De
typische kwelders - een wirwar van slingerende geulen, prielen
en eilandjes met laaggroeiende vegetatie - vormen op beschutte
plaatsen langs de kusten een grensgebied tussen zee en
vasteland. Kwelders ontstaan overal waar wisseling van getijden
of waterstromingen het afzetten van sedimenten mogelijk maken.
Zoutverdragende planten helpen vervolgens mee slik en zand vast
te houden.
De
kwelder vormt een uitmuntend leefklimaat voor een groot aantal
laaggroeiende planten en ongewervelde dieren. Veel
kustvogelsoorten vinden hier hun voedsel. Steltlopers kunnen we
er in het slijk naar wormen en slakken zien zoeken. Tureluurs
nestelen in dichte graspollen; soms maken ze hun nest zo dicht
bij de vloedlijn dat het broedsel bij vloed wordt weggespoeld.
Sommige kwelders staan bij hoge vloed geheel onder water, zodat
vogels daar niet met succes kunnen nestelen. Andere kwelders
zijn hoger gelegen en lopen alleen bij extreem hoge vloedgolven
onder water. Kieviten, scholeksters, veldleeuweriken en
verscheidene meeuwensoorten broeden bij voorkeur op deze drogere
delen.
In de herfst komen andere steltlopers, zoals de
kanoetstrandloper en de groenpootruiter op de kwelder aan. Veel
vogelsoorten zijn hier slechts op doorreis. Ze komen uitrusten
en fourageren. Andere overwinteren hier. Zwermen vinken die het
op zaden gemunt hebben en zeeganzen en smienten die het zeegras
dicht bij de vloedlijn afgrazen, komen de gelederen versterken.
Slechtvalken komen 's winters naar de kwelders op jacht naar
vogels. Auroravlinders en koolwitjes komen op de kwelders voor,
evenals enige nachtvlindersoorten, spinnen, zeepieren,
hartmosselen en kleine strandvlooien. De hele vegetatie van de
kwelder heeft zich aan de zoutige omgeving optimaal aangepast.
Kwelders
zijn te vinden op beschutte plaatsen bij baaien, riviermondingen
en langs ondiepe kusten. Beneden de vloedlijn is het
kwelderstrand een gebied van geulen, prielen en zandplaten dat
iedere dag geruime tijd door de zee overspoeld wordt, zodat hier
alleen maar zeeplanten kunnen groeien. Maar boven de vloedlijn,
waar de grond alleen bij stormvloeden onder loopt, kunnen zich
zeer specifieke planten ontwikkelen. De zeezijde van de kwelder
is als het ware een strijdgebied tussen de aanstormende zee en
het vasteland. Er vormen zich slikheuveltjes van door de zee
aangevoerde sedimenten, die opgeworpen worden op plaatsen waar
wat rommel op het strand ligt of reeds wat zeegras of andere
zeeplanten aanwezig zijn. Eb- en vloedstroming omspoelen de
heuveltjes voortdurend aan alle kanten. Door aanslibben van
sedimenten worden ze groter en groter. Zoutverdragende planten
helpen erbij om slik en zand, die meegevoerd worden door de
landwaarts gerichte vloed en de zeewaarts gerichte eb met zijn
prielstroompjes, vast te houden. Langzaam hopen de sedimenten
zich op en ontstaan de kwelders, die zich stap voor stap
zeewaarts uitbreiden.
Zodra
de eerste planten op de kweldergronden zijn verschenen, komen er
al spoedig meer plantensoorten bij. Door het vasthouden van
nieuwe sedimenten wordt de kwelder hoger. De eerst ontstane
kwelders zijn zodoende droger dan de jongere. Zodra gras de
overhand krijgt, wordt de kwelder als weidegebied gebruikt, ook
al wordt het gebied nog door een groot aantal prielen
doorsneden.
Op natuurlijke wijze worden reeds ontstane kweldergronden steeds
droger. Omdat ze tevens zeer vruchtbaar zijn, heeft de landbouw
er veel belang bij deze gronden te ontginnen. Daarom worden er
dijken om de kwelder heen gelegd, wordt de bodem ontwaterd en
tenslotte omgeploegd. Kwelders behoren tegenwoordig tot de meest
bedreigde kustgebieden. Zij worden niet alleen door de boeren in
bezit genomen, maar ook misbruikt als vuilstortplaats. Gelukkig
worden ze nu veelal tot natuurgebied verklaard, zodat we mogen
hopen dat er een aantal behouden blijven.
|