is de
straling waargenomen in het hele frequentiegebied 1–40 MHz; straling met
frequenties kleiner dan 20–25 MHz wordt door de aardse ionosfeer zodanig
beïnvloed dat deze nooit vanaf de aarde waargenomen werd. Deze
ruimtevaartuigen hebben ook kilometerstraling (1–10 kHz) waargenomen,
die waarschijnlijk in een gebiedje rondom Io wordt opgewekt.
In mei 1956 werd Jupiter voor het eerst waargenomen op een golflengte
van ongeveer 3 cm. De bijbehorende zwart-lichaamtemperatuur bleek ca.
140 K te zijn. Vier jaar later werd een temperatuur van ca. 650 K
gevonden op een golflengte van 10 cm en zelfs 70.000 K bij 70 cm. Deze
enorm hoge temperaturen hebben geleid tot de veronderstelling dat op
golflengten korter dan ongeveer 6 cm vnl. thermische straling van de
planeet ontvangen wordt en dat op langere golflengten (niet-thermische)
synchrotronstraling overheerst. Deze is afkomstig van relativistische
elektronen, die zich in een stralingsgordel rond de planeet bevinden met
een afmeting ongeveer driemaal de straal van de planeet zelf
(vergelijkbaar met de stralingsgordels bij de aarde.
4.1 Dipoolveld
Aan de hand van deze waarnemingen is afgeleid dat Jupiters magneetveld
op dat van een dipool lijkt, waarvan de as naar het noorden gericht is
en een hoek van 10° met de rotatieas maakt. De sterkte van ca. 10 gauss
aan het oppervlak is uit de decameterstraling bepaald. De meeste
stralende elektronen zouden zich in het magnetische equatorvlak
bevinden. Deze gegevens zijn door de ruimtevaartuigen Pioneer 10 en 11
bevestigd. Uit deze metingen bleek Jupiters magneetveld geen mooi
symmetrisch dipoolveld te zijn, maar er werd een veel betere aanpassing
aan de waarnemingen verkregen met quadrupool- en octupoolbijdragen van
resp. 20–24% en 15–20% (bij de aarde is dit resp. 13% en 9%).
4.1.1 Synchrotronstraling
Eind 1977 is aan de hand van radiowaarnemingen, gedaan met de
Westerbork-telescoop in Nederland, de synchrotronstraling van de planeet
zeer nauwkeurig in beeld gebracht. Ook hieruit blijkt duidelijk het
multipole karakter van Jupiters veld. In eerste benadering komen de
gegevens overeen met de magnetische veldmodellen zoals die uit de
Pioneer-waarnemingen zijn afgeleid. Verder blijkt er een gebied in de
stralingsgordels te zijn waar de straling relatief hoog is. Een
verklaring hiervoor is nog niet gevonden. Zowel uit de decameter- als
uit de decimeterstraling blijkt de rotatieperiode van het magneetveld
anders te zijn dan die van Jupiter zelf, nl. 9h55m29s,71. Deze wordt
aangeduid met de rotatieperiode systeem III 1965.0.
4.2 Boegschok
Door de vier ruimtevaartuigen Pioneer 10 en 11, Voyager 1 en 2 zijn
uitgebreid waarnemingen in Jupiters magneetveld verricht. Zoals ook de
aarde (zie aardmagnetisme) heeft Jupiter een boegschok aan de zonzijde,
die ontstaat door de interactie van de zonnewind met het magneetveld. De
zonnewind wordt plotseling afgeremd en rond het veld gebogen; dit zgn.
overgangsgebied wordt de magneto- ‘sheath’ genoemd en is zeer duidelijk
van Jupiters veld afgesloten door een grens, de magnetopauze, op een
afstand van 50 à 100 Jupiterstralen van de planeet. Aangezien deze grens
daar ligt waar de druk van de zonnewind precies gelijk is aan die van
het magneetveld, varieert deze grens met de sterkte van de zonnewind. In
het magneetveld kan men een paar gebieden onderscheiden: een binnenste
gedeelte tot op ca. 10 Rj (1 Rj = 1 Jupiterstraal), waar het veld ruwweg
door een dipoolveld benaderd kan worden. Alle deeltjesbewegingen worden
vnl. door dit veld bepaald. Tussen 10 en 30 Rj is het veld wat meer
radieel naar buiten gericht. De ruimtevaartuigen troffen hier geladen
deeltjes aan die duidelijk op en neer langs de veldlijnen spiraliseerden,
in tegenstelling tot het binnenste gebied waar de deeltjes vnl. in het
magnetische equatorvlak werden gevonden. Op grotere afstand van de
planeet is het veld steeds sterker radieel naar buiten gericht; in de
staart lopen de veldlijnen praktisch evenwijdig aan de
zonnewindrichting. Hoog energetische deeltjes (1–30 MeV) blijken langs
de veldlijnen naar buiten te stromen; in de buurt van de aarde zijn
dergelijke deeltjesstromen al gedurende enkele jaren waargenomen met een
periode van dertien maanden, juist wanneer de interplanetaire veldlijnen
de aarde en Jupiter verbinden.
5. De manen en de ring
Jupiter telt 16 manen. Na de ontdekking in 1610 door Galilei van de
vier zgn. Galileïsche manen Io, Europa, Ganymedes en Callisto zijn er
nog bij ontdekt, evenals een soort stofring die Jupiter op een afstand
van 1,8 Rj omgeeft. Deze ring is niet meer dan 30 km dik en bestaat uit
een 800 km breed helder segment, waarbinnen een ca. 2500 km breed iets
zwakker segment. Het materiaal zelf strekt zich waarschijnlijk tot op de
planeet zelf uit. De individuele deeltjes zijn enkele micrometers groot.
