|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Voor
de hier en daar ingesneden kust ligt een aantal eilandjes, o.a. Lama en
Mandu. Van de tot 200 km brede en tot 150 m hoge kuststrook stijgt het
land naar een parallel hieraan gelegen, 150 tot 300 m hoog
plateaugebied. In het noorden en noordwesten gaat dit over in een gebied
met hoogvlakten van 300 tot 1500 m, die in het zuidwesten overgaan in de
Kenya Highlands, 1500 tot 3000 m hoog.
De Highlands worden in noord-zuidelijke richting doorsneden door de
Oost-Afrikaanse Slenk (zijtak van de Grote Afrikaanse Slenk of Great
Rift Valley), die 600 tot 900 m lager ligt dan het omringende gebied en
door hoge vulkanen wordt geflankeerd (Mount Kenya, Mount Elgon). In deze
slenk ligt een aantal meren, w.o. het grotendeels op grondgebied van
Kenia liggende Rudolfmeer. Het Victoriameer, waarvan alleen het
oostelijke uiteinde op grondgebied van Kenia ligt, ligt tussen de beide
slenken. Gedeeltelijk bevaarbare rivieren zijn de Sabaki en de Tana.
1.2 Klimaat
De kuststreek is heet en vochtig. Op het plateau is de temperatuur meer
gematigd (Nairobi, op 1660 m hoogte, gemiddeld van 14 tot 25 °C). Er
zijn twee regenseizoenen. Meer naar het westen, bij het Victoriameer,
heerst een tropisch klimaat met gemiddelde temperaturen van 18 tot 30
°C; hier vallen zware tropische regens en komt ook vorst voor. Alleen in
het noorden, bij het Rudolfmeer, is het klimaat zowel heet als droog,
met zeer geringe neerslag.
1.3 Plantengroei
De plantengroei bestaat langs de kust uit mangrove- en tropische wouden
en op het plateau vindt men hooglandwouden die, afhankelijk van hoogte
en klimaat, variëren van het zeer zware hout van de wilde olijf tot het
zeer lichte hout van Gyrocarpus jacquinii; veel bergbossen hebben ook
een bamboegordel. Prachtige wouden vindt men op de vulkaanhellingen (tot
3300 m); aan de voet hiervan groeien veel schermacacia's. De noordhelft
van het land wordt ingenomen door doornbossteppe.
1.4 Dierenwereld
Van
de dierenwereld is vooral die van de steppen en halfwoestijnen bekend:
olifanten, puntlipneushoorns, zebra's, antilopen en buffels en de grote
predatoren leeuw, panter, jachtluipaard en gevlekte hyena. Verder is er
een rijke vogelwereld (meer dan duizend soorten vogels), vooral
roofvogels, wevervogels en honingzuigers. In de rivieren is het
nijlpaard vaak nog talrijk; de Nijlkrokodil heeft, omwille van de huid,
van vervolging te lijden gehad. Kust- en bergbossen herbergen ook een
rijke fauna, vooral aan vogels. Reptielen zijn er eveneens goed
vertegenwoordigd; voorts zijn o.a. reuzenslakken (familie Achatinidae)
zeer opvallend. Voor de kust leeft een rijke littorale dierenwereld, die
Indo-Pacifisch van karakter is.
Al in de koloniale tijd is een begin gemaakt met de natuurbescherming;
dankzij het toerisme werd deze na de onafhankelijkheid voortgezet. Kenia
kent vele, merendeels wereldberoemde, nationale parken en
natuurreservaten (zie § 5). Door stroperij wordt echter een aantal
diersoorten zeer ernstig bedreigd: de olifant, de puntlipneushoorn en in
mindere mate ook de Grevyzebra, het Hunter's hartenbeest en de
jachtluipaard. In 1989 riep de regering op tot een internationale ban op
de handel in ivoor, die de Afrikaanse olifant met uitroeiing bedreigt.
