|
de orde Rodentia, de soortenrijkste van de Zoogdieren. Deze
kleine of middelgrote dieren (afmeting inclusief staart 12–100 cm, gewicht 4 g – 50 kg) zijn verspreid
over de gehele aarde.
Knaagdieren zijn betrekkelijk primitieve
zoogdieren, waarbij alleen de schedel en het gebit specialisaties vertonen. Ze bevinden zich
vermoedelijk thans op het hoogtepunt van hun ontwikkeling. De knaagdieren hebben zich waarschijnlijk ontwikkeld
uit insecteneters. De oudste knaagdieren (Paramys) zijn gevonden in jong-Paleoceen-lagen in
Noord-Amerika. Uit afzettingen uit het Pleistoceen in Nederland en België zijn overblijfselen bekend van
verschillende uitgestorven soorten, o.m. een soort bever, een stekelvarken, verschillende woelmuissoorten, de
alpenmarmot en de berglemming.
Het gebit heeft in elke kaakhelft één beitelvormige, doorgroeiende snijtand, die ondanks de slijtage ten
gevolge van het knagen nooit korter wordt. De twee tanden in de boven- en in de onderkaak zijn alleen aan de
voorkant met email bedekt. Hoektanden ontbreken. Tussen de snijtanden en de dwars geplooide (bij de herbivoren)
of knobbelige (bij de omnivoren) kiezen bevindt zich een grote tussenruimte (diastema). Het gebit is voor elke
soort zó karakteristiek, dat determinatie (bijv. van gebitsdelen in braakballen) veelal mogelijk is. De
onderkaak kan in twee standen geplaatst worden: óf de dieren bijten met de snijtanden óf zij kauwen met de
kiezen; gelijktijdig kan dat niet. Het kauwen geschiedt door de onderkaak eerst opzij te brengen en daarna met
een ruk naar binnen te bewegen. Tussen de lijsten op de kiezen wordt daarbij het voedsel fijngesneden. Behalve
om te knagen, wordt het gebit door bepaalde soorten ook gebruikt om te graven.
Het lichaam is rond, de hals kort en dik, de poten zijn kort, de achterpoten soms aanzienlijk langer dan
de voorpoten (spring- en huppelmuizen). De staart is vaak lang, spaarzaam behaard en soms voorzien van een
schubbenkleed. De duim ontbreekt gewoonlijk. Knaagdieren zijn zoolgangers of halfzoolgangers; de naakte
zoolkussens zijn vaak kenmerkend voor de soort. Verschillende soorten (o.a. de hamsters) hebben wangzakken,
waarin tijdelijk voedsel wordt bewaard. De maag is enkelvoudig, het darmkanaal lang en sterk gekronkeld. De
blindedarm is groot, de dikke darm lang. De hersenen zijn over het algemeen weinig ontwikkeld en slechts bij
enkele grote knaagdieren (bever, marmot, waterzwijn) geplooid. Het leervermogen is goed en ervaringen worden
gemakkelijk in het gedrag verwerkt, zodat bijv. oude ratten vaak moeilijk zijn te vangen. Lichaamsbouw en
leefwijze lopen bij de Knaagdieren sterk uiteen (adaptieve radiatie). Er zijn o.a. klimmers, gravers, springers,
lopers en zwemmers. Op enkele uitzonderingen na zijn het nachtdieren, die vooral van plantaardig voedsel leven
(herbivoren); slechts een klein deel (o.a. ratten, muizen) is omnivoor. De vaak gespleten bovenlip (een
onvolledige vorming van het monddak) is bij het knagen bijzonder nuttig.
Van de zintuigen zijn vooral het reukorgaan en het gehoororgaan uitstekend, het eerste overheerst.
Knaagdieren kunnen ook ultrasone geluiden waarnemen. De oriëntering in de ruimte geschiedt soms door
echo-oriëntatie (sonar) of met behulp van de zonnestand. Enkele soorten (eekhoorn, goudhamster) kunnen kleuren
onderscheiden. De oorschelpen variëren sterk in afmeting en kunnen soms geheel ontbreken. De tastzin is vooral
goed ontwikkeld aan kop, voorpoten, borst en buik. Sommige soorten houden in 's winters koude gebieden een echte
winterslaap (slaapmuizen, hamsters), andere (eekhoorn) alleen een winterrust en/of leggen een wintervoorraad
aan. Weer andere vertonen trekbewegingen (o.a. de lemming), vnl. als er in het woongebied voedselgebrek
ontstaat.
