header_science

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Lattijnse letterkunde

 

De Romeinen klik hier

 

Latijnse letterkunde, verzamelnaam voor de literaire voortbrengselen in de Latijnse taal.

1. Klassieke periode

De Latijnse letterkunde in de klassieke periode is eigenlijk de letterkunde van de stad Rome, want hoewel de meeste Latijnse auteurs geen geboren Romeinen waren, heeft de stad toch steeds haar stempel op hun werk gedrukt. Evenmin als de cultuur van Rome in het algemeen, kan de letterkunde los gezien worden van de Griekse. De Grieken zijn de vormgevers van de literaire genres geweest, de Romeinen hebben ze overgenomen en soms verder ontwikkeld. Zo hebben deze laatsten m.n. op de geschiedschrijving, de retoriek, het epos, de elegie, de satire en het epigram een eigen stempel gedrukt. Met het oog op de verhouding tot de Griekse literatuur is het verder van belang op te merken, dat de Romeinen een synthese hebben weten te bereiken tussen de klassieke cultuurvormen zoals deze zich tussen de 7de en 5de eeuw v.C. in het Griekse moederland ontwikkeld hadden, en de verfijnde, naar virtuositeit en decadentie neigende vormen van het hellenisme uit de laatste eeuwen v.C. De eigen aard van de Romeinse geest, die in wezen afkerig was van overdreven individualisme en esthetisme en die gevoelig bleef voor de combinatie van het schone en het nuttige, heeft door deze synthese een cultuurvorm weten te scheppen die tot in de moderne tijd heeft doorgewerkt.

1.1 De Voor-Griekse fase (ca. 750–250 v.C.)

In deze periode komt de Latijnse literatuur niet boven het folkloristisch niveau uit. Er zijn anonieme cultus- en heldenliederen geweest, sagen en verhalen, spotliedjes en primitieve toneelvormen, optekeningen in proza in verband met de geschiedenis van de stad, maar hieruit heeft zich niet langs zelfstandige weg een eigenlijke kunst ontwikkeld. Daartoe was de bevruchting door de Griekse literatuur noodzakelijk.

1.2 Ontwikkeling en bloei (250 v.C. – 14 n.C., einde van de regering van Augustus)

Het eerste dichtertrio, Livius Andronicus, Naevius en Ennius, introduceerde in Rome de verschillende Griekse genres en legde zo de grondslag voor het ontstaan van de Latijnse literatuur. Livius Andronicus bracht de Romeinen in contact met het Griekse epos door de vertaling van de Odyssee van Homerus. Iets later bezong Naevius in epische vorm een nationaal onderwerp: de Eerste Punische Oorlog. Ennius behandelde in een groots opgezet episch werk, Annales, de geschiedenis van het Romeinse volk tot aan zijn eigen tijd. Het epos lag de Romeinen bijzonder goed. Het bood de gelegenheid gestalte te geven aan de traditie en de geschiedenis van de stad centraal te stellen. Vergilius heeft het Romeinse epos vervolmaakt. Hij bezong in zijn Aeneis een vaderlands onderwerp: de stichting en de grootheid van het Romeinse imperium en tegelijk de roem van Augustus, maar hij deed dit in een mythologisch kader, binnen het raam van de lotgevallen van Aeneas, de grondlegger van de Romeinse macht en de stamvader van Augustus.

Ook de toneelpoëzie is door Livius, Naevius en Ennius in Rome geïntroduceerd. De tragedie bereikte in de 2de eeuw v.C. haar hoogtepunt in de werken van Pacuvius en Accius, de komedie in die van Plautus en Terentius. In het algemeen werden Griekse onderwerpen behandeld; toneelstukken met Romeinse onderwerpen zijn nooit een succes geweest. Alleen het werk van Plautus en Terentius is overgeleverd. Plautus (zie foto) schreef voor het volk, Terentius voor de aristocratie. In de 1ste eeuw v.C. was het met de bloei van het Romeinse toneel gedaan. De belangstelling voor het circus verdrong die voor het theater. Het is merkwaardig dat wel twee vormen van primitief volkstoneel, de fabula atellana en de mimus, zich hebben weten te handhaven.

De systematiserende en organiserende Romeinse geest heeft zich bijzonder aangetrokken gevoeld tot de didactische poëzie, het leerdicht. Het meesterwerk op dit gebied is De rerum natura van Lucretius. Iets later in de 1ste eeuw v.C. dichtte Vergilius zijn Georgica. Verder zijn te noemen Horatius’ Ars poetica en – maar dan als een variant in het luchtige genre – Ovidius’ Ars amatoria.