Kaalslag van bepaalde bossen vormt eveneens een bedreiging.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Afrikanen vormen 97% van de totale bevolking en zijn in taalkundig
opzicht te onderscheiden in de volgende hoofdgroepen: Bantoetaligen (ca.
65%), Nilotische (ca. 30%) en Koesjitische taalgroepen (5%). Het
belangrijkste Bantoetalige volk is dat van de Kikuyu (21% van de
bevolking). Tot de Niloten behoren de Luo (13%), de nomadenvolken de
Masai (1,5%) en de Turkana (1,3%). De Somali zijn het belangrijkste
Koesjitische volk (5%). De oorspronkelijke bewoners, de Bosjesmannen,
worden nauwelijks meer in Kenia aangetroffen. De niet-Afrikaanse
minderheden bestaan uit Aziaten, Europeanen en Arabieren. Het
onderscheid tussen de verschillende volken is een drijvende kracht in de
Keniaanse (partij)politiek.
De ruimtelijke spreiding is zeer ongelijk: ca. driekwart van de
bevolking is geconcentreerd op 10% van de totale landoppervlakte. De
dichtstbevolkte gebieden zijn het zuiden en het zuidwesten en de
kuststrook langs de Indische Oceaan. Slechts 28% van de bevolking woonde
in 1995 in steden van meer dan 2000 inw. De jaarlijkse bevolkingsgroei
bedroeg tussen 1970 en 1990 gemiddeld 3, 8%, een van de hoogste
groeicijfers ter wereld. Tussen 1990 en 1994 was het iets gedaald: 3,4%
per jaar. De gemiddelde levensverwachting bij geboorte bedraagt 59 jaar.
2.1 Taal
In 1974 werd het Engels als officiële taal vervangen door het Kiswahili,
een Bantoetaal. Het Engels wordt echter ook nog veelvuldig gesproken en
veel overheidspublicaties zijn in het Engels gesteld. Daarnaast worden
in de dagelijkse omgang veel stamtalen gebruikt.
2.2 Religie
Ongeveer tweederde van de bevolking belijdt enige vorm van christendom,
vooral door grote activiteit van missie- en zendingsgenootschappen.
Rooms-katholieken vormen in aantal de belangrijkste groep (ca. 27%). Aan
de kust en in het noordoosten is de islam van belang. De aanhangers van
traditionele stamgodsdiensten zijn een belangrijke groep (55%).
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Volgens de grondwet van 1963, die in 1982 en 1991 op belangrijke punten
gewijzigd werd, is Kenia een presidentiële republiek. De wetgevende
macht is in handen van het parlement, dat uit 202 leden bestaat: 188
leden worden direct gekozen, 12 worden door de president benoemd en de
voorzitter en procureur-generaal zijn ex-officio lid. De uitvoerende
macht berust bij de president, die behalve staatshoofd ook
regeringsleider en opperbevelhebber der strijdkrachten is. Hij kan de
vice-president en de hoogste rechter benoemen en ontslaan en hij is
bevoegd zittingen van het parlement te verdagen. Hij wordt in directe
verkiezingen door het volk voor vijf jaar gekozen.
Administratief is Kenia verdeeld in zeven provincies en een provinciaal
district: Nairobi. De provincies zijn onderverdeeld in 53 districten.
3.2 Rechtswezen
Het civiele recht is vnl. gebaseerd op de Britse Common Law. De
rechtspraak vindt plaats in rechtbanken met verschillende bevoegdheden.
De hoogste rechtbank is het hof van appel in Nairobi.
3.3 Aansluiting bij internationale organisaties
Kenia is lid van de Verenigde Naties en een aantal suborganisaties van
de VN, het Gemenebest, de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en
Handel (GATT), de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, de Arabische
Ontwikkelingsbank, de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) en is
geassocieerd lid van de EU (Lomé-conventie).
3.4 Defensie
Er is geen dienstplicht. Het leger is zwak in vergelijking met dat van
de buurlanden, omdat Kenia jarenlang de economische groei heeft laten
prevaleren boven de groei van het militaire apparaat. Het bestaat uit
ca. 23!000 manschappen.
