|
1. Fysische geografie
Het
grondgebied van Kameroen bestaat van zuid naar noord uit een 200 km
brede, lage, moerassige kustvlakte, een hoog plateau en een vlakte bij
het Tsjaadmeer. Het plateau stijgt in het zuidwest-noordoost verlopende
bergland van Adamoua tot 1500 m en bestaat voor een deel uit vulkanische
afzettingen. In het uiterste zuidwesten reikt de Kameroen tot 4070 m. In
het midden van het land stroomt de Sanaga naar de Atlantische Oceaan.
Het noorden wordt ontwaterd door de bovenloop van de Benue, die naar de
Niger vloeit, en de Logone op de grens met Tsjaad stroomt naar het
Tsjaadmeer. Door de vele stroomversnellingen en watervallen zijn de
meeste rivieren niet bruikbaar voor de scheepvaart.
In het algemeen neemt de regenval van de kust naar het binnenland af.
Het kustgebied heeft een tropisch klimaat en is bedekt met tropisch
regenwoud (Douala 4000 mm neerslag, Kameroen zelfs meer dan 10.000 mm).
Het plateau heeft twee regentijden: van april tot juni en van september
tot november (jaarlijkse neerslag 1500 mm) en is een savannenlandschap
met galerijbossen langs de rivieren, terwijl het uiterste noorden
zomerregens heeft (mei tot september, neerslag 500 mm) en uit steppen
bestaat.
De dierenwereld is vnl. die van het West-Afrikaanse Woud, gekenmerkt
door het voorkomen van talrijke apen (ook de mensapen, chimpansee en
gorilla), kleine bosantilopen (duikers en bosbok), olifanten, panters en
een zeer rijke vogelwereld. De natuurbescherming verkeert nog in een
beginstadium; van de drie nationale parken is het Waza nationale park
het bekendst.
2. Bevolking
Ten
gevolge van vroegere migratiestromen bestaat de bevolking uit meer dan
200 etnische groepen, veelal met een eigen taal. Zij kan worden verdeeld
in: Bantoetaligen (Basa, Bakoko, Fang), ca. 40% van de bevolking en vnl.
in het zuiden wonend; de semi-Bantoetaligen (Bamileke, Tiv), ca. 25% van
de bevolking en wonend in het centrale bergland; Soedannegers (Fulani,
Hausa), ca. 20% en gevestigd in het noorden; verdere volken zijn o.a.
Ibo, Kanuri en Banda, alsmede ca. 12!000 pygmeeën. De bevolkingsgroei
bedroeg in de periode 1980 tot 1992 gemiddeld 2, 8% per jaar. In 1990
was 57% jonger dan 20 jaar. De levensverwachting bij geboorte is 54 jaar
voor mannen en 58 jaar voor vrouwen. De spreiding van de bevolking is
zeer ongelijkmatig; de dichtstbevolkte gebieden liggen in de zuidelijke
kuststreek en in het westen. De urbanisatie neemt snel toe. In 1988
woonde 42% van de bevolking in de steden. De belangrijkste steden zijn
Yaoundé (1994: 750.000 inw.), Douala (884.000 inw.), Garoua (177.000 inw.)
en Maroua (143.000 inw.). Frans en Engels zijn de officiële talen. In
religieus opzicht is ca. 30% rooms-katholiek, 23% protestants, 22%
islamitisch en 25% (tevens) aanhanger van animistische godsdiensten.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Kameroen is volgens de grondwet van 1992 (wijzigingen in 1984, 1990 en
1993) een presidentiële republiek. De president wordt voor vijf jaar
gekozen (slechts één keer herkiesbaar), evenals het parlement, bestaande
uit één kamer van 180 leden. Beide worden in algemene verkiezingen
gekozen (de kiesleeftijd voor het parlement is 21 jaar, voor de
presidentsverkiezingen 35 jaar). De president is behalve staatshoofd en
regeringsleider tevens opperbevelhebber van de krijgsmacht. Hij benoemt
de minister-president en de ministers. Het parlement komt twee keer per
jaar voor een periode van 30 dagen bij elkaar. Tussen 1966 en 1991 lag
de politieke macht uitsluitend bij het Centraal Comité van de
Rassemblement Démocratique du Peuple Camerounais/Cameroon People's
Democratic Movement (RDPC/CPDM). In 1991 werd echter een
meerpartijenstelsel ingevoerd. Een twintigtal voorheen ondergronds
opererende oppositiepartijen werd wettig verklaard. Daarvan is de Union
Nationale pour la Démocratie et le Progrès (UNDP) veruit het grootst.
