| |
De
kokmeeuw of larus ridibundus
Hoewel hij eigenlijk van oorsprong een kustvogel is, ging de
kokmeeuw pas deze eeuw landinwaarts wonen, de plaats als
stadsvuilnisman innemend van de kraai en de wouw. In het begin
waren de kokmeeuwen enkel wintergasten en keerden terug naar de
kust om te broeden. Daarna begonnen ze dichter bij steden te
nestelen en de broedkolonies in het binnenland hebben zich
steeds verder uitgebreid. De kokmeeuwen rusten en nestelen bij
veenplassen, grindgaten, waterzuiveringen en op de schorren
dicht bij de zee. Ze vliegen iedere dag op en neer van de
slaapplaats om op het platteland en in de stadsparken en tuinen
te fourageren.
Kenmerken
De kokmeeuw heeft een zwart vlekje op de kop en rode poten. Na
het broedseizoen verdwijnen de chocoladebruine kopveren, behalve
het 'koptelefoontje' achter de ogen. Jonge kokmeeuwen zijn
gevlekt bleekbruin. Tegen de tijd dat ze één jaar oud zijn,
hebben ze oranje poten en bek, maar ook nog wat bruine
vleugeldekveren.
Geluid
Er zijn verschillende krijsende geluiden, alsook een herhaald 'kwerrr'.
Vooral in de broedtijd zijn ze zeer luidruchtig.
Voedsel
Kokmeeuwen eten voornamelijk insecten en wormen die ze uit de
grond trekken of stelen van andere vogels. Soms vliegen ze in
cirkels omhoog om vliegende mieren te vangen en verder
scharrelen ze rond bij vuilnisbelten waar ze tussen het afval
zoeken naar etensresten.
Wintervoedering
Brood en keukenresten, vooral tijdens koude winterdagen.
Nest
Kokmeeuwen broeden in kolonies met nesten dicht bij elkaar. Het
eenvoudige nest van plantendelen wordt op de grond gebouwd, in
de veengebieden meestal omgeven door water.
Broedgegevens
Maanden april tot juli - één legsel - drie bruingevlekte
grijsgroene eieren - broedtijd : 23-26 dagen (beide partners) -
vliegvlug : na 35 dagen, één week later zelfstandig. |
|
|
|
|
|
|