De lyriek is in de Latijnse letterkunde niet sterk vertegenwoordigd. Catullus is de grootste Latijnse lyrische dichter, tevens de eerste die in Rome zijn persoonlijk gevoelsleven in onverholen en vaak schokkende vorm tot uitdrukking heeft gebracht. De andere grote vertegenwoordiger van dit genre, Horatius, probeerde het lied van de Oud-Griekse dichter resp. dichteres Alcaeus en Sappho in Rome te doen herleven. Zijn poëzie staat in het teken van de ‘aurea mediocritas’, de gulden middenweg, van de rijpe en levenswijze man.

De elegie was in Rome de poëzie van liefde en vriendschap, waarin de dichters hun eigen erotische ervaringen tot uitdrukking brachten. Tibullus en Propertius zijn de grote vertegenwoordigers van dit genre. In een volgende generatie gaf Ovidius een geheel eigen vorm aan dit soort poëzie.

De satire is als genre een eigen schepping van de Latijnse letterkunde. Zij was aanvankelijk niet per se hekeldicht, maar meer mengeling (satura) van onderwerpen en stemmingen. De grondlegger van het genre in Rome was Lucilius (2de eeuw v.C.), die zeer vrijmoedig was in zijn kritiek op de samenleving van die dagen. Horatius trok de lijn van Lucilius door. Zijn satiren waren echter sermones (praatjes), veel gemoedelijker van aard en zonder het accent van persoonlijke kritiek. Een variant was de zgn. Menippeïsche satire, een mengeling van proza en poëzie, die in de 1ste eeuw v.C. in Rome door Varro werd geïntroduceerd en in de volgende eeuwen nog vaker navolging gevonden heeft.

Retoriek en geschiedschrijving zijn de oudste vormen waaronder het proza zich voordeed. Cato (eerste helft 2de eeuw v.C.) was de eerste proza-auteur die als figuur grijpbaar is. Hij schreef over landbouw, geschiedenis en welsprekendheid. De grootmeester van het Latijnse proza was Cicero, die aan de redevoering en aan de theorie over de welsprekendheid haar klassieke vormen heeft meegegeven; tevens was hij degene die de Latijnse taal geschikt gemaakt heeft voor het uitdragen van Griekse filosofische gedachten en ten slotte was hij de grondlegger van de traditie van de briefliteratuur in Rome. De annalistiek, teruggaande op de traditie van de jaarboeken van de pontifices, bleef de geschiedschrijving in Rome beheersen tot in het monumentale werk van Livius Ab urbe condita, dat de geschiedenis van Rome jaar voor jaar tot aan zijn eigen tijd samenvat. Daarnaast kwamen de beschrijving van de eigentijdse geschiedenis en de monografie op: beide kregen gestalte in het werk van Sallustius. De biografie vond voorlopig haar vorm in het werk van Nepos. Caesar schiep het type van de commentarii in zijn rapporten over de oorlog in Gallië en de burgeroorlog tussen hem en Pompejus. Het geleerde proza vond zijn vertegenwoordiger in Varro (1ste eeuw v.C.), die ca. 70 werken schreef over onderwerpen van filologische, taalkundige en cultuurhistorische strekking.