Grootste vakcentrale is de in 1985 opgerichte Confédération Syndicale
des Travailleurs du Cameroun (CSTC).
3.2 Administratieve indeling
Kameroen is ingedeeld in tien provincies (inspections federales), elk
met een door de president benoemde gouverneur aan het hoofd. Kleinere
bestuurseenheden zijn de departementen en de arrondissementen, bestuurd
door resp. een prefect en een onderprefect (eveneens door de president
benoemd).
3.3 Rechtswezen
De rechtspraak wordt in hoogste instantie uitgevoerd door het Opperste
Gerechtshof en het Hof van Justitie, die beide in Yaoundé zetelen. De
negen rechters van het Hof zijn allen benoemd door de Nationale
Vergadering. Er komt ook nog gewoonterechtspraak voor.
3.4 Lidmaatschap van internationale organisaties
Kameroen is aangesloten bij de Verenigde Naties en een aantal
suborganisaties van de VN, de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE),
de Islamitische Ontwikkelingsbank, het Internationaal Monetair Fonds
(IMF), de Centraal-Afrikaanse Douane- en Economische Unie (UDEAC), de
Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT); voorts is het
geassocieerd lid van de EU (Lomé-conventie).
3.5 Defensie
Er bestaat geen algemene militaire dienstplicht. In 1973 werd echter een
tweejarige burgerdienstplicht ingevoerd, waarbij zowel jongens als
meisjes ingeschakeld worden bij ontwikkelingswerk en tevens een beperkte
beroepsopleiding krijgen. Met Frankrijk bestaat een defensieverdrag.
3.6 Sociale en medische voorzieningen
Sociale en medische voorzieningen zijn nog ontoereikend, al kenmerkt de
arbeidswetgeving van 1974 zich door een grotere sociale betrokkenheid
dan de vroegere. Arbeidsovereenkomsten worden collectief afgesloten. De
financiële kosten verbonden aan een medische behandeling in ziekenhuizen
van de overheid worden gedeeltelijk vergoed, evenals de hulp aan
kraamvrouwen en de schade opgelopen bij arbeidsongevallen. Vooralsnog
profiteren echter slechts de werknemers met een vaste aanstelling van
deze regeling.
Het gezondheidswezen lijdt onder een tekort aan geschoold personeel, de
ontoereikende capaciteit en inrichting van de ziekenhuizen en de
onvoldoende verzorging met medicamenten. Het onderzoek naar traditionele
geneesmiddelen wordt gestimuleerd. Tropische ziekten (o.a. malaria, gele
koorts) komen nog veelvuldig voor. Wijdverbreid zijn ook: syfilis,
cholera, dysenterie, kinkhoest en lepra.
3.7 Onderwijs
Hoewel de scholingsgraad voor Afrikaanse begrippen hoog is (75%), is ca.
45% van de bevolking van 15 jaar en ouder analfabeet. In het gekerstende
zuiden is schoolbezoek bijna algemeen, in het islamitische noorden ligt
het cijfer niet hoger dan 20%. Meer dan de helft van de
lagere-schoolleerlingen bezoekt particuliere scholen, die over het
algemeen een lager niveau bezitten dan de onderwijsinstellingen van de
overheid.
