| |
De
koolmees of parus major
Vanwege zijn voorliefde voor het bewonen van nestkasten is de
koolmees één van de best onderzochte vogelsoorten. Door een
gebied vol met nestkasten te hangen, is het broedproces van een
hele populatie koolmezen goed te volgen. Natuurlijke nestholtes
in bomen zijn in tuinen zeldzamer dan in bossen. Mezenkasten
maken daarom een grote kans in gebruik te worden genomen door
enkele van de koolmezen die regelmatig uw voedertafel komen
bezoeken gedurende de winter.
Kenmerken
Het forse formaat, de witte wangen en de zwarte bef zijn de
beste herkenningsgegevens. U kunt het vrouwtje gemakkelijk
herkennen door haar smalle zwarte 'stropdas' en het minder
glimmende verenpak. Als u het verschil eenmaal kent, zult u
ontdekken dat de mannetjes de baas zijn op de voederplaatsen.
Lengte is 14 cm.
Voedsel
Het wintervoedsel van de koolmezen bestaat uit grote boomzaden,
beukennootjes en hazelnoten. Koolmezen zijn niet zulke behendige
buitelaars als andere mezensoorten en zij fourageren dan ook
vaak op de grond. Het zomervoedsel bestaat uit insecten, vooral
langsnuittorren, maar ook spinnen.
Wintervoedering
Pinda's, zaden, bonen en vet.
Nest
Het vrouwtje bouwt een nest van mos in een boomholte, een gat in
een muur of een nestkast en bekleed het met haar. Hoe lang de
jongen na het uitvliegen nog gevoerd worden, hangt af van het
feit of er nog een nieuw legsel komt, hetgeen echter lang niet
altijd het geval is.
Broedgegevens
Maanden april tot juli - één tot twee legsels - vijf tot twaalf
roodgestippelde, witte eieren - broedtijd : 13-14 dagen, door
het vrouwtje - vliegvlug : 18-20 dagen; één tot twee weken later
zelfstandig. |
|
|
|
|
|
|