header_science

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Keizer Augustus

 

De Romeinen klik hier

 

Augustus [geschiedenis], oorspronkelijk: Gaius Octavius (Rome 23 sept. 63 v.C. – Nola 19 aug. 14 n.C.), keizer van 27 v.C. tot 14 n.C., was een zoon van Gaius Octavius (vroeg overleden) en Atia (dochter van Caesars zuster Julia). Zijn oudoom, die hem protegeerde, zond hem in 45 met het oog op de aanstaande expeditie tegen de Parthen naar Apollonia. Toen na Caesars vermoording (44) bleek dat deze hem bij testament had geadopteerd en tot voornaamste erfgenaam benoemd, haastte hij zich met zijn vriend Marcus Vipsanius Agrippa naar Rome om zijn rechten te doen gelden. Daar liet hij de adoptie achteraf wettelijk bekrachtigen en hij heette sindsdien, als Caesars zoon en drager van de traditie van het geslacht van de Julii, Gaius Julius Caesar Octavianus ( ‘uit het geslacht van de Octavii’). Ondanks de tegenwerking van Marcus 2 Antonius, die zich als opvolger van de dictator opwierp, won hij Caesars veteranen voor zich en versloeg in opdracht van de Senaat Antonius in 43 bij Mutina (Modena).

Daar de Senaat hem zijns inziens onvoldoende concessies deed, maakte hij zich door een ‘mars naar Rome’ meester van het consulaat en verbond zich in 43 met Antonius en diens medestander Lepidus in een officieel erkend (zgn. Tweede) Driemanschap. Bij de tegen de republikeinen uitgevaardigde proscripties offerde Octavianus welbewust Cicero aan Antonius' wraakzucht op. Hij maakte zich gehaat door het onteigenen van landerijen ten behoeve van Caesars veteranen. De nederlaag (en zelfmoord) in 42 van Caesars moordenaars Cassius en Brutus bij Philippi (in Macedonië) was niet aan Octavianus, maar aan Antonius te danken. Na zijn conflict (41–40) om Perusia (Perugia) met familieleden van Antonius werden bij het Verdrag van Brundisium (Brindisi, 40) de invloedssferen van de Driemannen nader bepaald: Octavianus kreeg het westen, Antonius het oosten, Lepidus Afrika; Italië bleef neutraal. Een aanvullend verdrag sloten zij in 39 te Misenum met de republikein Sextus Pompejus, die vanuit Sicilië de zee beheerste en Italië dreigde uit te hongeren; maar van 38–36 maakte Agrippa een einde aan diens blokkade (slag bij Naulochus, 36). Inmiddels was bij het Verdrag van Tarente (37) het triumviraat voor vijf jaar verlengd; in 36 werd Lepidus echter uitgestoten.

De volgende jaren streed Octavianus in Dalmatië en Illyrië. Antonius bruskeerde het Romeinse gevoel voor decorum door zijn verhouding met koningin Cleopatra van Egypte, waarvan Octavianus’ propaganda naarstig profiteerde. Laatstgenoemde ging nu optreden als voorvechter van de door Antonius geschonden republikeinse traditie; in dit licht gezien houdt ook zijn vergoddelijking van Caesar (voortaan Divus Julius) een zich distantiëren van diens nagedachtenis in. Desondanks had Octavianus lang niet de gehele publieke opinie van het westen achter zich tegen het ‘oosterse gevaar’ van Antonius’ hellenistische monarchie, toen hij in 32 het hem trouw gebleven deel van de Senaat aan Cleopatra de oorlog liet verklaren. Agrippa, reorganisator van de Romeinse marine, versloeg 2 sept. 31 in de Zeeslag bij Actium de vloot van Antonius en Cleopatra, waarop ook hun leger capituleerde. Na de val van Alexandrië (30) en beider zelfmoord werd Egypte ‘kroondomein’ onder een praefectus Aegypti. Als beëindiger van de burgeroorlogen teruggekeerd in Rome (29) nam Octavianus de eretitel imperator als voornaam aan. Hij wijdde Divus Julius een tempel en zuiverde als censor de Senaat. Op 13 jan. 27 legde hij zijn buitengewone bevoegdheden neer en kondigde het herstel van de republiek af; maar krachtens zijn imperium proconsulare in de grensprovincies (sindsdien telkens voor tien jaar verlengd) bleef hij opperbevelhebber van de daar staande legers; in Rome steunde zijn macht vooralsnog op het consulaat (continu 31–23). In een zorgvuldig voorbereide Senaatszitting (16 jan.) liet hij zich ten slotte bij acclamatie de titel Augustus aanbieden, waardoor hij voortaan alle Romeinse burgers in auctoritas overtrof.