In 1972 is een begin gemaakt met de invoering van tweetalig onderwijs
(Frans en Engels) op de lagere school. Buitenlandse hulp (zowel
financieel als in de vorm van leerkrachten) bij het onderwijs, m.n. bij
het voortgezet en universitair onderwijs, is van essentieel belang. In
1962 werd met Franse hulp de universiteit van Yaoundé gesticht. Ca. 20%
van de begroting wordt aan onderwijsdoeleinden besteed.
3.8 Pers en omroep
De media staan onder controle van de overheid. Het officiële Franstalige
dagblad Cameroun Tribune wordt ook wekelijks in het Engels uitgebracht.
Er zijn diverse Franstalige weekbladen. De belangrijkste bron van
informatie is de radio; de staatsomroep (vier stations) zendt uit in het
Engels, Frans en enkele inheemse talen. In alle tien provincies zijn
radiostations. Cameroun Television (CTV) zendt sinds 1985 uit en bereikt
ca. 75% van het land.
4. Economie
4.1 Algemeen
Kameroen
geldt, ondanks de in 1986 begonnen economische crisis, als een van de in
economisch opzicht meest stabiele landen van Afrika. Tussen 1974 en 1984
had het land, in tegenstelling tot de meeste Afrikaanse landen een
aanhoudende reële economische groei van gemiddeld 7% per jaar. Na 1986
daalde de groei echter sterk, vnl. als gevolg van het voortdurend dalen
van de prijs van grondstoffen (m.n. die van aardolie) op de wereldmarkt
en de lage koers van de Amerikaanse dollar. De economie kromp in de
jaren 1990 tot 1995 met 4,1% jaarlijks. De werkloosheid wordt door de
regering op 6% geschat, maar ligt waarschijnlijk eerder rond de 25%.
4.2 Landbouw, veeteelt, bosbouw en visserij
De landbouw is de sterkste pijler van de Kameroense economie. Hierin was
in 1994 bijna 60% van de economisch actieve bevolking werkzaam. De
landbouw droeg voor bijna 30% bij aan het bruto nationaal product (bnp);
het aandeel van de industrie was ca. 28% en dat van handel en
dienstverlening ca. 40%. Van de totale exportwaarde is ongeveer de helft
afkomstig uit de agrarische sector (m.n. koffie, cacao en rondhout). Ca.
60% van de voedingsgewassen wordt voor eigen gebruik verbouwd (o.a.
gierst, sorghum, maïs, maniok, yams en bananen). Na koffie en cacao zijn
ook katoen, bananen en aardnoten exportgewassen. Door de irrigatievelden
uit te breiden, wordt getracht de import van rijst overbodig te maken.
Import van suiker is al niet meer nodig. Voor de diversificatie van de
landbouwproductie zijn katoen, rubber, suiker, ananas en palmolie van
belang.
De veehouderij is vooral belangrijk in het noorden. Kippen, schapen,
geiten en varkens worden in alle landsdelen gehouden. Visvangst vindt
plaats langs de noordelijke rivieren. Zeevisserij (voor de kust van
Douala) wordt beoefend zowel met traditionele als met moderne middelen.
Ca. 40% van het land is bebost. Kostbare houtsoorten worden
geëxploiteerd door vnl. Franse ondernemingen. Het overgrote deel van de
bosbouwproductie wordt onverwerkt als boomstammen (rondhout) het land
uitgevoerd. In het oosten, bij Bélabo, is houtverwerkende industrie; het
gevaar van roofbouw (in de wouden) en erosie en uitdroging (van de open
savannen) wordt meer dan voorheen tegengegaan door vervangende aanplant
van de snelgroeiende eucalyptusboom.
