|





 |
De
meest voorkomende dagvlinder is het koolwitje. Men kan het koolwitje
in het voorjaar en de zomer boven de koolvelden zien fladderen.
Nadat de koolwitjes enkele dagen eerder nog bij de bloesems te
vinden waren, waar ze met hun zuigbuis (roltong) de nectar uitzogen,
laten de wijfjes zich nu neer op één van de talrijke koolbladeren.
Ze klappen de vleugels samen en leggen aan de onderkant van de
bladeren langwerpige, gele eitjes in kleine hoopjes van zo'n 50 tot
70 stuks. In totaal worden er ongeveer 600 eitjes tegen de onderkant
van het blad geplakt. Enkele dagen later sterven de vlinders. Hun
levensduur bedraagt ongeveer drie tot vier weken. 14 dagen later
komen de ongeveer 2 mm lange rupsen uit het ei. Ze blijven eerst in
grote aantallen bij elkaar. Wanneer ze nu niet door de boeren worden
verdelgd zullen ze zich over het hele veld verspreiden en zullen ze
aan de koolplanten beginnen te knagen.
De rups groeit zeer snel hierdoor knapt hij meerdere keren uit zijn
huid. Hij vervelt viermaal voordat hij zijn uiteindelijke grootte
van 4 cm heeft bereikt. De volwassen rups is groenachtig met zwarte
stippen en vlekken. Over de lengterichting heeft hij drie gele
strepen. De rups heeft 13 ringen (segmenten). De rups heeft een paar
kleine voelsprieten op zijn kop en aan beide zijden zes minuscule
puntogen. Met zijn kaken kan de rups stukjes blad afsnijden. De
rupsen eten vaak tweemaal zoveel als hun eigen lichaamsgewicht en ze
groeien zeer snel. Bovendien slaan ze reservestoffen op. Aan de drie
borstsegmenten zitten drie paar borstpoten, deze zijn geleed. De
rups kan zich niet allen met zijn poten voortbewegen. Aan de derde,
vierde, vijfde en zesde achterlijfssegmenten zitten vlezige,
ongelede buikpoten. Aan het 14 segment, het laatste lichaamsdeel,
zitten ook een paar buikpoten. De buikpoten zijn bedekt met
chitinehaakjes, hiermee kan de rups zich vasthaken. Wanneer de rups
uitgegroeid is, verlaat hij het koolveld en gaat hij op zoek naar
een plaats waar hij zich kan verpoppen. Daarvoor legt de rups
dikwijls grote afstanden af. Een huis, een muurspleet of een boom
kunnen geschikte plaatsen zijn. De rups scheidt met zijn spinklieren
een spinstof af waarmee hij een klein hoopje draad vormt. De rups
hecht zich hier met zijn buikpoten aan vast en hij wikkelt een groot
aantal draden om zijn lichaam. Daarbij buigt rups zijn voorlichaam
ver naar achteren, hij maakt de draden aan zijn rechter- en
linkerkant vast. Hierdoor vormt zich een gordel om de rups. Dan
vindt er een 5e vervelling plaats, het chitineomhulsel scheurt open
en wordt afgestroopt.
De nu tevoorschijn komende pop brengt zich direct in veiligheid,
door zijn achtereind weer in het voorhanden zijnde hoopje draad te
boren. De zogenoemde gordelpop heeft een hoekige gestalte, die zich
naar achteren toe wigvormig toespitst. De pop is geelgroen van
kleur. Door de dunne chitinelaag kan men de contouren van de
vleugels, poten, zuigbuis en ogen al zien. Er is een wezenlijk
verschil met de poptoestand van de meikever. De pop, die helemaal
niet beweegt, neemt helemaal geen voedsel tot zich. In de cocon
vindt gedurende de winter de metamorfose tot vlinder plaats. De
organen waren in aanleg al in de rups aanwezig en ze ontwikkelen
zich nu met behulp van de vetreserves verder. Ook hevige kou heeft
geen nadelige invloed. In het volgende voorjaar bevrijdt de vlinder
zich uit zijn omhulsel. De vleugels hangen eerst slap naast het
lichaam, de chitinedeeltjes worden langzamerhand hard. Dan vult het
hele tracheeënstelsel (ademhalingsstelsel van insecten) zich met
lucht en kan het koolwitje zijn weg vervolgen.
Men onderscheidt een voorjaars- en een zomergeneratie. In het
voorjaar uitgekomen koolwitjes leggen hun eitjes op in het wild
groeiende kruisbloemigen zoals de pinksterbloem. Ze richten geen
schade aan omdat hun aantal wezenlijk kleiner is. De zomergeneratie
bezet de koolvelden. |
|
|
|
|
|
|