3.5 Sociale situatie
In de jaren tachtig nam de kritiek op armoede en schending der
mensenrechten toe. Het sociale leven in Kenia wordt in sterke mate
gekenmerkt door interne onrust, die veelal in verband kan worden
gebracht met toenemende corruptie en het onder druk ophalen van
'vrijwillige bijdragen'. Een andere bron van spanning is de
tegenstelling tussen stad en platteland. De snelle groei van de
stedelijke bevolking leidde tot problemen op het gebied van de
werkgelegenheid, de huisvesting (waardoor rond de grote steden in snel
tempo talrijke sloppenwijken zijn verschenen) en de sanitaire
voorzieningen (water en riolering). De ontwikkeling van het platteland
wordt geremd door de selectieve migratie naar de steden, waardoor de
vrouwen, de minder geschoolden, de allerjongsten en de ouderen op het
platteland achterblijven. Vandaar dat via de zgn. Harambee-beweging een
dringend beroep gedaan wordt op de bevolking om zich zelf te helpen (de
self reliance). De meeste projecten zijn gericht op de bouw van scholen,
gezondheidscentra en gemeenschapshuizen.
3.6 Sociale en medische voorzieningen
Voor Afrikaanse begrippen is de gezondheidszorg uitgebreid. Elk district
heeft minstens één ziekenhuis. Op het platteland zijn gezondheidscentra,
waarin medische assistenten en verpleegkundigen werkzaam zijn en er is
een vliegende-doktersdienst. Een vaccinatiesysteem is in opbouw. De
overheidsgezondheidszorg is vrijwel gratis. De meeste steden beschikken
over moderne particuliere klinieken; een groot aantal artsen is in
Nairobi geconcentreerd. Missie en zending spelen een belangrijke rol in
de gezondheidszorg, terwijl ook traditionele geneeswijzen van belang
zijn. Bijna 6% van het overheidsbudget wordt aan de gezondheidszorg
besteed. De belangrijkste doodsoorzaken zijn diarree, longontsteking,
tbc, mazelen, malaria en ondervoeding. Geslachtsziekten komen veel voor,
evenals de ziekte aids.
Op arbeiders die regelmatig werkzaam zijn in de moderne sector van de
economie zijn sociale verzekeringen van toepassing. Verreweg het
grootste deel van de bevolking valt hier echter buiten. Zij zijn op de
hulp van familie of liefdadigheidsinstellingen aangewezen.
3.7 Politieke partijen
De in 1960 opgerichte Kenya African National Union (KANU) was, sinds
1982 ook wettelijk, tot 1992 de enige politieke partij. De in 1965
opgerichte Central Organization of Trade Unions (COTU) is de grootste
federatieve vakbond. Na de invoering van het meerpartijensysteem in 1992
bestaat de nu legale oppositie uit drie partijen: het Forum for the
Restoration of Democracy-Kenya (FORD-Kenya), het Forum for the
Restoration of Democracy-Asili (FORD-Asili) en de Democratic Party. De
oppositie is door verdeeldheid tussen de stammen echter niet in staat
een alternatief voor de KANU te stellen.
3.8 Onderwijs
Er bestaat leerplicht van zeven tot vijftien jaar. In 1974 werd het
betalen van schoolgeld voor de eerste vier jaar afgeschaft, waarna het
aantal ingeschreven leerlingen steeg met ca. 50%. Ca. 90% van de
kinderen tussen zes en twaalf jaar bezoekt min of meer regelmatig een
lagere school; slechts een derde van de daarvoor in aanmerking komende
leerlingen gaat naar het middelbaar onderwijs. Een probleem vormt het
lage opleidingsniveau van het onderwijzend personeel. Er zijn vier
universiteiten in Kenia (met ca. 10!000 studenten in 1985). Daarnaast
zijn er enkele hogere technische beroepsopleidingen. Ca. 10!000 Kenianen
studeren in het buitenland. Aan de scholing van volwassenen wordt groot
belang toegekend. Geschat wordt dat 18% van de mannen en 33% van de
vrouwen nooit naar school is geweest. Ca. 40% van de bevolking is
analfabeet. Er wordt ongeveer 18% van de overheidsuitgaven besteed aan
onderwijsdoeleinden.
