| |
De
kruisbek of loxia curvirostra
Stand-
en zwerfvogel. Iets groter dan een mus Opvallend zijn de korte,
diepgevorkte staart en de stevige, aan de punt overstekende
snavel. Mannetjes zijn geheel steenrood, met een felrode stuit;
vrouwtjes gelig tot olijfgroen met een gele stuit. Komt veel in
troepen voor. Verspreiding en woongebied : heel Europa, met
grote leemten in de verbreiding. In onze naaldbossen
onregelmatig voorkomend tot de boomgrens van de Alpen. Vaak
grotere invasies buiten het broedgebied van juni tot september -
invasietrekvogel. Leeft normaal gesproken in naaldbossen; duikt
ook vaak op in tuinen, parken en gemengde bossen. Voortplanting
: bouwt zijn nest hoog boven in naaldbomen. Legtijd voornamelijk
maar, april, maar kan in ieder jaargetijde broeden, afhankelijk
van de beschikbare hoeveelheid dennenappels. Eén legsel per
jaar. Twee tot vier witte eieren met een groenige of blauwige
glans, met bruine tot lila vlekken. Het vrouwtje broedt alleen
13-16 dagen en past dan één week op de jongen, terwijl het
mannetje voer aansleept. Daarna voederen beide partners de
jongen, die het nest na 14-22 dagen verlaten. De daaropvolgende
drie tot vier weken zijn de jongen nog van de ouders
afhankelijk. Voedsel : in de zomerperiode insecten, verder
meestal zaden van naaldbomen, die ook uit de kegels gehakt
worden. |
|
|
|
|
|
|