Krekels
leven in tegenstelling tot sabel-- en veldsprinkhanen meestal een
zeer verborgen bestaan. Overdag houden ze zich vaak in zelfgegraven
kuiltjes of in andere schuilplaatsen op.
Ze hebben lange voelsprieten en ze hebben hetzelfde tsjirpapparaat
en gehoororganen als de sabelsprinkhaan. Bij de krekel kunnen beide
dekvleugels als tsjirpader en als tsjirpkant worden gebruikt (beide
zijden kunnen dus als viool en als strijkstok worden gebruikt).
Het voedsel van krekels bestaat uit kleine dieren en uit
plantenwortels. De veenmol kan bijzonder veel schade aanrichten. Met
zijn tot schoppen omgevormde voorpoten graaft hij lange
gangenstelsels om bij de begeerde wortels te komen. De vrouwtjes
leggen maximaal 250 eitjes in onderaardse kamertjes. Ze bewaken
eitjes in de er op volgende weken. Gedurende deze tijd eten ze niet.
Krekels overwinteren als larven in de aarde in legbuizen die door de
vrouwtjes worden gegraven. Aan het eind van het voorjaar zijn ze al
volwassen. Hierdoor weerklinkt hun getsjirp 's zomers nog eerder dan
dat van de sabel- of veldsprinkhanen.