3.9 Pers en omroep
Er verschenen in 1987 zes dagbladen (totale oplage: 258!000 exx.),
waarvan de Daily Nation (opgericht in 1960) de grootste is (170!000 exx.).
De staatsomroep is sinds 1959 de Kenya Broadcasting Corp. (tussen 1964
en 1988 Voice of Kenya geheten), die in zeventien talen uitzendt. Sinds
1962 is er televisie. De uitzendingen zijn hoofdzakelijk in het Engels;
de nieuwsberichten ook in het Kiswahili.
4. Economie
4.1 Algemeen
De economie is moderner dan die van de andere Oost-Afrikaanse landen.
Ca. 76% van de beroepsbevolking was in 1993 werkzaam in de landbouw; de
bijdrage van deze sector aan het bruto nationaal product (bnp) was
echter slechts 30%. Het overgrote deel van de Kenianen woont in een
gebied met redelijk tot goede akkerbouwgronden (20% van het
totaaloppervlak). De plattelandsbevolking leeft echter voor een groot
gedeelte op het bestaansminimum. Toch is de landbouw de belangrijkste
deviezenbron (de helft van de export bestaat uit landbouwproducten, m.n.
koffie en thee), gevolgd door het snel groeiende toerisme. Industrie (ca.
17% van het bnp in 1993) en handel (ca. 11% van het bnp) berusten vnl.
op particulier ondernemerschap. De industriële, agrarische en
toeristensector zijn voor een groot deel in handen van buitenlandse
ondernemingen. Hoewel de overheid een grotere Keniaanse deelname in de
economie voorstaat, moedigt zij ook buitenlandse bedrijven aan in Kenia
te investeren.
Een belangrijk probleem is de werkloosheid (in 1994 ca. 25%), die vooral
door de zeer snelle bevolkingsgroei wordt veroorzaakt. Schoolverlaters
vinden vooral werk in de informele sector en in familieverband, in de
bouw van huizen voor eigen gebruik en in de lokale dienstverlening. De
ontwikkeling van niet-agrarische inkomensbronnen, evenals de
herverdeling van de landbouwbedrijven, moet een antwoord geven op de
snelle bevolkingsgroei. Arbeidsmigratie naar andere landen komt
nauwelijks voor. Een ander probleem is de tegenvallende economische
groei; de gemiddelde jaarlijkse groei bedraagt slechts 1% tegen een
bevolkingsgroei van vrijwel 4%. Oorzaken hiervan zijn de achterblijvende
landbouwproductie (m.n. op de grote collectieve bedrijven) en de
negatieve resultaten van een industrialisatiepolitiek die gericht was op
het terugdringen van import. De afhankelijkheid van buitenlands kapitaal
is groot. Een handicap voor de economische ontwikkeling vormt ten slotte
het gebrek aan delfstoffen en energiebronnen, zoals aardolie, aardgas en
steenkool. De inflatie bedroeg in de periode 1985 tot 1994 11,7%, in
1994 zelfs 29%.
4.2 Landbouw
De helft van de agrarische productie wordt op de markt gebracht, de rest
is voor eigen gebruik. Kenia voorziet vrijwel in de eigen
voedselbehoefte, op graan na. De belangrijkste landbouwproducten zijn
thee, koffie, sisal, pyrethrum (grondstof voor een
insectenbestrijdingsmiddel), tarwe, suiker, ananas en katoen. Maïs is
het hoofdvoedsel. De veestapel omvat naast schapen en geiten vooral
runderen, die veelal door nomaden (Massai) gehouden worden. In de
drogere gebieden is de veehouderij de voornaamste economische
activiteit. De meeste veeteeltproducten worden door de bevolking
geconsumeerd. Vlees, vleesproducten en huiden maken 6% van de totale
export uit. De visserij in de Indische Oceaan en de grote meren is van
lokale betekenis. Het bosareaal (merendeels gelegen tussen 1800 en 3000
m boven zeeniveau) wordt voor het grootste deel beschermd. Van
economisch belang zijn de bamboebossen voor de grote papierfabriek in
Webuye.