4.3 Grondstoffen en energie
Er
zijn grote voorraden uranium, klei, nikkel en kobalt aanwezig. De
ontwikkeling van de mijnbouw wordt echter geremd door het tekort aan
transportfaciliteiten. Dit geldt o.a. voor de winning van aluinaarde,
die van zeer goede kwaliteit is. De grote bauxietvoorraden bij
Mini-Martap liggen ver van zee, reden waarom de smeltovens van Edéa nog
altijd bauxiet uit Guinee verwerken. In 1976 is voor de kust bij Rio del
Rey aardolie gevonden; de productie startte in 1977. Aardolie werd van
zeer groot belang en zorgde sindsdien voor tweederde van de totale
exportopbrengst. In 1982 heeft men ook grote aardgasvelden ontdekt. De
smeltovens bij Edéa worden gevoed door hydro-elektriciteit, opgewekt
door de krachtcentrales Lagdo en Song-Loulou. De staatsonderneming SONEL
levert 95% van de totaal opgewekte energie aan de aluminiumindustrie.
Sinds de jaren negentig zijn grote hydro-elektriciteitscentrales
gebouwd, die nu voor 85% van de energie zorgen.
4.4 Industrie en handel
Industrievestigingen zijn grotendeels rond Douala geconcentreerd (o.a.
textiel, kleding, schoenen, voedingsmiddelen, drank, tabak, metaalwaren
en bouwmaterialen). Bauxietverwerkende industrie bij Edéa. De nadruk
ligt op de productie van importvervangende goederen. Van overheidswege
probeert men elders in het land kleine en middelgrote industrieën op te
zetten. Gepland zijn nieuwe ondernemingen voor kunstmest, farmaceutische
producten, rubberbanden, leerwaren en rietsuikerverwerking.
Sinds 1976 is de handelsbalans positief, m.n. als gevolg van de
aardolieopbrengsten. De belangrijkste handelspartners zijn Frankrijk
(bijna 20% van de Kameroense export en meer dan 35% van de import),
Duitsland, Nederland en Italië. De export bestaat vnl. uit petroleum,
cacao, koffie, aluminium, hout en katoen. De voornaamste importgoederen
zijn verbruiksgoederen, machineonderdelen, papier en medicijnen.
4.5 Ontwikkelingssamenwerking en planning
De economische planning en ontwikkeling worden gekenmerkt door een
dualisme, waarbij de moderne sector van de geldeconomie (overheids- en
particuliere bedrijven) sterk profiteert van de financiële
mogelijkheden, terwijl de traditionele landbouw, gericht op
zelfvoorziening, veel minder aandacht krijgt. Sinds de tweede helft van
de jaren tachtig schrijven IMF en Wereldbank structurele aanpassingen
voor. Zuinigheid, privatisering en wereldmarktoriëntatie zijn de
grondregels.
4.6 Bankwezen
Als centrale bank voor de bij de UDEAC aangesloten landen fungeert de
Banque des États de l'Afrique Centrale, met zetels in Parijs en Yaoundé.
Voorts zijn er diverse internationale en lokale banken, alsmede drie
ontwikkelingsbanken. De Kameroense ontwikkelingsbank gevestigd in
Yaoundé is voor driekwart in handen van de overheid.
4.7 Verkeer
Voor de scheepvaart is van belang de rivier Benue (rivierhaven Garoua).
Douala is de belangrijkste zeehaven. Het spoorwegnet heeft een lengte
van bijna 1100 km, waarvan m.n. de Transkameroen-spoorlijn tussen
Yaoundé en Ngaoendéré van belang is voor de ontsluiting van het noorden.
Van het wegennet (71!000 km) is bijna 7720 km geasfalteerd. Zware
regenval maakt de wegen vaak onbegaanbaar en de onderhoudskosten hoog.
Douala, Bafoussam, Yaoundé en Garoua hebben een internationale
luchthaven; voorts is er voor binnenlands luchtverkeer een tiental
vliegvelden beschikbaar. Cameroon Airlines (CAMAIR) verzorgt behalve het
lokale luchtverkeer ook vluchten naar Afrikaanse en Europese steden.
5. Geschiedenis
De kuststrook werd tegen het einde van de 15de eeuw ontdekt door de
Portugees Fernão do Pó, maar het land werd pas in de 17de eeuw werkelijk
door Europeanen bereisd; dezen dreven handel in slaven, ivoor en rubber.
