|
In het land
van de bolle akkers ...
Was
het Waasland in de elfde eeuw nog een bosrijk gebied, waar het 'Koningsforeest'
heerste, vandaag is het een enorme moestuin. Waar ligt nu dat land dat zo
volledig van aanzien veranderde ? Nemen we een atlas ... daar, helemaal
tegen de Nederlandse grens aangedrukt, gevat tussen de Schelde, de Durme en
de Moervaart, vinden we het gebied. Het is een uitgestrekte laagte, zonder
hoogteverschillen. Alleen ten noorden van de Durme stijgt een kleine kam -
misschien is de term wat sterk, maar we bevinden ons hier tenslotte in het
'vlakke land' - tot een hoogte van 25 tot 35 meter. Het land van Waas heeft
zijn naam absoluut niet gestolen. Waas betekent immers slijkerige grond. En
inderdaad : heel de geschiedenis, heel de geologische structuur en heel de
ontginning van dit land zijn getekend door de alomaanwezigheid van het
water.
Het landschap is hier vredig. De velden welven in de eigenaardige vorm van
ezelsruggetjes, tussen de grachten die hun aanwezigheid verraden door de
lange rijen van ritselende populieren en knoestige knotwilgen langs hun
oever. Deze bomenrijen versperren de einder en men spreekt van een
bokagelandschap.
Die bolle akkers zijn niet het resultaat van een speling van de natuur. Ze
zijn daarentegen ontstaan uit de eeuwenlange arbeid van de mens, die ze uit
noodzaak deze vorm moest geven. Het terrein diende inderdaad opgehoogd te
worden om de afwatering van de ondoordringbare grond mogelijk te maken. Ook
de grachten hebben hun reden van bestaan : net als in de polders voeren zij
het regenwater af. De wilgen en populieren die de al te versnipperde akkers
afzomen, spelen eveneens een rol bij de drooglegging van de doordrenkte
bodem. Alles getuigt hier van de noeste werkkracht van de mens, die dit
uitgestrekte moeras omtoverde in een heerlijke moestuin. In dit eens
onherbergzame gebied bloeien de fruitteelt en de tuinbouw.
Temidden het gesloten landschap dat het grootste deel van het Waasland
uitmaakt, liggen, her en der verspreid, dorpen die zich uitstrekken
langsheen de wegen en enkel in de dorpskom wat breder uitwaaien. Buiten deze
vlekken stellen nette, verzorgde hoevetjes hun gebouwen in losse slagorde
op. Ze schuilen in het groen achter dichte hagen tussen de boomgaarden. In
het noorden, tegen de Scheldeoevers aan, ruimt het land van de duizend
populieren baan voor een echt polderlandschap : een wijdse, open vlakte ;
een deken van weiden en akkers, afgescheiden met grachten.
Dit landschap baadt nog in een onwerkelijke stilte, maar iedere dag meer
komt de industriële ontwikkeling van het nabijgelegen Antwerpen deze wat
mysterieuze sfeer verstoren. |