4.3 Grondstoffen en energie
De mijnbouw is van beperkt belang (bijdrage aan bnp in 1992: 2%). Van de
vele gedolven mineralen is soda-as het belangrijkst. De
energievoorziening is vnl. afhankelijk van geïmporteerde aardolie.
Hydro-elektrische centrales bevinden zich langs de Tanarivier.
4.4 Industrie
40% van de totale industriële productie bestaat uit voedings- en
genotmiddelen. Verder moeten genoemd worden de chemische, de metaal-, de
textiel- en leerindustrie en de papier- en grafische industrie. Naast
grote ondernemingen die het leeuwendeel van de productie verzorgen, zijn
er tal van kleine ambachtelijke bedrijfjes. Slechts 20% van de
industriële productie is bestemd voor de export. De jaarlijkse groei van
de productie is geheel gebaseerd op de stijgende binnenlandse vraag.
4.5 Handel
De handelsbalans is doorgaans negatief. Door een positieve
dienstenbalans - mede door inkomsten uit het toerisme - en een
aanzienlijke kapitaalimport bleef het totale tekort beperkt. Dalende
koffie- en theeprijzen en stijgende olieprijzen vergrootten echter het
tekort. Ingevoerd worden vnl. aardolie, machines, motorrijtuigen, ijzer
en staal. Uitgevoerd worden koffie, thee, aardolieproducten,
ananasconserven, huiden, vlees, vleesproducten en cement. Belangrijkste
handelspartners zijn de EU, de Verenigde Arabische Emiraten, Japan,
Saoedi-Arabië en de Verenigde Staten.
4.6 Ontwikkelingssamenwerking en planning
Buitenlandse hulp is zeer belangrijk voor de economie. In
ontwikkelingsplannen ligt de nadruk op bestrijding van de armoede en de
zgn. keniasering van de economie. Andere opvallende punten zijn
bestrijding van de corruptie, totale uitroeiing van het analfabetisme,
verbetering van de medische voorzieningen en het transportsysteem. Er
worden veel investeringen gedaan in de toeristensector.
Ontwikkelingsactiviteiten worden veelal gedragen door kerkelijke
groeperingen, vaak vanuit het buitenland ondersteund.
4.7 Bankwezen
De belangrijkste bank is de Central Bank of Kenya (opgericht in 1966) in
Nairobi. Voor de economische ontwikkeling zijn gespecialiseerde banken
opgericht. De wisselkoers werd in 1993 vrijgegeven.
4.8 Verkeer
In het zuiden is het verkeersnet goed; in het noorden is de situatie
minder gunstig. De lengte van de spoorwegen is 2733 km. De lijn
Mombasa-Nairobi-Kisumu is voor personenvervoer, de overige lijnen worden
alleen voor goederenvervoer gebruikt. Het wegennet is ongeveer 62!600 km
lang, waarvan 8300 km geasfalteerd is. Er rijden regelmatig bussen in
alle delen van het land. De belangrijkste zeehaven is Mombasa. Kenia
heeft een eigen luchtvaartmaatschappij (Kenya Airways). Nairobi en
Mombasa bezitten internationale luchthavens. Er zijn diverse vliegvelden
voor binnenlands verkeer.
5. Toeristische
gegevens
Kenia is qua landschap een van de afwisselendste landen van Afrika. Er
zijn woestijnen, besneeuwd hooggebergte, gletsjers, vulkaankraters,
bossen, rivieren en watervallen, een tropische kust. Centrum van het
kusttoerisme is Mombasa, met schilderachtige Arabische wijk. Kenia is
vooral beroemd om de zeventien nationale parken. In vrijwel alle
wildparken vindt men leeuwen, olifanten, kafferbuffels, luipaarden en
zwarte neushoorns. Safari's kunnen worden gemaakt per auto, paard, pony,
kameel of kano. Het grootste park is Tsavo National Park, een tamelijk
kaal gebied van 20!980 km2 (olifanten, nijlpaarden en krokodillen);
bekend zijn de Mzima Springs.
