|
Alle in het wild levende dieren en planten leven in specifieke
leefomgevingen of biotopen, waar de heersende omstandigheden met
de behoeften van de desbetreffende soorten overeenkomen. Een
leefomgeving kan gedefinieerd worden als de plaats waar een
bepaalde dier- of plantensoort het beste kan leven en zich
vermeerderen. De specifieke eigenschappen van een leefgebied
worden door geologische en klimatologische omstandigheden
bepaald. Deze zijn beslissend voor welke planten daar groeien en
daarmee uiteindelijk ook voor welke dieren er kunnen leven.
Door de rijkdom en verscheidenheid aan geologische
omstandigheden in Midden-Europa komt hier een groot aantal
verschillende leefgebieden binnen een relatief klein gebied
voor. Zonder daarvoor ver te hoeven reizen kan men zulke
verschillende leefgebieden vinden als zeekusten, stranden,
moerassen, wadden, rietlanden, rivierbossen, heidevelden en
venen, bosjes en wouden, rivieren, meren, beken en hun oevers,
weiden en graslanden, middel- en hooggebergten.
Elk van deze landschappen heeft niet alleen zijn eigen planten-
en dierenwereld, maar variëren ook nog al naar gelang hun
toestand; een strand kan bijvoorbeeld zandig of stenig zijn en
een bos kan uit naald- of loofbomen bestaan.
Naast natuurlijke leefgebieden bestaan er nog vele andere, die
onder invloed van de mens zijn ontstaan. kanalen en stuwmeren,
zand- en kiezeluitgravingen, maar ook steengroeven, houtwallen
en parken zijn het werk van de mens, evenals steden en andere
nederzettingen en, op kleinere schaal, boerderijen en tuinen.
Het zal velen verrassen dat sommige leefmilieus zoals
heidevelden, die over het algemeen als oorspronkelijk gezien
worden, in werkelijkheid honderden jaren geleden door de mens
zijn geschapen toen hij het bos kapte.
Men moet de gecompliceerde interacties van de verschillende
factoren die bepaalde leefmilieus vormen zeer goed kennen om ze
voor het welzijn van alle dieren te kunnen verzorgen en behouden
('biotoopmanagement').
Voordat vele honderden miljoenen jaren geleden het leven op
aarde ontstond, vormde het vaste land één groot aaneengesloten
blok. Gedurende miljoenen jaren veroorzaakten spanningen binnen
de vloeibare kern van de aarde het openbreken en bewegen van
haar harde buitenlaag (de korst). Aan de randen van de ontstane
schollen beefde de aarde, ontstonden bergketens en barstten
vulkanen uit. Sinds ongeveer 40 miljoen jaar geleden, lang nadat
het leven op aarde begonnen was, ontstonden de continenten in de
vorm waarin we ze nu kennen.
Door de veranderingen in de verdeling van de continenten, de
geologische toestanden en de daarmee samenhangende
klimatologische gevolgen, ontstonden in de diverse gebieden
uiterst verschillende milieuomstandigheden en leefgebieden. In
veel gebieden zorgde een ideale verhouding tussen zonneschijn,
regenval en gematigde temperaturen voor goede
groeiomstandigheden. Op sommige plaatsen was het zeer koud,
zodat de aarde bijna het hele jaar met sneeuw en ijs bedekt was.
Op andere plaatsen was het daarentegen onverdraaglijk heet; daar
scheen bijna doorlopend de zon en regende het weinig. Sommige
gebieden lagen hoog boven de zeespiegel, terwijl op andere
plaatsen zich gigantische vlakten uitstrekten, die zich
nauwelijks boven het oceaanoppervlak verhieven.
In al deze gebieden, de zeeën zelf inbegrepen, ontwikkelden zich
een typische fauna en flora. Tegenwoordig blijkt uit onderzoek
steeds duidelijker, dat de aard van de diverse leefgebieden op
aarde, zoals poolstreken, woestijnen, gebergten, grote meren,
rivieren en de verschillende typen bossen en zeeën, bepalend
zijn voor het leven dat zich daarin afspeelt. |