Hoewel hij de persoonlijke titel princeps (= eerste, nl. onder zijns gelijken) al eerder droeg, dagtekent men gewoonlijk van dit jaar af het begin van het Principaat, de vroege Romeinse keizertijd. Op een rondreis (27–24) reorganiseerde Augustus de Gallische en Spaanse provincies. Na een levensgevaarlijke ziekte (tijdens welke hij Agrippa zijn zegelring overhandigde) deed hij de republikeinse oppositie in de Senaat een concessie door in 23 het consulaat neer te leggen; tegelijk liet hij zich evenwel het ambt van tribunus plebis voor het leven opdragen en beheerste zo voortaan Senaat en volk in Rome. Bovendien werd zijn imperium proconsulare ook van kracht in de Senaatsprovincies; daardoor kreeg hij het opperbevel over alle strijdkrachten van het rijk. Na een hongersnood in Rome werd in 22 ook de cura annonae (voedselvoorziening) van de aedilen door Augustus’ ambtenaren overgenomen. De wetten (leges Juliae, 18) tot bevordering van huwelijksmoraal en bevolkingsaanwas bij de Romeinse elite wekten heftig verzet.

Wegens partijwoelingen moest hij in 21 Agrippa, ‘inspecteur-generaal’ van de oostelijke provincies, naar Rome halen. Terwijl deze, als regent in het westen, de orde te Rome herstelde en Noordwest-Spanje pacificeerde, bracht Augustus in 20 in Syrië Phraätes IV, koning van de Parthen, door machtsvertoon tot teruggave van de indertijd (Slag bij Carrhae, 53) op Crassus buitgemaakte veldtekens; de vazalstaat Armenië bleef echter een twistappel.

Na de viering (met Agrippa) van het eeuwfeest, de Ludi Saeculares (17), die geacht werden een nieuw tijdperk in te luiden en waarbij Horatius als feestcantate zijn Carmen Saeculare schreef, kreeg Agrippa weer het oppergezag over het gehele oosten. Augustus’ stiefzonen Tiberius en Drusus onderwierpen de Alpenvolken tot aan de Donau; zij drongen in Germania tot aan de Elbe door. In 9 v.C. werd het grote vredesaltaar op het Marsveld (Ara Pacis Augustae) ingewijd.

Een verslapping van elan blijkt uit Augustus’ latere jaren, versomberd door vereenzaming (het overlijden van oude medewerkers als Agrippa in 12 v.C. en Maecenas in 8 v.C.; vele sterfgevallen in zijn familie) en enkele militaire tegenslagen. Zo werd van 6 tot 9 n.C. een geweldige opstand van de Pannoniërs en Dalmatiërs onder de twee Bato's met moeite door Tiberius neergeslagen; door de nederlaag (9 n.C.) van de stadhouder Varus tegen Arminius moesten de Romeinen de nieuwe provincie Germania opgeven en zich op de Rijnlinie terugtrekken.

Na een kinderloos eerste huwelijk kreeg Augustus uit zijn tweede huwelijk met Scribonia een dochter, Julia. Deze trouwde eerst met haar neef Marcus Claudius Marcellus (zoon van Augustus’ zuster Octavia), door hem geadopteerd en als opvolger voorbestemd. Na diens vroege dood (23) moest zij trouwen met Agrippa. Van hun vijf kinderen werden Lucius en Caius Caesar door Augustus (wiens derde huwelijk in 38 v.C. met Livia kinderloos was gebleven) als zoons en opvolgers geadopteerd, maar ook zij stierven jong (2 en 4 n.C.) Na Agrippa's dood sloot Julia een derde huwelijk met Tiberius, die daartoe moest scheiden van Vipsania Agrippina (dochter uit Agrippa's eerste huwelijk). Daar van Livia's twee eigen zoons Drusus in 9 v.C. aan de Elbe was omgekomen, adopteerde Augustus in 4 n.C. noodgedwongen diens broer Tiberius (samen met Julia's jongste zoon Agrippa Postumus, die echter weldra ongeschikt heette). Tiberius, die wegens een vete met zijn stiefvader van 6 v.C. tot 2 n.C. in vrijwillige ballingschap op Rhodos had geleefd (Julia was intussen wegens wangedrag verbannen), moest evenwel tevoren zijn neef Germanicus (zoon van Drusus) adopteren.

