Sommige
delen van de Kalahari woestijn in Zuidwest-Afrika - een enorm
inlands bekken dat er weinig uitnodigend uitziet - zijn meer dan
100 miljoen jaar oud. Het gebied herbergt een enorme variatie
aan wilde dieren. De Kalahari strekt zich over een gebied van
ongeveer 260.000 vierkante kilometer uit en is onderdeel van het
Zuidafrikaanse tafelland. Het is in het droge seizoen bedekt met
door de zon verdroogde vegetatie, maar kan zich verbazend snel
herstellen.
Hoewel
de Kalahari steeds 'woestijn' genoemd wordt, is het eigenlijk
beter om van 'half-woestijn' te spreken omdat de hoeveelheid
neerslag groter is dan in echte woestijnen. De Kalahari vormt
een groot plateau, ongeveer 500 tot 1500 meter boven de
zeespiegel. De vlakte wordt slechts door een paar heuvels en
oude, afgebrokkelde stukken rots onderbroken. In een aantal
gebieden van de noordelijke Okavangodelta, vormen reusachtige
termietheuvels een soort eilanden; ze zijn beter bestand tegen
erosie dan de zachte zandige woestijngrond. Verspreid over de
oppervlakte liggen zoutpannen.
Anders dan in de Sahara, de enorme
Afrikaanse woestijn ten noorden van de evenaar, valt er in de
zomer in de Kalahari wel regen. Daardoor kon er zich ook een
zeer gevarieerd leven ontwikkelen.
De regentijd duurt ongeveer vijf maanden gedurende de zomer van
het zuidelijk halfrond, van oktober tot maart. In de hele
woestijn regent het maar op bepaalde plaatsen en met
onregelmatige tussenpozen. De grootste hoeveelheden, tot 45 cm,
vallen in het noorden en oosten, minder dan de helft daarvan in
het zuidwesten.
In april daalt de maandelijkse neerslag ook in de regenrijkste
gebieden tot onder 2,5 cm en begint de winterdroogte. In
september is de waterstand van de rivieren op zijn laagst, of is
de rivier uitgedroogd. De luchttemperatuur in de woestijn kan
tot 47 graden stijgen. Net als in alle woestijngebieden daalt de
temperatuur 's nachts vaak drastisch. Vorst aan de grond is geen
zeldzaamheid. Of wilde dieren kunnen overleven hangt van het
klimaat af, want alleen bij voldoende regenval is er voedsel in
overvloed.
De
plantenwereld in de Kalahari gaat in het noorden over in hoge
savanne-bossen, in het drogere zuiden in struikgewas en steppen.
In het noorden groeien grote baobabs, vijgen- en moerbei-bomen
en de Afrikaanse ebbenboom. De bodem is grotendeels met gras
bedekt. Hoe droger het land wordt, des te lager blijven de
bomen. Grassen bedekken de bodem dan niet meer regelmatig, maar
groeien in pollen. Toch kent veruit het grootste deel van de
woestijn begroeiing. In de heetste landstreken kunnen alleen
planten met hele diepe, knolvormig wortels of dikke stammen
overleven. In de hele woestijn groeien her en der palmbomen;
daar hebben planteneters samen met hun mest zaden gedeponeerd.
Tijdens de regentijd krijgen planten met bloemen de kans om te
kunnen bloeien.
De regenval in de Kalahari geeft de woestijn jaarlijks een
compleet ander aanzien en beïnvloedt natuurlijk ook de
dierenwereld. Water stort zich van het hoogland van Angola het
dal in, de Okavango rivier in het noorden zwelt op en het water
vormt uiteindelijk een drassige delta, een netwerk van vlakke
meertjes en lagunes. Al snel is er vis in overvloed en talrijke
vogels vliegen aan om voedsel te zoeken en te nestelen. De
veranderingen in de woestijn zorgen voor geweldige migraties van
grote groepen buffels, olifanten, springbokken, gnoes en
zebra's; de dieren leggen in de loop van het jaar enorme
afstanden af op zoek naar voedsel en water. In het vochtige
jaargetijde trekken ze naar het zuiden, om de overstromingen uit
de weg te gaan. In de droge tijd trekken ze weer naar het
noorden op zoek naar het laatste beetje drinkbaar water.
ZOOGDIEREN:
olifant, nijlpaard, gnoe, zebra, leeuw, springbok, spiesbok,
kafferbuffel, baviaan, Kaapse Vos, bruine hyena, meerkat,
springhaas, grote vleermuis, Afrikaanse dwergmuis, woestijnrat
VOGELS: kluut, aalscholver; kerk- en Afrikaanse visuil,
Afrikaanse zeearend, zwarte reiger, reuzenreiger, roodhalsgans,
grijze visser; ossenpikker; flamingo, nijlgans, groene duif,
kroonkraanvogel, zwartvleugel-en witkopgier, plevieren,
kroonkievit, schaarbek, jassana, steltlopers, struisvogel
REPTIELEN: krokodil, tjitjak, Afrikaanse eierslang,
woestijnhagedis, python, dwergpofadder
ONGEWERVELDEN: termieten, loopkevers, mieren, eendagsvliegen,
schorpioenen, pekelkreeftjes
VISSEN: snoekforellen, meervallen, muilbroeders, tijgervissen
Op
verschillende plaatsen in de kalahari woestijn zijn droge
zoutpannen of zoutmeren te vinden die tot de allervlakste
bodemformaties behoren.
Zoutpannen worden door het klimaat gevormd en behoren tot de
typische kenmerken van droge tot zeer droge gebieden.
Zoutpannen ontstaan op plaatsen waar gedurende eeuwen en eeuwen
het land periodiek onder water stond en vervolgens weer, door
verdamping van meer water dan er door neerslag bij komt droog is
gevallen.
Veel rivieren en beekjes in de Kalahari voeren maar een korte
tijd water; dat wil zeggen, alleen gedurende de regentijd. In
het droge jaargetijde verdampt namelijk al het water.
Het water bevat allerlei mineralen en hoe verder stroomafwaarts,
hoe geconcentreerder deze stoffen in het water zitten. Tenslotte
verdampt al het water; maar de mineralen blijven achter en
vormen de zoutkorst als oppervlaktelaag van het zoutmeer. |