1.3 Nabloei en vergaan (de keizertijd tot ca. 600 n.C.)

Deze periode bracht weinig verrassingen meer. In het algemeen was in deze tijd de kwaliteit van de productie omgekeerd evenredig aan de kwantiteit. Men greep niet meer terug op de Griekse modellen, want de Latijnse literatuur had nu zelf haar klassieken gekregen in figuren als Cicero en Vergilius, die voortaan door een aantal geesten van kleiner formaat werden nagevolgd en gevarieerd. Een ander kenmerk van deze periode is dat de literatuur geïsoleerd raakte van het leven, als gevolg van de retorische opvoeding in de declamatorenschool en de mode van de literaire salons, die de gemaniëreerdheid in de hand werkten. Deze invloeden deden zich zowel in het proza als in de poëzie gelden. De meest persoonlijke epische dichter van de keizertijd was Lucanus. In bewuste afwijking van Vergilius dichtte hij een historisch epos over de burgeroorlog tussen Caesar en Pompejus, met nadrukkelijke vermijding van alles wat naar mythologie zweemde. De latere epische dichters, zoals Valerius Flaccus, Statius en Silius Italicus, bleven daarentegen helemaal in het spoor van Vergilius. Begin 4de eeuw was Claudianus de laatste Latijnse dichter die nog eenmaal met succes de traditie van het klassieke epos trachtte te doen herleven. De tragedie is alleen vertegenwoordigd door de drama's van Seneca. De komedie was voortaan geheel verdrongen door de mimus en de pantomime. Het leerdicht bereikte niet meer het peil van de voorafgaande periode. Lucretius en Vergilius bleven de grote voorbeelden voor Manilius, Columella e.a. Op den duur kwam het zover dat de poëzie uit het leerdicht geheel verdween en het geversifieerde schoolboek van de middeleeuwen zich aankondigde. De lyriek vond nog een late vertegenwoordiger in Ausonius, die echter meer knap dan lyrisch was. Een parel te midden van de alledaagsheid is het uit 82 verzen bestaande anonieme gedicht Pervigilium Veneris (= De nachtwake van Venus), waarin op het einde van de oudheid nog eenmaal de beste tradities van de lyrische poëzie herleefden. De fabel kreeg in Rome haar meester in Phaedrus, het epigram in Martialis; de satire leefde nog eenmaal op in het werk van Persius en Juvenalis en de elegie vond nog eens een beoefenaar in Rutilius Namatianus, die als laatste in de rij van profaan-Latijnse dichters in het begin van de 5de eeuw n.C. in een gevoelvol gedicht zijn terugkeer beschreef van Italië naar zijn geboorteland Zuid-Gallië.

Seneca was de meest veelzijdige figuur onder de prozaschrijvers van de 1ste eeuw n.C. Als schrijver was hij modern, een exponent van de richting die een eigen weg probeerde te gaan en zich afkeerde van Cicero. Tacitus wordt terecht geroemd als de grootste Romeinse historicus, vooral op grond van zijn Annales en Historiae. Na hem is als historicus alleen nog Ammianus Marcellinus te noemen (4de eeuw), die echter niet bij hem in de schaduw kan staan. De briefliteratuur vond nog beoefenaars in Plinius en Fronto en later in Symmachus. Quintilianus schreef het meest befaamde retorische handboek van de oudheid, Institutio oratoria. Suetonius werd beroemd om zijn keizerbiografieën. De avonturenroman leefde voort in het Satyricon van Petronius en de Metamorphoses van Apuleius. De laatste was met Fronto de exponent van de archaïserende prozastijl in de 2de eeuw n.C.

De keizertijd kende een grote productie van boeken op de gebieden van wetenschap en techniek. Celsus schreef een grote encyclopedie, Plinius de Oude een geschiedenis van de natuur, Columella en Palladius handboeken over de landbouw. De rechtsgeleerdheid genoot een heel bijzondere belangstelling. Zo was Gaius de auteur van een beroemd geworden handboek over het Romeinse privaatrecht en is het Corpus Iuris Civilis, tot stand gekomen onder keizer Justinianus, de meest omvattende verzameling van Romeinse rechtsbronnen die is overgeleverd. Aan de andere kant kregen ook filologie en grammatica opvallend veel aandacht, getuige de werken van Gellius, Porphyrius, Donatus, Servius, Priscianus e.a. Boëthius is degene die de rij van de Latijnse prozaschrijvers afsluit (ca. 476–524).

2. Vroeg-christelijke Latijnse letterkunde

Deze had waarschijnlijk als uitgangspunt het Latijnstalige noordwestelijke gedeelte van Afrika. Zij ontstond in de tweede helft van de 2de eeuw n.C.; vóór die tijd bediende de christelijke kerk zich van het Grieks. Het Latijn werd het eerst gebruikt voor bijbelvertalingen. De vijandige houding van de toenmalige wereld bracht de christenen ertoe apologieën te schrijven waarin zij de aanvallen op hun geloof weerlegden. Nauw hiermee verbonden zijn de polemieken waarin de strijdpunten met de heidense godsdienst werden vastgelegd. Hierbij sluit zich aan een aanzienlijke historische, encyclopedische en filosofische literatuur, afgezien nog van de enorme rijkdom aan zuiver theologische geschriften. De poëzie wordt vertegenwoordigd door hymne, leerdicht en bijbels epos.