Kort voor zijn dood (14) schreef de keizer zijn Res Gestae Divi Augusti ( ‘Regeringsdaden van de vergoddelijkte Augustus’), ook bekend als Monumentum Ancyranum, daar men de eerste kopie ervan (Latijnse tekst met officiële Griekse vertaling) in 1555 te Ankara heeft ontdekt. Zijn as werd bijgezet in het in 28 v.C. door hemzelf gebouwde mausoleum van de Julische dynastie op het Marsveld; Tiberius sprak de lijkrede uit. Een maand later verklaarde de Senaat hem opgenomen onder de staatsgoden (zie ook apotheose).

Augustus paarde zelfkritiek, eenvoud, zin voor compromis en tact (vooral ten aanzien van de in de Senaat nog levende republikeinse gevoelens) aan koude berekening, gebrek aan scrupules en soms meedogenloosheid. Hij overleefde de generatie van de burgeroorlogen en werd oud genoeg om de terreurdaden van het begin van zijn carrière te doen vergeten. In wezen een man van het behoud, was Augustus aanvankelijk, evenzeer als de meesten van zijn tijdgenoten, ervan overtuigd dat hij de republiek hersteld en gestabiliseerd had. Achteraf gezien blijkt hij, in samenwerking met de Senaat, achter de façade van de republiek (die steeds meer van binnen werd uitgehold) een tot dan toe ongehoorde machtsconcentratie te hebben opgebouwd. In feite was het een proces van atrofiëring van sommige staatsfuncties (o.a. het consulaat) en hypertrofie van bepaalde sleutelposities (vnl. imperium proconsulare en tribunicia potestas).

De ook nu nog vaak gehoorde suggestie dat het ‘keizerrijk onvermijdelijk’ was, bewijst mede het succes van Augustus’ propaganda. Het regime vond steun bij dichters als Vergilius die, onder aanmoediging van Maecenas, de mythevorming omtrent de ‘voorbeschikking’ van het Julische huis bevorderden. Als conservatief leefde Augustus zich uit in de restauratie van Romeinse tempels, godsdienstige colleges en ceremoniën (vnl. als pontifex maximus, sinds 12 v.C.) en in zijn huwelijkswetten. Zijn buitenlandse politiek was gericht op afronding van de grenzen. Om zijn reputatie van vredesvorst waar te maken, moest hij echter het binnenland ingrijpend reorganiseren. Zo is Rome, sinds 16 v.C. onder een praefectus urbi, in 7 v.C. van vigiles (brandweer en nachtpolitie) voorzien. Italië werd van de burgeroorlogen verlost; zowel keizerlijke (onder een legatus of procurator) als Senaatsprovincies (onder een proconsul) werden bevrijd van afpersingen door stadhouders en belastingpachters. In het westen kwam de romanisering op gang; in het oosten bleven nog vele min of meer gehelleniseerde koninkrijkjes (o.a. in Palestina) als vazalstaten voortbestaan. Waren de hoogste civiele en militaire functies aan de senatorenstand voorbehouden, alle lagere ambten werden voor de equites (geldadel) gereserveerd; ook drongen vrijgelatenen als administrateurs van de keizerlijke goederen al in vertrouwensposten door. Naast de staande legers aan de grenzen kwamen permanente vlooteskaders, gestationeerd in Misenum, Ravenna en Forum Julii (Fréjus).

Agrippa's Pantheon en Thermen en het Forum Augusti (2 v.C.) staan aan het begin van de bouwactiviteiten van de latere keizers. Augustus' – bescheiden – paleis op de Palatijn is na de Tweede Wereldoorlog opgegraven. Het bevatte waardevolle wandschilderingen. De (bouw)kunst tijdens Augustus' bewind wordt augusteïsche kunst genoemd. Kenmerkend zijn idealisering en zeer duidelijke oriëntatie op de klassiek-Griekse vormen. In de beeldhouwkunst zijn behalve de Ara Pacis Augustae vooral de portretten van de keizers en zijn familieleden van belang; beroemd is de Augustus van Prima Porte, ca. 14 n.C., kopie van een misschien gouden origineel uit ca. 20 à 17 v.C. (Rome, Vaticaanse musea). Zie voorts Romeinse Rijk: § architectuur en beeldende kunst.

UITG: Res Gestae Divi Augusti, d. J. Gagé (21950), d. A. Guarino (21968), d. H. Volkmann (31969, m. comm.); d. E. Malcovati (51969).
 

 

De Romeinen klik hier

 

Footer worldwidebase



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009