Ca. 1800 was de kust onder Britse invloed en in 1837 stond koning Bimbia
een deel van de kust af aan de Britten. In 1884 sloot Gustav Nachtigal
een verdrag met de koning van Bell, dat aan Duitsland rechten toestond
in het hele gebied. Tussen 1884 en 1919 was Kameroen officieel een Duits
protectoraat (Kamerun), maar tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het
bezet door Britse en Franse troepen en verdeeld onder deze beide
mogendheden in resp. Cameroons en Cameroun, waarbij ca. 90% van het
gebied naar Frankrijk ging.
In 1922 werd door de Volkenbond aan Frankrijk en Groot-Brittannië een
mandaat verleend voor het bestuur van hun respectieve landsdelen. Dit
werd in 1946 door de Verenigde Naties als beheerschapsgebied bevestigd.
In 1940 koos Frans Kameroen partij voor de Vrije Fransen van generaal De
Gaulle en in 1946 werd het een geassocieerd territorium van de Franse
Unie. In 1959 nam het beheerschap van de Verenigde Naties een einde en
het Franse deel werd een autonome republiek, die in 1960 onafhankelijk
werd. Het Britse deel kende een periode van zelfbestuur binnen de
Nigeriaanse federatie, maar in 1961 koos het noordelijke deel bij
referendum voor vereniging met Nigeria en het zuidelijke voor
aansluiting bij de Republiek Kameroen. Aldus ontstond de federatieve
republiek.
A.
Ahidjo werd de eerste president (hij werd vijf keer herkozen). De
integratie tussen de twee deelstaten, het Franstalige oosten en het
Engelstalige westen, bleek een langdurig proces. Op 20 mei 1972 sprak de
bevolking zich via een referendum uit voor een wijziging van de
grondwet, waardoor Kameroen veranderde van een federatie in een
centralistische eenheidsstaat op basis van tweetaligheid, met één
nationale regering en onder een presidentieel bewind. In 1982 trok
Ahidjo zich onverwachts terug. Premier P. Biya
(foto) volgde hem op,
rekende met
zijn voorganger en diens aanhangers af en werd in 1984 officieel tot
president gekozen (in 1988 herkozen).
In 1984 werd de naam van de republiek veranderd van République Unie du
Cameroun in de huidige naam. In het kader van een liberalisering van de
politiek werd de naam van de eenheidspartij Union Nationale Camerounaise
(UNC) in 1985 omgedoopt in Rassemblement Démocratique du Peuple
Camerounais (RDPC). Oppositiepartijen werden echter nog geweigerd.
In 1991 werd het in 1984 afgeschafte ambt van minister-president in ere
hersteld, toen Sadou Hayatou dit ambt op zich nam. In 1992 stond het
politieke leven in het teken van verkiezingen. Op 1 maart behaalde de
RDPC van president Biya 88 van de 180 parlementszetels. Van de
oppositiepartijen behaalden de UNDP 68, de UPC 18 en de MDR 6 zetels.
Grote afwezige was de belangrijkste oppositiepartij, het Social
Democratic Front, die haar aanhangers had opgeroepen de verkiezingen te
boycotten. Bij de presidentsverkiezingen van oktober werd Biya met 40%
van de stemmen herkozen als president.
Begin 1994 nam de spanning tussen Kameroen en Nigeria toe als gevolg van
een grensgeschil over een gebied dat rijk is aan vis en aardolie. In het
Engelstalige zuidwesten groeide in de loop van 1995 een separatistische
beweging die onafhankelijkheid van de twee Engelstalige provincies
nastreefde. In nov. 1995 trad Kameroen toe tot het Britse Gemenebest.
Bij gemeenteraadsverkiezingen in jan. 1996 behaalde de oppositie in
dertien steden de meerderheid. Toen de regering vervolgens besloot de
gekozen burgemeesters te vervangen door benoemde bestuurders, riep de
oppositie op tot burgerlijke ongehoorzaamheid.
|