Onder de rook van Nairobi ligt het Nairobi National Park, met 104 km2
savanne het kleinste wildpark; men treft hier echter alle
grootwildsoorten aan, behalve de olifant. Bij dit park hoort het
'Nairobi Weeshuis' voor jonge en zieke dieren. Andere wildparken zijn:
Amboseli National Park ten noorden van de Kilimanjaro (savanne;
neushoorns, olifanten, vele vogelsoorten, o.a. struisvogels), Masai Mara
Reservaat dat een voortzetting is van het Serengeti Nationaal Park in
Tanzania (savanne; hartenbeesten, wildebeesten, topi's, zebra's), de
reservaten van Samburu en Meru, vnl. begroeid met doornbossen (zebra's,
giraffen, in Meru witte neushoorns) en het hooggelegen Aberdare National
Park (penseelzwijnen, bongo's), bestaande uit heidevelden en in de
lagere delen bamboebossen; in de hoogste delen vindt men alpine fauna en
planten.
Een fraai landschap biedt de diepe Riftvallei met vele meren. Het
Nakurumeer (twee miljoen flamingo's) en Crescent Island in het
Naivashameer zijn beroemde vogelreservaten (meer dan 400 vogelsoorten,
o.a. kraanvogelsoorten, pelikanen, lepelaars, ijsvogels, arenden,
bijeneters, honingvogels). Het Hanningtonmeer is bekend om de hete
bronnen en geisers. Het Magadimeer vormt thans een zoutvlakte. Het
vlakke boslandschap langs de Tanarivier (o.a. tamarinden- en
vijgenbossen) zal gedeeltelijk in nationaal park worden herschapen.
Wat de plantengroei betreft, is Mount Kenya National Park het
interessantst. Andere nationale parken zijn o.m. Marsabit, Mount Elgon
en Kitengela. Voor de kust van Kenia zijn - beschermde - koraalriffen;
men kan deze en de kleurige vissen gadeslaan vanuit boten met een glazen
bodem. Verder in zee komen spectaculaire vissoorten voor, zoals
verschillende soorten zeilvissen, voorts o.a. dolfijnen. Centrum voor
diepzeeduiken en -vissen is Malindi.
Van de sportevenementen in Kenia zijn bekend de Oost-Afrikaanse Safari
(autorace, jaarlijks met Pasen) en de paardenraces te Nairobi.
6. Geschiedenis
Sedert 1885 trachtte zowel Duitsland als Groot-Brittannië in dit deel
van Afrika, dat sedert 1837 aan de sultan van Zanzibar was onderworpen,
vaste voet te krijgen. In mei 1887 had de British East Africa Company
eerst Mombasa en in aug. 1889 de gehele kust van de sultan van Zanzibar
gepacht. In het Helgoland-Zanzibar-verdrag van 1 juli 1890 zag Duitsland
van zijn aanspraken op grond van de expedities van Carl Peters af.
Volgens het verdrag van 1895 werd het bestuur van deze streken
opgedragen aan Britse ambtenaren, met behoud van de vlag en de
soevereiniteit van de sultan. In het sultanaat Witu (langs de kust
tussen Kipini en Kwyhu) werd de vroegere opperbevelhebber der
Witu-troepen, Omar ben Hamed, als soeverein aangesteld. Een Brits
ambtenaar stond hem als resident ter zijde.