De paring duurt kort en wordt soms snel achtereen herhaald. Bij kleine soorten is er vaak direct na de
baring weer bevruchting mogelijk. De voortplanting verloopt meestal zeer snel: vaak zijn er vier tot zes worpen
per jaar, met bij sommige soorten tot achttien jongen per worp. Overbevolking treedt op onder gunstige
omstandigheden van voeding, dekking, klimaat, enz. De jongen zijn meestal nestblijvers, die dan naakt en blind
worden geboren. Voor het grootbrengen van de jongen worden wel ingewikkelde bouwwerken (bever) of nesten
(eekhoorn, dwergmuis) gebouwd, of holen gegraven.
Knaagdieren leven zelden solitair (eekhoorn, slaapmuizen, hamster), meestal in families of in kolonies
(marmotten) of in grote troepen (ratten, lemmingen, woelmuizen).
Mede door hun grote individuenrijkdom kunnen sommige soorten knaagdieren grote hoeveelheden voedsel door vraat
of met hun uitwerpselen voor de mens oneetbaar maken. Bovendien zijn zij vaak overbrengers van verschillende
besmettelijke ziekten, o.m. de pest (via rattenvlooien), de ziekte van Weil, rabies, mond- en klauwzeer,
tularemie e.a. Enkele soorten staan bloot aan vervolging of worden op grote schaal gefokt wegens hun kostbare
pels (bever, chinchilla's, muskusrat en beverrat).
In biologische en medische laboratoria zijn cavia's, ratten, muizen en goudhamsters veel gebruikte proefdieren.
Van de ongeveer 6.000 bestaande zoogdiersoorten behoren bijna 3.000 soorten tot de
knaagdieren. Ze komen overal op aarde voor in alle soorten gebieden (behalve in zee). Enkele leven in de bossen
en op de steppen, andere in gebergten. Men treft hen ook aan op de grond of in bomen en ook in water.
Knaagdieren zijn altijd duidelijk te herkennen aan hun gebit: in de boven- en onderkaak bevinden zich
naast andere tanden altijd twee haakvormig gekromde, sterke knaagtanden, die aanmerkelijk groter zijn dan de
andere tanden. Deze knaagtanden lopen aan de zijkanten schuin toe. Ze hebben geen wortel en groeien het hele
leven door. De hoektanden ontbreken volledig bij knaagdieren. Tussen de kiezen en de snijtanden gaapt een gat.
Knaagdieren kunnen, afhankelijk van de soort, een lichaamslengte bereiken van 5 tot 100 cm. Ze voeden zich
voornamelijk met plantaardig voedsel, zoals plantenwortels, vruchten en schors, maar gedeeltelijk ook met
verschillende kleine diertjes.Veel van hen leggen voorraden aan en slaan deze op in onderaardse ruimten of
holen. Wanneer de winter aanbreekt, trekken ze zich daarin terug. Als ze wakker worden tijdens hun winterslaap
kunnen ze zich aan de verzamelde voorraad te goed doen.
Knaagdieren hebben goed ontwikkelde zintuigen, vooral de reuk en het gehoor zijn sterk ontwikkeld. Sommige
soorten kunnen zelfs ultrasonisch geluid waarnemen (muizen, vleermuizen). Knaagdieren krijgen tamelijk veel
jongen. De draagtijd is meestal zeer kort. De levensduur van kleine knaagdieren bedraagt hoogstens anderhalf
jaar, stekelvarkens kunnen echter wel tot 18 jaar oud worden. Enkele knaagdieren worden door de mens gebruikt
als bontleverancier (chinchilla, nutria en bisam), andere worden gebruikt voor onderzoeken (ratten, witte
muizen, Guinese biggetjes).
Knaagdieren zijn zeer schadelijk en dragen ook ziekten over. Ze leven deels in graanopslagplaatsen of leven in
de nabijheid van de mens in huizen of in rioleringen. Als ze niet zoveel vijanden hadden onder de zoogdieren en
de vogels, zouden ze, doordat ze zich zo sterk en snel kunnen vermenigvuldigen, de hele aarde kunnen beheersen
en vernietigen.
Tot de vele soorten knaagdieren behoren onder andere eekhoorntjes, hamsters, bevers, muizen, stekelvarkens,
Guinese biggetjes en chinchilla’s. |
|