| |
De
kneu of carduelis cannabina
De kneu is een kleine vinkensoort die vooral te vinden is in de
duinen en op het platteland. Ze leven vooral van granen en
onkruidzaden. Ze eten onder andere hennepzaden, bekend onder de
wetenschappelijke naam cannabina, waar ze overigens niet 'high'
van worden. Het mannetje heeft een prachtige robijnrode borst,
die de kneu de bijnaam 'robijntje' heeft bezorgd.
Kenmerken
De slagpennen hebben witte randjes, net als de staartpennen.
Alleen tijdens het broedseizoen is de kruin en de borst
robijnrood. De rug is dan warm kastanjebruin. Lengte : 13 cm.
Voedsel
Kneutjes eten zaadjes en af en toe kleine diertjes. Vooral de
zaden van diverse soorten onkruid zijn erg in trek.
Wintervoedering
Fijne zaden en zonnebloempitten
Nest
Kneuen nestelen in los kolonieverband van ongeveer een dozijn
vogels, met telkens een paar meter tussenruimte. Het komvormige
nest bestaat uit fijne wortels en twijgen. Het is gevoerd met
mos, haar en wol. Het wordt op ongeveer een meter hoog in een
dichte struik of conifeer gebouwd.
Broedgegevens
Maanden mei tot augustus - twee legsels - vier tot zes bleke
eieren met purperachtige vlekjes - broedtijd : 11-13 dagen, door
het vrouwtje - vliegvlug : na tien tot zeventien dagen; na twee
weken zelfstandig. |
|
|
|
|
|
|