Aan de buitenkant van de ring draait een maantje rond in 7h8m met een
afmeting kleiner dan zo’n 40 km. Dit maantje veroorzaakt waarschijnlijk
het scherp naar buiten toe begrensd zijn van de ring. In 1985 werd
echter ontdekt dat zich buiten deze hoofdring nog een veel zwakkere
buitenring bevindt, die zich uitstrekt tot voorbij de baan van Amalthea.
De ring is waarschijnlijk niet gelijktijdig met Jupiter gevormd (zoals
misschien de ringen van Saturnus; zie Saturnus [astronomie]), maar
verkeert in een evenwichtstoestand tussen een voortdurend verlies van
materie naar Jupiter toe en aanvoer van nieuw materiaal van buiten af
(brokstukken van kometen, meteorieten, materie afgeslagen van Jupiters
manen of uit Io's vulkanische uitbarstingen).
5.1 Amalthea
Op 2, 55 Rj afstand van Jupiters centrum bevindt zich Amalthea, ontdekt
door Edward Emerson Barnard in 1892. Aangezien deze maan als vijfde
ontdekt werd, wordt hij ook wel J V genoemd. De vier Galileïsche manen
worden resp. J I-J IV genoemd en het maantje net buiten de ring J XIV
(zijn officiële naam is 1979-J I). De nummering van de manen komt dus
niet overeen met toenemende afstand tot Jupiter. Amalthea is een
langwerpige donkerrode maan, 270 km lang, 170 km breed, 155 km hoog.
Zijn lange as wijst naar Jupiter. Zijn onregelmatige vorm kan
veroorzaakt zijn door inslagkraters.
5.2 Io
De eerste Galileïsche maan, bevindt zich op 6 Rj afstand. Deze maan is,
evenals de drie overige Galileïsche manen, duidelijk zichtbaar met een
kleine telescoop. Io lijkt qua kleur en uiterlijk op een pokdalige
sinaasappel. De kraters op het oppervlak zijn geen inslagkraters, maar
zijn gevormd door vulkanische uitbarstingen. Door de
Voyager-ruimtevaartuigen zijn acht vulkanische uitbarstingen gezien,
ieder met pluimen van 100 à 200 km hoog. De individuele deeltjes in deze
pluimen zijn enkele micrometers groot en bestaan vnl. uit zwavel en
zwavelverbindingen (H2S, SO2). Op grotere hoogten kristalliseert het
zwavel uit en ‘sneeuwt’ terug naar Io's oppervlak, waardoor lichte
ringvormige structuren rond de kraters ontstaan. Ook stromingen van
lava, vermoedelijk gesmolten zwavel, uit een vulkanische caldeira zijn
waargenomen. Het vulkanisme ontstaat door de warmte die wordt opgewekt
doordat Io voortdurend in verschillende richtingen wordt uitgerekt als
gevolg van getijdewerking. In 1989 werd vanaf de aarde een negende
werkende vulkaan op Io ontdekt.
5.3 Europa
Europa bestaat vnl. uit een silicaatkern en een korst van ijs,
waarschijnlijk variërend in dikte tussen 10-50 km. Europa zit vol
'barsten', lange donkere lijnen van ongeveer 10 km breed, en richels,
enkele honderden meters diep en hoog. De barsten zijn waarschijnlijk
veroorzaakt door uitzetting van de korst, waarna ze opgevuld zijn met
het onder het ijs liggende donkerder materiaal.
5.4 Ganymedes en Callisto
Ganymedes en Callisto bestaan uit een mengsel van steen en ijs, en hun
oppervlakken vertonen zeer veel inslagkraters, m.n. dat van Callisto. Op
beide manen is een groot concentrisch ringenstelsel gevonden, waarbij
het centrale deel ontbreekt, evenals de heldere stralenstructuur die zo
kenmerkend voor inslagkraters is. Dit is één van de factoren die erop
duiden dat beide manen een vrij zachte ijskorst hebben gehad in hun
eerste ontwikkelingsfase.
De theorie van de baanbewegingen van de manen, met inbegrip van hun
onderlinge storingen, is zeer ingewikkeld. De banen van de vier
Galileïsche satellieten hebben een zeer geringe helling ten opzichte van
die van Jupiter. Behalve Callisto worden ze bij iedere omloop
verduisterd en bij conjunctie kan men de schaduw van de manen op de
planeet zien. De waarnemingen van de eclipsen werden gebruikt om de
elementen van de banen en de diameters van de satellieten te bepalen.
Reeds in 1675 ontdekte de Deense astronoom Olaus Christensen Rømer uit
een periodieke variatie van de tijdstippen van de eclipsen dat het licht
zich met een eindige snelheid voortplant; hij vond dat het licht de
diameter van de aardbaan aflegt in 161 min.
5.5 Deeltjesabsorptie
De manen in het binnenste gedeelte van Jupiters magnetosfeer en de ring
die de planeet omgeeft, absorberen alle deeltjes (hoog- en
laagenergetische protonen en elektronen) die in Jupiters veld bewegen,
waarnaast Io ook laagenergetische deeltjes injecteert. Deze deeltjes
vormen een enorme, zeer ijle wolk rond Jupiter. In feite werd uit
dergelijke absorptieverschijnselen, gemeten door de Pioneer 11 op een
afstand van 1,8 Rj van Jupiters centrum, de aanwezigheid van Jupiters
ring voorspeld, enkele jaren vóórdat de Voyagers hem 'ontdekten'. Door
de absorptieverschijnselen bij Amalthea en de ring wordt de
radiostraling die uit Jupiters stralingsgordels ontvangen wordt, in twee
gedeelten gesplitst: een vrij brede structuur waarop gesuperponeerd twee
scherpe pieken binnen de ringsafstand aan weerszijden van de
planeetschijf. |