Op het gebied van apologetiek en polemiek moeten genoemd worden M. Minucius Felix, de jurist Tertullianus (ca. 160–220), Cyprianus (ca. 210–258), de eerste bisschop-retor van de Latijnse christenheid, Arnobius (ca. 300) en Augustinus van Thagaste (354–430), de belangrijkste en meest veelzijdige figuur van de christelijke Latijnse wereld. Een nieuwe Latijnse bijbelvertaling bewerkte Hieronymus (347–419), die o.a. ook de eerste christelijke literatuurgeschiedenis in het Latijn schreef. Zijn bewerking en voortzetting van de kroniek van Eusebius vormen de grondslag van de middeleeuwse wereldkronieken. Augustinus leverde in zijn De civitate Dei de eerste filosofie van de geschiedenis van christelijk standpunt uit gezien. Orosius schreef in vervolg hierop zijn Libri historiarum adversus paganos. De kroniek van Hieronymus is in de 5de en 6de eeuw nog door vele andere schrijvers voortgezet, o.a. door Cassiodorus (ca. 485 – ca. 580), die ook een geschiedenis van de kerk schreef. Het Frankische Rijk had zijn geschiedschrijver in de bisschop Gregorius van Tours (538 of 539–574), van wiens hand de Historia Francorum is.

Op het gebied van de encyclopedie van het antieke weten is bekend Martianus Capella (5de eeuw), die met zijn De nuptiis Philologiae et Mercurii een handboek voor de studie van taal- en letterkunde leverde. De Institutiones divinarum et saecularium litterarum van Cassiodorus is een handleiding voor theologische studie en voor die van de zgn. artes liberales. Paus Gregorius de Grote (ca. 540–604) schreef een leidraad voor de geestelijkheid, Regula pastoralis. Zijn Dialogen vormen een bron voor de heiligenverbeelding in legende en iconografie. De laatste in de rij is de bisschop Isidorus van Sevilla (ca. 560–636), wiens hoofdwerk, de Etymologiae of Origines, een beknopt overzicht geeft van alle wetenschappen en speciaal handelt over woordafleiding.

De belangrijkste filosofische geschriften in de christelijke Latijnse literatuur zijn van de hand van Augustinus en van Boëthius.

Op het gebied van de dichtkunst moeten allereerst de talrijke bewerkingen van gedeelten uit de bijbel worden genoemd. De belangrijkste leerdichters waren Commodianus (5de of 4de eeuw; in het laatste geval is hij de oudste christelijke Latijnse dichter) en Prudentius Clemens (348–na 405), wellicht de grootste onder de christelijke Latijnse dichters. Hilarius van Poitiers (gest. 367) geldt als de eerste hymnendichter in de Latijnse wereld. De schepper van het liturgische kerkgezang echter was Ambrosius van Milaan (gest. 397).

3. Middeleeuws-Latijnse letterkunde


Hieronder wordt verstaan de letterkunde die dateert uit de periode van ca. 600 tot ca. 1300. In de 6de eeuw ontwikkelden de volkstalen zich uit het vulgair Latijn en bleef het Latijn alleen nog leven onder de res publica clericorum, de gemeenschap der geletterden (zie ook Latijnse taal). Britse geestelijken werden op het continent de dragers van de Latijnse literaire traditie (Columbanus, gest. 615; Beda, gest. 735). De belangrijkste onder hen was Alcuinus van York (ca. 735–804), die grote invloed uitgeoefend heeft aan het hof van Karel de Grote. De slaafse bewondering voor de antieke schrijvers leidde dikwijls tot imitatie, bijv. bij de geschiedschrijver Eginhard (ca. 800). Lupus van Ferrières (ca. 805-ca. 862), tekstkritisch en theologisch auteur, schreef een krachtig Latijns proza. Het is vooral de hymnenpoëzie geweest die een rijke bloei beleefd heeft. Het grootste deel van deze poëzie (bijeengebracht in de Analecta hymnica medii aevi d. G. Dreves en C. Blume, 55 dln., 1866–1922) is anoniem. De profane tegenhanger van de religieuze lyrische poëzie is te vinden in de vagantenlyriek: schertsende, satirische en erotische liederen, zoals de Carmina cantabrigiensia en de
Carmina burana. In de 13de eeuw kwam de literatuur in de volkstaal op en werd het Latijn tot een vaktaal van de scholastici. Hiervan zijn de belangrijkste vertegenwoordigers: Petrus Abaelardus (1079–1142), Bernardus van Clairvaux (1090–1153), Albertus Magnus (1193–1280), diens leerling Thomas van Aquino (1225–1274) en Johannes Duns Scotus (1265–1308). Als laatste middeleeuws-Latijnse schrijver kan wel beschouwd worden de mysticus Thomas van Kempen (ca. 1380–1471).