Op
1 april 1905 kwam Brits Oost-Afrika (East Africa Protectorate) onder het
Britse ministerie van Koloniën en werd een kolonie. In 1906 kreeg het
een gouverneur, tevens opperbevelhebber, en een Uitvoerende en een
Wetgevende Raad. Op 23 juli 1920 werd het land een kroonkolonie en kreeg
het de naam Kenia. In 1925 werd het gebied in het noorden bij de rivier
de Juba aan Italië afgestaan (bij verdrag van 1924). In 1928 ontstond
een nationalistische beweging, de Kikuyu Central Association, onder
leiding van Jomo Kenyatta. Haar doel was de herovering van grond die in
de handen van de blanke kolonisten was geraakt. Vanaf 1946 ageerde een
beweging die op de Kikuyustam steunde, de Kenya African Union, voor
onafhankelijkheid. Toen deze niet werd toegestaan, geraakte het land
onder de invloed van de Mau Mau, een geheim genootschap dat o.m. toverij
aanwendde om de blanke regering uit te schakelen.
In dec. 1963 werd Kenia een onafhankelijke staat binnen het Gemenebest
en Jomo Kenyatta, die, verdacht van Mau Mau-activiteiten, gevangen had
gezeten, werd eerste-minister. Zijn partij, de Kenya African National
Union (KANU), behaalde daarop de meerderheid bij de verkiezingen en
versloeg de Kenya African Democratic Union (KADU). Op 12 dec. 1964 werd
Kenia een republiek met Kenyatta als eerste president, nadat de
oppositiepartij (KADU) was ontbonden door haar leider, Ronald Ngala. In
1966 kwam het tot botsingen met de Indiërs, in Kenia een economisch
belangrijke groep, waarvan er daarna velen emigreerden. De in datzelfde
jaar wegens zijn communistische sympathieën afgezette vice-president
Oginga Odinga stichtte een eigen partij, de Kenya People's Union (KPU),
die in 1969 werd verboden. In 1971 sloot Odinga zich weer aan bij de
regerende KANU, die zich ook voor andere ex-KPU-leden openstelde.
Kenyatta, in juli 1974 uitgeroepen tot voorzitter van de KANU voor het
leven, werd in september daaraanvolgend gekozen voor een nieuwe
presidentiële ambtstermijn van vijf jaar. Na zijn overlijden in 1978
werd Kenyatta opgevolgd door Daniel arap Moi (herkozen in 1983, 1988 en
1993). In 1982 mislukte een coup van jonge luchtmachtofficieren. In de
jaren daarna kon Moi zijn binnenlandse positie stabiliseren. Aan het
eind van de jaren tachtig kwam hij echter, ook als gevolg van de
ontwikkelingen in andere Afrikaanse landen, steeds meer in het nauw; de
roep vanuit Kenia zelf, maar ook vanuit de ontwikkelingsgeld gevende
Westerse landen, om de invoering van een meerpartijensysteem werd steeds
luider.
In juli 1990 werden twintig mensen gedood na ingrijpen door de politie,
toen 6000 demonstranten in Nairobi op een door de regering verboden
bijeenkomst politieke hervormingen bepleitten. Uiteindelijk besloot in
december 1991 de bestuursraad van de Keniaanse Afrikaanse Nationale Unie
(KANU), sinds 1964 de enig toegestane partij, onder voorzitterschap van
Moi het meerpartijenstelsel in te voeren. Na een golf van etnische
onlusten in 1991 en 1992 werden in december 1992 vervroegde verkiezingen
gehouden, die resulteerden in een overwinning van de KANU. Er waren
evenwel ernstige beschuldigingen van fraude, o.a. door onafhankelijke
waarnemers. In sept. 1993 braken nogmaals etnische onlusten uit in het
gebied van de Rift Valley.
In 1995 verslechterde de relatie tussen de regering en de oppositie
verder door repressieve overheidsmaatregelen. Beide partijen
beschuldigden elkaar van het uitlokken van geweld en het aanzetten tot
etnische twisten. In hetzelfde jaar werd, o.a. door de paleontoloog
Richard Leakey, een nieuwe oppositiepartij opgericht: Safina. Zij poogt
de versplinterde, langs etnische lijnen lopende en daardoor weinig
effectieve oppositie samen te brengen.
|