| |
De kleine plevier of charadrius dubius
Trekvogel,
eind maart tot oktober. Waadvogel met het formaat van een vink.
Verschilt van de vergelijkbare bontbekplevier door de zwarte
(niet oranje-gele)snavel; de grijzige tot vleeskleurige (niet
oranje) poten en de citroengele oogring. In de vlucht geen witte
band zichtbaar zoals hij de bontbekplevier. Verder is de stem
zeer kenmerkend. Jonge vogels en vogels in rustkleed hebben geen
zwarte tekening op de kop. Holt zoals alle plevieren met snelle
dribbelpasjes en stopt plotseling. Verspreiding en woongebied :
broedvogel in het ganse Europese binnenland, niet langs de kust,
behalve in het hoge Noorden. bij ons verspreid voorkomend, maar
nergens talrijk. Heeft een voorkeur voor vegetatie-arme vlakten
in de buurt van water. Is door waterregulering afgenomen. Broedt
nu in grindgroeves, maar ook in boerderijen ver van de bebouwing
en steenbergen, waardoor het bestand weer enigszins hersteld en
zelfs uitgebreid is. Voortplanting : vlak nest op de grond, vaak
met kiezels. De vier kiezelkleurige eieren zijn lichtgrijs met
donkere punten en worden tussen april en juni gelegd. In de
regels slechts één legsel per jaar. Beide ouders broeden 22-28
dagen. De jongen kunnen met 25-30 dagen vliegen. Voedsel :
insecten en andere kleine diertjes, die van de grond gepikt
worden. |
|
|
|
|
|
|