4. Humanistische of Neo-Latijnse letterkunde

Niet alleen in de taal-, maar ook in de letterkunde zochten de humanisten aansluiting bij de klassieken: alle antieke genres werden tot nieuw leven gewekt. Mussato bijv. dichtte de eerste moderne tragedie (Ecerinis), Petrarca beoefende talrijke genres in proza (brief, dialoog, invective) en poëzie (epos, brief). Tegelijk werden nieuwe of vernieuwde genres beoefend: de novelle (Aeneas Sylvius) en roman, van utopie (Morus, Gott, Holberg) tot zedenroman (Barclay) en politieke allegorie (Dugonics), de vissersecloge (Sannazaro), de bijbelepiek (Vida), het embleem (Alciato), de tragikomedie (L. da Cruz [Crusius]) en andere toneelvormen (Macropedius, Naogeorgus), enz.

Tot ca. 1530 bloeide de Neo-Latijnse letterkunde vooral in Italië (Ferrara, Florence, Rome, Napels); vanaf ca. 1500 veroverde zij geheel Europa, vooral de Germaanse landen, Bohemen, Hongarije en Polen, waar zij tot diep in de 17de eeuw een voorname rol speelde. Overal werd de literatuur in de volkstaal er diepgaand door beïnvloed. Na 1550 ontstond ook een Latijnse literatuur in Amerika, die op het einde van de 18de eeuw in Mexico haar hoogtepunt kende. Vanaf Petrarca en Boccaccio zijn de Neo-Latijnse auteurs vaak tweetalig (Latijn/moedertaal). In de Nederlanden waren dit bijv. Beaumont, J. Cats, L. de Meyere, Dousa sr., D. Heinsius, C. Huygens, A. Sanderus, D.J. van Lennep. De Neo-Latijnse letterkunde is in feite nooit gestorven. Als academische verpozing werd (M.A. Caro, W.S. Landor, G. Pascoli) en wordt zij nog door tal van latinisten beoefend (zo verscheen in 1961 een Latijnse vertaling van A.A. Milnes beroemde kinderboek Winnie-the-Pooh).

Zeer belangrijk is de wetenschappelijke literatuur: geografie (Mercator, Ortelius, Vespucci, Waldseemüller), astronomie (Copernicus-zie foto, Kepler, Galilei, Boscovich), wis- en natuurkunde (Napier, Newton, Galvani, Euler, Gauss), geneeskunde (Vesalius, Harvey, Fracastoro, Morgagni), plantkunde (Dodoens, Linnaeus), recht (Pufendorf, Grotius, Gravina), staatkunde (Modrevius), wijsbegeerte (Pomponazzi, Campanella, Telesio, Gassendi, Descartes, Bacon, Wolff, Schopenhauer). Ten slotte werd een groot deel van de Europese literatuur in Latijnse vertaling verspreid: Dante, Boccaccio, Ruusbroec, Elckerlyc, Fénélons Télémaque, enz.

In de Nederlanden is er een bijzonder rijke Neo-Latijnse literatuur geweest van 1500 tot ca. 1800. Tot de belangrijkste auteurs behoren R. Agricola, Erasmus, Grapheus, Macropedius, Secundus, Lipsius, Dousa, Heinsius, Vernulaeus, Meursius, Hosschius, Vossius, Francius, Broekhuizen en Hoeufft. In de loop der tijden zijn er talloze studies over afzonderlijke genres, landen, perioden en auteurs verschenen. De bibliografie van J. IJsewijn in de Handelingen van de Koninklijke Zuid-Nederlandsche Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, XVII (1963), XIX (1965) en XXIII (1969) is voorlopig. Voor de lopende bibliografie is men aangewezen op die van het humanisme en van de klassieke, Germaanse, Romaanse en Slavische filologieën. Nuttige diensten bewijzen Neo-Latin News, supplement bij Seventeenth Century News en Humanistica Lovaniensa. In 1971 werd te Leuven het eerste internationale congres voor Neo-Latijnse studies gehouden.

 

 

De Romeinen klik hier

 

Footer worldwidebase



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009