| |
De
keep of fringilla montifringilla
Kepen zijn bij ons voornamelijk wintergasten. In het najaar
komen ze, samen het honderdduizenden vinken, uit Scandinavië
naar ons land. Vooral de beukenlanen worden opgezocht. Als er,
na een goed broedseizoen, weinig voedsel is komen er nog veel
meer kepen naar hier. Rond de voedertafel laten ze zich
veelvuldig zien. In april, kort voor vertrek, krijgt het
mannetje een zwartere kop en rug, en wordt de borst warm oranje.
Kenmerken
De keep is gemakkelijk te verwarren met de vink. De keep heeft
een witachtige stuit (maar geen witte staartpennen) en oranje
borst en flanken. Een zwarte staart met lichte randen. Lengte :
14 cm.
Voedsel
Voornamelijk zaden van de beuk, berk, es en spar, maar ook wel
onkruidzaad. De zaden worden van de planten afgehaald of van de
grond opgepikt. In de zomer worden ook insecten gegeten.
Wintervoedering
Samen met de vinken komen ze op de zonnebloemzaden en pinda's af
en een enkeling weet de voederautomaat te gebruiken.
Nest
Kepen nestelen in kolonies in berken, eventueel gemengd met
naaldbomen. Het nest wordt hoog in de boom tegen de stam
gebouwd. Het wijfje bouwt het van schors, hei, mos en gras en
stoffeert het met veren, haar en mos.
Broedgegevens
Maanden mei tot juli - één of twee legsels - vijf tot zeven
blauw tot bruine eieren met rode vlekken of strepen - broedtijd
: 12 dagen, door het vrouwtje - vliegvlug : na dertien dagen;
zelfstandig na twee tot drie weken. |
|
|
|
|
|
|